Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘zorg’ Category

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Advertenties

Read Full Post »

 

Maar wat als je toevallig een minder fijn zelf hebt en dat toch moet zijn? Ik was beslist de enige niet, die zich af en toe het hoofd brak over de hardnekkige ontevredenheid van mevrouw D., een alleenstaande dame van rond de honderd, die na een lang en zeer zelfstandig leven uiteindelijk hulpbehoevend was geworden. Met onze hulp werd zij elke morgen uit bed gehaald, opgefrist, van een ontbijt voorzien en naar de zitkamer begeleid, alwaar zij de dag liggend op de bank doorbracht. Kort na twaalven maakte één van ons voor haar een lunch klaar, tegen zessen kwam iemand een halve kant-en-klaar-maaltijd voor haar opwarmen en voor de nacht werd zij weer in haar pyjama gehesen en in haar eigen bed te ruste gelegd.

Steevast werden deze “algemene dagelijkse levensverrichtingen” door haar van commentaar voorzien. Niets was naar haar zin en nergens had zij zin in, maar omdat zij een buitengewoon plichtsgetrouw karakter bezat, moest alles niettemin zeer zorgvuldig worden uitgevoerd. In mijn ogen klopte daar iets niet: de liefdevolle gebaren, waarmee zij het kommetje Brinta leeg schraapte (haar lepel was aan één kant scheef afgesleten!), staken af tegen het schaamteloze misprijzen waarmee zij de pap in ontvangst had genomen. Eigenlijk verwachtte ik haar te zien likkebaarden als een poes, na het laatste hapje. Maar nee, al snel was er wel iets anders om op te mopperen.

Vaak trad op een zeker moment een soort meta-onvrede in werking. Mevrouw was namelijk op latere leeftijd “tot de Heer gekomen” en werd er door haar geloofsgenoten trouw op gewezen dat zij dankbaar moest zijn. Maar zij was nu eenmaal niet blij. Nergens mee, waarschijnlijk ook niet met zoiets abstracts als het zoenoffer op Golgotha, waardoor haar zonden waren uitgewist. Die ondankbaarheid nam zij zichzelf zeer kwalijk en daarmee richtte het misnoegen over Alles zich tenslotte op haar eigen zelf. Zij was zoals ze was en dat was niet goed. Zelfs de dood van Christus leek daar niets aan te kunnen veranderen en dat was erg, erger, allerergst. Deze zelfkastijding, waarvan ik regelmatig getuige moest zijn, vond ik het moeilijkste moment van de verzorging. Ik ben dan wel een stuk tastbaarder aanwezig dan haar Jezus, maar als die haar al geen vrede met zichzelf kon geven, wie dan wel?

Sommige van mijn collega’s meenden wel te weten waar die onvrede vandaan kwam. “Dat is toch onvoorstelbaar: dat je honderd wordt en in je hele leven nooit één keer seks hebt gehad?” zei A., die zelf overduidelijk niet tekort gekomen was en tegelijkertijd onbevangen genoeg om mevrouw D. daarnaar te vragen. Ook I. vroeg zich af of niet alles anders geweest zou zijn, als mevrouw op zeker moment een leuke man zou zijn tegengekomen. “Of een leuke vrouw,” opperde ik. “Ach ja, natuurlijk! Sorry!” verontschuldigde zij zich nog. Maar eigenlijk deed ook dat er niet toe: mevrouw had een milde vorm van smetvrees, en dat is meestal een contra-indicatie voor seks als remedie.

In de dagen vlak voor haar 102-de verjaardag dacht ik nog maar eens na over het onbehagen van mevrouw D., en ik verdwaalde in een pakhuis vol herinneringen aan ontmoetingen met mensen die niet blij waren met het leven en het ook met zichzelf niet getroffen hadden. Daar kwam ik ook prachtige verhalen tegen, zoals De vijf zinnen van Karel van de Woestijne, waarin boer Nand op zijn sterfbed ligt, terwijl het in hem weent en drenst: “Ik zal toch wel nooit mijnen wél hebben.” In zijn eenzaamheid komt een breugheliaanse processie van zintuiglijke herinneringen hem het medicijn indruppelen, waardoor hij toch niet bang en verongelijkt zal hoeven doodgaan, zoals de stadgenoot in het gedicht van Jan Elburg.

Ook al hoort mevrouw D. voor mij inmiddels bij “mijn oude werk”, toch ging ze mij voldoende aan ’t hart om haar even een bezoekje te brengen aan de vooravond van haar verjaardag. Met een eenvoudig bosje duizendschoon heb ik een uurtje bij haar gezeten. Ik las haar de verjaarkaarten voor, die ik van de mat geraapt had, en we hebben een paar oude liedjes gezongen, die we allebei kenden. Echt praten was te lastig vanwege haar te ruim zittende gehoorapparaatje. De stiltes waren bijna vredig en ze sprak het woord “duizendschoon” uit met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee ze altijd het laatste restje pap uit haar kommetje schraapte. Niks bang, niks verongelijkt.

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Zand erover

 

Om te beginnen dit: ik mag natuurlijk niet klagen, en dat zal ik ook niet doen. Het is mijn werk om er voor mijn cliënten te zijn en ik doe het met liefde. Maar dat neemt niet weg dat ook de liefde vermoeidheid kent. Bij sommigen gaat, zodra ik binnenkom, de klep om te zeuren open en niet weer dicht voordat ik de deur uit ben. Of ik kan me een half uur lang als een Assepoester rond laten commanderen, met een vanzelfsprekendheid waar ik niet van terug heb. Het geschal en geschetter van een narcistische loftrompet verduren hoort er ook bij. Eén uur en vijftig minuten lang een stortvloed van verbale agressie (niet persoonlijk bedoeld) absorberen: it’s all in a day’s work bij de thuiszorg.

Als ik na vijf, zes uur werken thuiskom, voel ik me soms net een emmer, een deurmat, of een dweil. Maar daar wil ik het hier niet over hebben. Genoeg hierover. Het kan ook heel anders.

Vandaag was ik vrij, maar ik checkte toch even snel het medewerkerportaal om te zien of mijn andere vrije dagen niet achter mijn rug dichtslibden met werkroosters. Er zijn veel zieken. Zo kwam het dat ik het berichtje las over de dood van meneer S., die vannacht thuis is overleden. Volgens goed joods gebruik was vanmiddag de lewaje (begrafenis). Ik kon, dus ik ging. Zo zag ik hoe het lichaam van een mens, die ik eergisteren ’s morgens nog in de kleren had geholpen, in een mum van tijd  terugkeerde  naar de aarde waaruit wij allen voortgekomen zijn. Een kiezelsteentje op de zandhoop en weer naar huis.

In de korte toespraak die aan de teraardebestelling voorafging, vertelde de leider van de uitvaart, dat het vandaag één van die feestelijke momenten in het joodse jaar was, waarop treuren eigenlijk verboden is. Er zouden daarom geen hespediem (rouwredes) worden gehouden en ook zouden enkele van de gebruikelijke gebeden worden geschrapt. “Niet om af te doen aan de verdiensten van de overledene, maar omdat op Rosj Chodesj (de eerste van de maand) de poorten van de hoogste hemel toch al openstaan.” Nu de zon ondergaat voel ik me vrij om toch iets te zeggen over de man die we vandaag uitgeleide hebben gedaan uit het land der levenden.

Toen ik hem voor het eerst zag, had hij al een hele reeks schermutselingen met de dood achter de rug. Hoewel lichamelijk ernstig verzwakt, maakte hij op mij een wonderlijk levenskrachtige indruk. Die eerste avond kon ik niet veel voor hem doen, want de dagzorg had hem al naar bed gebracht. Wat ik wel deed, was nog een uurtje bij hem blijven, tot zijn dochter kwam. In dat uur heeft hij me een stuk van zijn levensverhaal toevertrouwd en mij daarmee een zeldzaam gevoel van intimiteit gegeven. De volgende keer dat ik kwam, wist hij zowaar mijn naam nog en vond hij dat het zijn beurt was om mij te bevragen.

Ik vertelde hem over mijn weg naar opname in het Jodendom en kon vanaf dat moment op zijn steunende belangstelling rekenen, ook al was hij zelf ‘orthodox‘ en ik niet alleen een bekeerlinge, maar ook nog eens bij een meer-dan-liberale club. “Nog vele jaren Pesach,” wenste hij me een paar weken geleden nog, terwijl hij liet merken dat hij twijfelde of wij elkaar nog terug zouden zien. Niet alleen op godsdienstig vlak toonde hij mij respect, ook als vrouw voelde ik mij door hem gezien. Al was hij een eind in de tachtig, hij maakte nog graag een ondeugende opmerking, maar altijd leuk en charmant. Zelfs op het allerlaatst, toen hij knorriger en ongeduldiger werd, kostte het mij geen enkele moeite de gentleman in hem te blijven zien.

Zo zal ik me hem dan ook herinneren.

Read Full Post »

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Read Full Post »

03122016a

Vroeger was ik heel bescheiden: telkens wanneer ik de uitdrukking “de brutalen hebben de halve wereld” hoorde, vulde ik die geruststellend aan met “goed, maar dan blijft de mooiste helft voor ons over”. Met de jaren ben ik zelf wat brutaler geworden en kwam ik erachter dat die andere helft ook z’n charme heeft. Gisteravond nog bracht m’n chotspe me een moment dat ik voor geen goud had willen missen.

Al dagen liep ik met een verstopte neus en een keelontsteking rond, of liever: ik lag ermee onder een deken. Daar kwam ik alleen nog onder vandaan om een crematie bij te wonen of om mijn werk te doen. Dat kan nog net, als je nauwelijks kunt praten, maar je nog wel van het ene huis naar het andere kunt slepen. Voor zover ze geen doodsangsten uitstonden vanwege de wolk van bacillen die zij zich rondom mijn hoofd voorstelden, was het lekker rustig voor de mensen. En soms nog grappig ook, om met gebarentaal te moeten communiceren.

Tegen tienen stapte ik bij mijn laatste cliënt de kamer binnen. Mevrouw is stokdoof en zit meestal tegenover de tevee te dommelen. Dit keer kon ik haar niet wakker roepen, dus schudde ik zachtjes aan haar schouder. Blijde schrik, zoals altijd. “Even m’n gehoorapparaatjes indoen,” riep zij, en toen wist ik dat ik het niet kon maken om haar het gebruikelijke praatje te onthouden. Nadat ik haar steunkousen had uitgedaan, begonnen we over de gebruikelijke ditjes en datjes. “Wil je misschien iets drinken?” vroeg zij tussendoor en keek me vragend aan. Ik keek vragend terug, wachtend op de opsomming van wat ze mij kon aanbieden. Toen die niet kwam, vroeg ik zomaar opeens: “Heeft u cognac in huis?”

Cognac tegen verkoudheid en griep! Met heet water en een beetje suiker. Ik moest het zelf maar klaarmaken, want mevrouw is niet meer zo mobiel. Ooh, wat was dat lekker! Terwijl ik genoot van de warme gloed, die zich vanuit mijn maag naar al mijn poriën verplaatste, vertelde mevrouw over een vriend, die op wonderbare wijze genezen was van slokdarmkanker. Ook door cognac? Nee, twintig chemo’s en nog een stuk of wat bestralingen. Maar nu is hij er dan ook helemaal van af. Alleen, hij mag geen cognac meer drinken. Ach! Ik hief mijn mok op de gezondheid van die vriend en sneed een ander onderwerp aan: lezen.

Mevrouw was net jarig geweest en had weer een aantal boeken gekregen. Ze leest graag en veel, dat is een zegen als je lichamelijk niet meer zo makkelijk van je plek komt. Wij bleken één gemeenschappelijke interesse te hebben: biografieën. Verder wijken we nogal van elkaar af. Of zij wel eens gedichten las, vroeg ik luid, want inmiddels weer aardig bij stem. Nee, dat deed zij eigenlijk bijna nooit. Hier had het gesprek (tijdelijk) dood kunnen lopen, maar ik had nog een brutale vraag achter de hand. “Heeft u dan ook geen lievelingsgedicht?” Ja, dat had ze toevallig wel en voor ik het wist stond zij op, waarbij haar knieën knarsten als kiezels die barsten onder een traag draaiend karrenwiel.

Ze kwam terug met een bruine map, waaruit zij twee vergeelde en verfomfaaide krantenknipseltjes tevoorschijn haalde, die ze voor mij op tafel legde. “Die had ik ooit eens uitgeknipt, omdat ik dacht: dat zou mooi zijn om op mijn begrafenis te laten lezen.” Hopelijk zullen de mensen die om haar begaan zijn dat ook doen. Ik mocht nu al:

 

03122016b

Read Full Post »

Geregelde vrijheid

05112016

“Ah, da is das tahlenwunder wehr!” roept de mevrouw vanuit haar fauteuil bij de televisie, wanneer ik binnenkom. Meteen zet zij het geluid zachter, dan kunnen wij tenminste praten. Terwijl ik haar “nachtklaar maak”, praten we beiden snel en druk over van alles en nog wat, Duits en Nederlands door elkaar. Zij is historica en geïnteresseerd in politiek en literatuur, ik breng mijn passie voor taal en poëzie in. We vinden elkaar het gemakkelijkst in een gedeelde liefde voor citaten. Haar favoriet: “Das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.” Van Goethe.

Een vriendin van mij, die van dezelfde generatie is als mijn mevrouw, gruwt van een dergelijke uitspraak. Zij is erg op haar autonomie en haar onafhankelijkheid gesteld. Met haar zat ik onlangs in mijn soeka en zo nu en dan probeerde ik haar iets uit te leggen over de regels en rituelen, het ritme van feesten en vaste liturgische handelingen, die zo kenmerkend zijn voor het Jodendom. Telkens weer verbaasde zij zich erover dat ik die dingen niet als opgelegd bleek te ervaren. Het zou niets voor haar zijn.

Afgelopen week zat ik aan tafel met mijn rabbijn. We hadden het over seks voor het huwelijk. Metaforische seks: ik ben weliswaar verloofd, maar nog niet getrouwd met het Jodendom. In die zin is er veel dat pleit voor seks voor het huwelijk, maar evenveel dat je kan doen besluiten met sommige handelingen nog even te wachten. De minhagiem (gewoonten) helpen daarbij: het is goed dat ook de meest progressieve joodse gemeente haar best doet inclusief te zijn, zonder de exclusiviteit van het Jodendom te laten varen. Juist het feit dat we een volk zijn, met wetten en regels, geeft ons vrijheid in ons hoofd. Die ben je kwijt zodra een geloof de verbindende kracht wordt.

Mijn vriendin zoekt gemeenschap in geestverwantschap, ik vind haar in het zingen van dezelfde gebeden en het koesteren van dezelfde verhalen. Wat zich daarbij afspeelt in de hoofden van de mensen met wie ik dat doe, doet er niet toe. Je kunt als jood agnost of zelfs atheïst zijn en toch naar sjoel gaan. Ik ben heel blij met die enorme vrijheid en daarom ook met al die irrationele regels, die deze vrijheid waarborgen. Heerlijke paradox!

In mijn persoonlijke situatie op het werk (waarvan al iets in mijn berichten doorschemerde) lijkt dit principe zich ook voor te doen. Wij zijn in transitie, heet het, wij zijn bezig een zelfregulerend team te worden. Dingen die vijf jaar geleden nog goed geregeld waren, worden overboord gekieperd. De toekomstige kaders en richtlijnen zijn de financiële targets en onze verantwoordelijkheid daarvoor, verder moeten we alles zelf zien te regelen. Geeft dat ons vrijheid? Met het wegvallen van rust, reinheid en regelmaat neemt vooral de onderlinge onrust toe. Laat anderen voor zich spreken, maar ik merk bij mijzelf het volgende: hoe groter die onrust buiten mij, hoe onveiliger en hoe minder beweeglijk ik mij van binnen voel. Ik heb mijn vrijheid liever goed geregeld.

 

Read Full Post »

Older Posts »