Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

 

Toen mijn vader stierf – in een bushokje, op weg naar zijn werk – zat er letterlijk maar één rooie cent in zijn portemonnee. Geen flauw idee waaraan zijn zakgeld was op gegaan. Hij dronk ongeveer een of twee keer per jaar, op een verjaardag,  een flesje Oud Bruin. Ik herinner me hem nog rokend (North State: ik weet zelfs de mop nog, die hij een keer over dat merk vertelde), maar daar was op een zeker moment geen geld meer voor. Ook zijn krant was uiteindelijk buiten de grenzen van ons gezinsbudget terecht gekomen. De Telegraaf: ik zie nog hoe hij die open schudde, in zijn rookstoel zonder rook.

Twitter bestond toen meer dan een halve eeuw nog niet, maar aan mijn vader kon ik zien dat het nieuws ook destijds al dezelfde therapeutische functie had als vandaag. Zoals een koe zich schurkt tegen een paal, schurken mensen zich aan het wereldgebeuren. En net als bij alle jeuk is het middel erger dan de kwaal:  je blijft krabben. We raken rap verslaafd aan de prikkeling van ons gevoel van verontwaardiging. Twitter of de krant, het maakt niet uit. Gewoon, lekker even kwaad worden. En dat dan uiten.

Mijn vader, die de hele dag aan de lopende band had gezorgd dat Verkade’s theebeschuitjes recht van lijf en leden van de lopende band rolden, wond zich op in zijn rookstoel naast de kachel en ik weet nog precies waarover. Het gebruik van napalm in Vietnam (hij sprak het uit zoals je het schrijft). De dood van Churchill – eindelijk gerechtigheid! – wekte opnieuw zijn verontwaardiging over hoe de geallieerden waren weggekomen met het bombarderen van burgerdoelen in Duitsland. Maar het woord dat het stevigst is gehecht aan het beeld van mijn vader achter zijn krant is wel “dat vervloekte wapenkapitaal”. Hij droeg een gebroken geweertje op de linker revers van zijn zwarte manchester pak.

Terwijl eergisteren heel Nederland voor zijn emotionele leven was ingetuned op het boerenprotest in Den Haag, zat ik in een zaaltje te turen naar een wit scherm, waarop ons de werking van een nieuwe app voor de thuiszorg werd gedemonstreerd. Leuk speelgoed, ik zou het best als Chanoeklaas kadootje willen krijgen. Het moet ons van de “vervelende papierwinkel” in de vorm van medicatie-aftekenlijsten af helpen. Voortaan zetten wij onze vinkjes op een iPad. Mijn eerste reactie (en die van enkele andere collega’s) was: dat gaat beslist meer tijd kosten. Ik was brutaal genoeg om de aanwezige manager te vragen waar die extra tijd vandaan moest komen: van de werkgever, van de cliënt of van ons. Eerst deed hij een paar keer alsof hij niets hoorde, maar toen ik uiteindelijk bijval van de anderen kreeg, mompelde hij dat hij “het mee zou nemen”.

Ondertussen wond ik me zachtjes op, omdat ik me realiseerde dat men voor de zoveelste keer, luid mopperend op de kosten van de zorg, een deel van de tijd en het geld, dat eigenlijk voor onze cliënten bestemd is, overhevelt naar de ICT-sector. En opeens viel ik samen met de verontwaardiging van mijn vader. Mijn over-associatieve brein zag hem zitten in zijn rookstoel, achter De Telegraaf, vloekend op “dat verdomde surveillance-kapitaal”. Op de revers van zijn jasje een gebroken iPad.

Deze nieuwe manoeuvre van onze afdeling ICT maakt de iPad voorgoed onmisbaar. De iPad, waarop de app MobileIron is geïnstalleerd, waardoor het apparaat op afstand bestuurbaar is. Toen ik hem aanzette, zag ik in een flits dat die app toestemming opeiste voor het gebruiken mijn locatie-gegevens, “om de iPad op te kunnen sporen in geval van verlies of diefstal”. Lang leve de veiligheid! Doe mij ook maar alvast een enkelbandje aan, dan ben ik tenminste te vinden zodra ik de eerste tekenen van dementie vertoon. Thuisgekomen heb ik even gezocht naar Instellingen > Privacy > Locatievoorzieningen, en heb ik het schuifje – dat default “aan” bleek te staan – uit voorzorg “uit” gezet. Ik ben benieuwd of MobileIron het stiekem weer aan zet.

Advertenties

Read Full Post »

Een wij

 

Het is goed dat er niemand kijkt, want bijster elegant ziet het er niet uit. Ik hang wat onderuitgezakt in de fauteuil in de erker en Poezemien heeft zich over mij heen gedrapeerd. Dat wil zeggen: haar achterpoten rusten op de leuning, haar kin ligt helemaal hingegeben op mijn buik. Haar voorpoten heeft zij tot ver voorbij haar neusje uitgestrekt, alsof zich ergens links van mij iets bevond, dat absoluut aangeraakt moest worden. Er klinkt muziek en zij spint zachtjes mee. “Wat hebben wij eigenlijk met elkaar?” fluister ik zomaar, zonder dat van tevoren bedacht te hebben. Haar linkeroor tast naar het beetje geluid en opeens weet ik één ding zeker: wat ons tot een wij maakt, is niet de taal die op spraak berust.

Zijn wij dan wel een wij? Hoe wederkerig zijn onze betrekkingen nu helemaal? Goed, zij is (sorry, God) de eerste aan wie ik denk als ik wakker word. Zal ik eerst mijn Euthyrox slikken, of eerst Poezemientje iets lekkers geven? Pas dan denk ik aan God, die heeft gezegd: “Ik geef u gras op uw veld voor uw vee, en u zult eten en verzadigd worden.” Met andere woorden: eerst de beesten eten geven, daarna pas jezelf. De poes komt braaf aan trippelen, opdat ik mijn zegen brengende handeling kan vervullen. Is zij er voor mij of ben ik er voor haar? Of wij voor elkaar?

De bijsluiter zegt dat ik nog een half uur moet wachten, voordat ik mij aan het ontbijt mag zetten. Ik mompel een paar zegenspreuken en ga nog even liggen. Dat weet Poezemien. Met een kort miauwtje kondigt zij zich aan en springt meteen op het bed en vervolgens bovenop mij. Haar volle gewicht op die vier ronde voetzooltjes is me bijna teveel. Wilde ik niet nog even weg wegdoezelen? Ik kreun wat, maar zij weet van geen wijken. Hoe weet zij toch de liefde in mij te wekken, die zorgt dat ik haar wensen boven de mijne laat prevaleren? Ik praat en lach tegen haar, of zij het nou verstaat of niet. En zij, zij spint er keihard tegenin.

Mijn eigen menselijk bewustzijn met al zijn overwegingen ken ik wel zo’n beetje, maar hoe zit het met dat van een kat? Prediker heeft er gelukkig voor gezorgd dat de Bijbel ons voorhoudt, dat wij ons maar beter niet al te zeer op dat bewustzijn moeten laten voorstaan.

Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. (…) Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?

Hoe is het bewustzijn van mijn kat? Soms meen ik iets ervan te merken en dan moet ik meteen erkennen dat zij beslist in het bezit van een zintuig is, dat wij niet hebben en zelfs niet kunnen kennen en meten met onze vernuftige instrumenten. Zij weet altijd op welke plek in huis ik mij bevind, zonder dat zij mij ziet of dat ik geluid maak. Gezien de afstanden tussen de verschillende kamers, is het ook niet waarschijnlijk dat zij mij ruikt of mijn lichaamswarmte voelt. Een dergelijke gevoeligheid in de ons bekende zintuigen zouden haar het leven op andere momenten onmogelijk maken. Golven? Ach kom, ze zou allang ontregeld zijn door alles wat onze apparaten door de ruimte zenden.

Hoe ik dit weet? O ja, dat moet ik nog vertellen. Altijd, zodra ik in de fauteuil in de erker plaats neem, nauwlettend erop toeziend dat ik geen enkel geluid maak, springt Poezemien op van haar dommelplek van het moment – dat kan mijn bed zijn, de bank boven, een stoel op het balkon – en snelt naar waar ik ben, om zich op mijn schoot of buik te installeren. Even een wij te zijn. Terwijl ik probeer mij in te denken wat dat voor haar betekent, merk ik al snel dat ik die vraag voor mezelf niet eens kan beantwoorden. Zachtjes waait ergens een deur open, op een kiertje maar, die me vertelt dat er daarbuiten een wereld zonder woorden is. Betekenis betekent daar niets. Alles is gewoon. Eén groot wij?

 

Read Full Post »

Nergens over

*

 

Van de muggen hebben we geen last gehad. Van de vliegtuigen ook niet, en na afloop konden we zelfs zonder jas, verkwikt naar lichaam en ziel door een donker geurend bos naar huis fietsen. De geest mag zich vermeien met de indrukken die zijn blijven kleven. Waar gaat dit over?

Afgelopen weekend ben ik met mijn kinderen, hun aanhang en mijn hartsvriendin Renée naar het Bostheater geweest, waar toneelgezelschap De Warme Winkel hun versie van De Drie Musketiers opvoerde. De voorstelling van deze avond was uitverkocht, maar wij hadden goede plaatsen en tijd genoeg om onze traditionele picknick met Prosecco te genieten, terwijl de avondschemering zich langzaam verdichtte. Toen de verlichting het podium in een toverachtige gloed zette, viel het spreeuwengekwetter van het duizendkoppige publiek stil en maakte de alledaagse werkelijkheid plaats voor een illusie vol verrassingen.

Waar ging het eigenlijk over? Ik kende het verhaal van Dumas en de historische omstandigheden waar dat zich in afspeelde niet, maar dat bleek geen probleem. Vermoedelijk had het gezelschap niet veel meer dan de meest simpele plots en verhaallijnen overgenomen en zich verder naar hartenlust uitgeleefd in het maken van een soort paëlla van zeer verschillende scènes. Parodie, pastiche? Misschien wel satire in de Horatiaanse (“satura tota nostra est”) zin. Etymologisch: een schotel met een ratjetoe aan kruidige ingrediënten.

Zonder dat daarbij enige opzet in het spel was, heb ik het spektakel deze keer ondergaan zonder gelijktijdige oordeelsvorming over het stuk of over mijn emotionele respons. Of dit echt nieuw voor mij was, weet ik niet, maar het voelde wel zo. Het leek nog het meest op dromen en weten dat je droomt, maar niet wakker worden. In een scène, waarin een kroegbazin werd verhoord door een kardinaal, kwam ik mezelf tegen in een voor mij volstrekt nieuwe hoedanigheid. Zonder voelbare schrik, maar daarover – gek genoeg! – wel verbaasd, resoneerde ik mee met het genot dat inherent is aan het pijnigen van een ander. De onwillige informant had zes wax-strips op haar gezicht, die er één voor één werden af getrokken, met veel misbaar tot gevolg. Het anticiperen op elke volgende pijniging was een traktatie op zich. De zesde strip, die zich op een lager gelegen niveau bleek te bevinden, was daarbij een overbodige anticlimax.

Vanuit een bepaalde gezichtshoek bekeken hing het hele drama van vunzigheden aan elkaar, vaak op het randje van ranzig, maar dan toch eerder camp. En je kon er gerust “omheen eten”: paëlla zonder de mosselen en gamba’s is nog altijd lekker. Mijn oudste dochter en ik genoten vooral van het herkennen van de knipogen naar Koefnoen, Monty Piton en Little Brittain. En anders wel van de schitterende soundscape, die het stuk zelfs voor een blinde de moeite waard maakte. Momenten waarop het leek alsof we op een filmset achter de camera zaten, zorgden voor een prikkelend vervreemdingseffect. De mooiste vondst wat mij betreft: op het moment dat d’Artagnan en Constance het met elkaar aanlegden, klonken uit de luidsprekers de flirtende stemmen een jong stel dat kennelijk nog ergens op de tribune aan het picknicken was. Alsof men met onzichtbare microfoontjes onze fluisterruimte had gehackt!

Maar waar ging het ook alweer over? Aan het slot lijkt de aap alsnog uit de mouw te komen. Het draaide allemaal over de coming of age van d’Artagnan, die symbool had kunnen staan voor de blanke, mannelijke, heteroseksuele dertiger van vandaag. Uit het oerwoud van de zingeving weet hij tenslotte een Boom der Kennis van Goed en Kwaad te kiezen: het gaat om “aandacht”, “afleiding” is uit den boze. Arme jongen! Onmiddellijk verrijst aan zijn zijde de dood gewaande Constance, die alle tegenstellingen weer opheft in een spiritueel Al-Begrijpen. Zo buitelt de moraal van het verhaal als een schoolmeisje om de hoogste stang van het klimrek. Tijd om de nacht in te gaan, met nog één onschuldig-ondeugende knipoog van een stel blote kabouterbillen, waarvan ik er vast een heleboel over het hoofd heb gezien.

*

 

Read Full Post »

Uitgeleide

 

*

stilte rond het graf

regen roffelt fluisterzacht

op regenschermen

Read Full Post »

Gechipt

 

“Mogen we apart betalen?” vroegen we in koor aan het meisje met het pin-apparaat. Natuurlijk mocht dat. We hadden zelfs de vrijheid om zelf de verdeling te maken. “Nee, u moet uw pasje daar in steken,” zei het meisje, “Deze werkt niet contactloos.” De jongeman met wie ik net aan de koffie had gezeten, zuchtte. Het was even net alsof hij moest nadenken over de vraag welke hand hij moest gebruiken voor het intoetsen van zijn pincode en welke voor het afschermen van de begerige blikken van – ja, van wie eigenlijk? “Ach,” zei ik, “wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen! Over twintig jaar zijn we gechipt en dan betalen we automatisch op het moment dat we door het poortje lopen.” Het leven als rekeningrijden.

Het is verbazingwekkend hoe één zo’n gedachtensprongetje plots een vergezicht kan openen waar je duizelig van wordt. Wat een mogelijkheden hebben we de laatste decennia aangeboord! Ik zie onmiddellijk voor me hoe AI (= kunstmatige intelligentie) voor ons bijhoudt wat we verdiend hebben (onze citizen score), welk risico de appelpunt (met of zonder slagroom?) voor onze gezondheid betekent en hoe zwaar hij op ons budget voor deze maand weegt. Misschien krijgen we hem wel niet eens, laat staan dat we ons door een ander kunnen laten trakteren.

Geen dappere nieuwe wereld, maar een veilige en gezonde en rechtvaardige. Weg met de uitvreters, de potverteerders! De tragedy of the commons is voorgoed verleden tijd. Het gaat niet langer over de pakkans bij fraude. Niemand krijgt ooit nog de kans om iets te nemen wat haar of hem niet rechtens toekomt. De kunstmatige intelligentie die we in het leven hebben geroepen is moraalridder en Prinzipienreiter in één. Zonder dat-ie het zelf in de gaten heeft. En nee, ik ga nu even niet de pret bederven door een oude midrasj uit de muizenissen van de rabbijnen op te diepen, waarin wordt verteld dat God het allebei allang geprobeerd heeft: een wereld maken met alleen rechtvaardigheid of eentje met alleen barmhartigheid.

Wat ik me wel, met angst en beven, afvraag: waar eindigt het, als AI ons niet meer toestaat onze kwade wil te gebruiken, maar zelf in zijn jeugd nog wel de nare trekken van de mensheid heeft geïnternaliseerd? Antisemitisme, homofobie, vrouwenhaat. Op een dag zit ik met een beduimelde Penguin pocket aan een tafeltje in het restaurant van het Stedelijk Museum en click een appelpunt aan, niet eens met slagroom, maar ik krijg ‘m niet. En ik weet niet eens of het komt doordat ik vrouw ben of joods. “Ach, wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen,” hoor ik mezelf zeggen. De rest van het verhaal speelde zich af in een split second, op een ontstoken plekje in mijn benarde brein.

Read Full Post »

 

Eergisteren, op de 49ste sterfdag van mijn vader, overleed in Israël de schrijver Amos Oz. Waarschijnlijk was daar juist de Sjabbat begonnen, waardoor zijn sterven een speciale glans krijgt. Tegelijk gaat er een licht uit: kijkend naar de straatinterviews die ik in mijn vorige bericht noemde, zie ik de hoop op een vreedzame coëxistentie van Joden en Palestijnen in het Midden-Oosten in een soort poolnacht verzinken. Amos Oz was een uitgesproken voorstander van de twee staten-oplossing, al is het verstandig voor ons, met vrede verwende Europeanen, om in het achterhoofd te houden hoe hij de realiteit daarvan voor zich zag:

The Israeli-Palestinian conflict has been a tragedy, a clash between one very powerful, very convincing, very painful claim over this land and another no less powerful, no less convincing claim. Now such a clash between right claims can be resolved in one of two manners. There’s the Shakespeare tradition of resolving a tragedy with the stage hewed with dead bodies and justice of sorts prevails. But there is also the Chekhov tradition. In the conclusion of the tragedy by Chekhov, everyone is disappointed, disillusioned, embittered, heartbroken, but alive. And my colleagues and I have been working, trying…not to find the sentimental happy ending, a brotherly love, a sudden honeymoon to the Israeli-Palestinian tragedy, but a Chekhovian ending, which means clenched teeth compromise.

Terwijl de donkergrijze wereld buiten stil lijkt te staan, krul ik me op als een kat in mijn fauteuil in de erker. Op mijn schoot een ‘Tsjechoviaanse’ roman, Een verhaal van liefde en duisternis van Amos Oz. (De centrale verwarming ga ik niet meer ontluchten, want ik begin te houden van het geluid van de lucht in gevecht met het water tegen de metalen wanden van de radiatoren.) De sfeer van het boek doet me denken aan mijn vader, die ooit “een zwaarmoedige levensgenieter” werd genoemd. Zwaar en licht zijn alom tegelijk aanwezig, net als licht en donker. Oud en Nieuw is – als vanouds – nieuw, en oud. Lees maar een stukje mee, lieve Europeanen:

Mijn vaders broer, oom David, bleef met zijn vrouw Malka en hun zoontje Daniël, die anderhalf jaar voor mij geboren was, in Wilna: mijn oom David werd, ondanks  zijn Joodse afkomst, op jonge leeftijd benoemd tot literatuur-docent aan de universiteit van Wilna. Hij was een bewuste Europeaan, in een tijd waarin niemand anders in Europa Europeaan was, behalve de leden van mijn familie en andere, soortgelijke Joden. Alle anderen waren pan-Slavisten, pan-Germanen, of gewoon Letse, Bulgaarse, Ierse, Slowaakse partiotten. De enige Europeanen in heel Europa in de jaren twintig en dertig waren de Joden. Mijn vader zei altijd: ‘In Tsjecho-Slowakijke wonen drie volken – Tsjechen, Slowaken en Tsjeco-Slowaken, dat zijn de Joden. In Joegoslavië heb je Serviërs, Kroaten, Slovenen en Montenegrijnen, maar er woont daar ook een handvol onmiskenbare Joegoslaven. En zelfs bij Stalin heb je Russen en Oekraïeners en Oezbeken en Tsjoektsji’s en Tataren, maar onder al deze volken wonen ook onze broeders, de leden van het sovjetvolk.’
Oom David was een onmiskenbare, bewuste Eurofiel, gespecialiseerd in vergelijkende literatuurwetenschap, en het waren de Europese literaturen die zijn geestelijk vaderland vormden. Hij zag niet in waarom hij zijn positie moest opgeven en moest emigreren naar West-Azië, een plaats die hem vreemd en onbekend was, alleen om opgewonden anti-semieten en kleingeestige nationalistische oproerkraaiers hun zin te geven. Hij bleef dus op zijn post, de post van de vooruitgang, de cultuur en de geest die geen grenzen kende, totdat de nazi’s naar Wilna kwamen: Joden, intellectuelen, cultuurminnende kosmopolieten, daar hielden ze niet van, en daarom vermoordden ze David en Malka en mijn kleine neefje Daniël, die door zijn ouders Danoesj en ook wel Danoesjek werd genoemd, en over wie ze in hun voorlaatste brief, van 15 december 1940, schrijven dat hij ‘kort geleden is gaan lopen… en hij heeft een uitstekend geheugen’.
Inmiddels is Europa volkomen veranderd, tegenwoordig is het van muur tot muur vol met Europeanen. Trouwens, ook wat er in Europa op de muur geschreven staat is volkomen veranderd: in mijn vaders jeugd, in Wilna, stond er op elke muur in Europa: ‘Joden ga naar huis naar Palestina’. Vijftig jaar later, toen mijn vader weer een bezoek bracht aan Europa, schreeuwden de muren hem toe: ‘Joden ga weg uit Palestina’.

 

 

Read Full Post »

Bar Giora

 

In dit eenvoudige huisje heb ik misschien wel de mooiste momenten van mijn vakantie in Israël beleefd. Bij het kantelen van de dag in de avond zat ik in een oude strandstoel in de tuin. Ik was niet leeg, zoals Herman de Coninck in zijn Ligstoel, maar voelde wel hoe ik volgegoten werd met het besef van mijn persoonlijk geluk. Schuimend ging het over de randen. Ho! Stop! had ik moeten zeggen, maar ik was al tezeer overweldigd. Hier te mogen zijn, badend in weelde en zacht zonlicht van vijf uur. In geuren en kleuren vertelt de tuin me waar ik ben.  Aangeland in een leven dat ik zelf gewild heb, toen ik dat eindelijk kon.

’s Avonds in de woonkeuken, waarheen ik het glas dat ik was voorzichtig, zonder knoeien had gedragen, gebeurde hetzelfde-anders opnieuw. Liggend in een soort schommelstoel zie  ik hoe Max een cd-tje uitzoekt en op zet, waarna hij aan de afwas gaat; ik had gekookt. Een moment van zo volmaakte huiselijkheid, dat me opnieuw doet overstromen. Net als aan de oever van de Kineret verlang ik naar eeuwigheid.

En toch: juist op deze plek woog de morele last van mijn verbondenheid met de geschiedenis van dit land zwaarder dan ooit en elders. Bar Giora ligt namelijk vlak naast de bestandslijn van 1949. Dat wil zeggen dat de grond daar ons niet is gegeven op basis van het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947. Het behoort tot de gebieden die zijn veroverd in de oorlog tegen de omringende landen, die volgde op de onafhankelijkheidsverklaring van 15 mei 1948. Hier hebben oorspronkelijke bewoners hun huizen moeten verlaten en ik merk hoe dat op mij drukt.

Wanneer ik op een avond de streek verken via Wikipedia, stuit ik op een intrigerende titel: All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948. Walid Khalidi beschrijft het oorspronkelijke dorp Allar in 1992 met de woorden: “Stone rubble, concrete blocks and slabs, and steel bars litter the site, together with the remains of stone terraces and walls. One domed stone structure, the former school building, still stands. On the slopes overlooking the site, almond and cypress trees and cactuses grow along the terraces.” Ergens denkt iemand met heimwee aan dit dorp, denk ik dan.

Er schuilt een zekere rechtvaardigheid in het feit dat deze plek op de aarde is gegeven aan andere verdrevenen, de Joden uit Marokko. Een vijftigtal gezinnen, met mooie mocro-joodse namen als Souissa, Ouaknine en Azulay, hebben hier een nieuw leven op kunnen bouwen. Zevenhonderdduizend Joden heeft de Arabische wereld uitgespuugd in de twee decennia volgend op de stichting van de staat en Israël heeft het leeuwendeel ervan kunnen opnemen. Tegelijkertijd houden de Arabische landen, met steun van de internationale gemeenschap, een ander vluchtelingenprobleem kunstmatig in stand. Wat is rechtvaardig? Welk recht is rechtvaardig?

Het is goed dat het Jodendom ons verbiedt om ons te verheugen over de nederlaag van onze vijanden, al moet ik zeggen dat ik van nature moeite heb met het innemen van ruimte waar ook anderen aanspraak op maken. Toch is daar geen ontkomen aan. In het klein kom ik een heel eind met het organiseren van een zo conflictloos mogelijk leven, maar als deel van mijn volk ontkom ik er niet aan. Max probeert me wel een uitweg te bieden, door te zeggen dat ik hier een betrokkene ben, maar geen partij. Ik ervaar dat anders, telkens wanneer de moslims onder mijn cliënten  – die zich vaak heel sterk met ‘de Palestijnse zaak’ identificeren – mij zeggen dat wij het gestolen land terug moeten geven of dat wij helaas niks van de Sjoa geleerd hebben en nu zelf nazi’s zijn. Dan heb ik alleen maar gezegd dat ik joods ben.

Kritiek op Israël moet kunnen, natuurlijk. Zelf ben ik ook niet gelukkig met de dominantie van rechts en van de ultra-orthodoxie. En het nederzettingenbeleid, tja. Maar waar gaat kritiek over in anti-zionisme en hoe vaak ligt daaraan anti-semitisme ten grondslag? In een poging Palestijnen te begrijpen kijk ik naar YouTube-filmpjes en huiver bij de onverbloemde haat en fundamentele onverzoenlijkheid die daarin de boventoon voeren. Het lukt me niet om de selectieve verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties en de VN Veiligheidsraad te begrijpen.

Al die gemengde gevoelens zijn soms lastig te herbergen. En toch betrap ik me er regelmatig op dat ik droom van een oude dag in Haïfa, of in Bar Giora.

Read Full Post »

Older Posts »