Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2018

 

Eergisteren, op de 49ste sterfdag van mijn vader, overleed in Israël de schrijver Amos Oz. Waarschijnlijk was daar juist de Sjabbat begonnen, waardoor zijn sterven een speciale glans krijgt. Tegelijk gaat er een licht uit: kijkend naar de straatinterviews die ik in mijn vorige bericht noemde, zie ik de hoop op een vreedzame coëxistentie van Joden en Palestijnen in het Midden-Oosten in een soort poolnacht verzinken. Amos Oz was een uitgesproken voorstander van de twee staten-oplossing, al is het verstandig voor ons, met vrede verwende Europeanen, om in het achterhoofd te houden hoe hij de realiteit daarvan voor zich zag:

The Israeli-Palestinian conflict has been a tragedy, a clash between one very powerful, very convincing, very painful claim over this land and another no less powerful, no less convincing claim. Now such a clash between right claims can be resolved in one of two manners. There’s the Shakespeare tradition of resolving a tragedy with the stage hewed with dead bodies and justice of sorts prevails. But there is also the Chekhov tradition. In the conclusion of the tragedy by Chekhov, everyone is disappointed, disillusioned, embittered, heartbroken, but alive. And my colleagues and I have been working, trying…not to find the sentimental happy ending, a brotherly love, a sudden honeymoon to the Israeli-Palestinian tragedy, but a Chekhovian ending, which means clenched teeth compromise.

Terwijl de donkergrijze wereld buiten stil lijkt te staan, krul ik me op als een kat in mijn fauteuil in de erker. Op mijn schoot een ‘Tsjechoviaanse’ roman, Een verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz. (De centrale verwarming ga ik niet meer ontluchten, want ik begin te houden van het geluid van de lucht in gevecht met het water tegen de metalen wanden van de radiatoren.) De sfeer van het boek doet me denken aan mijn vader, die ooit “een zwaarmoedige levensgenieter” werd genoemd. Zwaar en licht zijn alom tegelijk aanwezig, net als licht en donker. Oud en Nieuw is – als vanouds – nieuw, en oud. Lees maar een stukje mee, lieve Europeanen:

Mijn vaders broer, oom David, bleef met zijn vrouw Malka en hun zoontje Daniël, die anderhalf jaar voor mij geboren was, in Wilna: mijn oom David werd, ondanks  zijn Joodse afkomst, op jonge leeftijd benoemd tot literatuur-docent aan de universiteit van Wilna. Hij was een bewuste Europeaan, in een tijd waarin niemand anders in Europa Europeaan was, behalve de leden van mijn familie en andere, soortgelijke Joden. Alle anderen waren pan-Slavisten, pan-Germanen, of gewoon Letse, Bulgaarse, Ierse, Slowaakse partiotten. De enige Europeanen in heel Europa in de jaren twintig en dertig waren de Joden. Mijn vader zei altijd: ‘In Tsjecho-Slowakijke wonen drie volken – Tsjechen, Slowaken en Tsjeco-Slowaken, dat zijn de Joden. In Joegoslavië heb je Serviërs, Kroaten, Slovenen en Montenegrijnen, maar er woont daar ook een handvol onmiskenbare Joegoslaven. En zelfs bij Stalin heb je Russen en Oekraïeners en Oezbeken en Tsjoektsji’s en Tataren, maar onder al deze volken wonen ook onze broeders, de leden van het sovjetvolk.’
Oom David was een onmiskenbare, bewuste Eurofiel, gespecialiseerd in vergelijkende literatuurwetenschap, en het waren de Europese literaturen die zijn geestelijk vaderland vormden. Hij zag niet in waarom hij zijn positie moest opgeven en moest emigreren naar West-Azië, een plaats die hem vreemd en onbekend was, alleen om opgewonden anti-semieten en kleingeestige nationalistische oproerkraaiers hun zin te geven. Hij bleef dus op zijn post, de post van de vooruitgang, de cultuur en de geest die geen grenzen kende, totdat de nazi’s naar Wilna kwamen: Joden, intellectuelen, cultuurminnende kosmopolieten, daar hielden ze niet van, en daarom vermoordden ze David en Malka en mijn kleine neefje Daniël, die door zijn ouders Danoesj en ook wel Danoesjek werd genoemd, en over wie ze in hun voorlaatste brief, van 15 december 1940, schrijven dat hij ‘kort geleden is gaan lopen… en hij heeft een uitstekend geheugen’.
Inmiddels is Europa volkomen veranderd, tegenwoordig is het van muur tot muur vol met Europeanen. Trouwens, ook wat er in Europa op de muur geschreven staat is volkomen veranderd: in mijn vaders jeugd, in Wilna, stond er op elke muur in Europa: ‘Joden ga naar huis naar Palestina’. Vijftig jaar later, toen mijn vader weer een bezoek bracht aan Europa, schreeuwden de muren hem toe: ‘Joden ga weg uit Palestina’.

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Bar Giora

 

In dit eenvoudige huisje heb ik misschien wel de mooiste momenten van mijn vakantie in Israël beleefd. Bij het kantelen van de dag in de avond zat ik in een oude strandstoel in de tuin. Ik was niet leeg, zoals Herman de Coninck in zijn Ligstoel, maar voelde wel hoe ik volgegoten werd met het besef van mijn persoonlijk geluk. Schuimend ging het over de randen. Ho! Stop! had ik moeten zeggen, maar ik was al tezeer overweldigd. Hier te mogen zijn, badend in weelde en zacht zonlicht van vijf uur. In geuren en kleuren vertelt de tuin me waar ik ben.  Aangeland in een leven dat ik zelf gewild heb, toen ik dat eindelijk kon.

’s Avonds in de woonkeuken, waarheen ik het glas dat ik was voorzichtig, zonder knoeien had gedragen, gebeurde hetzelfde-anders opnieuw. Liggend in een soort schommelstoel zie  ik hoe Max een cd-tje uitzoekt en op zet, waarna hij aan de afwas gaat; ik had gekookt. Een moment van zo volmaakte huiselijkheid, dat me opnieuw doet overstromen. Net als aan de oever van de Kineret verlang ik naar eeuwigheid.

En toch: juist op deze plek woog de morele last van mijn verbondenheid met de geschiedenis van dit land zwaarder dan ooit en elders. Bar Giora ligt namelijk vlak naast de bestandslijn van 1949. Dat wil zeggen dat de grond daar ons niet is gegeven op basis van het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947. Het behoort tot de gebieden die zijn veroverd in de oorlog tegen de omringende landen, die volgde op de onafhankelijkheidsverklaring van 15 mei 1948. Hier hebben oorspronkelijke bewoners hun huizen moeten verlaten en ik merk hoe dat op mij drukt.

Wanneer ik op een avond de streek verken via Wikipedia, stuit ik op een intrigerende titel: All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948. Walid Khalidi beschrijft het oorspronkelijke dorp Allar in 1992 met de woorden: “Stone rubble, concrete blocks and slabs, and steel bars litter the site, together with the remains of stone terraces and walls. One domed stone structure, the former school building, still stands. On the slopes overlooking the site, almond and cypress trees and cactuses grow along the terraces.” Ergens denkt iemand met heimwee aan dit dorp, denk ik dan.

Er schuilt een zekere rechtvaardigheid in het feit dat deze plek op de aarde is gegeven aan andere verdrevenen, de Joden uit Marokko. Een vijftigtal gezinnen, met mooie mocro-joodse namen als Souissa, Ouaknine en Azulay, hebben hier een nieuw leven op kunnen bouwen. Zevenhonderdduizend Joden heeft de Arabische wereld uitgespuugd in de twee decennia volgend op de stichting van de staat en Israël heeft het leeuwendeel ervan kunnen opnemen. Tegelijkertijd houden de Arabische landen, met steun van de internationale gemeenschap, een ander vluchtelingenprobleem kunstmatig in stand. Wat is rechtvaardig? Welk recht is rechtvaardig?

Het is goed dat het Jodendom ons verbiedt om ons te verheugen over de nederlaag van onze vijanden, al moet ik zeggen dat ik van nature moeite heb met het innemen van ruimte waar ook anderen aanspraak op maken. Toch is daar geen ontkomen aan. In het klein kom ik een heel eind met het organiseren van een zo conflictloos mogelijk leven, maar als deel van mijn volk ontkom ik er niet aan. Max probeert me wel een uitweg te bieden, door te zeggen dat ik hier een betrokkene ben, maar geen partij. Ik ervaar dat anders, telkens wanneer de moslims onder mijn cliënten  – die zich vaak heel sterk met ‘de Palestijnse zaak’ identificeren – mij zeggen dat wij het gestolen land terug moeten geven of dat wij helaas niks van de Sjoa geleerd hebben en nu zelf nazi’s zijn. Dan heb ik alleen maar gezegd dat ik joods ben.

Kritiek op Israël moet kunnen, natuurlijk. Zelf ben ik ook niet gelukkig met de dominantie van rechts en van de ultra-orthodoxie. En het nederzettingenbeleid, tja. Maar waar gaat kritiek over in anti-zionisme en hoe vaak ligt daaraan anti-semitisme ten grondslag? In een poging Palestijnen te begrijpen kijk ik naar YouTube-filmpjes en huiver bij de onverbloemde haat en fundamentele onverzoenlijkheid die daarin de boventoon voeren. Het lukt me niet om de selectieve verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties en de VN Veiligheidsraad te begrijpen.

Al die gemengde gevoelens zijn soms lastig te herbergen. En toch betrap ik me er regelmatig op dat ik droom van een oude dag in Haïfa, of in Bar Giora.

Read Full Post »

Jerusalem


Het leek die dag wel een zomerse zondagmiddag  op de Veluwe, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een bijna autoloze zondag. Toch was het gewoon maandag, maar heel Israël vierde de achtste dag van Soekot (het Loofhuttenfeest). Bijna geen verkeer, nergens een winkel open en zelfs nauwelijks recreanten in het verwaarloosde herbebossingsgebied, waar we een voorverpakte sandwich, gekocht bij een tankstation, opaten. Zelfs de vogels en de slangen lieten zich niet zien, toen we een dorre heuvel beklommen, op zoek naar een uitzichtpunt. Vredig voelde het allemaal niet. De Gaza-strook lag op een kleine veertig kilometer westelijk van ons. Misschien zat iedereen wel in de schuilkelders.

Niettemin kwamen we veilig aan in de moshav Bar Giora (daarover in een volgend bericht), waar het touwtje voor ons uit de brievenbus hing. Wat een paradijsje! En zo vlak bij Jerusalem. Ach, Jerusalem! begrijp me niet verkeerd: ik hou van je, maar opeens werd ik bang. Natuurlijk, bang voor de verkeersdrukte van een wereldstad. Zouden we wel een parkeerplekje vinden? Wat wilden we, toch al een beetje overvol van indrukken, daar eigenlijk zien? Maar vooral: zouden mijn emoties wel aan de verwachtingen voldoen? Zouden mijn tranen wel willen stromen, als ik eenmaal voor de Kotel (vulgo: de Klaagmuur) zou staan? Zou ik mijn liefde wel voelen?

Jerusalem (1936)

Ich liebe Dich;
Liebe Dich ohne Grenzen.
Ich segne Dich;
Segne Dein Urgestein.
(. . .)

(. . .)
Deine Mauern, Zinnen und Tore, Deine Bogengassen.
Dein Gestein und Deine weite wilde Wüste Jehuda:
Odem Deiner Geschichte.
Deine Riesenquadern:
Dein Blut!
Du Allgewaltig-Allerheiligste.

Du, Du.
Nur Du,
Jeruschalajim,
Du Heilige, SEINE Heilige, Urheilige meines Volkes,
Ha-Kedoscha!
Blut meines Volkes Du,
Jeruschalajim, Jeruschalajim,
Mein Heiliges:
DU!

Reuben Hecht

Toen ik eenmaal aan het rijden was, viel de vrees al snel van me af. Het beven hield op en tegen de tijd dat we pakweg een kilometer van de Oude Stad verwijderd waren, werd ik zelfs iets te chutzpadik naar de zin van Max, die doorgaans een stuk hoffelijker is dan ik. Het blik bleef echter heel en geheel krasvrij bereikten we een sjieke parkeergarage, die me een gevoel van enorme luxe gaf. Door een soort PC Hooftstraat liepen we regelrecht naar de Jaffa-poort, waarna we ons in het gewoel van pelgrims en toeristen stortten.

Of werden we erin gezogen, rondgepompt als bloedlichaampjes door de aderen van een oude godheid, gemaakt van nog oudere stenen? “Too much God,” schamperde Yaniv, mijn leraar Hebreeuws, wanneer hij het over Jerusalem had. Eerst zag ik vooral multiculturele en multireligieuze commercie: kruisen, iconen, talliet en keffiyeh gebroederlijk naast elkaar. Bij de Western Wall kwam er een militair tintje bij. Veel groen op straat. Toen ik er eenmaal vlak voor stond, helemaal alleen in het vrouwengedeelte, was er vooral rust, en de hitte van de zon. Ik pakte een beduimeld gebedenboek, zocht de juiste plek op en zei mijn tefille (het hoofdgebed). En dat was het dan. Geen grote gevoelens, alleen eenvoudige plichtsvervulling.

Daarna begaven we ons opnieuw in de drukte van de soeks en de steegjes. Over elkaar tuimelende indrukken, hitte, veel geluid en weinig ruimte, broeierigheid soms. Ik was blij dat Max al die tijd dicht in mijn buurt was. Zonder hem was ik innerlijk nog meer versnipperd geraakt dan ik al was. Behalve bloed leken er ook zenuwbanen door dat oude stadlichaam te lopen. Electrisch geladen voelde de lucht, vanwege de veelsoortige en tot hoogspanning opgezweepte religieuze energie van al die moslims, christenen, Joden. Op een pleintje voor de Heilige Graf-kerk, omstuwd door heel veel vrome vrouwen, stond ik even stil en keek omhoog naar de luidsprekers aan de minaret van de naburige Omar-moskee, vanwaar de muezzin opriep tot het middaggebed. Too much God, maar toch mooi dat het weer kan, sinds Israël het hier weer voor het zeggen heeft.

Middenin het joodse kwartier, aan de voet van de pas herbouwde Hurva-synagoge, vonden we een terrasje met heilig voedsel. Goed voedsel, en een jonge ober die “schoon van gedaante, en schoon van aangezicht” was, genoeg om een mens weer naar de aarde en het goede leven terug te voeren. Pas ’s avonds, terug in Bar Giora, kwam de grote ontroering, maar die was veel rijker geschakeerd dan men van een liefde voor Jerusalem zou mogen verwachten, meeromvattend ook. Jerusalem, 15 kilometer verderop in het donker, kreunend onder too much God, ik was en zal je niet vergeten. Maar het mooie van het Jodendom is voor mij tóch, dat het me alle gelegenheid biedt om dicht bij God te zijn, maar ook weer niet té dichtbij.

 

 

Read Full Post »