Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2013

Dwaze bijen

PENTAX Image

In vergelijking met andere wetenschapstradities schiet de antroposofie tekort waar het gaat om meetbaarheid en falsifieerbaarheid, dat kan ik onmogelijk ontkennen. Maar als we kijken naar de verhouding brij en krenten, dan doet zij voor geen enkele andere onder. En zodra wij al onze pogingen tot het doorgronden van ons bestaan beoordelen op poëtische kracht en misschien zelfs wijsheid, dan laat zij alle andere ver achter zich. Wanneer het ons tenslotte lukt om Rudolf Steiner’s eigen hang naar systeembouwen – is hij daarin niet, net als zijn tijdgenoot Freud, onmiskenbaar een kind van zijn tijd? – en de zucht naar dogmatiek van zijn volgelingen als bijzaak terzijde te schuiven, dan is hij een genie. Met meer gevoel voor humor dan Freud, bovendien.

Tijdens deze donkere dagen rond Kerst keer ik in gedachten terug naar een juweeltje uit zijn oeuvre, dat ik ooit las toen ik nog bijen hield: Ueber das Wesen der Bienen. Eigenlijk is dat een verslag van een aantal voordrachten die hij heeft gehouden voor de arbeiders die van 1922 tot 1924 aan het (tweede) Goetheanum in Dornach bouwden. Daarin merkt Steiner terloops op dat we niet de bij, maar het bijenvolk als een individu dienen te beschouwen. Met een eigen persoonlijkheid, kan ik uit ervaring zeggen. Kon je een bijenvolk van voldoende afstand bekijken, en met een scherpe blik, dan zag je iets dat lijkt op een menselijk gelaat.

De afgelopen tijd heb ik bij herhaling beseft dat hierin een diepe wijsheid schuilt. Vooral als we deze gedachte van Steiner uitbreiden met het besef dat zo’n individu  een wisselende omvang heeft. Om deze tijd van het jaar heeft het bijenvolk (de imme) zich samengebald tussen haar raten, onder een koepel van verzegelde honing. Bijna bewegingloos, met een diameter van hooguit twintig centimeter, maar als je in de Kerstnacht je oor tegen de kast te luisteren legt, hoor je haar zachtjes zingen. In de volle zomer, als de werksters er op uit trekken om nectar te verzamelen, breidt het volk zich weer uit, tot drie kilometer in de omtrek van haar woning. Ook dan staat elke bij in voortdurende verbinding met het volk.

Wat me dit jaar meer dan eens is opgevallen, is dat een mensenziel een zelfde wisseling in omvang kent. Volgens wetten die even basaal zijn als die welke de bijen volgen, maakt een mens zijn wereld kleiner wanneer dat nodig is en het lichaam volgt. Ik weet dat van mijzelf en heb het anderen zien doen. Wat is het dan dat mij drijft om van alles te ondernemen om die teruggetrokken en in zichzelf gekeerde mens weer de ruimte in te brengen? Terwijl ik daarbij al zo vaak de plank heb mis geslagen? Goede bedoelingen, louter liefde wellicht. Maar ik ben als een muis of een imker die ontijdig de rust van zijn bijen verstoort. Of zelfs als de winterzon, die, schitterend op de sneeuw, een paar uur lang de kasten warmt, tot de bijen naar buiten komen. Soms vliegen zij ondersteboven, naar de aarde die opeens zo op de hemel lijkt, om daar te verkleumen.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teeken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. –

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
wij dwarrelen naar beneden.
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tusschen de korven.

Waren zij maar in de korf gebleven, die dwaze bijen. En toch, en toch…..  Hoe goed ik mijzelf en de bijen ook ken: het leven is een weegschaal waarin ik mijn wijsheid en mijn dwaasheid neerleg om te worden gewogen. Een waagschaal.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve den dood verduren.

* de aangehaalde dichtregels zijn van Martinus Nijhoff, uit het Lied der dwaze bijen.

Read Full Post »

Emotie

23122013a

Alle dingen die je doet in je leven brengen je ergens. Zo zat ik in de voorzomer van het afgelopen jaar op de bank bij een vrouw die mij verder zou helpen op een van mijn genealogische zoektochten. Dat deed zij op een zeer genereuze manier, door mij een kopie van haar doctoraalscriptie ten geschenke te geven en mij alle scans die zij in het kader van haar onderzoek had gemaakt uit te lenen. En dat terwijl zij mij niet kende. Maar wat ik het mooiste vond, was dat ik haar door mijn bezoek terugbracht bij iets wat haar passie was geweest: historisch onderzoek met behulp van authentieke documenten. (Zij deed inmiddels, om den brode, heel ander werk.)

Tijdens het intellectuele tasten en strelen vroeg zij mij hoe ik ertoe was gekomen mij te verdiepen in de Romeinse kookkunst. Ik opende voor haar een herinnering, een kleinood, dat ik al bijna vierendertig jaar bij me draag. Tijdens mijn eerste rondleiding in het Allard Piersonmuseum kreeg ik een scherfje Kretenzisch aardewerk in mijn hand geduwd. Ik draaide het rond tussen mijn vingers en zag opeens een vingerafdruk van de pottenbakker, helder als had ik zijn hand in de mijne. Vanaf dat moment wist ik dat het naderen tot het dagelijks leven in de klassieke oudheid mij meer aantrok dan de studie van de geestelijke hoogtepunten

“Kijk,” sprak zij, met de intonatie waarmee men ‘eindelijk thuis’ zegt , “het gaat ons om dezelfde emotie!” En zij vertelde dat zij ooit een rekeningenboek van de VOC had opengeslagen en hoe het fijne zand waarmee de klerk de inkt had gedroogd zachtjes op het tafelblad vloeide. Zij raadde mij aan de deur van het internet wat vaker achter mij dicht te doen en de stoffelijke archieven op te zoeken.

Een jaar of wat verder in het verleden zat ik op een andere bank, bij een andere vrouw. Zij zou mij helpen bij een heel andere zoektocht. Er werd toen niet gestreeld, maar welbewust gekneed en geknepen, waarbij zij zo nu en dan het instrument van de zelfonthulling hanteerde. Zo kwam ik er onder meer achter dat zij een verstokte digibeet was. Voor haar had het wereldwijde web geen charme. In ieder geval niet die van dat hoekje tussen de rijen boeken in de bibliotheek, waar zij haar passie voor literatuur had opgelopen. “Alleen al de geur die vrijkwam, wanneer ik een boek open deed,” mijmerde zij.

Vandaag herinner ik mij die vrouwen en wat wij met elkaar deelden, doordat ik – weliswaar via internet – het handschrift van mijn oudmoeder Evertje Roseboom (1810-1880) onder ogen kreeg. Toen zij in 1833 trouwde – zij was toen 23 jaar -, was haar vader de enige van de familie die ondertekenen kon. In 1876, bij het huwelijk van haar zoon, kon haar man nog steeds niet schrijven, maar zette zij onder de akte (met trots?) haar eigen naam, met het handschrift van een zesjarige. Zij was toen zesenzestig en nu heel even dichtbij.

23122013b

Read Full Post »

15122013

Een poosje geleden kwam ik voor het eerst – beroepshalve – over de vloer bij een mevrouw, omdat zij nogal ongelukkig was komen te vallen. Een intrigerende dame, vanaf het allereerste moment dat onze blikken elkaar kruisten. Ik kreeg geen hoogte van haar, mijn collega’s ook niet. Zij leek iets te verbergen achter alles wat zij vertelde. Er werd gespeculeerd over gestoorde rouwverwerking, over een depressie, over haar alcoholgebruik, over het effect van bepaalde medicamenten die zij nam. Uiteindelijk waren wij al even warrig als zijzelf en moest mevrouw door de psychogeriatrische molen. Voor het zover was wist ik het eigenlijk wel, want ik had haar een keer ’s morgens in bed aangetroffen, met haar schoenen aan en haar kousen daar overheen.

Middels tests en scans kwam men tot dezelfde conclusie, met nog een navrante extra: zij leed aan vasculaire dementie en gezien de mate van schade moet zij dat zeker vijf jaar keurig hebben gecamoufleerd voor haar naasten. Het was net alsof zij na het horen van de diagnose een achterstand in achteruitgang inhaalde. Binnenkort verhuist zij naar een zorginstelling en ben ik haar weer kwijt. Dat vind ik verdrietig, want ik kwam graag bij haar. Om de sfeer in haar huis, die als het laatste herfstblad aan een boom prachtig hing te verkleuren. Om de ‘clooney-tjes’ die we samen dronken: we zwoeren allebei bij de ‘arpeggio’. Maar het meest vanwege de guitigheden om niks die we met elkaar deelden.

Is het om mijzelf te troosten dat ik de behoefte voel om stil te staan bij dat waarin ik door haar rijker geworden ben? Niet alleen door haar, moet ik er bij zeggen. Ook door de dame met oud geld die ik uit zeven laagjes kleding (waaronder drie bh’s) moet pellen eer ik haar onder de douche kan manoeuvreren en met wie ik samen de kat in de maling neem, terwijl zij me een hapje van het brood voert dat ik net voor haar heb klaargemaakt. Of de Iberische schone van weleer die mij aan het zingen en dansen krijgt net alsof ik daarvoor gekomen ben en niet om de poep tussen haar billen weg te krijgen. En niet te vergeten de oude heer die me over mijn bol aait, terwijl ik hem een schone luier aantrek en terloops opmerkt: “Nou, jij wordt ook al aardig kaal!”

Aan al die mensen heb ik iets te danken, waarvan ik niet wist dat ik het in me had: een soort hiernamaals, voorbij mijn wereld van woorden. Zeker, ik blijf behoorlijk verbaal, maar door hen leer ik daarbij een andere taal te spreken. Eentje die het ook nog doet als het brein van zijn troon gevallen is. Misschien klinkt die wel vanuit ons middenrif, waar hart en onderbuik met elkaar praten. En al durfde ik het aanvankelijk niet, zij dagen mij uit om met mijn handen en ogen te praten, om meer op de toon dan op de noten te letten. Het voelt alsof ik weer leer fietsen. De hoteleigenaar in De Tuinen van Dorr had gelijk: het is van groot belang om dagelijks handen en bibben te wassen. Daar komt nog heel wat bij kijken.

Read Full Post »

12122013

Terwijl ik in gedachten nog bezig was met de gelijkenis van de talenten, – en natuurlijk ook met de werken der barmhartigheid, die er in het evangelie op volgen – viel mij iets bijzonders in de schoot. Vriend Peter nodigde mij uit voor een avond theater. Toneelgroep Maastricht speelde in Amstelveen De goede mens van Sezuan van Bertolt Brecht. Uiteraard vielen mij meteen de overeenkomsten met bijbelse thema’s op.

Zo is de goede mens in het stuk als vanzelfsprekend iemand zonder aanzien. Precies zoals het hoort vinden de goden (een wat wereldvreemde, ongeduldige Driëeenheid) na veel vruchteloos zoeken onderdak bij een hoertje. Na enig gesteggel in de goddelijke binnenwereld besluiten zij haar wankele bestaan te schragen met een aardig bedragje, waarvan Shen Te een tabakswinkeltje koopt, zodat haar leven zich ten goede kan keren. Een wending neemt haar leven wel, maar of het er beter op wordt is zeer de vraag.

Een andere vraag, die het stuk misschien niet zo duidelijk stelde, maar die mij wel bleef achtervolgen, is deze: wat behelst die goedheid van Shen Te eigenlijk? Is het wel goedheid? Zij leek mij eerder gedreven door een tomeloze barmhartigheid, die – paradoxaal! – feilloos het slechtste in haar medemensen naar boven bracht. Haar goede fortuin trok een groeiende schare profiteurs aan, waardoor zij zich gemakkelijk liet overweldigen. Om niet ten onder te gaan aan haar eigen goede hart, riep zij een alter ego in het leven: haar koele, zakelijke neef Shui Ta. (Let op de genderstereotype rolverdeling!)

De interventies van Shui Ta maken het er uiteindelijk alleen maar ingewikkelder op, want hij en Shen Te werken zorgvuldig langs elkaar heen. Iets dergelijks vond – waarschijnlijk dank zij Brecht’s betoverende vervreeemdingseffecten – binnen mijzelf plaats: mee bewegend met wat op toneel gebeurde, werd ik heen en weer geslingerd tussen gevoel en verstand. Hijgend rende ik van empathie naar afstand en weer terug, met armen vol dilemma’s. Het kostte me twee weken om met mezelf in het reine te komen en eindelijk weer in de comfortabele fauteuil van mijn eigen overtuigingen plaats te nemen. Die fauteuil voelde nieuw en vertrouwd tegelijk.

Natuurlijk was ik vele gedachten, misschien zelfs inzichten, rijker geworden. Ik had afstand genomen van de vanzelfsprekende sympathie voor Shen Te, die ook bij Brecht voor de hand leek te liggen. In mijn ogen begon zij te delen in het karikaturale van haar zogenaamde neef. Terecht had zij zich afgevraagd, vond ik, of haar goedheid niet veeleer een verslaving was aan de blijde blik van wie zij maar voor zich had, een verslaving die zij met jojo-en tussen zichzelf en haar alter probeerde onder controle te houden. Ongelijk krijgt ze van mij als zij de wereld er de schuld van geeft dat haar goedheid niet blijkt te werken. En de goden mogen hun goede raad (liever één keer in de maand Shui Ta te hulp roepen dan eens per week) mee naar huis nemen. Misschien kunnen neef en nicht maar beter met elkaar in het huwelijk treden en meer mens worden van de corrigerende dynamiek die dat (idealiter) met zich meebrengt.

Read Full Post »