Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2016

Deus sive Natura

17072016

In Folia van de afgelopen week waren Chinese studenten aan het woord over de vooroordelen die hier in het Westen over hen bestaan. Daardoor herinnerde ik me dat ik nog ergens een krantenknipsel had liggen, waar ik ooit iets mee dacht te doen. Eigenlijk zou ik willen dat mijn lezers het ook lazen, want het is een mooi klein muziekje met diepe ondertonen en vrolijke boventonen. Als het goed is kan dat nog gratis ook, hier.

Samengevat: een paar Chinese wetenschappers hadden in een artikel over “het goede design van de Schepper” gerept en toen waren de evolutiebiologen woedend over hen heen gevallen en moesten tijdschrift en onderzoekers door het stof om de gemoederen weer tot bedaren te brengen. Men gooide het op de taalbarrière, maar ik weet wel beter: niets minder dan een cultuurkloof speelt ons hier parten. Ze hadden eenvoudig ‘in’s Fettnapfchen getappt‘.

“Engels is niet onze moedertaal. (…) Nu hebben we ons gerealiseerd dat we het woord Schepper verkeerd hebben begrepen.”
Ming-Jin wil er alles aan doen om het te herstellen: „We zullen „de Schepper” veranderen in de natuur in het herziene manuscript”, belooft hij.

Find and change, press enter to save. Maar hoe leg je aan een Chinese bio-wetenschapper uit dat je niet zomaar God en de Natuur kunt verwisselen? Moet ik beginnen bij de ban van Spinoza? Weten ze al (of nog) wie Galileo Galileï was? En heeft de boze Ierse evolutiebioloog James McInerney de Gorgias van Plato nog enigszins paraat? Mijn God, hoe vertel ik wat ik hierover zou willen vertellen in ongeveer tweehonderd woorden?

Dank nog maar eens, Omert Schrier, dat je met ons die hele Gorgias hebt uitgespeld. Ik zal nooit meer vergeten dat het ging over ‘dikè*’ en over ‘nomos*’ en ‘phusis*’, en over dat ‘pleonektein*’ volgens de ‘nomos‘ wellicht ‘adikein*’ was, maar dat het volgens de ‘phusis‘ beter was te ‘adikein‘ dan te ‘adikeisthai*’. Kijk, hier wordt voor het eerst gepoogd een begrip van wat rechtvaardig is aan ‘de Natuur‘ te ontlenen. Al snel wordt duidelijk welk rechtsbeginsel in de natuur heerst: als de natuur de één grotere klauwen geeft dan de ander, dan is het dus terecht dat diegene ook meer naar zich toe graait. God kan ons nog meer vertellen.

Misschien is het vergezocht als ik zou suggereren dat dit de reden is die ten grondslag ligt aan de opwinding van de evolutiebiologen. Het sociaal-darwinisme is immers zo dood als een pier? In het populairwetenschappelijk domein kijkt men nog wel graag naar de apenrots, als om bepaald onaangenaam gedrag van ‘alpha-mannetjes‘ onder de mensen te verklaren en misschien zelfs te legitimeren, maar we hebben tegenwoordig toch biologen als Frans de Waal, die ons erop attendeert dat een jonge aap zijn oudtante, die niet meer zo goed de boom in kan komen, even een kontje geeft? We zijn van nature sociale wezens, zeker zo humaan als de andere primaten. Daar hebben we geen God en gebod voor nodig.

Tja, en toch, wij in het Westen hadden ooit een traditie, waarin wij onszelf voorhielden dat wij mensen hoger konden rijken. Sterker, we beriepen ons daarbij op een soort handboek met regels voor het goede leven. En dat was toen nog niet het Zwitserleven, of dat zweven in een auto (met een tank vol Esso) over ongerepte wegen: “Niets mag jouw avontuur in de weg staan.” Dat was een andere droom van het goede leven, waarin het rechtvaardig was om te zorgen dat de zwakkeren niet achterop raakten, gezien als een opdracht van God. Toegegeven, we brachten er misschien niet veel van terecht, maar rechtvaardigheid ontstaat nu eenmaal niet vanzelf, zoals al het andere in de natuur. Ze verdwijnt wel vanzelf, als we de natuur op z’n beloop laten, vrees ik.

De Griekse woorden (ongeveer):

* dikè = recht

* nomos = wet, gewoonten, cultuur

* phusis = wat vanzelf groeit, natuur

* pleonektein = jezelf meer toeëigenen dan een ander

* adikein = je onrechtvaardig gedragen

* adikeisthai = onrecht lijden

Read Full Post »

Vinkjes

09072016

Het was een woelige week in de zorg, zowel in de media als op mijn eigen werkplek. Hoewel ik zelf niet in een verpleeghuis werk, kon ik me moeiteloos invoelen in de verontwaardiging onder verzorgenden na de publicatie van een ‘zwarte lijst’ met verpleeghuizen door minister van Rijn. Graag zou ik op dit mijn schrijfplekje een zegje gezegd hebben naar aanleiding van de commotie die hierdoor is veroorzaakt. Maar ach, was binnen twee dagen niet reeds alles gezegd, en beter dan ik dat had gekund? Een paar uitspraken die me troffen:

. . . eerst wordt de hele ouderenzorg kapot bezuinigd en vervolgens krijgen wij zorgverleners er de schuld van en zouden wij ons werk niet goed doen… hoe frustrerend is het om elke dag te proberen om de zorg goed te laten verlopen, je bewoners een goed gevoel te willen geven, maar continu in de knoop komt te zetten met werkdruk, extra taken, extra papierwerk en ga zo maar door.

(een verzorgende aan het woord op de site van het vakblad Nursing)

Is de zorg hier slecht? Nee, we zetten niet genoeg vinkjes

(kop in NRC van donderdag 7 juni 2016)

Woorden als ‘registratiedrift‘ en ‘registratiedruk‘ zijn al jaren een vast bestanddeel in de noodkreten van zorgverleners over het beleid van overheid, verzekeraars en werkgevers in de zorg. De roep om voldoende mensen op de werkvloer en een beetje vertrouwen in plaats van nog meer regels en controle op de naleving daarvan klinkt steeds luider. Is men doof, daarboven bij de topsalarissen? Nog maar eens een citaat (meer dan twee jaar oud en eerder door mij geciteerd:

Deze registratiewoede is niet ontstaan omdat we inzagen dat patiënten ernstig tekort kwamen op het gebied van medicijnen en ingrepen. Inspecteurs, politici, zorgverzekeraars, bestuurders, managers, beleidsmakers, consultants, routeplanners, wethouders, raadsleden en computerfreaks hebben over de afgelopen twintig jaar een web rond ons werk gespannen dat almaar dichter wordt en waardoor we ons steeds moeizamer kunnen bewegen. Het gaat om mensen die nog geen gezondheidsprobleem in de gaten zouden hebben al zou het in de vorm van een nijlpaard op hun gezicht plaatsnemen.

(Bert Keijzer in Trouw)

Ondertussen had ik mijn handen vol aan mijn eigen werk en meer nog aan de emotionele impact die dat op mij had. Dat ik een overleden cliënt te begraven had reken ik er niet eens bij, dat is vrijetijdsbesteding. Nee, ik heb het over een voor mij persoonlijk – en voor heel ons team – buitengewoon belastende situatie, die bijna twee weken heeft geduurd. Het begon allemaal toen ik op een zondag een bejaarde dame hielp bij het douchen en aankleden. Alles verliep volgens plan, tot mevrouw op blote voeten (“droog m’n tenen maar even na als ik in de kamer zit”) voor mij uit de gang in liep, waar het zeil een beetje nat was geworden. Zij gleed uit en kwam op haar rug terecht. Een familielid en ik hielpen haar meteen overeind en in haar stoel. Op een enkel ‘haematoom‘ en een lichte ‘skin tear‘ op de linker arm na leek zij geen letsel te hebben en zij reageerde ook verder betrekkelijk laconiek op het gebeurde. Toch leek het me raadzaam om een van onze wijkverpleegkundigen te vragen in de middag nog even langs te gaan en te zien hoe de arm zich hield. Ook mijn collega zag niets verontrustends.

Toch bleek mevrouw de volgende dag een gebroken pols te hebben en twee dagen later kwam zij naar ons kantoor om zich over ons – en met name over mij – te beklagen. Het verhaal waarmee zij kwam was dermate onwaarschijnlijk, dat mijn collega de huisarts inschakelde en verder onderzoek instelde, zowel naar de mentale gezondheid van mevrouw als naar het ongeluk dat aan het begin van deze conflictsituatie had gestaan. Lopende dat onderzoek ging mevrouw door met beschuldigingen aan mijn adres, nu tegenover elke collega verzorgende die haar kwam helpen. Machteloos toezien was mijn enige optie. De verhalen werden met de dag grotesker, en al wist ik nog zo zeker dat mij werkelijk niets te verwijten was, toch ervoer ik de hele situatie als beschadigend. Ook op niets gebaseerde aantijgingen richten schade aan.

Uiteindelijk heb ik er bij mijn collega en onze manager op aangedrongen dat zij mij in bescherming zouden nemen tegen deze corrosieve stroom van negatieve uitlatingen over mij binnen ons team. Terwijl men juist alles in het werk stelde om mevrouw bij een andere zorgaanbieder onder te brengen, escaleerde haar toestand binnen één middag zozeer dat opname vereist was. Rust in de tent. Ruimte voor reflectie, of eerst maar verbijstering, want geen van ons heeft eerder zoiets meegemaakt. En dan maar weer gewoon verder met ons werk.

“Och, jee,” schrik ik bij mezelf, “in al die commotie heb ik nog niet eens een MIC-formulier ingevuld!”

Read Full Post »

Emotionele arbeid

01072016

Voort het eerst in mijn leven heb ik gisteren welbewust een vloek ingeslikt. Gek genoeg weet ik niet eens hoe hij smaakte, want ik onderschepte hem meteen toen hij uit mijn gemoed opwelde. Wel voelde ik even mijn strottenhoofd op en neer gaan. Vervolgens beet ik op mijn onderlip, maar dat mocht niet baten: de tranen stroomden al, middenin het ochtendoverleg, halverwege de checklist. Nu was dat overleg al onderbroken en wel doordat mijn smartphone nogal woest tekeerging in mijn tas. “Wat een leuke jungle-geluiden,” lachte een collega nog, maar toen ik het nummer zag, sloeg mij de schrik al om het hart. Een minuut later was die voorbij, om plaats te maken voor het explosieve mengsel van kinderlijke woede en verdriet, dat in die vloek een uitweg zocht.

Het telefoontje had ons de tijding gebracht, dat de man over wie ik in mijn vorige bericht schreef, de avond tevoren plotseling was overleden. Had ik te vroeg gejuicht? Waren mijn gevoelens van dat moment zo heftig, omdat ik onvoldoende voorzichtigheid had betracht bij het wensen en hopen? Wat maakte het uit: de checklist werd me even uit handen genomen, maar daarna moest ik als de wiedeweerga mijn veren schudden om de wijk in te kunnen. Als altijd een koene duik in de woelige baren van sores, nukken, behoeftigheid, maar ook dankbaarheid en levensmoed van onze zorgvragers, om na een uur of vier, vijf weer boven water te komen en rond te kijken naar waar mijn eigen leven ook alweer over ging.

Emotionele arbeid is een vast bestanddeel van het takenpakket van ons verzorgenden en verpleegkundigen in de thuiszorg. Tegelijk moeten we niet onderschatten wat sommige van onze cliënten op dat gebied presteren, en dan denk ik in de eerste plaats terug aan Mijn Mannetje en zijn Levenskunst. Hij was een eenvoudig ambachtsman, die na de lagere school in het bedrijf van zijn vader was gaan werken. Ongeletterd was hij, maar hij sprak vol liefde over de boeken die hij had bezeten, gelezen, uitgeleend, weggegeven. Hij kon ze mij niet laten zien, maar noemde wel een naam als Thomas à Kempis. Seneca zou hem ook aangesproken hebben, en anders Epictetus wel.

Misschien was dit wel het meest kenmerkende aan hem, wat me het langst bij zal blijven: hij hechtte er grote waarde aan de tuin van zijn emoties op orde te houden. De grond was er niet schraal – hij was een bijzonder gevoelig man. Distels en doornen zouden het er goed doen, ware het niet dat hij de schoffel streng hanteerde. “Ik vind, je moet . . . ,” begon hij dan zijn zinnen. Het resultaat mocht er zijn. Duizend bloemen bloeiden er, maar bovenal die van dankbaarheid. Zijn geluk lag in de gewone dingen des levens. Dat zijn vrouw en hij elkaar hadden gevonden, dat ze zijn schoonvader tot zijn dood in huis hadden kunnen verzorgen, dat ze samen – met wat hulp van familie en de thuiszorg – hun huishouden nog draaiende wisten te houden. Blij als een kind was hij met dat wekelijkse rondje in de rolstoel, waarbij hij iedere voorbijganger vriendelijk groette. Middenin dat tuintje van hem stond als een grote zonnebloem zijn warme belangstelling voor elke mens die hij tegenover zich had.

“Ik ben blij met elke dag dat ik nog leef,” heb ik hem meer dan eens horen zeggen. Op zo’n moment hing de schoffel losjes tegen zijn schouder. Na gedane arbeid is het goed rusten.

Read Full Post »