Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

Ziektewinst

 

Wow!! Wat had ik er de laatste maanden lekker de vaart in! Plezier op mijn werk, de regie over mijn roosters, tijd en energie over voor leuke dingen, zelfs om bestuurstaken op me te nemen. Die ik ook leuk vind om te doen. De energie kon niet op. Er kon telkens nog een tandje bij en tijdens de hectische voorbereidingen voor Pesach voelde ik me helemaal on top of the world. Twee dagen nadat de laatste seidergasten vertrokken waren, kwam ik echter zacht suizend naar beneden en knarsend tot stilstand. Dinsdag had ik bij mijn cliënten al verteld dat ik ziek ging worden en alleen het hoogst noodzakelijke kon doen. Ik was doodmoe en er opende zich een kolk van groene walging bij elke gedachte aan eten. Toen ik thuiskwam viel ik in bed en in slaap, niet duidelijk in welke volgorde.

Toen ik wakker werd was het heel stil en donker om mij heen. Telkens vervormende gezichten met priemende oogjes en hoog gebogen wenkbrauwen zweefden zachtjes als ballonnen tussen mij en het plafond. Ik kon mij niet bewegen, maar zag mezelf, ergens ter hoogte van mijn kruis, als baby op de grond zitten, temidden van een boel omgevallen potjes, bakjes en blikjes, waarin ik allerlei vreemde voorwerpen had verzameld. Raadsels van mijn vroegste jeugd. Ik rook de geuren: bitter, scherp, zwaarzoet, muf, teerachtig. Ik zag vormen en kleuren, zo vreemd dat ik ze ook nu nog niet thuis zou kunnen brengen. Een schop van mijn beentje en daar koos een wolkje violetblauwe schimmelsporen kringelend het luchtruim. Zo alleen, die baby, en zo zorgeloos!

Telkens als ik een propje slijm wegslikte, leek het alsof een klein mannetje, dat zich ergens in mijn zachte verhemelte genesteld had, het een e-mail adres meegaf en op een blauwe button SEND klikte. Ook heel gewoon. Het verbaasde mij bijna dat alles zo gewoon leek, terwijl het toch duidelijk ongewoon was. De meest vreugdevolle verbazing gold dat ik totaal geen angst voelde. Ook toen mijn geest aan gruzelementen ging en neerdwarrelde naar de bodem van een kaleidoscoop, om daar rustig verder te malen, bleef mijn overgave aan het moment me dragen als de met koortszweet doordrenkte matras onder mijn roerloze rug. Zelfs de goederentrein zonder einde, die ondersteboven tegen de binnenkant van mijn rechter schedelhelft langsdenderde, volgeladen met stukken herinnering aan een wekelijks door migraine geteisterde puberteit, – ze zagen eruit als brokken puin van een gesloopte asfaltweg – liet ik ongestoord zijn loop’s maken.

Soms sliep ik weer een poos. Dan werd ik weer rillend en badend in het zweet wakker. Een enkele keer slaagde ik erin om uit bed te komen voor een sanitaire stop en om water in te slaan voor de rest van de reis. Het was meestal niet duidelijk of ik wakker was of sliep, het dromen of hallucineren had een eigen constante, die zich daar niets van aantrok. Alles voltrok zich zonder rekening te houden met tijd en ruimte. Nog altijd boezemde niets wat ik zag of voelde mij angst in. Ook toen ik op een gegeven moment dacht “Misschien blijf ik straks wel dood, als ik weer weg glij,” bleef ik volkomen zorgeloos. Een blijkbaar snel aangeleerd instinct zorgde ervoor dat ik nog net het ‘sjema‘ kon zeggen: men weet maar nooit. Maar ik werd gewoon weer wakker, wanneer, dat weet ik niet meer.

Heel, heel langzaam ebden de hallucinaties weg, werd de hoofdpijn minder en zette de walging zich om in vreemde hunkeringen, waaraan ik echter van de ondertussen geraadpleegde huisarts (wel echt) niet mocht voldoen. Op streng dieet en met strikte rust als enige opdracht ben ik voorzichtig op de terugweg naar een normaliteit, die ik bijna vergeten was. Verbazingwekkend vanzelfsprekend dat ook dit weer gewoon buiten mij om plaatsvindt. Ach, ik weet al dat ik die volstrekte, absurde eenzaamheid van de eerste ziektedagen ga missen. Daarom stop ik ze in dit blikje of bakje. Ook neem ik er een besef uit mee: alles waar ik ooit zo bang voor was – desintegreren, alleen zijn, niets kunnen – is die angst niet waard.

Laat ik dat maar meteen als levenseinde verklaring vastleggen: wat me ook ooit zal overkomen, ik wil graag doorleven voorbij het moment dat ik zelf geen beslissing meer kan maken om mijn leven te (laten) beëindigen. Zal wel te duur worden, tegen die tijd, maar daar ga ik me nu geen zorgen over maken.

Advertenties

Read Full Post »

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Read Full Post »

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Read Full Post »

Lààà-no!

In de kattenhemel zaten ze net aan tafel, toen er hard gebeld werd. Een roodcyperse kattenengel sprong op en greep naar de intercom. “Láánow!” riep een zware, diep doorrookte mannenstem aan de andere kant. Zeker iemand uit de mensenhemel aan de overkant van de straat. De engel deed open en miauwde naar beneden: “Lààà-no!” Even later was Lano boven en rende naar de keuken, waar hij zijn bakje ‘urinary’ brokjes zocht. En vond, natuurlijk: de hemel was hemels zoals alleen een hemel hemels kan zijn.

Toen mijn jongste dochter zes jaar zou worden, kon ze al zelf een verlanglijstje voor haar verjaardag dicteren. Bovenaan stond ‘een kat’. Een half jaar tevoren was onze Stoffel gaan hemelen en haar ouders hadden zelf nog niets ondernomen om het huis weer bepoest te krijgen. Zo zijn we toen met ons vieren naar het asiel getogen, waar ons kind een kat mocht kiezen. De keus was snel gemaakt toen ze een mollige (want ‘geholpen’) kater op haar schoot kreeg, die daar meteen rustig bleef zitten en haar overal kopjes begon te geven. Hij had al een naam: Lano heette hij, omdat hij gevonden was aan de Laanweg in Amsterdam-Noord, waar hij na het overlijden van zijn baasje, een oude vrijgezel, verweesd was achtergelaten.

Men waarschuwde ons: probeer de kat thuis niet meteen aan te halen, want waarschijnlijk kruipt hij eerst een paar dagen onder een kast, om daarna schuchter de boel te gaan verkennen. Ach, die lui kenden Lano helemaal niet! Toen we thuis de kattenmand openden, liep meneer heel bedaard naar buiten en sprong op de bank. Daar zat hij nog maar even, of hij spitste zijn oren en keek in de richting van de piano, waar hij blijkbaar iets hoorde wat ons allen ontging. Binnen twee uur had hij vijf muizen gevangen! Tevreden spinnend krulde hij zich in een hoek van de bank op en viel in slaap.

Een tevreden kater is hij altijd gebleven, hoewel, toen Twiggy met haar buik vol jongen zijn territorium binnen kwam vallen, merkten we wel dat zelfs hij ontstemd kon raken. Hij was altijd een buitenkat geweest en die aard liet zich niet loochenen. Wij woonden drie hoog, maar elke morgen ging Lano met ons mee naar beneden, glipte naar buiten en dan zagen we hem de hele dag niet meer. Een nette heer, bezigheden buitenshuis hebbende, met her en der in de buurt een eethuisje. Dat werd nog lastig, toen hij een paar jaar later vanwege blaasperikelen op diëet moest.

Als meneer vond dat het weer tijd werd om naar huis te gaan, dan deed hij dat. Alleen: hij kon niet bij de bel. Dus posteerde hij zich rustig voor de deur en wachtte tot die vanzelf open zou gaan. In de eerste jaren woonde in een benedenhuis tegenover ons Ome Henk. Zodra die zag dat Lano voor de deur zat te wachten, kwam hij naar buiten en belde bij ons aan: “Láánow!” Meestal zaten we net te eten. Toen Ome Henk opeens overleden was, was er niemand meer om Lano op zijn wenken te bedienen. Dat weerhield hem er niet van om zijn bezigheden buitenshuis te hebben. Hij leerde zich aanpassen aan ons komen en gaan, zelfs het geluid van onze auto leerde hij herkennen. Als we van een tochtje terugkwamen, zagen we hem al naar de deur huppelen, zodra we de hoek van de straat om kwamen rijden.

Krap tien jaar na zijn intrede in ons huishouden kwam de scheiding en ging Lano mee naar Amsterdam Noord. Twee straten verderop van de Laanweg kwam hij te wonen, in een huis met een tuintje erbij. Als ik hem af en toe terugzag, verheugde ik mij altijd over zijn welstand. Mollig, niet te dik, een glanzende vacht en van een tevredenheid waar de hele wereld jaloers op zou kunnen zijn. Mijn ex is trouw en zorgzaam als geen ander. Toch kwam ook aan zijn idyllisch leven een einde. Na zeventien jaren trouwe dienst zeiden zijn hart en nieren: tabee. Het toeval – of het universum – wilde dat mijn dochter en ik juist vanmorgen samen in Noord kwamen om iets op te halen, zodat we hem voor de laatste keer opgekruld in een mandje konden zien liggen. In de poezenhemel was de bel al gegaan. Goeie ouwe Ome Henk.

Read Full Post »

De weg naar het hart

Als een mens een heuse poos geen seks heeft gehad, dan komt ie tekort en gaat er iets knagen. Tenminste, dat geloven we allemaal. Toen, jaren geleden, een jongere collega een keer met een ochtendhumeur op het werk kwam, gierde een van de andere dames het uit: “Hahahah, Yolanda, moet je soms een piemeltje hebben?!” Van een oudere dame hoorde ik, hoe zij ooit met depressieve klachten bij de huisarts binnenstapte en de man haar vroeg: “Gaan jullie nog wel regelmatig van bil?” En ik maar denken dat seks vooral met intimiteit te maken heeft, met de weg naar het hart.

Misschien is dat ook wel zo, maar veel vaker lijkt het – bedankt, dokter Freud! – alsof heel ons leven een metafoor is voor seks. Eten bijvoorbeeld. Van een lieve Indiase moeder in Zuid-Afrika kreeg ik eens een kookboek kado, met een vette knipoog: “. . . because after all, the way to a man’s heart is through his mouth.” Nu ben ik er heilig van overtuigd dat liefde een grote rol speelt in de keuken, maar ik denk daarbij echt niet altijd meteen aan de slaapkamer. Gelukkig lees ik af en toe een roman, zodat ik blijf weten waar het bij mannen uiteindelijk allemaal om draait:

Zachte minnepraat. Zoete heiligverklaringen die zonder uitzondering gastronomisch getoonzet waren.
Ze wilden haar. Ze wilden haar beboterd met suiker. Ze zagen haar opdoemen voor hun geestesoog met overal bananen. Ze gingen haar, let maar eens op Biancaatje, inwrijven met hollandaise, bearnaise; hoe hitsiger de fantasie, hoe romiger de sauzen waarmee ze haar wilden bedruipen en bezalven.
Uit schaamte over zoveel gulzigheid deelden de heren haar vervolgens ootmoedig mede dat ze hun perverse pornohoofd het liefst zouden verstoppen onder de witte kwabben van haar vissenbuik. Ze zagen zichzelf roetsjend in frambozenbavaroise en zachtroze coulis al over haar golvende dijen rijden en o ja, Bianca, zou ze s’il vous plait, een paar Franse woorden kunnen spreken terwijl ze voor straf hun testikels in de vinaigrette doopte, en kon ze please, puh-lease, hun papillen kietelen met langoustinestaart?

Ook het domein van mores en moraal wordt geregeerd door lage driften. Afgelopen weekend las ik een column in de krant met als titel Morele masturbatie. In het het zich aanmeten van morele superioriteit herkent de auteur onmiskenbaar de lust om te vernederen. Wij allen zitten vol (seksuele) aggressie. Je hoort de stoomfluiten juichen en de uitlaatkleppen sissen: de stoommachine als zinnebeeld van ons driftleven. Rechters die corpsballen taakstraffen opleggen, maar vooral de maatschappelijke commotie eromheen: alles is seks. Nu lijkt me het schrijven van zo’n column ook een eenzaam avontuur, dus . . . oei, wat zit ikzelf hier eigenlijk te doen? . . . ik bedoel: wanneer ik die strenge moraalridders onder de columnisten bezig zie, moet ik inderdaad wel eens denken aan blote, ruig behaarde heren, die elkaar stevig van katoen geven, zoals ik die wel eens in een por . . . nou, zeg, hoe kom ik nog op nettere gedachten?!

Laat ik het liever over religie en spiritualiteit hebben, dat is heilig en veilig. Tenminste, als ik de misbruikte misdienaartjes, de foute guru’s en die ‘seksrabbijn’ even buiten beschouwing laat. Tja, maar dan kan ik me die scène uit Het Parfum, waarin een purperen kardinaal, bedwelmd door de feromonen van 50 vermoorde maagden, temidden van een orgie op een dorpsplein in religieuze extase raakt, ook maar beter niet herinneren. En, oh jee, daar heb je Gerard Reve en Hadewich ook nog! Er is geen houden aan. Ik hoef mijn teentjes maar even, heel voorzichtig, in het vurige water van de bronnen der joodse mystiek te dopen, of ik kom er achter dat al mijn gebeden en goede werken erop gericht zijn om de mannelijke en de vrouwelijke helft van God “tot elkaar in” te doen gaan.

Hoe kan een mens nog tekort komen, als seks zo alomtegenwoordig en alles doordringend is? Ik hoor hoe een rabbijn zich druk maakt over jongeren die verliefd worden op de nieuwste iPhone. (“People used to fall in love with real people.”) Maar wat is daar zo vreemd aan? Je hoeft niet zo ver te gaan als Birdy in de gelijknamige film om ornithofiel te zijn en volgens de freudianen is ook postzegels verzamelen een “gesublimeerde auto-erotische activiteit”. Postzegels, brieven, . . .  Kom, misschien moet ik eens aan een prikkelende “epistolaire relatie” beginnen, zoals de hoofdpersoon in Les Intouchables. Met hem was lager dan zijn oorlelletjes fysiek niets zinnelijks meer te beleven, maar hij vond wél de weg naar het hart van een echte vrouw. Zou dat andersom ook werken?

 

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

Axis mundi (mei)

 

De aarde draait om haar as. Er zijn geleerden die beweren dat die as niet voor de volle honderd procent stabiel is. Maar de noordpool zal zich nooit op een soort salontafel in een kamertje vlak naast het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam vestigen. Toch is er een axis, waarom het leven – misschien beter: mijn leven – draait, en dat merk ik doordat ik telkens weer terugkom bij bepaalde thema’s, bij bepalende momenten. Ook als ik dat niet wil, omdat het pijn doet.

Kom, laat ik het eens hebben over een van de pijnlijkste momenten in mijn leven. Daarin zitten vier mensen om die salontafel. Recht tegenover mij zit mijn jongere broer, die na een mislukte zelfmoordpoging is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Rechts van mij, links van hem,  zit mijn moeder, zijn moeder. Aan mijn linkerhand een psychiater, die tot taak heeft ons te begeleiden in een eerste (tevens laatste) poging tot familietherapie. Wat lijkt die man, 35 jaar na dato, wonderlijk onaangedaan door de wurgende spanning, die ons drieën met elkaar verbindt!

De volgende dag al was het hele gesprek uit mijn geheugen verdwenen, behalve drie heel korte zinnen, die met gemak de hele ruimte van deze herinnering konden vullen.

Mijn broer zei, zich richtend tot mijn moeder, die hem niet kon zien, zij was immers blind: “Ik haat je.”

Mijn moeder, ik zag hoe haar onderlip trilde (van woede, van verdriet?): “Dat is niet waar. Dat kan ik niet geloven.”

De man zei: “Maar hij zegt het wel.”

Er kwam geen oplossing. Toen niet en nooit niet.

Nooit van mijn leven heb ik mij zozeer een nutteloze toeschouwer gevoeld, zonder te willen weten dat ik dat ook werkelijk was. Waarom in ’s hemelsnaam dacht – of voelde –  ik, dat ik een verantwoordelijkheid had in dit minuscule drama, dat tegelijk zo’n kosmische omvang leek te hebben? Misschien omdat ik van hen allebei hield. En omdat ik hen allebei gehaat heb. Waarschijnlijk zijn er geen twee andere personen op deze wereld geweest, met wier innerlijk leven ik zo ongecontroleerd heb meebewogen als met dat van mijn moeder en deze broer. Het is bijna alsof het me nooit helemaal gelukt is om die twee en mijzelf als van elkaar te onderscheiden personen te beleven. Alsof ik niet met hen verbonden, maar met hen vergroeid was.

Turn, turn, turn.

Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.

Er is een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen.

Het leven – misschien beter: mijn leven – draait om een as. Dus vooruit maar weer, laten we scheuren, en herstellen. Weer scheuren, en opnieuw herstellen. Zelden is dat moeilijker dan in dit geval, al is het alleen maar omdat ik de enige nog levende speler in het spel ben.

It is a human thing, love,
a holy thing, to love
what death has touched.

Jehuda ha-Levi

Read Full Post »

Older Posts »