Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

De weg naar het hart

Als een mens een heuse poos geen seks heeft gehad, dan komt ie tekort en gaat er iets knagen. Tenminste, dat geloven we allemaal. Toen, jaren geleden, een jongere collega een keer met een ochtendhumeur op het werk kwam, gierde een van de andere dames het uit: “Hahahah, Yolanda, moet je soms een piemeltje hebben?!” Van een oudere dame hoorde ik, hoe zij ooit met depressieve klachten bij de huisarts binnenstapte en de man haar vroeg: “Gaan jullie nog wel regelmatig van bil?” En ik maar denken dat seks vooral met intimiteit te maken heeft, met de weg naar het hart.

Misschien is dat ook wel zo, maar veel vaker lijkt het – bedankt, dokter Freud! – alsof heel ons leven een metafoor is voor seks. Eten bijvoorbeeld. Van een lieve Indiase moeder in Zuid-Afrika kreeg ik eens een kookboek kado, met een vette knipoog: “. . . because after all, the way to a man’s heart is through his mouth.” Nu ben ik er heilig van overtuigd dat liefde een grote rol speelt in de keuken, maar ik denk daarbij echt niet altijd meteen aan de slaapkamer. Gelukkig lees ik af en toe een roman, zodat ik blijf weten waar het bij mannen uiteindelijk allemaal om draait:

Zachte minnepraat. Zoete heiligverklaringen die zonder uitzondering gastronomisch getoonzet waren.
Ze wilden haar. Ze wilden haar beboterd met suiker. Ze zagen haar opdoemen voor hun geestesoog met overal bananen. Ze gingen haar, let maar eens op Biancaatje, inwrijven met hollandaise, bearnaise; hoe hitsiger de fantasie, hoe romiger de sauzen waarmee ze haar wilden bedruipen en bezalven.
Uit schaamte over zoveel gulzigheid deelden de heren haar vervolgens ootmoedig mede dat ze hun perverse pornohoofd het liefst zouden verstoppen onder de witte kwabben van haar vissenbuik. Ze zagen zichzelf roetsjend in frambozenbavaroise en zachtroze coulis al over haar golvende dijen rijden en o ja, Bianca, zou ze s’il vous plait, een paar Franse woorden kunnen spreken terwijl ze voor straf hun testikels in de vinaigrette doopte, en kon ze please, puh-lease, hun papillen kietelen met langoustinestaart?

Ook het domein van mores en moraal wordt geregeerd door lage driften. Afgelopen weekend las ik een column in de krant met als titel Morele masturbatie. In het het zich aanmeten van morele superioriteit herkent de auteur onmiskenbaar de lust om te vernederen. Wij allen zitten vol (seksuele) aggressie. Je hoort de stoomfluiten juichen en de uitlaatkleppen sissen: de stoommachine als zinnebeeld van ons driftleven. Rechters die corpsballen taakstraffen opleggen, maar vooral de maatschappelijke commotie eromheen: alles is seks. Nu lijkt me het schrijven van zo’n column ook een eenzaam avontuur, dus . . . oei, wat zit ikzelf hier eigenlijk te doen? . . . ik bedoel: wanneer ik die strenge moraalridders onder de columnisten bezig zie, moet ik inderdaad wel eens denken aan blote, ruig behaarde heren, die elkaar stevig van katoen geven, zoals ik die wel eens in een por . . . nou, zeg, hoe kom ik nog op nettere gedachten?!

Laat ik het liever over religie en spiritualiteit hebben, dat is heilig en veilig. Tenminste, als ik de misbruikte misdienaartjes, de foute guru’s en die ‘seksrabbijn’ even buiten beschouwing laat. Tja, maar dan kan ik me die scène uit Het Parfum, waarin een purperen kardinaal, bedwelmd door de feromonen van 50 vermoorde maagden, temidden van een orgie op een dorpsplein in religieuze extase raakt, ook maar beter niet herinneren. En, oh jee, daar heb je Gerard Reve en Hadewich ook nog! Er is geen houden aan. Ik hoef mijn teentjes maar even, heel voorzichtig, in het vurige water van de bronnen der joodse mystiek te dopen, of ik kom er achter dat al mijn gebeden en goede werken erop gericht zijn om de mannelijke en de vrouwelijke helft van God “tot elkaar in” te doen gaan.

Hoe kan een mens nog tekort komen, als seks zo alomtegenwoordig en alles doordringend is? Ik hoor hoe een rabbijn zich druk maakt over jongeren die verliefd worden op de nieuwste iPhone. (“People used to fall in love with real people.”) Maar wat is daar zo vreemd aan? Je hoeft niet zo ver te gaan als Birdy in de gelijknamige film om ornithofiel te zijn en volgens de freudianen is ook postzegels verzamelen een “gesublimeerde auto-erotische activiteit”. Postzegels, brieven, . . .  Kom, misschien moet ik eens aan een prikkelende “epistolaire relatie” beginnen, zoals de hoofdpersoon in Les Intouchables. Met hem was lager dan zijn oorlelletjes fysiek niets zinnelijks meer te beleven, maar hij vond wél de weg naar het hart van een echte vrouw. Zou dat andersom ook werken?

 

Advertenties

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

Axis mundi (mei)

 

De aarde draait om haar as. Er zijn geleerden die beweren dat die as niet voor de volle honderd procent stabiel is. Maar de noordpool zal zich nooit op een soort salontafel in een kamertje vlak naast het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam vestigen. Toch is er een axis, waarom het leven – misschien beter: mijn leven – draait, en dat merk ik doordat ik telkens weer terugkom bij bepaalde thema’s, bij bepalende momenten. Ook als ik dat niet wil, omdat het pijn doet.

Kom, laat ik het eens hebben over een van de pijnlijkste momenten in mijn leven. Daarin zitten vier mensen om die salontafel. Recht tegenover mij zit mijn jongere broer, die na een mislukte zelfmoordpoging is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Rechts van mij, links van hem,  zit mijn moeder, zijn moeder. Aan mijn linkerhand een psychiater, die tot taak heeft ons te begeleiden in een eerste (tevens laatste) poging tot familietherapie. Wat lijkt die man, 35 jaar na dato, wonderlijk onaangedaan door de wurgende spanning, die ons drieën met elkaar verbindt!

De volgende dag al was het hele gesprek uit mijn geheugen verdwenen, behalve drie heel korte zinnen, die met gemak de hele ruimte van deze herinnering konden vullen.

Mijn broer zei, zich richtend tot mijn moeder, die hem niet kon zien, zij was immers blind: “Ik haat je.”

Mijn moeder, ik zag hoe haar onderlip trilde (van woede, van verdriet?): “Dat is niet waar. Dat kan ik niet geloven.”

De man zei: “Maar hij zegt het wel.”

Er kwam geen oplossing. Toen niet en nooit niet.

Nooit van mijn leven heb ik mij zozeer een nutteloze toeschouwer gevoeld, zonder te willen weten dat ik dat ook werkelijk was. Waarom in ’s hemelsnaam dacht – of voelde –  ik, dat ik een verantwoordelijkheid had in dit minuscule drama, dat tegelijk zo’n kosmische omvang leek te hebben? Misschien omdat ik van hen allebei hield. En omdat ik hen allebei gehaat heb. Waarschijnlijk zijn er geen twee andere personen op deze wereld geweest, met wier innerlijk leven ik zo ongecontroleerd heb meebewogen als met dat van mijn moeder en deze broer. Het is bijna alsof het me nooit helemaal gelukt is om die twee en mijzelf als van elkaar te onderscheiden personen te beleven. Alsof ik niet met hen verbonden, maar met hen vergroeid was.

Turn, turn, turn.

Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.

Er is een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen.

Het leven – misschien beter: mijn leven – draait om een as. Dus vooruit maar weer, laten we scheuren, en herstellen. Weer scheuren, en opnieuw herstellen. Zelden is dat moeilijker dan in dit geval, al is het alleen maar omdat ik de enige nog levende speler in het spel ben.

It is a human thing, love,
a holy thing, to love
what death has touched.

Jehuda ha-Levi

Read Full Post »

 

We leven in gemakkelijke tijden. Je hoeft maar te zeggen: “Ja, ik ben een beetje autistisch . . .” en je bent onmiddellijk geëxcuseerd voor al je sociale onhandigheden. En wanneer je geregeld steken laat vallen in de sfeer van afspraken of werk, dan roep je: “Ach ja, m’n ADHD!” en dan weet iedereen meteen waar ie aan toe is. Zelfs hooggevoeligheid kan men zo van een beperkend ongemak tot een comfortabele omhulling omtoveren. Maar daar gaat het mij vandaag niet om, terwijl ik op het punt sta te beweren dat een beetje autisme zo gek niet is.

We leven namelijk in krankzinnige tijden. Innovatie, flexibilisering en zelfregulatie hebben overduidelijk de wind in de rug. Een woord als ‘structuurbehoefte’ kom je alleen nog maar tegen in teksten uit het management over Het Nieuwe Werken, meestal geschreven in 2012 of 2013. Daar kan men dus met goed fatsoen niet meer mee aan komen. Zo ging ik mij vis à vis de planning op mijn werk eerlijk gezegd twee beetjes autistisch voelen, maar besefte ik tevens dat het me niet zou helpen om daarmee te gaan koketteren. Is het misschien tijd voor iets nieuws? Iets autismevriendelijks (ongeveer 29.000 resultaten (0,42 seconden))?

Dromend over een mogelijke rol voor mij in een academisch onderzoek naar het gebruik van gebedenboeken in de joodse eredienst en thuis, begon ik mijn vakantie het afgelopen weekeinde in een verre uithoek van Twente. In de stijve bankjes van een authentiek ‘mediene-sjoeltje’ in Haaksbergen nam ik deel aan de sjabbat ochtenddienst en viel me iets op dat ik wil onthouden, voor mijn werk en voor mijn dromen. Een inzicht, misschien alleen voor mij, maar mogelijk voor iedereen die een beetje autistisch door de wereld van vandaag reist.

De dienst liep als een trein op een onzichtbaar spoor (kedeng kedeng . . . ), volgens een orde van dienst die zich al enige eeuwen onveranderd overeind heeft weten te houden, geleid door een stel vlotte voorzangers en gedragen door een handvol zanglustigen, die duidelijk precies wisten wat van hen verwacht werd. Heel anders dan in het Huis van Vernieuwing, waar ik gewoonlijk mijn religieuze plichten vervul. Paradoxaal anders, althans in mijn beleving: waar alles telkens anders gaat, raak ik het vermogen om iets nieuws mee te maken ongemerkt kwijt. Te druk met het zoeken naar het juiste ritme om op te dansen, wordt ik houteriger in mijn innerlijk bewegen. Ben ik echt een beetje autistisch?

Omdat we inmiddels het moment van het joodse jaar naderen waarop alles opnieuw begint, ben ik geneigd lering te trekken uit mijn ervaringen op het werk en in de synagogen. Dat koketteren met autisme en de onderliggende gêne over mijn natuur is straks zóó 5777. Opgewekt beweeg ik mij naar een beter optimum van vrijheid in gebondenheid.

*

Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Oe oe!

 

Read Full Post »

Sjeimesbak

 

“Wacht even, moeder!” zegt de man en hij wijst me een stoel tegenover zich aan de keukentafel. “Zij weet nog niet wat een sjeimesbak is.” Terwijl zijn vrouw in haar peignoir geduldig staat te wachten tot ik haar kom helpen met douchen, krijg ik een lesje in orthodoxie. Mijn romantische fantasieën over een zolder als die van de Genizah van Caïro in elke sjoel worden enerzijds ontnuchterd tot beelden van een rolcontainer in een door tl-buizen verlichte bijkeuken, anderzijds dichterbij gebracht door een plastische beschrijving van de uiteindelijke bestemming van de ‘sjeimes‘ uit de ‘sjeimesbak‘. “Als er iemand begraven wordt, gaat er eerst een laag boeken in de kuil, dan een beetje zand erover en daar komt de kist weer bovenop.”

Even later ben ik weer gewoon de verzorgende in de thuiszorg en hanteer ik vakkundig het washandje en de handdoek. Innerlijk geniet ik van het besef dat ik deel ben geworden van een bijzondere liefdesgeschiedenis, de liefde van een volk en een boek. Voor zover ik het kan nagaan begint dat verhaal in hoofdstuk acht van het boek Nehemia:

Aan het begin van de zevende maand, toen de Jisraëlieten [die teruggekeerd waren uit de Babylonische ballingschap] zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mosjee, de wet die de Eeuwige aan Jisraëel had opgelegd. Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het begrijpen kon hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot aan de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.

Nehemia 8:1-3

Op een zeker moment moet Ezra geschrokken zijn, want “heel het volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde.” Was het ontroering? Of verdriet om de afstand tussen dit moment en de dag dat hun voorouders die wet op de Sinaï hadden ontvangen? Ezra en de aanwezige priesters drukken de menigte op het hart dat dit een dag is om feest te vieren:

Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de eeuwige u geeft, is uw kracht.

Nehemia 8:10

Zoals het altijd gaat met liefde, vreugde en kracht, is ook deze eeuwig als het gras. Overal op de wereld waar Joden wonen bloeit zij eenmaal per jaar uitbundig op in het feest van de Vreugde der Wet, maar door het hele jaar, door alle eeuwen heen breidt zij zich uit over alle heilige geschriften. Een Tenach of een gebedenboek leg je niet op de grond en mocht het vallen, dan raap je het op en kus je het. Je laat het niet open liggen, wanneer je de kamer uit gaat. Je leest erin, wanneer je gaat slapen en wanneer je weer opstaat. En als het helemaal stukgelezen is, dan gooi je het niet zomaar weg, maar breng je het naar de sjeimesbak. Misschien kus je het nog één keer.

Deze liefde is zeer aan mij  besteed en soms lijkt mijn huis wel een beetje op een sjeimesbak en ik op dat jochie hierboven. Tegelijk vraag ik me af hoe haar geschiedenis verder zal gaan, tegen de tijd dat mijn gebeente op een laagje boeken ligt te rusten. Naast mij in sjoel zit een jonger iemand, die een smart-phone tevoorschijn haalt, zodra de Tora-rol geopend wordt: je kunt tegenwoordig meelezen in een app. Wat gebeurt er met de heilige letters, met de onuitsprekelijke naam van God, op het moment dat je die app weer weg klikt? Wat valt er nog te kussen of te begraven, als tenslotte ook de liefdesgeschiedenis van Het Boek “digitaal gaat”?

Read Full Post »

Wrede morgenstond

 

In mijn vorige bericht vergeleek Shakespeare de dood met slapen. Lawrence maakte er een mystieke zeereis van, maar op het moment dat zijn “frail soul” weer grond onder de voeten voelt, is er opeens sprake van een dageraad: “the cruel dawn of coming back to life / out of oblivion”. In het ochtendgloren ziet hij de aarde droogvallen en daar ligt zijn lichaam, als een slakkenhuis op het strand, klaar om in terug te kruipen. Het hart krijgt een zetje, als de slinger van een klok. Dan tikt het klokje weer, zoals thuis, en nergens anders.

Ach, hoe doet dit alles mij denken aan joods wakker worden. Gaan niet de eerste woorden die ’s morgens over mijn lippen komen over de thuiskomst van mijn ziel, die ik de avond tevoren in de hand van de Eeuwige had gelegd? Meteen gooit die ziel de ramen open en zodra zij heeft gemerkt dat alles het weer doet, prijst zij de Koning van het heelal om het wonder van haar lichaam. Dan voel ik mij thuis en loof ik de Eeuwige om mijn ziel, die zuiver is, dat wil zeggen: helemaal van mij alleen, ook al is Hij het die alles doet. Scheppen, vormen, inblazen, bewaren, wegnemen, teruggeven.

Dan volgt de eerste ‘bracha‘, waar ik eigenlijk een haan voor bij de hand zou moeten hebben, die het verschil tussen dag en nacht kent. Ik denk dan maar aan Poeze-Mien, die weet daar ook wel raad mee. Tja, en daarna heb ik de keuze tussen drie liberale zegenspreuken of één orthodoxe. Meestal gedraag ik me als een rechtgeaarde feministe en prijs ik de hemel dat ik een (genderneutraal!) mens ben, want naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, een dochter van de vrijheid bovendien en nog joods ook. Een enkele keer warm ik me op aan de oude, rechtzinnige vrouwen-broche: “Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God! Koning van ’t heelal, die mij naar Uw welbehagen geschapen hebt.” Omdat het voor mij geen kwaad kan me af en toe te realiseren dat ik goed ben zoals ik ben.

Tien spreuken verder ben ik zowaar blij dat Iemand mij de slaap uit de ogen gewreven heeft. Eigenlijk is het een beetje raar dat we die lofzeggingen tijdens de sjabbat ochtenddienst in sjoel herhalen. Ze zijn uniek onder de gebeden, doordat ze in de eerste persoon enkelvoud gesteld zijn. Laatst probeerde onze dienstleider daar iets van terug te brengen in de liturgie, door ons uit te nodigen een persoonlijke zegening uit te spreken. Ik had er meteen eentje klaar, maar die heb ik niet hardop gezegd, toen ik merkte dat anderen de toon zetten door allerlei bovenpersoonlijke zaken te berde te brengen, tot aan de wens voor wereldvrede toe.

Hier, in de anonimiteit van het internet, durf ik het wel: ik zou mijn God willen loven, omdat mijn kat ’s morgens vroeg op mijn bed springt en meteen begint te spinnen. Ha ha, denkt God, zo lust Ik er nog wel één! Hij die de haan het vermogen heeft verleend “om tusschen den dag en den nacht te onderscheiden”, schonk Poeze-Mien het talent om bij het krieken van de dag op jacht te gaan. Ik hoor het al aan de klank van haar miauwtje. Daar staat ze weer voor mijn bed, met een vette muis in haar bek. Gelukkig springt ze vandaag niet op me. Ze gooit de muis vlak voor me op de grond. Fijn, het arme diertje leeft al niet meer, dus ik hoef zijn doodstrijd niet te zien. Wat wil de kat eigenlijk? Dat ik de muis samen met haar opeet? Of betekent haar gebaar: zullen we samen spelen?

Terwijl ik ook haar een beetje loof en prijs, pak ik het grauwe lijkje bij de staart, loop naar het toilet en spoel het door. Met enige aarzeling ga ik zitten en geniet van het wonder van mijn lichaam. Alles doet het weer. “Ook goedemorgen, Poeze-Mientje!”

Read Full Post »

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Read Full Post »

Older Posts »