Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘zorg’ Category

Verstandig?

 

Mijn verstand stond niet op nul. Integendeel, bijna had ik te lang de voors en tegens overwogen. Men kan ook té bedachtzaam zijn. Vrijdagmiddag om drie uur dacht ik: “Kom op, wees niet zo kinderachtig! Je wilt het toch?” Snel liep ik naar de overkant, naar kantoor, om zijn sleutel op te halen. “Stel je voor, straks bedenk je je nog!” Mijn collega’s keken even op van hun beeldschermen en ik zei: “Ik ga even kijken of meneer L. zin heeft in een ommetje. Het is zulk mooi weer.” Daar had je het weer: ik oogstte al bewondering voordat ik überhaupt iets had gedaan. Misschien zou ik hier over vijf minuten alweer staan, omdat ik die ouwe brompot niet had kunnen overhalen even samen naar de jonge futen te gaan kijken.

Waarom had ik zo lang geaarzeld? Waar gingen mijn bedenkingen eigenlijk over? Was ik vooral bang dat men mij onprofessioneel zou vinden? Of overdreven? Vreesde ik misschien dat ze zouden denken dat er meer achter zat dan alleen maar een altruïstische geste? Misschien was dat wel zo, want ik voelde duidelijk vanuit mijzelf de behoefte om het eens gezellig met hem te hebben, in een domein dat de intimiteit die de zorg al bood zou overstijgen. Was ik dan bang voor afwijzing van zijn kant? Hij was tenslotte, alle flirterige grapjes ten spijt, niet iemand waar je makkelijk dichtbij komt. Eigenlijk precies zoals ik ze wil hebben.

Wat was het dan? Waarschijnlijk was ik vooral, en niet geheel ten onrechte, bang dat mijn gebaar zijn verwachtingen van mij en van de thuiszorg zou ontregelen. Wat haalde ik me op mijn hals, als hij me zou gaan claimen voor van alles waar binnen de reguliere zorg geen tijd en geen geld voor is? Zou ik hem dan toch al gauw weer teleurstellen, waarna hij weer in zijn verongelijkte zelf zou terugkruipen? Mokkende ouwe man. Mijn mokkende ouwe man.

Hij zat te somberen in zijn achterkamer, toen ik (niet te vrolijk, daar houdt-ie niet van) binnenstapte. Terwijl ik mijn voorstel deed en hij het overwoog, meende ik te merken dat wij ons allebei heel even gelijkelijk kwetsbaar voelden. Even speelde hij nog hard to get, of zag hij er eigenlijk gewoon tegenop? Somberen ging hem beter af dan iets gezelligs gaan doen. Alweer, heel even: waar begon ik in godsnaam aan? Bijna had ik het opgegeven, toen hij – zonder me aan te kijken – aanwijzingen begon te geven: de voetsteunen voor zijn rolstoel lagen daar, en hij wilde het rooie jack aan, want de wind was misschien toch wat koud.

Vanaf dat moment zat ik een uur lang in mijn groove. Hij in zijn rolstoel voor me uit, zodat we elkaar niet aan hoefden kijken, wel zo makkelijk. “Kijk! Ziet u ze, de jonge futen?” “Nee, die kant langs, blijf toch maar een beetje in de zon.” “En nou naar rechts.” “Naar het Stadionplein?” “Ja, misschien kunnen we daar wel een ijsje eten.” Na het ijsje reden we nog helemaal om het Olympisch Stadion heen. Hij verwonderde zich over de huizen aan de Afroditekade en vlak voordat we de weg naar zijn huis overstaken, keek hij genietend naar een oude iep, waar zon en wind naar hartelust mee stoeiden. “Wat een prachtige boom!”

Toen ik hem uit zijn jack begon te helpen, gaf hij nog een aanwijzing. “Ach, zo,” zei ik, “dan weet ik dat voor de volgende keer.”

Die volgende keer komt niet, nooit. In de nacht van de afgelopen sjabbat is hij zomaar opeens doodgegaan. Voor het eerst sinds tijden ben ik echt verdrietig. Samen met mijn vaste collega van de avond zei ik – op zijn verzoek – “een gebedje” voor het raam van het lege huis. De collega’s van de dag waren ook geschrokken, neem ik aan, want ze “vroegen zich af, was dat wel zo verstandig, een cliënt meenemen om te wandelen in je eigen vrije tijd?” Het duurde meer dan een dag, voordat het tot me doordrong wat zij daar misschien wel mee bedoelden.

Advertenties

Read Full Post »

12052019

 

Door mijn werk heb ik een vertekend beeld van de ouderdom, ik weet het. Talloze tachtigers leiden een zorgeloos zwitserleven, zonder dat ik het in de gaten heb. Overal waar ik kom sijpelt urine langs enkels, alsof het aan mij, aan mij alleen te wijten is. In mijn wijk vol hoogopgeleiden is bovendien het merendeel van de bejaarden min of meer stevig aan de drank. Een even troostrijk als troosteloos vooruitzicht. En toch vind ik mijn werk leuk. Pappen en nat houden, met een sprankje zwarte humor. Grimlachend leef ik met mijn oudjes in hun verleden en hun hier en nu, op een heel eigen manier onbekommerd.

Door mijn eigen leven heb ik ook een vertekend beeld van het ouder worden. Mijn ouders stierven beiden jong. De goden zullen hen liefgehad hebben. Misschien hadden ze het met mij ook goed voor, want anders dan veel van mijn generatiegenoten ga ik niet gebukt onder de last van mantelzorg. Ik weet nog net wat het is om kinderen groot te brengen en uit te laten vliegen, sidderend van vreugdevolle verwachting en van vrees. Je moet er maar op vertrouwen dat zij het leven aan zullen kunnen, met al zijn klippen en kuilen. Als jij dat niet doet, hoe moeten zij dat dan voor elkaar krijgen?

Wellicht is het met de laatste levensfase van je ouders ook zo: je moet er maar op vertrouwen dat ze het kunnen, aftakelen, tot ze klein genoeg zijn om door het oog van de naald naar de andere wereld te reizen. Maar hoe moeten mijn leeftijdgenoten dat doen, in de wereld van vandaag?

Er is iets met de wereld gebeurd, waardoor vertrouwen een schaarse grondstof is geworden. Heel even heeft Jan Terlouw ons opgeschrikt, toen hij twee jaar geleden begon over het touwtje uit de brievenbus, maar het knallen van de zweep van de vooruitgang heeft hem alweer overstemd. De maakbaarheidsgedachte hangt als een half afgemaakte zin in de lucht en we zijn – heel innovatief – alweer met een volgend project gestart. Beheersbaarheid. Als dat lukt, is het opraken van het vertrouwen immers opgelost.

Met verbijstering sla ik ons gade, maar dat komt waarschijnlijk doordat ik een vertekend beeld heb van het leven. Een hoofd vol gedichten, geschiedenis en gebeden is te zwaar om de vaart der volkeren bij te houden. Of ben ik misschien toch een heel klein beetje wijzer geworden in de jaren die ik achter me heb gelaten? Wijzer en weemoediger dan.

De innovatie op mijn werkterrein is zeer oplossingsgericht en uiteraard veelbelovend. Het groeiend leger van dementerende thuiswoners wordt ingesponnen in een cocon van digitale systemen. Medido. Domotica. CarenZorgt. Uiteindelijk zal er niets meer mis gaan. Een kleine ongelovige in mij fluistert: “Niets? Wacht maar, er gaan andere dingen mis.” En heel eerlijk gezegd had dat stemmetje niets hoeven zeggen, want ik zie het al om me heen. Het is net alsof door ons streven naar beheersbaarheid het vertrouwen in onszelf, elkaar en het Leven nog sneller opraakt.

Nu wil ik niet gaan zeuren over iedere keer dat ik mijn werk moet onderbreken, omdat de centrale waarop de Medido’s zijn aangesloten me belt met de mededeling dat ik even moet gaan kijken bij mevrouw Plasmeijer, omdat haar Medido een foutmelding geeft. Liever was ik gewoon elke avond bij haar langs gegaan, dan had ze ook even aanspraak gehad en had ik even een oogje in de andere zeilen bij haar thuis kunnen houden. Ik zal het ook niet hebben over de toename in onrust door de koppeling tussen onze overdracht en de mantelzorg-app van CarenZorgt. Hoe verder de kinderen uit de buurt wonen, hoe angstvalliger ze alles via de app volgen en iedereen weet inmiddels wel dat digitale berichtjes steeds sneller en onzorgvuldiger gelezen worden, zodat de misverstanden over elkaar heen tuimelen. Voor mijn voeten.

Nee, het kwalijkste gevolg van het beheersbaarheidsdenken komt niet eens van al die digitale systemen. Het zit in de vanzelfsprekendheid waarmee verondersteld wordt dat het goed is om te allen tijde de regie over je leven te hebben. Daarvoor schijnt het belangrijk te zijn om alle mogelijke scenario’s rond het levenseinde rationeel te doordenken en alvast beslissingen te nemen voor alle mogelijke wendingen die de loop van het leven zal nemen. Ergens heb ik het idee dat de ouderen van vandaag daar niet eens zelf om vragen. De tijdgeest dringt het hen op, vaak via hun kinderen of de zorgverleners die er over de vloer komen.

Nebbisj, wat heb ik te doen met die oude geleerde op het hellend vlak van verminderende cognitieve vaardigheden, die men regelmatig lastig valt met vragen waar zijn onpraktische brein misschien wel nooit echt raad mee heeft geweten. Terwijl hij eigenlijk aan zijn memoires zou moeten werken, breekt hij zijn hoofd over dilemma’s die zich mogelijk voor zullen doen (of misschien ook niet!) op een moment dat hij zelf geen beslissing meer kan nemen. En waarom? Bij hem hangt het touwtje nog gewoon uit de brievenbus. Gelukkig mag ik nog even gewoon ouderwets zijn zelfzorg aanvullen waar nodig en ondertussen genieten van zijn hoofd vol gedichten en geschiedenis. Bidden doet hij niet – ik wel voor hem.

Read Full Post »

 

Bijna dagelijks verwonder ik mij over de laatste cliënt die ik ’s avonds bezoek. Hij woont alleen op een bovenverdieping van een groot, bijna leegstaand huis. Hij ziet niets en kan nauwelijks lopen. Medische kunstgrepen houden zijn lichaam aan de praat en onze zorg houdt de praktische kant van zijn leven op de rails. Onlangs is zijn vrouw hem –  in een dubbele salto mortale: eerst in de geest, door Alzheimer, daarna lichamelijk, door een longontsteking – ontvallen. Toch straalt die man, als ik met hem praat, en vertoont hij een verbazingwekkende levendigheid van geest. Hoe krijgt hij dat voor elkaar? Wat is zijn geheim?

Elke dag weer daagt hij zichzelf uit om, in het pikkedonker, een berg van lichamelijke beperkingen te beklimmen, en daar op een eenzame hoogte te gaan ‘lernen‘, zoals hij het graag noemt. Hij wil nog zo graag “iets achterlaten”, misschien voor zijn kinderen (al boeit zijn queeste hen niet werkelijk), of anders voor die paar vrienden die nog niet dood zijn. En voor mij, want in mij ziet hij een verwante ziel. In den blinde zoekt hij zijn weg door taaie teksten in het Hebreeuws, hem toegesproken door een ijzige vrouwenstem, die de software voor hem genereert. “Ténach,” zegt ze. Hij volgt het spoor van aartsvader Abraham, tot diens moment van sterven, waarbij dezelfde woorden terugkomen die ook geschreven staan bij onze verdrijving uit het paradijs.

Ah, het Paradijs! Oorsprong en bestemming. Middelpunt van al onze omzwervingen. Als het niet bestaat, hoe bestaan wij dan nog? We verlangen ernaar met heel onze ziel en vluchten er uit allemacht van weg.

Zo ook mijn bejaarde bijbelvorser. Het document, dat hij na wil laten, omdat het zal getuigen van het geluk dat hij heeft geput uit zijn inzicht in het “Woord ons gegeven”, dat document zal wel nooit af komen. Zijn zoektocht, hoe rationeel en academisch ook, heeft onmiskenbaar mystieke trekken. Hoe dichter hij bij de kern komt, hoe wijder het vergezicht zich opent. De horizon lokt, of duwt hij haar zelf steeds verder weg?

Als het op ‘lernen‘ aankomt, volg ik zelf liever de omgekeerde richting: ik keer die kern de rug toe en verdiep me naar hartelust in al die aangroeisels en aankoeksels van de rabbijnen en in de lotgevallen van Abrahams zaad, talrijk als het zand der zee. Middelpuntvliedend.

Toch hebben wij iets gemeen. Allebei duwen we met onze leergierigheid het niet-Zijn voor ons uit. Zolang wij nog iets te leren hebben, zal de Dood in de wachtkamer moeten blijven zitten. Maar er is nog iets anders: laatst liet hij zich ontvallen dat het voor hem niet meer zou hoeven, wanneer hij niet meer zou kunnen werken aan zijn bescheiden magnum opus, of het nou af is of niet. In een luie stoel zitten en van een luisterboek genieten? Dat is niet genoeg om voor te leven. Begrijpelijk, met al die ongemakken, maar voor mij, gezond en wel, gaat het ook op.

Op dit moment kijk ik in dezelfde spiegel als die, welke mij tijdens de vakantie van vorige herfst een paar keer werd voorgehouden. Ik kan niet niets-doen. Sorry. Hoe aantrekkelijk de haast mystieke visie van mijn rabbijn op de Sjabbat (“laat alles los, je hoeft niets meer, dit is een dag bestemd voor louter Zijn”) me ook voorkomt, ik stel het meestal graag nog even uit. Het helpt (of niet) dat die praktijk breed gedragen wordt, in liberale kringen in ieder geval. De smartphone, die barometer van ons bestaan, blijft bij nagenoeg iedereen die ik ken branden, of in elk geval op de waakvlam staan. En ik vind altijd wel een excuus om toch een paar uur achter mijn grote beeldscherm door te brengen, al is het maar om te ‘lernen‘. Alleen maar Zijn, het lijkt bijna zo eng als niet-Zijn.

Read Full Post »

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Read Full Post »

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Read Full Post »

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Read Full Post »

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Read Full Post »

Older Posts »