Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2015

Oploskind

26022015

 

Toen mijn oudste nog een kind was, hield zij heel erg van lezen. Eerst waren dat de prentenboeken – Alfie en Annie Rose -, die wij samen lazen, dicht tegen elkaar aan op de bank. Daarna kwamen de voorleesboeken van Astrid Lindgren en Laura Ingalls Wilder, met verhalen die nooit verveelden. Op een gegeven moment leerde zij zelfstandig lezen en zag ik alleen nog de kaft van het boek, waarachter zij schuil ging. De wereld van Polleke en haar binnenwereld raakten elkaar in een heel eigen wereld binnen mijn leefwereld, die ik nauwelijks zag of hoorde.

En toen kwam de verjaardag waarop zij haar eerste boekenbon kreeg. Groot genoeg om zelf een boek te kiezen (al was kiezen niet haar sterkste kant) was zij al, maar ik moest nog wel met haar mee naar de boekhandel. Terwijl zij in een hoek op de grond zat en boek na boek uit de kast trok, streelden mijn ogen de ruggen van andere boeken en hield ik mij in om geen suggesties te doen. “Kijk, dat ben ik!” riep ze opeens en schoof me het boek onder de neus, waarvan u hierboven de voorplaat ziet. Ze kocht het uiteindelijk niet, ik meen me te herinneren dat ze er die dag helemaal niet uit kwam.

Buiten op het Valeriusplein, met die titel nog in mijn hoofd, keek ik naar het grote kind naast me en plotseling liepen we weer in de Jodenbreestraat, hand in hand, op weg naar het Pintohuis voor nieuwe boeken. Haar zusje hing slaperig in een draagzak, schuin boven haar, en net op het moment dat we de poort van Gran Vista, waar we toen woonden, uitkwamen, passeerde ons een moeder met een luid huilende dreumes in een wandelwagentje. Ik voelde hoe haar hand in de mijne twijfelde of zij zich los zou rukken en ze sprak op gealarmeerde toon: “Daar huilt een kindje!” – “Ja,” zei ik, zo rustig dat het mij zelf verbaasde en – mijns ondanks – zonder mij om te draaien of mijn pas te vertragen. “Ach, dat laten we dan maar zo,” zei Roos en we vervolgden onze weg.

Dit is allemaal lang geleden, maar nooit ver weg. Mijn dochter en ik, we zijn nog altijd oploskinderen. Zij staat aan het begin van een loopbaan als arts, liefst eentje zonder grenzen, met een speciale belangstelling voor gezondheidszorg onder vluchtelingen in oorlogsgebieden. Ik verdien mijn boterham in de thuiszorg, waar het menselijk leed mij dagelijks tegemoet komt. Daarbij denk ik nog regelmatig aan dat moment waarop zij voor het eerst, en geheel zelfstandig, leek te beseffen dat hulpvaardigheid een heel mooie eigenschap is, waar je soms toch voorzichtig mee om moet springen.

Advertenties

Read Full Post »

De straat

17022015

Afgelopen weekend zat ik dankzij mijn buurvrouw in het DeLaMar Theater te kijken naar de musical Sonneveld in DeLaMar. Het was net echt. Zijn leven passeerde de revue, veel openlijker homoseksueel dan in het echt, maar met de nodige nadruk op zijn emotionele relaties met vrouwen. Vooral die met “de lifter” trof mij, zo’n nichtenmoedertje zou ik ook wel willen zijn. Oh, die slotscène, waarin zij hem bij de hand neemt en van het ziekenhuisbed naar de microfoon begeleidt voor een weergaloze zwanenzang. “Langs het tuinpad van mijn vader…….”

Wie zou daar niet nostalgisch van worden? Ik wel, luister:

Toen ik een klein kind was, was de wereld nog heel eenvoudig. Het dorp waar ik opgroeide, was netjes opgedeeld in wijken, waar mensen woonden met dezelfde gezindte. Gezindte? Ja, gezindte: er waren katholieken, hervormden, gereformeerden, socialisten en zelfs een handjevol ‘gergemmers‘. Die gingen allemaal netjes naar een bijbehorende kerk, kochten hun vlees bij een overeenkomstige slager, hun brood bij de juiste bakker en hun melk bij een passende melkboer. Heel ‘bibelebonts‘ allemaal.

Pas toen ik acht jaar oud werd, kwamen er scheuren in die wereld. Daar kwamen brokken van en die voegden zich op onvoorspelbare wijze samen tot nieuwe gehelen. Wij waren verhuisd naar een nieuwbouw wijkje, dat als een puist aan het langgerekte lintdorp zat. Onze nieuwe buren gingen niet naar onze kerk. Sterker nog, zij gingen helemaal niet naar een kerk. Wij noemden hen ‘heidenen’. Over de heg die onze achtertuin van de hunne scheidde, riepen wij over en weer lelijke woorden naar elkaar en soms vloog er een kluit naar gene zijde.

Na een tijdje echter wenden wij aan elkaar en begonnen wij samen te spelen. De wereld van kinderen is tenslotte overal zo’n beetje gelijk. Toch bleef er één ding aan mij knagen: na onze dood zouden wij naar de hemel gaan en de buurkinderen naar de hel. Dat besef maakte mij verdrietig. Ik sprak hierover met God en hoopte op ‘één rechtvaardige in Sodom’, desnoods zou ik mijzelf willen opofferen om die te zijn. Op een dag liepen wij met een groepje kinderen te slenteren door de straat, toen ik plots een dood vogeltje zag liggen. Een gele kwikstaart, weet ik nog. Ik pakte het op. Het voelde warm aan en was nog helemaal slap.

Opeens kreeg ik een idee: we moesten tot God bidden, dat het vogeltje weer levend zou worden. Dan zouden mijn heidense vriendjes en vriendinnetjes zeker ook gaan geloven, en het hemelrijk beërven. Zorgvuldig zag ik erop toe dat iedereen de handen vouwde en de ogen sloot, want alleen dan was een gebed voldoende krachtig. We baden, en baden en baden. Het vogeltje bleef dood en de buurkinderen bleven heidens. Vanaf dat moment kwamen er barstjes in mijn binnenwereld. Mijn geloof brokkelde langzaam af tot er niets meer van over was.

Vele jaren later ontstond er een nieuw geheel. En de hemel en de hel? Die hebben een andere plek gekregen, aan deze kant van de dood. Ik vind ze terug in hetzelfde dorp, dezelfde straat, hetzelfde huis, dezelfde mens. Geruststellend dicht bij elkaar.

Read Full Post »

Read Full Post »

Stootje

Het is van belang dat ik dit stukje laat voorafgaan door een zogeheten ‘disclaimer’. Zonder dat zou het namelijk koren kunnen zijn op de Wijzijnonsbreinmolen. Dat is niet de bedoeling. Ik herhaal: dat is niet de bedoeling. Integendeel, zou ik bijna zeggen, maar liever nog strooi ik dat beetje graan op mijn hand met een gul gebaar in het rond. We zien wel wel waar het valt – in de aarde, op een rots of op het pad – en hoe het ontkiemt. Zo zou dit stukje zomaar over Zwarte Piet kunnen gaan, of over de Vrijheid van Meningsuiting of gewoon maar over mijn werk in de zorg. In de zorg moet men namelijk ook tegen een stootje kunnen, zo blijkt uit mijn functie-omschrijving en ik kan u vertellen dat die klopt.

Daarin staat namelijk in dat het werk belastend is, zowel fysiek als psychisch. Aan zere knieën en pijnlijke schouders ga ik stilzwijgend voorbij, maar over de aanslagen op de psyche van de verzorgenden wil ik het nu eens wel hebben. Over het lijden en de dood van onze cliënten stap ik vandaag voor de verandering schijnbaar lichtvoetig heen, maar bij hun gedragsproblemen sta ik stil. Zo. Anders dan in de “een nieuwe lente, een nieuw geluid”-reportages over de zorg zoals die de laatste tijd in de krant en op het journaal verschijnen, waarin de zorg van hoge kwaliteit is en de ouderen zich blijmoedig op hun zelfredzaamheid en netwerkcompetenties laten aanspreken, hebben wij dagelijks te maken met mensen die behept zijn met psychische stoornissen. Wij verzorgen dwangmatige mensen, manipulatieve mensen, depressieve mensen, aggressieve mensen, demente mensen, verslaafde mensen, angstige mensen en mensen met niet-aangeboren hersenletsel. Die mensen zijn bovendien door hun eigen lijden doorgaans sterk op zichzelf betrokken. Dat vergt veel van onze buigzaamheid, ons incasseringsvermogen en onze ironie. Maar goed, daarvoor zijn we opgeleid.

Niettegenstaande dat botst het wel eens op de werkvloer. Zo meldde een collega laatst tijdens het ochtendoverleg dat hij een aanvaring had gehad met een cliënt, die een tijdje onze hulp nodig had. Hij kwam wat later dan gewenst en voor deze meneer betekende dat, dat hij net zo goed helemaal niet had kunnen komen. “Weg!” schreeuwde deze, en zwaaide daarbij vervaarlijk met zijn niet-verlamde arm. Mijn collega, die doorgaans zeer vriendelijk is en prettig in de omgang, schrok en zei: “Nou, nou. Weg! zeg je tegen een hond.” Waarop de zorgvrager nog eens explodeerde, en luider.

Met inzet van mijn gebruikelijke wijsneuzigheid begon ik een verhaal over de beperkingen van CVA-patiënten en hoe wij ons daar maar mee moeten zien te redden. Zodra het brein het op bepaalde punten af laat weten, Zijn wij nog wel, maar missen we soms tamelijk onmisbare vermogens. De verbale uitdrukkingsvaardigheid van de meneer waar we het over hadden beperkte zich tot een twintigtal woorden en zijn emotionele palet kende ook al niet veel meer dan drie kleuren. Vandaar. Mijn collega liet heel fijnzinnig merken dat hij wellicht meer had gehad aan een beetje begrip van mijn kant voor zijn eigen onthutstheid dan aan een college over het verband tussen brein en omgangsvormen. Daar denk ik nog regelmatig over na.

Afgezien van een beetje ironie, dat door anderen meestal ook nog over het hoofd gezien wordt, maak ik er veel werk van om mensen ‘in hun waarde te laten’ en hen te ‘accepteren zoals ze zijn’. Zo ben ik nu eenmaal. Komt dat voort uit gemakzucht of onverschilligheid? Of probeer ik soms een soort lam Gods te zijn, dat er met de zonde van de wereld van tussen gaat? Joost mag het weten, maar sinds dat bewuste ochtendoverleg denk ik wat vaker na over mijn plek in dat speelveld van moraal, omgangsvormen en neurologische of psychiatrische aandoeningen. Over hoe daarin mijn kracht tegelijk mijn zwakheid is. Ik toon graag begrip en dat wordt zeer gewaardeerd. Liefst maak ik het zo gemakkelijk mogelijk voor iedereen, – ze hebben het al zo moeilijk – maar het is de vraag of mijn zorgvragers daar veel mee opschieten. Wat gebeurt er met al die ruimte die ik hen geef om zichzelf te zijn? Zou het niet beter zijn als ik ook eens hier en daar een stootje gaf, al was het alleen maar om mijn eigen grenzen kenbaar te maken? Zoals die vriendin dat laatst bij mij deed: “Misschien moet je eens stoppen met voor iedereen zo schattig te zijn.” Au! Dankjewel!

Read Full Post »

In gesprek

02022015

“Als ik God ooit te spreken krijg, dan wil ik het hier graag nog eens met hem over hebben,” zei ik en het klonk niet eens zo vermetel. We (mijn dochter en ik) hadden het over mijn broer, eergisteren was het dertig jaar geleden dat hij een einde aan zijn leven maakte. Inmiddels heb ik er wel vrede mee dat mijn verdriet daarover een leven lang mee zal gaan, en misschien kan ik me er ook wel bij neerleggen dat de tragiek van zijn lot mijn verstand te boven gaat. Maar mijn gevoel blijft “waarom?” vragen, daar helpt geen lieve God aan. Integendeel, die zit me bij dit alles nog het meest dwars. Hoe kan ik de liefde en de goedheid van hem afkijken, als hij – Grote Hij – dit kon laten gebeuren?

Dus als ik hem nog eens te spreken krijg ….. “Ach,” mompelde het ergens in mij, “dan zal hij wel weer over de behemoth en de leviathan beginnen.” Maar ik zou me niet door mijzelf laten ontmoedigen. Mijn kans kwam sneller dan ik dacht: afgelopen vrijdag tijdens de Eckhart-leeskring vond het gesprek plaats, geruisloos en het was over voordat ik met mijn ogen kon knipperen.

Toen werd er gevraagd, waarom God hen, van wie Hij weet dat ze uit de genade van de doop zullen vallen, niet van hier wegneemt en als kind laat sterven, voordat zij tot hun volle verstand zijn gekomen; Hij weet immers dat ze zullen vallen en niet weer opstaan. Dat zou toch het beste voor hen zijn?
Toen zei ik: God is niet een vernieler van iets goeds, maar Hij is een volbrenger. God is niet een vernietiger van de natuur, maar haar volbrenger. Ook de genade vernietigt de natuur niet, maar volbrengt haar. Zou God nu de natuur zo in de aanvang vernietigen, dan werd haar geweld aangedaan en onrecht; dat doet God niet. De mens heeft een vrije wil waarmee hij het goede en het kwade kan kiezen en God legt hem de keuze voor tussen het kwade doen, en dat betekent de dood, en goeddoen, en dat betekent leven. De mens moet vrij zijn en meester van zijn daden, onvernield en ongedwongen. Genade vernietigt de natuur niet, doch voleindigt haar. De verheerlijking vernietigt de genade niet, doch voleindigt haar, want verheerlijking is volbrachte genade. Zo is er in God niets wat ook maar iets vernietigt dat deel heeft aan het zijn. Want Hij is een voleindiger van al wat is.

Uit: Over God wil ik zwijgen,
Preken en tractaten van Meister Eckhart,
vertaald door C.O.Jellema

Wat een vraag! Rechtlijnig (een constatering van mijn buurman ter rechter zijde) was beslist een kwalificatie die daar goed op paste. Maar ondertussen zag ik het hele tableau vivant van God en de Wereld en de Hemel en de Hel, waar ik mee ben grootgebracht, weer voor me. En natuurlijk zocht ik daarin meteen naar mijn broertje: ik was immers wel degelijk zijn hoeder en waar was hij gebleven? Dat God hem een dergelijke last zomaar had laten dragen was één ding, maar dat dit drama kon worden uitvergroot naar de Eeuwigheid was iets heel anders. Weer zei ik: “Hm, daar wil ik het met God nog wel eens over hebben.” Mijn buurvrouw links van mij in de kring keek me aan en zei, welgemeend en zonder een spoor van ironie: “Je zou een gebedje kunnen doen.”

Nu doe ik dat zelden bewust en nooit met zoveel woorden, maar het kan blijkbaar ook zonder, want er kwam meteen een antwoord. Het klonk hardop en uit mijn eigen mond: “Wacht even,” zei ik, “hier staat helemaal niks over een hel. Het gaat alleen maar over vallen en opstaan, of blijven liggen. En dat alles slechts voor zover het binnen ons blikveld past.” Opeens moest ik aan een versregel van Huub Oosterhuis denken, die ik heel lang geleden heb meegezongen, tijdens een eucharistieviering in de Brabanthallen in Den Bosch:

en niemand valt, of hij valt in uw handen

“En niemand leeft, of hij leeft naar u toe,” vulde mijn overbuurvrouw aan. “Niemand heeft u ooit gezien, in dit heelal,” herinnerde zij zich ook nog. Ha, ik wist het weer: we zien in een spiegel en in raadselen, maar daarachter bevindt zich het aangezicht van God.

Dat raadsel kwam bovendien ook nog eens terug en wel vandaag. Ik luisterde naar de vijfde lezing in een serie over Arnon Grunberg, onder de titel Schrift zonder schrijven, God zonder geloven – de Grunbergbijbel, door Prof. Dr. I.E. Zwiep. Zij wierp een bijzonder licht op wat de veelschrijver waarschijnlijk bewust heeft weggelaten. In zijn versie van de Bijbel ontbreekt het offer van Izaäk, maar ook de opstanding van Jezus. Bij nader inzien blijkt in de Grunbergbijbel ook nergens een lam voor te komen. Nee, wacht, het wandelt vanuit het niets (rug en achterflap zijn blanco) de omslag op en de auteur noemt het één keer: “Hoe moet het lam toch worden geduid? Had God aan één zoon en één heilige geest niet genoeg? Het lam is een raadsel.”

Ik had het mis. God begon helemaal niet over de behemoth en de leviathan, maar over een lam.

Read Full Post »

31012015

Een ieder van ons bevindt zich dagelijks op het snijpunt van verschillende werelden. Twee weken geleden waren dat er voor mij minstens drie. Ik zat in de aula van de Universiteit van Amsterdam en zag de zon door de hoge ramen schijnen, over goeden en bozen, als altijd. In de wereld van de media woedde een strijd tussen goede bedoelingen, die het niet per sé goed met elkaar voor hadden. Buiten leefden de mensen “als in de dagen van Noach” en daarbinnen waar ik was verzamelden academici zich rond de onderzoeksresultaten van een aantal voedselhistorici. Food, hunger and conflict was het thema, zeer toepasselijk in een jaar waarin we de 70ste verjaardag van de hongerwinter gedenken.

Die hongerwinter kwam ter sprake en zo ook de concentratiekampen. Maar er was meer: koloniale regimes en hun reactie op hongersnood, het effect van voedselrellen op de Britse politiek en de teeltkeus van een Europese koffieplanter in Zuid-Amerika. Vrijheid en macht hebben niet alleen te maken met wat de mond uit gaat, maar evenzeer met wat men erin stopt. Desondanks kon het me maar matig boeien en dat kwam vooral door de academische omgangsvormen, die bij de meeste sprekers alle sappigheid uit hun voordracht haalde. Om nog maar te zwijgen van het merkwaardig houterige baltsgedrag bij de plenaire discussie achteraf. Ik stel daarom mijn vragen liever in de pauze, dan proef je opeens wel iets van het enthousiasme waarmee dat geploeter in archieven gelukkig meestal gepaard gaat. En – ook al klinkt dat een beetje vies – als je thuis alles nog eens herkauwt, beleef je er meer aan dan in zo’n stijve setting. Probeer maar eens.

Die pauze werd overigens ingeleid door iemand die niet zo dicht aan de boezem van de Alma Mater ligt en misschien wel daarom niet zo’n academisch corset nodig heeft. Wat zij ter tafel bracht was buitengewoon verrassend. Sommige koks weten van spiering een zalmslaatje te maken. Het ging over het eten van tulpenbollen, sommigen kennen dat uit de verhalen van hun ouders. Ik niet, want ik kom van het platteland en moest mij tot nog toe behelpen met vooroordelen, waarin ik grote gamellen zag, vol dampend afwaswater, waarin een handvol zepige tulpenbollen dreef. Kennelijk onderschat ik de stedelingen diep in mijn binnenste nog altijd.

Het zal aan de honger niet afgedaan hebben (667 kCal per dag!), maar wat men van die bloembollen maakte toont de kracht van cultuur in benarde omstandigheden. Ergens op een zolder moet nog een typemachine gestaan hebben en in een kelder een stencilapparaat, want er werden recepten verspreid, waarvan Christianne Muusers ons eentje presenteerde. Kerriesoep van tulpenbollen, in de pauze mochten we er zelfs voor in de rij staan:

Soep met tulpenbollen
1 liter water, 1 ui vier ‘a vijf tulpenbollen, aroma, zout, 1 theelepel olie, kerriesurrogaat.
Het uitje sniperen en met de olie en het kerriesurrogaat licht bruin frui ten .Het water en de aroma toevoegen.De soep aan de kook brengen. De schoongemaakte tulpenbollen raspen boven de kookende vloeistof. Deze onder roeren nog even koken en op smaak aanmaken met wat zout. [sic, voor alle typo’s]

Best lekker, al zou ik er iets minder kerrie (het surrogaat is niet meer in de handel) in gedaan hebben. Voor wie het in onze crisisjaren eens wil proberen zal wellicht de prijs van tulpenbollen een obstakel zijn. Of ze in de oorlog dan goedkoper waren? Ik weet het niet, maar vermoed dat ze gegeten werden omdat men ze net zo min de Randstad uit kreeg als dat men er voedsel binnen kon halen.

Natuurlijk vertelde ik over deze bijzondere ervaring aan mijn dames in de wijk. “Die zullen daar toch niet over willen praten?” meende een vriendin die het in deze ook met haar vooroordelen moet doen. Niets bleek minder waar en ik heb geen kwaad woord over die tulpenbollen gehoord. De suikerbieten, die waren pas erg.

PS: snij vooral de wortelkrans en de groeipunt weg, als je de bollen schoonmaakt!

Read Full Post »