Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2016

30042016

Onlangs volgde ik een cursus over de profeten. In veel opzichten boeiend, maar toch wel het meest toen het ging over de vrouwelijke profeten. De traditie noemt er zeven: Sara, Mirjam, Devora, Chana, Avigajil, Choelda en Esther. Wij richtten onze aandacht op Devora:

In die tijd was een zekere Devora rechter over Jisraëel. Deze Devora, de vrouw van Lapidot, was profetes. Ze hield zitting onder de Devorapalm tussen Rama en Beet El, in het bergland van Efrajim, en daar kwamen de Jisraëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen.

Richteren 4:4-5

“En het mooie is,” zo sprak onze (feministische) leidsvrouwe in het lernen, “dat de Tanach het niet opvoert als iets bijzonders!” Op zo’n moment breekt voor vrouwen de zon door en voelen mannen nog geen nattigheid. Dat werd snel anders. “Maar kijk nu eens wat de rabbijnen ermee doen: die storten zich op het predikaat, eshet lapidot, en vervolgens wordt haar rol als rechter en als leider van de oorlog tegen Sisera compleet weggemoffeld. Eshet lapidot wordt meestal vertaald als ‘vrouw van Lapidot‘, maar ook wel als ‘lontenmaakster‘. Terwijl bij andere profetessen bijvoorbeeld hun schoonheid wordt benadrukt, gaat bij Devora alle aandacht naar hoe geweldig zij was in het maken van lonten voor olielampen, en zo moffelen ze haar weg.”

De man naast mij zat al wat heen en weer te draaien op zijn stoel en vroeg meteen het woord. Hij bleek de verhalen over Devora in de Talmud goed te kennen, maar las ze duidelijk met andere ogen. “Je kan toch niet zomaar zeggen dat zij door de chachamiem wordt weggemoffeld. Er wordt uitgebreid uitgelegd, dat zij de lonten voor de menorah in de tempel maakte. Dat was niet zomaar iets, want die moesten ervoor zorgen dat het licht precies op de juiste tijden brandde, in overeenstemming met de daglengte, die elke dag weer anders was. Nee, ze wordt juist heel hoog aangeslagen door de rabbijnen.”

Tja, wat doe je in zo’n geval? Onze docente maakte nog een keer rustig en beleefd haar punt, maar het kwam niet aan. De argumentaties leken niet te botsen, maar langs elkaar heen te schuiven. Moest ik haar bijvallen? Terwijl ik met mijn gedachten cirkels trok rond de vraag “Hoe dan?”, ging onze ontdekkingstocht al weer voorwaarts en voor ik het wist, waren we bij de kleine profeten aangeland. Bij Amos, om precies te zijn:

Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg Sjomron kaal grazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: ‘Breng ons iets te drinken!’

Amos 4:1

“Wacht even,” begon nu een andere cursist, die ik goed ken als een fervent ‘verschilfeministe‘, “wacht even! Hier in de vertaling staat ‘vrouwen‘, maar dat staat er in het Hebreeuws helemaal niet. Klopt dat wel? Misschien hebben ze die tekst hier wel anders gevocaliseerd. Het waren tenslotte mannen, die dat deden.” In rap tempo wist zij ons van de tekst weg te voeren naar de hoogten en diepten van de kabbala, waarin veel aandacht is voor mannelijke en vrouwelijke Essentie. Via kernwoorden als Bron en Water, kwamen wij al snel daar aan waar alles Zuiver is. Vrouwelijk, wel te verstaan.

Sommige mannen raakten zichtbaar geïrriteerd. “Ach, hou toch op!” brieste de anders zo stugge kerel naast haar en elders in de kring wendde een nettere heer zich tot het bevoegde gezag met de vraag: “Kunnen we misschien verdergaan met Amos?” Maar net op dat moment gebeurde er iets moois. Recht tegenover mij zat een vrouw, die ik tot nu toe nog niet had horen spreken. Hoe zij het voor elkaar kreeg om in dit gekrakeel in te breken was me een raadsel, maar ze deed het. En hoe: “Zou je dat echt willen, dat wij alleen maar zuiver waren? Dan waren we immers beroofd van onze vrijheid om zelfstandige keuzes te maken?”

Hier botsten geen meningen, noch schoven hier redeneringen langs elkaar. Hier stond een pijl na te trillen in een roos van verlangen naar onschuld. En het deed niet eens pijn, zo stelde ik mij voor.

*

Het plaatje (waarin Devora óók wordt weggemoffeld):

Louis Cretey (vers 1630-after 1702)
The Prophetess Deborah Exhorting Barak
to Fight the Armies of Sisara

Oil on Canvas – 104 x 139 cm
Paris, Musée du Louvre

Read Full Post »

Niet erg euthanasiast

24042016

Een week lang ben ik uit mijn doen geweest. Natuurlijk ging het leven gewoon door en ook ik leefde gewoon door, maar ik moest telkens achterom kijken. Ergens achteraan de karavaan hobbelde een deel van mij voort, als een kind dat het tempo niet bij kan houden. Mijn kind, dus ik deed m’n best om mijn stap te vertragen en te zorgen dat het niet los van het geheel zou raken. Eigenlijk zou ik zelfs willen, dat de hele stoet hierdoor wat langgerekter werd en iets minder snel vooruit zou komen. Met het oog op de toekomst, want de werkelijkheid achter deze langgerekte beeldspraak was zoals-ie was en zal niet meer veranderen.

Het begon meer dan een jaar geleden, toen bij één van mijn cliënten een tumor werd ontdekt. Gezien haar leeftijd en verdere conditie besloot zij – tegen het nogal nadrukkelijke advies van de artsen in – af te zien van behandeling. De ziekte had haar beloop, trager dan iedereen had verwacht en met een rustige opeenstapeling van pijn en ongemakken. Mevrouw leek het einde tamelijk gelijkmoedig tegemoet te zien. De huisarts had beloofd haar te hulp te komen, wanneer het allemaal te erg zou worden. Haar euthanasiewens lag bijna letterlijk als een waardebon op de tafel waaraan zij altijd zat, klaar om te verzilveren zodra zij dat zou willen.

Ook tussen deze droom en de Daad “staan wetten in de weg”. Van “praktische bezwaren” was geen sprake en “weemoed die des avonds komt” was niet iets waar mijn mevrouw veel last van had. Ik wel, maar ik deed netjes mijn best om haar daarmee niet lastig te vallen. Zo rekte ik mijzelf uit als die stoet hierboven: voorop liep de steun die ik haar wilde geven in haar levenskeuze, achteraan hobbelde de weemoed en in het midden dansten alle vormen van genegenheid die ik voor haar voelde. Bijna vijf jaren van genegenheid en voor mij had het best wat langer mogen duren.

Ik had nog gedacht, met alle gemengde gevoelens die daarbij horen, dat de ‘wetten in de weg‘ daar wel voor zouden zorgen, maar een week geleden kreeg ik opeens te horen dat mijn mevrouw groen licht had gekregen. Over drie dagen zou het al zover zijn. De uitgerekte stoet bij mij vanbinnen knalde in een grote kettingbotsing op elkaar en alles tuimelde over elkaar heen. Dat was onmiddellijk van buiten te zien en te horen. Het was hard werken om de steun weer voorop te krijgen en de weemoed een beetje te verstoppen achter al die vormen van genegenheid. Gelukkig lukte me dat aardig, want ik wilde de volgende dag afscheid van haar nemen.

Daar zat ze, aan haar tafel, zichtbaar opgelucht. Haar kinderen zaten, rustig en flink, tegenover haar. Ze genoot nogal luidruchtig van een ijsje. “’s Avonds om zes uur kwam hij binnen, de huisarts,” zo vertelde zij. “Hij vertelde dat hij iemand gevonden had, die het kon doen. Ik kon kiezen tussen maandag en woensdag. Tja, toen dacht ik wel: ik kan nu natuurlijk niet zeggen dat ik het eigenlijk wel heel kort dag vind en liever nog een week of zes wil wachten, want dan geloven ze niet dat ik ondraaglijk lijd. Dus ik zei: nou, maandag dan maar!”

Die maandag had ik ’s middags een cursus en daar rekte mijn innerlijke karavaan zich weer uit: voorop de brave leerlinge en achteraan het wat ontredderde kind, dat telkens naar de kerktoren buiten keek, waarop de bronzen wijzers langzaam en onverbiddelijk naar het afgesproken stervensuur van mijn mevrouw toe kropen. Hoe zou het met het kind in haar zijn? Een collega had het nog even gezien, toen ze zondagmorgen alleen met haar was en het haar niet lukte om het droog te houden. “Toe, meid, huil nou niet! Anders moet ik ook. Wat denk jij? Zal ik het misschien toch maar niet doen? Ach nee, als ik dat zeg, dan komen ze niet later nog een keer.”

Precies een week nadat ik het bericht van haar van te voren vastgestelde dood hoorde, werd mijn mevrouw begraven. Mijn innerlijke karavaan trekt verder, redelijk samenhangend, niet bijster euthanasiast.

Read Full Post »

Lommerdbriefje

14042016

Het is goed om zo nu en dan de wind van voren te krijgen. “Lekker koel, toch?” zegt een jonge collega van me dan, met een lach als een schoon gewaaide voorjaarslucht. Helderheid, misschien is helderheid wel het grootste voordeel van tegenwind. Dat geldt in ieder geval voor de negatieve terugkoppeling die ik, ongeveer een maand geleden, kreeg van één van de respondenten in mijn onderzoek naar het joodse gezin, waarover ik al eerder bericht heb. Tot op dat moment waren de reacties van nabije of verre familieleden overwegend positief, soms verbaasd en soms onverschillig geweest.

“Ik ben helemaal niet blij met die hausse aan aandacht voor de mensen die vermoord zijn. Het is een soort voyeurisme, als je het mij vraagt. Doet me denken aan Koreanen, die naar Robbeneiland reizen om daar twee minuten in de cel van Mandela te staan, drie foto’s te nemen en een souvenir te kopen. Door naar de versnaperingen.” Haar weerzin gold niet speciaal mijn belangstelling, maar ook de hele stroom egodocumenten van overlevers en nabestaanden zelf. En het plan om nog maar eens een namenwand aan de rand van het Wertheimpark te plaatsen. “Maar ik wens u succes met uw onderzoek en zal het vast wel lezen, als u het publiceert!”

Zo, daar kon ik het mee doen. Ik had – en heb – van mijzelf het idee dat ik een bedachtzaam mens ben en veel reflecteer op wat ik denk en doe, maar blijkbaar kan er altijd nog wel een ietsje bij. Wat motiveert mij eigenlijk tot deze queeste? Is mijn werk als croniqueuse dat van een veertje, opgetild door de warme wind van andermans stimulans? Welke rol spelen daarin mijn eigen behoeften? Bijvoorbeeld die aan identificatie of aan het mee resoneren met de levens van anderen? Hoe ben ik ook alweer in deze onderneming terecht gekomen?

Toen ik op 5 mei 2011 met mijn geliefde op een zonovergoten tribune zat te wachten tot de feestelijkheden zouden beginnen, stopte zij mij een krantje in de hand, dat als titel 21.662 huizen droeg. Daarin stonden de adressen van alle huizen, waar begin 1941 joodse Nederlanders woonden, die in de jaren daarna waren weggevoerd om nooit meer terug te komen. Ons huis bleek ook op die lijst te staan. Dat betekende dat er een breuk zat in de keten van overdracht van deze plek om te leven. Waarschijnlijk was ik de eerste die zich hiervan bewust werd en aldus gedwongen werd daarbij stil te staan.

Niet op slag, maar gaandeweg begon ons huis voor mij te voelen als een lommerdbriefje, of een portemonnee, die ik op straat gevonden had. Iets wat ik niet zomaar houden mocht, maar ook niet terug kon geven aan de rechtmatige eigenaar. Die was, of liever: die waren er niet meer. Die waren vermoord en hadden niet de tijd gehad om erfgenamen aan te wijzen. Waren hun namen en data van geboorte en dood, die ik kreeg aangereikt iets als een erfenis? Wie waren zij eigenlijk? Om te beginnen niet meer dan een handvol namen en dagen op het Joods Monument.

Als ik wilde weten wat ik hiermee aan moest, dan kon ik in ieder geval een poging doen om erachter te komen wie zij waren, wat zij deden in het leven. Aan een naam hangen tegenwoordig stukjes archief, die men vrij eenvoudig vanachter zijn toetsenbord kan vinden. Wat vond ik? De aangifte van diefstal – hier voor de deur! – van een fiets (merk Magneet, waarde ƒ30,-), een loonstrookje van een week in april 1943 (hij verdiende ƒ34,38), archiefkaarten met een spoor van verhuizingen en een handjevol familie-advertenties. Ah, ja, familie! Toen ik mijn talent voor ‘misjpochologie‘, zoals een vriendin dat bewonderend noemt, aanwendde om daarnaar op zoek te gaan, trof mij allereerst de verwoesting, die het Nazi-regime had aangericht. Zeker 90 % van hun familieleden was weggevaagd.

Ik zocht verder, in de hoop sporen van overlevenden te vinden. Afgelopen winter lukte het eindelijk om contact te krijgen, eerst met een schoondochter van een zus. Daarna werden het er snel meer. Meteen viel op dat men verspreid over de hele wereld woonde. Ik was verbaasd over de contacten die tussen hen bestonden of hadden bestaan, getroffen door de klaarblijkelijke wens bij elkaar te blijven horen en verdrietig vanwege de tragische breuklijnen, waarop ik stuitte. Allemaal kloven, die leken te ontspringen aan een grote krater. Een verre verwant schreef mij – vanuit een ver land:

Nogmaals hartelijk dank voor alle informatie. Het vult een groot gat op, alhoewel ik nooit heb geweten dat dat gat er was.
De zwijgzaamheid van mijn ouders en mijn oom hebben er in ieder geval voor gezorgd dat mijn broer en ik zijn opgegroeid zonder oorlogstrauma’s.

In mijn eigen ogen had ik nog helemaal niets gevuld, hooguit een herinnering naar boven gehaald aan wat er in dat gat was verdwenen.

(wordt vervolgd)

 

Read Full Post »