Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

Middelpuntvlieders

*

Toen de Templers klaar waren met de hoofdstraat van hun kolonie, dook er een andere religieuze groepering op, die de keurige rechte lijn die de Duitsers in de vlakte hadden gelegd, door trokken tegen de berg Karmel op. Passer en rij tekenden er 18 hangende tuinen, met in het midden een mausoleum, waarin hun founding father ter eeuwiger ruste werd gelegd. Het koepeldak werd bedekt met 12000 gouden dakpannetjes van Hollandse makelij. Bij dag en bij nacht een aanblik van raadselachtige schoonheid, aantrekkelijk en afstotend tegelijk.

Op een zonnige morgen togen wij daarheen (daarheen!) om de Tuinen van Baha’i te bezoeken. Bewakers bij het hek legden ons uit dat de tuinen een heiligdom vormden, wat betekende dat er van alles niet mocht: met blote benen lopen, kauwgum kauwen, spugen, op het marmer zitten, het water aanraken. Plechtig beklommen wij de trappen naar het tweede terras, om daar tot de ontdekking te komen dat de volgende terrassen niet toegankelijk waren. We namen daarom rustig de tijd om het eerste terras van boven te aanschouwen.

“De gids vertelt dat de baha’im streven naar de eenmaking van de mensheid,” verbrak ik de stilte. “Een sympathiek verlangen,” meende Max, die doorgaans wat meer hart heeft voor universalistische idealen dan ik, die meteen vond dat we (de baha’im incluis) dat maar beter aan God kunnen overlaten. Voordat we het door voorzichtig argumenteren eens hadden kunnen worden, naderden we elkaar al doordat het gesprek een scherpe bocht maakte en daarachter over mystieke ervaringen bleek te gaan. “Kent iemand dat gevoel etc.” Ondertussen klonk er een fluitje en alle grassprieten leken ogenblikkelijk in het gelid te staan en te salueren. Een kind had zijn hand in het water gestoken.

Twee schuldelozen stonden daarboven en keken ernaar. We spraken met elkaar over de mystieke ervaringen die ons zo nu en dan overdiend ten deel vielen.

‘T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Misschien is het wel zo dat mystici, per ongeluk of express, uiteenvallen in twee categorieën: middelpuntvlieders en middelpuntzoekers. Al naar gelang zij tot het Al-Ene komen door God te vinden in Alles of in het Niets. Middelpuntvlieders waren wij. We liepen elk langs een afzonderlijke trap naar beneden en vonden elkaar daar weer. Wat nu?

Een bewaker vertelde ons dat er ter hoogte van de tempel nog een andere toegang tot de Tuinen was, dus wij begonnen aan een lange klim, die ons langs de shabby achterkant van Haïfa voerde, waar zwerfkatten woonden in uitpuilende vuilcontainers en mensen paradijsjes schiepen op erfjes ter grootte van een postzegel. Door een hek met weer twee bewakers floepten we opnieuw het domein van de perfectie binnen. Daar stond de gouden koepel, middenin een arboretum vol cactussen en vetplanten. Caroben en nog exotischer bomen boden ons schaduw. Het heilige der heiligen was al gesloten, maar ik voelde me in die tuin wel dicht genoeg bij de God van de Baha’i. De spanning tussen leven en wet stond er op springen.

Ons verlangen (naar wat eigenlijk?) voerde ons naar nog groter hoogte. In de toenemende hitte verdwaalden we in een ruigte, die ooit bedoeld was om een parkje te worden. Een bankje stond eenzaam te verpieteren op een plek waar men eens over de baai uit kon kijken. Nadat er een flat op de zichtlijn was gebouwd, had men de zaailingen van den en steeneik ook maar vrij spel gelaten. Niemand nam nog op dat bankje plaats, of het moest een junkie zijn. Alles liep hier dood.

Hoe kwamen we er weer uit? Met volharding, zegt een achtergebleven calvinist in mijn multiculturele binnenwereld. Een volharding die dan uiteraard ook beloond werd: bovenop de Karmel, aan de rechov Yefe Nof 99 (de Mooi Uitzichtstraat), stond een Georgisch restaurant. Het eten was er met veel liefde klaargemaakt, de bediening huiselijk en hoffelijk tegelijk, het uitzicht niet te overtreffen en het bier koel en welverdiend. Ik heb beloofd reclame te maken . . . .

 

Advertenties

Read Full Post »

Dahin! Dahin!

 

*

“Dahin! Dahin!” grapte een erudiete vriendin, toen ik bovenstaande foto van ons onderkomen in Haïfa had rondge-appt. Ze sloeg de juiste toon aan, in de juiste taal: het huis stond in de German Colony en met die cipres, die bougainvillea en – ja, werkelijk! – een boom vol citroenen aan de achterkant, had het zomaar romantisch Italië kunnen zijn. Op andere plekken in de stad waande Max – mijn reisgezel – zich in Griekenland, weer ergens anders voelde ik me verdwaald in Catalonië, of gedropt in Zuid-Frankrijk. Op de avond van aankomst (het was de eerste dag van Soekot, het Loofhuttenfeest) waren wij op zoek naar de enige winkel die volgens onze huisbaas nog open zou zijn: de Russische supermarkt. De enige mensen die we in het vreemd-stille donker tegenkwamen en naar de weg vroegen, spraken een karig mondjevol Engels, met een vet Russisch accent. Van jiddisjkat geen spoor, de Joden van Haïfa zijn overwegend seculier.

Naïef als ik ben, had ik landlord Samuel nog een chag sameach (fijne feestdagen) gewenst, maar toen hij de wens niet herhaalde en beleefd “thank you” zei, keek ik vlug naar de deurposten en miste de mezoeza’s. Bij het lichtknopje in mijn slaapkamer hing Jezus aan zijn kruis. Ik dacht nog even “zal ik ‘m zolang in een laatje leggen?”, maar dat vond ik toch een beetje zielig. Bovendien: hij was misschien geen jolige jongen, maar hij heeft ook nog nooit iemand kwaad gedaan. Dus lag ik daar, in een heerlijk bed, onder een loeiende oude airco, aangestaard door een soort boekenkerkhof van christelijk-theologische werken, in het meest joodse land ter wereld in mijn eentje joods te zijn.

We raakten ogenblikkelijk nieuwsgierig naar de geschiedenis van dit oude huis vol oude spullen. Had Samuel het misschien aangekleed met een deel van de winkelvoorraad van zijn schoonvader, een handelaar in brocante? Nee, daarvoor zat er toch net iets teveel samenhang in de rommel. Onafhankelijk van elkaar, en toch wel een tikje schaamtevol, begonnen we te neuzen in de boeken. Toen Max opeens met een dagboek in zijn handen stond en blij was dat het in het Fins was geschreven, zodat hij zijn nieuwsgierigheid niet op zo’n spannend moment zou hoeven wurgen, hadden we toch al de meeste puzzelstukjes bij elkaar. Hier had een christelijke Arabier gewoond, die getrouwd was met een Finse vrouw. Eén van hen had zich intensief beziggehouden met huwelijksperikelen vanuit christelijk perspectief. Samuel moest zich schamen, dat hij het huis van zijn overleden ouders aan wildvreemde mensen verhuurde, terwijl hun leven er nog niet eens helemaal uit geweken was.

*

*

De dagen daarop hoefden we maar twee stappen buiten de deur te zetten, of we bevonden ons in een ander bijzonder stuk geschiedenis: the German Colony. Wij woonden pal achter de lange straat, die de 19de-eeuwse Templars hier gebouwd hadden. Letterlijk in wat ooit hun achtertuin was, die daarom heel toepasselijk Rechov Ha-Ganim (Straat van de Tuinen) heette. Ooit een toonbeeld van orde en nijverheid, was de hoofdstraat van de kolonie nu bevorderd of gedegradeerd (doorhalen etc.) tot een uitgaanscentrum vol restaurants met enorme terrassen. Volgens mijn reisgids was de oude wijk “gerestaureerd”, maar op het eerste gezicht vielen de rafelranden erg in het oog. Verkrottende monumenten: waarom is dat Oosters in mijn ogen?

De hoofdstraat van de German Colony werd voor ons vooral de plek waar we op zwoele nazomeravonden Levantijns aten en grote, koele glazen bier dronken op feestelijk verlichte terrassen. We raakten beiden gefascineerd door de teksten die, in het prachtige Duits van de Lutherbijbel, de lateiën boven de deuren van de huizen sierden en ik begon al met het doorploegen van Wikipedia-pagina’s, teneinde iets over die Templers te weten te komen. Wat bezielde die mensen toch, om op deze destijds desolate plek, onder de macht van de Ottomaanse sultans, een kolonie te stichten? Hoe kan het dat zij met een dergelijk kleinschalig plan zo snel zo succesvol waren. Kunnen dergelijke micro-geschiedenissen mij wijzer maken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een multiculturele samenleving? Al is de Tempelgesellschaft hier allang weer verdwenen, voorlopig lijkt die van “downtown” Haïfa zeer geslaagd.

 

Read Full Post »

Thuizen

*

 

‘Home is the place where, when you have to go there, 
They have to take you in.’ 

                                      ‘I should have called it 
Something you somehow haven’t to deserve.’ 

Robert Frost, The Death of the Hired Man

 

*

Dat is het: ik weet niet waaraan ik het verdiend heb, maar sinds kort heb ik twee thuizen. Dat was wat ik voelde toen we landden op Ben Gurion Airport. In een flits, later was het soms weg, soms overweldigend, meestal vaag aanwezig en tenslotte iets waarvan ik me los kon maken in de zekerheid dat ik terug zou komen. Het was dus geen vakantie, geen bedevaart, geen reis, maar een thuiskomen. In het Goede Land, dat mijn pas gekregen voorouders als van God gegeven hebben ervaren, ook al zei de Eeuwige er duidelijk bij dat het Zijn eigendom was en zou blijven, net als het volk dat er mocht gaan wonen.

Terwijl ik – gisteren pas thuisgekomen in de ballingschap – nog onwennig zit te plukken aan een kluwen draden die ik geacht word ‘weer op te pakken’, neem ik me voor om in de komende weken enkele indrukken van ons verblijf in Israël op dit weblog vast te leggen. Ik zeg “we” en “ons”, want ik was daar niet alleen. Zolang het gaat over wat we deden, zal dat meervoud af en toe weer opduiken; waar het impressies betreft kan ik uiteraard alleen voor mezelf spreken. Wie mijn reisgenoot was, doet er voor de lezer niet toe: hij heeft bovendien recht op enige privacy. Voor mijzelf maakte het veel uit, dat hij mee was. Als nóg een thuis, dat ik niet heb hoeven verdienen.

Tussen het scherm en mijn toetsenbord ligt Poezemien alweer te spinnen, staat op en likt haar linker voorpoot. Ik ben thuis.

Read Full Post »

Vrijgevigheid

 

In de tijd dat in Amsterdam de diamantslijperijen op volle toeren draaiden en een groot deel van haar joodse bevolking van een goed inkomen voorzagen, was er een sjnorrer (= bedelaar, parasiet), die op vaste tijden de lange tafels af ging om de giften op te halen, waaruit zijn inkomen bestond. Iedereen wist het en legde voor die tijd een stuiver links van zijn schuurschijf, zodat de bedelaar er minder werk aan had en zij zelf niet van hun werk zouden worden gehouden. Op zekere dag had iemand in plaats van een stuiver een twee-en-een-halve centstuk neergelegd. Toen de goede man dat zag, tikte hij de gever op de schouder en zei: “Het kost vijf cent, hoor.”

Dit verhaal wordt nog wel eens aangehaald om aan te tonen hoe de joodse versie van liefdadigheid, die tsedaka (= gerechtigheid) genoemd wordt, het gevoel van eigenwaarde van de behoeftige intact laat. Misschien zou het ook een aanmoediging kunnen zijn voor het aanwenden van enige chotspe (= brutaliteit) bij het binnenhalen van geld ten behoeve van de gemeenschap. God zorgt goed voor ons, maar heeft daar wel uw bankrekening bij nodig.

In de aanloop naar de Hoge Feestdagen raakte ik langzaam maar zeker gepreöccupeerd door gedachten rond dit thema. Dat kwam natuurlijk vooral door een discussie over de juiste aanpak in de fondsenwerving, maar zeker ook doordat ik administratief betrokken was bij de inschrijvingen en betalingen voor deelname aan de diensten tijdens deze dagen. Alles was helder, maar toch waren er telkens vragen over geld. Controle was globaal gezien misschien overbodig, maar niettemin vielen er zo nu en dan discrepanties op tussen deelname en betaling. Zo was de afgelopen weken zomaar opeens het woord krenterig terug van weggeweest.

Het hield me bezig, dus ik sprak er met verschillende mensen in mijn omgeving over. Dat was verhelderend, want al snel bleek dat mensen het probleem – als dat er al was – heel verschillend benaderden, afhankelijk van de gevoelens waardoor men zich liet leiden. Zo ontdekte ik, dat bij mij het rechtvaardigheidsgevoel de overhand had. Haast ongemerkt was bij mij de ergernis erin geslopen over, ja, laat ik het toch maar de krenterigheid noemen, die sommige mensen aan de dag legden. Strikt genomen ging het hooguit om een procent of drie van de deelnemers, maar in mijn gemoed namen die uiteindelijk zevenennegentig procent van de ruimte in.

Pas op de Grote Verzoendag zelf viel er bij mij een kwartje: ik was als het ware een spiegelbeeld geworden van die wanbetalers. Mijn ergernis vulde hun terughoudendheid in het geven in alle gulheid aan. Maar hoe vrijgevig was ik zelf eigenlijk, als het voor mij blijkbaar geen optie was om niet of minder te geven? Gelukkig is Jom Kipoer een dag bij uitstek om je bekommernis op de Eeuwige te werpen (Psalm 55:23) en het klopt: Hij zal voor je zorgen. Mijn gevoel voor proportie is weer hersteld. Moge het in ieder geval tot de volgende Jom Kipoer mee gaan.

Read Full Post »

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Read Full Post »

Koesteren

 

Het lijkt nog maar kort geleden dat ik hier schreef over de bijzondere ervaring van het ziek zijn. Over heerlijke gevoelens van onthechtheid en overgave. De afgelopen weken geniet ik een bijna tegenovergestelde ervaring: ik ben zo gezond als een vis, maar dan wel als eentje die ligt te spartelen op de walkant. Wonderlijk kwetsbaar zonder de omhulling van water.

Eerst de beleving, dan de feiten: mijn huis ondergaat een ingrijpende renovatie en ik zit vijf deuren verder in een ‘logeerwoning’, ingericht als zo’n vakantiehuisje in zo’n park, alleen zonder tropisch zwemparadijs. Alles rondom staat in de steigers en is vol van geweld en geluid: gebonk en gehamer, gehak en geboor. Tegelijkertijd worden de belangrijkste wegen in mijn directe omgeving vanwege werkzaamheden omgewoeld. En de natuur ligt amechtig te hijgen in de aanhoudende droogte.

Ik spartel. Eerst spartelde ik tegen, daarna begon ik mee te bewegen in het grote gebeuren. Onder de indruk van de grondigheid, wanneer ik zie hoe waterleidingen in toilet en douche in de muur worden ingefreesd. Teleurgesteld door het haastwerk, als op andere plekken de tegels gewoon op de oude tegelwand worden gelijmd. Voortdurend alert om waar mogelijk nog dingen bij te sturen. En lastig, wat voel ik me soms lastig!

Maar vooral: wat voel ik mij onthand en ontregeld. En hoezeer val ik mezelf daarin tegen. Hoewel mijn werk en mijn taken binnen de joodse gemeenschap er niet eens onder lijden, had ik van mijzelf duidelijk meer sangfroid verwacht. Dat ik kennelijk zo afhankelijk ben van mijn huis en mijn spulletjes, van die bubble om mij heen, kan ik maar slecht verkroppen. Niet realistisch, merk ik, zodra ik op straat mijn buren spreek. Iedereen is aangedaan. Een jonge buurvrouw werd zelfs fysiek ziek, maar zij blijft het positief beleven: “Zo weet je weer dat je iets te koesteren hebt.”

Koesteren! Wat een liefdevolle kijk op je gehechtheid. Een andere wisseling van perspectief werd me aangereikt door een vriend, die zelf onlangs zijn huis had laten verbouwen. Ik moest blij zijn, vond hij, toen hij me hoorde sputteren over hoe indringend dit alles was. Nee, wat een luxe was het, dat ik het allemaal zomaar in mijn schoot geworpen kreeg! Stijf van de stress vanwege al die chaos om mij heen en de voortdurend opschuivende oplevertijd, onderga ik toch langzaam maar zeker een mentaliteitsverandering. Hier ligt een kans voor mij.

Hoe vaak valt het mij niet op, in de huizen waar ik voor mijn werk kom, dat de dood daar al aan de muren en de meubels knaagt, zich in de vloerbedekking en de gordijnen nestelt, lang voordat hij de bewoners komt halen? Het sterkst voel ik het aan de verf, die daar al meer dan dertig jaar de muren en het houtwerk dekt. De liefde die er ooit in is gestoken, is zozeer verbleekt dat je haar niet meer kunt lezen. Heel soms vraag ik mij af, of ook mijn huis niet reeds die weg is ingeslagen. Nu kan ik mij nog omdraaien, en al die ontheemde gevoelens erbij, door dat huis te koesteren, met kwasten en met rollers, met liefde en met licht.

 

Read Full Post »

Ziektewinst

 

Wow!! Wat had ik er de laatste maanden lekker de vaart in! Plezier op mijn werk, de regie over mijn roosters, tijd en energie over voor leuke dingen, zelfs om bestuurstaken op me te nemen. Die ik ook leuk vind om te doen. De energie kon niet op. Er kon telkens nog een tandje bij en tijdens de hectische voorbereidingen voor Pesach voelde ik me helemaal on top of the world. Twee dagen nadat de laatste seidergasten vertrokken waren, kwam ik echter zacht suizend naar beneden en knarsend tot stilstand. Dinsdag had ik bij mijn cliënten al verteld dat ik ziek ging worden en alleen het hoogst noodzakelijke kon doen. Ik was doodmoe en er opende zich een kolk van groene walging bij elke gedachte aan eten. Toen ik thuiskwam viel ik in bed en in slaap, niet duidelijk in welke volgorde.

Toen ik wakker werd was het heel stil en donker om mij heen. Telkens vervormende gezichten met priemende oogjes en hoog gebogen wenkbrauwen zweefden zachtjes als ballonnen tussen mij en het plafond. Ik kon mij niet bewegen, maar zag mezelf, ergens ter hoogte van mijn kruis, als baby op de grond zitten, temidden van een boel omgevallen potjes, bakjes en blikjes, waarin ik allerlei vreemde voorwerpen had verzameld. Raadsels van mijn vroegste jeugd. Ik rook de geuren: bitter, scherp, zwaarzoet, muf, teerachtig. Ik zag vormen en kleuren, zo vreemd dat ik ze ook nu nog niet thuis zou kunnen brengen. Een schop van mijn beentje en daar koos een wolkje violetblauwe schimmelsporen kringelend het luchtruim. Zo alleen, die baby, en zo zorgeloos!

Telkens als ik een propje slijm wegslikte, leek het alsof een klein mannetje, dat zich ergens in mijn zachte verhemelte genesteld had, het een e-mail adres meegaf en op een blauwe button SEND klikte. Ook heel gewoon. Het verbaasde mij bijna dat alles zo gewoon leek, terwijl het toch duidelijk ongewoon was. De meest vreugdevolle verbazing gold dat ik totaal geen angst voelde. Ook toen mijn geest aan gruzelementen ging en neerdwarrelde naar de bodem van een kaleidoscoop, om daar rustig verder te malen, bleef mijn overgave aan het moment me dragen als de met koortszweet doordrenkte matras onder mijn roerloze rug. Zelfs de goederentrein zonder einde, die ondersteboven tegen de binnenkant van mijn rechter schedelhelft langsdenderde, volgeladen met stukken herinnering aan een wekelijks door migraine geteisterde puberteit, – ze zagen eruit als brokken puin van een gesloopte asfaltweg – liet ik ongestoord zijn loop’s maken.

Soms sliep ik weer een poos. Dan werd ik weer rillend en badend in het zweet wakker. Een enkele keer slaagde ik erin om uit bed te komen voor een sanitaire stop en om water in te slaan voor de rest van de reis. Het was meestal niet duidelijk of ik wakker was of sliep, het dromen of hallucineren had een eigen constante, die zich daar niets van aantrok. Alles voltrok zich zonder rekening te houden met tijd en ruimte. Nog altijd boezemde niets wat ik zag of voelde mij angst in. Ook toen ik op een gegeven moment dacht “Misschien blijf ik straks wel dood, als ik weer weg glij,” bleef ik volkomen zorgeloos. Een blijkbaar snel aangeleerd instinct zorgde ervoor dat ik nog net het ‘sjema‘ kon zeggen: men weet maar nooit. Maar ik werd gewoon weer wakker, wanneer, dat weet ik niet meer.

Heel, heel langzaam ebden de hallucinaties weg, werd de hoofdpijn minder en zette de walging zich om in vreemde hunkeringen, waaraan ik echter van de ondertussen geraadpleegde huisarts (wel echt) niet mocht voldoen. Op streng dieet en met strikte rust als enige opdracht ben ik voorzichtig op de terugweg naar een normaliteit, die ik bijna vergeten was. Verbazingwekkend vanzelfsprekend dat ook dit weer gewoon buiten mij om plaatsvindt. Ach, ik weet al dat ik die volstrekte, absurde eenzaamheid van de eerste ziektedagen ga missen. Daarom stop ik ze in dit blikje of bakje. Ook neem ik er een besef uit mee: alles waar ik ooit zo bang voor was – desintegreren, alleen zijn, niets kunnen – is die angst niet waard.

Laat ik dat maar meteen als levenseinde verklaring vastleggen: wat me ook ooit zal overkomen, ik wil graag doorleven voorbij het moment dat ik zelf geen beslissing meer kan maken om mijn leven te (laten) beëindigen. Zal wel te duur worden, tegen die tijd, maar daar ga ik me nu geen zorgen over maken.

Read Full Post »

Older Posts »