Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2014

13112014

Toen ik een jaar of negen was, logeerde ik in de zomervakantie op de boerderij van mijn opa en oma. Het was hooitijd en iedereen was druk in de weer. Wij kinderen genoten veel vrijheid, maar soms ook ging ik met mijn opa mee de weilanden in om iets te halen of te brengen. Hij op zijn klompen, ik in plastic laarsjes; hij met grote, rustige passen, ik half rennend naast hem. Die dag moesten we helemaal bij de Haarwal zijn, achteraan het verste weiland. ’s Middags zouden we de koeien ‘verkampen‘ en opa wilde alvast de roestige oude badkuip vol scheppen met water uit de beek, zodat ze meteen te drinken zouden hebben.

Ergens halverwege het tweede weiland, we liepen door het lange gras, dat komende week gemaaid zou worden, zagen we plotseling een grote haas plat op zijn buik tegen de grond gedrukt liggen. Vlak voor onze voeten! We hielden stil en mijn opa fluisterde: “Je kunt ‘m zo pakken. Doe maar.” Ik was even vergeten hoe oma en hij me voor de gek gehouden hadden door me te vertellen dat vogels zich met het grootste gemak lieten vangen, zodra je hen wat zout op de staart strooide. Dus deed ik een stap naar voren en greep naar de haas. Van schrik tuimelde ik achterover, want de haas sprong overeind en glipte onder de omheining door naar het weiland ernaast, waar de koeien naar een laatste grasspriet zochten. En opa maar lachen.

Terwijl ik overeind krabbelde, zag ik nog net hoe de haas met rare kromme sprongen een goed heenkomen zocht in de richting van de meidoornhaag. Tevergeefs: de koeien, nieuwsgierig als ze zijn, renden met zwaaiende uiers op hem af. Nog voor ik mij af kon vragen of ik mijn ogen wel kon geloven, zag ik hoe de oude Hennie (moeder van al vier nieuwe Hennies) de haas met haar brede voorhoofd tegen de grond drukte. Mijn opa gaf een schreeuw, waardoor de koeien hun aandacht op hem richtten, en stapte over het prikkeldraad. Even later was hij terug, de haas hing slap in zijn grote handen, morsdood.

Hij liet me zien hoe het kwam dat de haas niet uit de voeten had gekund: een van zijn achterpoten hing er aan een paar rafels bij. Vermoedelijk was hij daarmee in de maaibalk van de buurman terecht gekomen. Mijn gevoelens schoten heen en weer tussen ‘wat zielig!’ en ‘spannend’, maar bleven hangen bij de warmte en de zachtheid van het vel van de haas, toen ik hem van mijn opa aannam. “Hier, voor jou.” Rare man! Wat moet een kind van negen met een dode haas? Maar ook dat kwam goed: een oom slachtte het dier, mijn oma kookte het en ik kreeg het vel, dat we droogden aan de balken van de hooischuur. Mijn eerste souvenir. Van een vakantie, waarin ik met eigen ogen heb gezien, hoe een koe een haas vangt.

Advertenties

Read Full Post »

Sinterklaas

12102014

Zonder dat ik er erg in had, ben ik op bedevaart geweest. Naar Sinterklaas nog wel. Dat kwam zo: mijn vriend Peter nam mij mee naar Bari, een ‘stedentrip‘ heet dat, geloof ik. Daags voor vertrek beloofde ik een van mijn cliënten in de thuiszorg, dat ik voor haar zou bidden en een kaarsje zou aansteken, als ik daar in een kerk zou belanden. Wat niet onwaarschijnlijk is in zo’n situatie. Waar het aankomt op de zogeheten kracht van het gebed ben ik eigenlijk veel te kleingelovig, maar ik vind niet dat dat mij zou moeten weerhouden van deze kleine daad van barmhartigheid. Bovendien: zij vroeg mij te bidden om ‘hoop‘ voor haar, en dat vond ik een bewonderenswaardig verlangen in een tijd waarin we gezamenlijk toeleven naar het maken van veel kortere metten met leed zonder uitzicht op verbetering.

In het schitterende plaatsje Alberobello, in de kitscherige kerk van de heiligen Cosmas en Damianus, heb ik eerst maar eens geoefend. Ik gooide een euro in een soort automaat, in de verwachting dat zich een elektrisch lampje zou voegen in het koor van de reeds flakkerende elektrische lampjes. Er gebeurde niets. Of toch? Ik weet het niet, want behalve kleingelovig was ik ook nog onwetenschappelijk bezig: ik was vergeten vooraf het aantal brandende lichtjes te tellen. Nu is er één ding waar ik wél rotsvast in geloof, en dat is de oneindige lankmoedigheid en genade van God. Zolang het laatste oordeel niet is aangebroken, ligt in elk moment een herkansing op me te wachten.

Die kwam een dag later, in het hartje van Bari, in de basiliek van Sinterklaas. Daar rust het stoffelijk overschot van de heilige Nicolaas van Myra, dat door brave zeelieden uit Turkije werd geroofd om het tegen de oprukkende islam te beschermen. Daar rust hij, wat hem niet verhindert jaarlijks via Spanje in een stoomboot, vergezeld van een bende zwart geschminkte clowns, die toevallig allemaal Piet heten, naar Nederland te reizen. Met een zak vol kadootjes, die hij uitdeelt aan brave kinderen, in ruil waarvoor hij een aantal stouterds meeneemt naar Madrid om daar als dwangarbeiders in de sinaasappeloogst te werken. Althans, zo is het mij in mijn jeugd ongeveer geleerd. Wie de lange reeks wonderen van deze sympathieke heilige beschouwt, moet wel vinden dat dit er gemakkelijk bij kan.

Hij had het slechter kunnen treffen, Sinterklaas, als je die rustplaats ziet. Iemand noemt het een “austere and uncompromising building“, maar ik meende dat het een huis was waar men gelukkig van wordt. Zoals er maaltijden zijn, en wijnen, waar men gelukkig van wordt. Er waren ook echte devotielichtjes, waarvan ik er eentje ontstak voor mijn zorgvrager in Amsterdam. Ik bad om ‘hoop‘ en vroeg me af of ik er goed aan zou doen haar te vragen wat zij daarmee zou willen hopen, wanneer mijn gebed verhoord werd.

De plek in mijn hart, waar ik mijn belofte aan haar had gedragen, kwam nu weer vrij en vulde zich onmiddellijk met een geluk, dat precies de kleuren en het licht van Bari had. Zo liep ik nog een poosje met mijn reisgezel door die verrukkelijke ruimte in het rond, om daarna in het crypt af te dalen, waar het gebeente van de wonderdoener lag, onder een altaarsteen en achter een traliehek. Er brandden zoveel lichtjes, dat het bijna een vrolijke begraafplek werd, maar de ernst van de pelgrims, vaak van Oosters-Orthodoxe gezindte, hield die lichtheid stil.

Terwijl ik in een van de houten banken zat, werd ik getroffen door twee oudere vrouwen met hoofddoek, die lange tijd geknield voor het traliehek lagen te bidden. Zo nu en dan staken zij hun hand door het hek om de tombe aan te raken, zoals de vrouw die de zoom van het kleed van Jezus aanraakte. Misschien verwachtten zij iets tastbaars van dat contact. “Dochter, je geloof heeft je gered; ga heen in vrede,” zei Jezus toen. Heel even stond ik stil bij mijn eigen kleingelovigheid, maar kwam al snel tot de conclusie dat die wel aangezuiverd zou worden door die Genade, waar ik zo hartstochtelijk in geloof. In vrede ging ik naar buiten, waar ik me nog bedacht hoe weinig respect de geest van deze tijd heeft voor de eenvoudige vroomheid van zulke kleine gehoofddoekte vrouwen. “Faber est suae quisque fortunae,” las ik op een gevelsteen in een wereldser deel van de stad. Om het hardst proberen wij elkaar aan te praten, dat we het wel alleen af kunnen. Maar het klopt niet, het klopt niet.

Read Full Post »