Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

 

Aan het begin van dit lange, koude voorjaar overkwam mij iets, pal hier voor mijn deur, dat ik de moeite van het vertellen waard vond. Gelukkig zat mijn dochter boven met haar voeten op de kachelrand een tosti te eten, dus ik had meteen een klankbord.
Nu het voorval:

Precies op het moment dat ik mijn fiets tegen de gevel zette en mijn boodschapjes van het stuur nam, klonk achter mij een nogal ostentatieve zucht. Ik keek om en zag een zwaarlijvige man met twee zware AH-tassen zeulen. Midden over de straat liep hij in mijn richting.

“Tjonge, u zucht ervan,” zei ik, en dat klonk waarschijnlijk wel compassievol.

“Ja,” antwoordde de man, “ik heb heel weinig longcapaciteit.”

“Ah, is dat het,” zei ik, begripvol, of opgelucht, of om niet niets te zeggen.

“Ja, dat is het,” sprak de man en hij draaide zich om, want inmiddels was hij mij gepasseerd, “maar anders was het vanwege uw schoonheid.”

Ik vermoed dat het aan mij te zien was dat ik me zijn compliment liet welgevallen, want hij zette zijn boodschappen tegen zijn benen, nam een theatrale pose aan en waagde verder: “Een zucht geeft lucht aan een hart vol smart. Kwam zij wat nader en hij wat dichter, dan was die zucht gewis wat lichter.”

“En, wat gebeurde er toen?” vroeg mijn dochter.

“Nou, ik zei: ‘Zo, u ként uw klassieken!’ en toen zei hij: ‘Ja, het is van De Schoolmeester, maar de meeste mensen kennen alleen de eerste regel.’ En toen vertelde ik hem over een mevrouw (zaliger gedachtenis) die de tweede regel ook altijd aan haar zuchten toevoegde. En toen waren we allebei blij dat er nog mensen waren die de poëzie van De Schoolmeester in ere hielden.”

“Hè,” verzuchtte mijn dochter, “het is ook altijd hetzelfde met jullie intellectuelen! Jullie werpen een hele berg woorden op tussen jezelf en de directe ervaring en zo gebeurt er nooit wat.”

Tja, wat kon ik daarop antwoorden? Dat de man mijn type niet was en de stoeprand niet mijn favoriete plek voor directe ervaringen?

“Ach,” zei ik dus maar, “wij intellectuelen hebben aan een heel klein beetje ervaring al genoeg.” Of dat waar is, laat ik in het midden. In ieder geval heb ik deze kans op ‘meer’ laten schieten.

De laatste tijd spreek ik af en toe vrouwen – en een enkele man – van mijn leeftijd, of daaromtrent, die me verzekeren dat het voor ons afgelopen is. “Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr,” sprak een vriendin, die ook op poëtische wijze en met kennis van de klassieken het volledige leven tot uitdrukking probeert te brengen. En zo waken wij, en lezen; schrijven geen lange brieven meer, maar korte e-mails, in afwachting van herfstige alleeën, vol van wind en dorre bladeren. “Ach,” troost ik mij nog af en toe, al is dat statistisch gezien natuurlijk onzinnig, “je weet nooit achter welke straathoek de dood of de liefde op je wacht.”

 

Read Full Post »

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Read Full Post »

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.

Read Full Post »

09022017

 

De loopjongen is terug in het straatbeeld. Sinds kort prijkt het dienstmeisje op de Amsterdamse billboards. Snorders racen onzichtbaar door onze straten en op de zolders boven ons rookt en ronkt het van de nette (of onnette) heren b.b.h.h.. Mijn hippe jonge buurvrouw heeft een webwinkeltje in handgemaakte schrijfwaren en mijn eigen dochter een heuse praktijk in ayurvedische yoga-massage. Nog even en God is terug in Jorwerd.

Waarom denk ik vandaag, behalve aan God, aan Jorwerd? Dat is om een zin als deze, uit dat prachtige melancholieke boek van Geert Mak:

“Ach wat waren de mensen arm toen ik een jongen was,” zei de notaris. “er was geen steun en je zag iedereen met handeltjes beginnen. Een koemelker met zes koeien begon daarnaast iets met koffie en thee. (…)”

 

We hebben het dan over de jaren vijftig, toen geluk nog heel gewoon was en ik als een geitje met een lang eind touw stond vastgebonden aan een kwarrig appelboompje in het bleekveld aan de dijk. Aan het begin van mijn volwassen leven was al dat sappelen verleden tijd. In Frankrijk zong Marie-Paule Belle er een weemoedig liedje over en ikzelf ben de nostalgie naar die armoe nooit helemaal te boven gekomen. Ah, de romantiek ervan!

Ik heb het allemaal teloor zien gaan in mijn eigen kleine leventje. De sanering van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf had mijn vader vanonder zijn zwerk vol leeuweriken weggeplukt en aan een lopende band vol theebeschuitjes gezet. Een neef, die kruidenier was, legde het af tegen de nieuwe supermarkt in het centrum van ons dorp. En alles waar vroeger een reparateur voor bestond verdween op een zeker moment in de vuilnisbak, omdat je goedkoper een nieuwe kon kopen. Tenslotte kopen wij nu elk jaar al onze apparaten nieuw, niet omdat ze stuk of versleten zijn, maar omdat ze “niet langer ondersteund worden”. Keep the aspidistra flying!

Mijn eer-eer-eervorige manager zei eens, toen onze organisatie Amsterdam Thuiszorg net was opgeslokt door Cordaan, en wij begonnen aan de eeuwigdurende reorganisatie via wijkteams naar zelfzorgorganiserende teams naar God-weet-wat: “Het is een golfbeweging: centraliseren en decentraliseren en dan weer centraliseren.” Ik weet niet of zij helemaal gelijk had. Misschien gebeurt het wel allemaal tegelijk. De grote bedrijven, die eerst alle kleintjes hebben opgeslokt, maken nu van hun werknemers langzaam maar zeker kleine zelfstandigen. Of sappelaars, want wat blijft er van hun rechtspositie over?

De jonge mensen van nu vinden het waarschijnlijk heel romantisch allemaal en waarom ook niet? Wat een vrijheid geniet je tenslotte! Volop in beweging, in een heerlijk vacuüm van anonimiteit en je werkgever is een app, net zo verleidelijk als je facebook-account. Google maar eens naar afbeeldingen van Foodora en Deliveroo en zie dat het altijd mooi weer is. Of probeer een Helpling te vinden die niet blij kijkt. Op mijn 60-ste en op mijn fietsje door deze prachtige stad karrend, van oud bestje naar niet meer zo krasse knar, voel ik me zomaar opeens weer heel jong. Hosselen is de toekomst!

“Een hosselaar is niet afhankelijk van één inkomstenbron. Hij scharrelt zijn kostje bij elkaar met verschillende activiteiten die samen genoeg opleveren, genoeg voor een leuk leven.

Een hosselaar is streetwise: een ondernemend multi-talent dat kansen grijpt en risico’s spreidt. Geld verdienen wordt weer een levenskunst die je al doende ontwikkelt.

Wat is jouw sociale en emotionele kapitaal? Welke kansen bieden grote maatschappelijke trends? En hoe maak je van zo’n kans een geldkraantje? Je leest het allemaal in dit boek boordevol goede ideeën en slimme voorbeelden!”

Read Full Post »

Poeze-Mientje

07012017

 

Wat een geluk dat ik geen man ben! Of misschien is het al genoeg dat ik geen vrouw heb. Zo’n vrouw die op een goeie dag een lange blonde haar op d’r mans (of vrouws!) schouder ziet liggen, terwijl zij zelf korte donkere krullen heeft. Ze deinst meteen terug en een draaikolk van destructieve gevoelens woelt op vanuit haar binnenste. Haar hoofd is een klok vol galmende vragen: Van wie is die haar?! Hoe oud is zij? Hoe lang is het al gaande? Wat zijn mijn kansen?

Wacht, lieve vrouw (of man!) die er niet is. Ik kan het allemaal uitleggen. Kijk om te beginnen goed. Doe van mijn part het licht aan. Je zult zien dat die haar niet lang is, maar kort, en niet blond, maar wit, en dat ie daar niet alleen ligt, maar met honderd, wat zeg ik, duizend tegelijk! Jij bent er niet, maar er is ook geen ander. Hou nou toch op! Ik heb gewoon een kat in huis gehaald, dat is alles. Echt.

Terwijl ik mij voorzichtig naar rechts draai, naar de lege stoel waartegen ik net zat te praten, schiet er een lichtflits in mijn ooghoek. Een vallende ster, een geest uit een fles. En daar staat ze al: luid spinnend draait ze zich een paar keer om en springt dan op mijn schoot, op mijn toetsenbo0dsVLK[MV=9djkadjqh-38hnv’an, en vandaar weer op mijn schoot.

Tot straks, ik moet even aaien.

O ja, en nu de vragen. Ze (ja, het is een zij) is ongeveer vier jaar oud en ze leeft sinds 27 december 2016 met mij onder één dak. Op die dag heb ik haar gered uit een hel van blaffende honden, getraumatiseerde katten en door oprukkende digitalisering getergde verzorgsters. Daar was ze beland, toen haar vorige baasje/vrouwtje overleed. Volgens de rapportage op haar hokkaart was zij “een lieve, verlegen dame, die eerst vanuit verstopplekjes de kat uit de boom kijkt, maar na een poosje zal ontdekken dat wij mensen wel meevallen en dan vanzelf om een aai zal komen”.

Thuis aangekomen deed ik het deurtje van de mand open en verwijderde ik mij discreet. Na een afwasje van niks kwam ik de kamer weer in. De mand was leeg en de poes onvindbaar. Uiteindelijk bleek zij achter de piano te zijn gekropen. God, wat een sneu gezicht! Angstig ineengedoken zat zij daar, aan alle kanten ingeklemd als een gebakerde baby. Drie dagen heeft dat geduurd, dat verstoppen. Alleen ’s nachts kwam zij tevoorschijn, getuige het lege schoteltje in de keuken en het drolletje dat ik ’s morgens vroeg in de kattenbak zag liggen. Toen kwam vriendin Renée op bezoek, met een zakje kattenlekkers in haar tas. Knisperend met dat zakje en met een hoog stemmetje pratend benaderde zij het bange diertje in haar donkere schuilhoek.

“Poezemientje!” was haar eerste woord en daarmee was zij peetmoeder geworden en had Poeze-Mientje haar naam. Het ijs tussen kat en mens was bovendien gebroken en een dag later sprong het poezenbeest vrolijk op mijn schoot en zette zij het op een spinnen. Ronkend van hartstocht was ze opeens all over me, met heel haar zachte, witte kattenlijf. Vandaar die haren. Zie je wel, niets aan de hand!

Ik kijk nog eens naar de stoel naast me, die nu weer leeg is. Poeze-Mientje ligt op de bank verder te verharen en nog wat na te spinnen. Het is net alsof ik de nagalm van de overgebleven vraag boven die lege plek hoor brommen: “Wat zijn mijn kansen?” Of die vraag nu gesteld wordt door mijzelf of door die imaginaire afwezige (m/v) in mijn leven: het zijn altijd de kansen die je grijpt. Het komt allemaal goed, als je van katten houdt, niet zeurt over een paar haren hier en daar, en net zo met je Berührungsangst omspringt als dit poezemientje.

Read Full Post »

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

Hoekjes

24122016

 

Waarom had ik het hem nooit eerder gezegd? Wat als ik hem voor altijd uit het oog verloren was en hij dit nooit geweten had? De gevolgen daarvan kan ik niet overzien, want die zullen er nooit zijn. Vanochtend was er zomaar een moment, dat ik beslist niet aan zag komen voordat het er was. Op de valreep van mijn vertrek bij mijn huidige werkgever kwam het opeens uit mijn mond: “Ik moet jou nog iets vertellen.”

We stonden voor het sleutelkastje en waren in gesprek over mijn laatste loodjes. “Ik snap je helemaal,” zei hij, “en ik denk dat het goed is wat je doet.” Dat ook hij niet enthousiast is over de plannen van het bedrijf, wist ik wel ongeveer. Dat hij zich niet genoodzaakt voelt daar consequenties aan te verbinden, denk ik wel te snappen. Hoewel, eigenlijk weet ik niet veel van hem. Hij is niet zoals ik, behept met een drang om zich te uiten.

Zo zie ik hem ook nog zitten, in een herinnering van zes jaar geleden, links van mij, aan de verste hoek van de vergadertafel. Stil, glimlachend met neergeslagen ogen, toen onze toenmalige manager aankondigde dat hij ons team ging verlaten, omdat hij de opleiding tot verzorgende ging doen. Zo, zonder enige intentie om iets teweeg te brengen, gaf hij de aanzet tot een verandering in mijn leven, die me onvoorstelbaar veel gebracht heeft. Onbedoeld bracht hij mij op een idee en ik besloot zijn voorbeeld te volgen. Zo simpel was het.

Het deed hem zichtbaar goed, toen ik hem dit vertelde. Misschien moet ik ze vaker doen, zulke bekentenisjes. Meteen schiet me nog zo’n moment te binnen. Ook toen zat het geluk in een hoek, achter een beeldscherm, energiek rammelend op een toetsenbord. Het was haar en een andere collega niet ontgaan dat mijn onvrede met de organisatie van ons werk groeide. Ik kon niet meer verbergen dat ik daar onder leed. “Kan je geloof je niet op de een of andere manier helpen hierin?” vroeg mijn veel jongere collega zomaar opeens.

Dit was niet zo simpel. Maar na wat schermutselingen tussen mijzelf en mij, zag ik in dat ik andere opties had dan in het ene domein te schuilen voor wat mij in het andere te moeilijk viel. Dat er ander manieren zijn to go with the flow dan door te proberen je aanpassingsvermogen op te rekken. Nog een paar dagen en ik ben weg van mijn werkplek en al schrijvend bedenk ik nog dat ik door dat te doen, vanuit mijn klein hoekje, twee andere collega’s aan een nieuwe baan heb geholpen. Onbedoeld, eerder luidruchtig dan stil, maar toch.

Read Full Post »

Older Posts »