Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘zorg’ Category

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Advertenties

Read Full Post »

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Read Full Post »

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Read Full Post »

 

Maar wat als je toevallig een minder fijn zelf hebt en dat toch moet zijn? Ik was beslist de enige niet, die zich af en toe het hoofd brak over de hardnekkige ontevredenheid van mevrouw D., een alleenstaande dame van rond de honderd, die na een lang en zeer zelfstandig leven uiteindelijk hulpbehoevend was geworden. Met onze hulp werd zij elke morgen uit bed gehaald, opgefrist, van een ontbijt voorzien en naar de zitkamer begeleid, alwaar zij de dag liggend op de bank doorbracht. Kort na twaalven maakte één van ons voor haar een lunch klaar, tegen zessen kwam iemand een halve kant-en-klaar-maaltijd voor haar opwarmen en voor de nacht werd zij weer in haar pyjama gehesen en in haar eigen bed te ruste gelegd.

Steevast werden deze “algemene dagelijkse levensverrichtingen” door haar van commentaar voorzien. Niets was naar haar zin en nergens had zij zin in, maar omdat zij een buitengewoon plichtsgetrouw karakter bezat, moest alles niettemin zeer zorgvuldig worden uitgevoerd. In mijn ogen klopte daar iets niet: de liefdevolle gebaren, waarmee zij het kommetje Brinta leeg schraapte (haar lepel was aan één kant scheef afgesleten!), staken af tegen het schaamteloze misprijzen waarmee zij de pap in ontvangst had genomen. Eigenlijk verwachtte ik haar te zien likkebaarden als een poes, na het laatste hapje. Maar nee, al snel was er wel iets anders om op te mopperen.

Vaak trad op een zeker moment een soort meta-onvrede in werking. Mevrouw was namelijk op latere leeftijd “tot de Heer gekomen” en werd er door haar geloofsgenoten trouw op gewezen dat zij dankbaar moest zijn. Maar zij was nu eenmaal niet blij. Nergens mee, waarschijnlijk ook niet met zoiets abstracts als het zoenoffer op Golgotha, waardoor haar zonden waren uitgewist. Die ondankbaarheid nam zij zichzelf zeer kwalijk en daarmee richtte het misnoegen over Alles zich tenslotte op haar eigen zelf. Zij was zoals ze was en dat was niet goed. Zelfs de dood van Christus leek daar niets aan te kunnen veranderen en dat was erg, erger, allerergst. Deze zelfkastijding, waarvan ik regelmatig getuige moest zijn, vond ik het moeilijkste moment van de verzorging. Ik ben dan wel een stuk tastbaarder aanwezig dan haar Jezus, maar als die haar al geen vrede met zichzelf kon geven, wie dan wel?

Sommige van mijn collega’s meenden wel te weten waar die onvrede vandaan kwam. “Dat is toch onvoorstelbaar: dat je honderd wordt en in je hele leven nooit één keer seks hebt gehad?” zei A., die zelf overduidelijk niet tekort gekomen was en tegelijkertijd onbevangen genoeg om mevrouw D. daarnaar te vragen. Ook I. vroeg zich af of niet alles anders geweest zou zijn, als mevrouw op zeker moment een leuke man zou zijn tegengekomen. “Of een leuke vrouw,” opperde ik. “Ach ja, natuurlijk! Sorry!” verontschuldigde zij zich nog. Maar eigenlijk deed ook dat er niet toe: mevrouw had een milde vorm van smetvrees, en dat is meestal een contra-indicatie voor seks als remedie.

In de dagen vlak voor haar 102-de verjaardag dacht ik nog maar eens na over het onbehagen van mevrouw D., en ik verdwaalde in een pakhuis vol herinneringen aan ontmoetingen met mensen die niet blij waren met het leven en het ook met zichzelf niet getroffen hadden. Daar kwam ik ook prachtige verhalen tegen, zoals De vijf zinnen van Karel van de Woestijne, waarin boer Nand op zijn sterfbed ligt, terwijl het in hem weent en drenst: “Ik zal toch wel nooit mijnen wél hebben.” In zijn eenzaamheid komt een breugheliaanse processie van zintuiglijke herinneringen hem het medicijn indruppelen, waardoor hij toch niet bang en verongelijkt zal hoeven doodgaan, zoals de stadgenoot in het gedicht van Jan Elburg.

Ook al hoort mevrouw D. voor mij inmiddels bij “mijn oude werk”, toch ging ze mij voldoende aan ’t hart om haar even een bezoekje te brengen aan de vooravond van haar verjaardag. Met een eenvoudig bosje duizendschoon heb ik een uurtje bij haar gezeten. Ik las haar de verjaarkaarten voor, die ik van de mat geraapt had, en we hebben een paar oude liedjes gezongen, die we allebei kenden. Echt praten was te lastig vanwege haar te ruim zittende gehoorapparaatje. De stiltes waren bijna vredig en ze sprak het woord “duizendschoon” uit met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee ze altijd het laatste restje pap uit haar kommetje schraapte. Niks bang, niks verongelijkt.

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Older Posts »