Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

Jerusalem


Het leek die dag wel een zomerse zondagmiddag  op de Veluwe, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Een bijna autoloze zondag. Toch was het gewoon maandag, maar heel Israël vierde de achtste dag van Soekot (het Loofhuttenfeest). Bijna geen verkeer, nergens een winkel open en zelfs nauwelijks recreanten in het verwaarloosde herbebossingsgebied, waar we een voorverpakte sandwich, gekocht bij een tankstation, opaten. Zelfs de vogels en de slangen lieten zich niet zien, toen we een dorre heuvel beklommen, op zoek naar een uitzichtpunt. Vredig voelde het allemaal niet. De Gaza-strook lag op een kleine veertig kilometer westelijk van ons. Misschien zat iedereen wel in de schuilkelders.

Niettemin kwamen we veilig aan in de moshav Bar Giora (daarover in een volgend bericht), waar het touwtje voor ons uit de brievenbus hing. Wat een paradijsje! En zo vlak bij Jerusalem. Ach, Jerusalem! begrijp me niet verkeerd: ik hou van je, maar opeens werd ik bang. Natuurlijk, bang voor de verkeersdrukte van een wereldstad. Zouden we wel een parkeerplekje vinden? Wat wilden we, toch al een beetje overvol van indrukken, daar eigenlijk zien? Maar vooral: zouden mijn emoties wel aan de verwachtingen voldoen? Zouden mijn tranen wel willen stromen, als ik eenmaal voor de Kotel (vulgo: de Klaagmuur) zou staan? Zou ik mijn liefde wel voelen?

Jerusalem (1936)

Ich liebe Dich;
Liebe Dich ohne Grenzen.
Ich segne Dich;
Segne Dein Urgestein.
(. . .)

(. . .)
Deine Mauern, Zinnen und Tore, Deine Bogengassen.
Dein Gestein und Deine weite wilde Wüste Jehuda:
Odem Deiner Geschichte.
Deine Riesenquadern:
Dein Blut!
Du Allgewaltig-Allerheiligste.

Du, Du.
Nur Du,
Jeruschalajim,
Du Heilige, SEINE Heilige, Urheilige meines Volkes,
Ha-Kedoscha!
Blut meines Volkes Du,
Jeruschalajim, Jeruschalajim,
Mein Heiliges:
DU!

Reuben Hecht

Toen ik eenmaal aan het rijden was, viel de vrees al snel van me af. Het beven hield op en tegen de tijd dat we pakweg een kilometer van de Oude Stad verwijderd waren, werd ik zelfs iets te chutzpadik naar de zin van Max, die doorgaans een stuk hoffelijker is dan ik. Het blik bleef echter heel en geheel krasvrij bereikten we een sjieke parkeergarage, die me een gevoel van enorme luxe gaf. Door een soort PC Hooftstraat liepen we regelrecht naar de Jaffa-poort, waarna we ons in het gewoel van pelgrims en toeristen stortten.

Of werden we erin gezogen, rondgepompt als bloedlichaampjes door de aderen van een oude godheid, gemaakt van nog oudere stenen? “Too much God,” schamperde Yaniv, mijn leraar Hebreeuws, wanneer hij het over Jerusalem had. Eerst zag ik vooral multiculturele en multireligieuze commercie: kruisen, iconen, talliet en keffiyeh gebroederlijk naast elkaar. Bij de Western Wall kwam er een militair tintje bij. Veel groen op straat. Toen ik er eenmaal vlak voor stond, helemaal alleen in het vrouwengedeelte, was er vooral rust, en de hitte van de zon. Ik pakte een beduimeld gebedenboek, zocht de juiste plek op en zei mijn tefille (het hoofdgebed). En dat was het dan. Geen grote gevoelens, alleen eenvoudige plichtsvervulling.

Daarna begaven we ons opnieuw in de drukte van de soeks en de steegjes. Over elkaar tuimelende indrukken, hitte, veel geluid en weinig ruimte, broeierigheid soms. Ik was blij dat Max al die tijd dicht in mijn buurt was. Zonder hem was ik innerlijk nog meer versnipperd geraakt dan ik al was. Behalve bloed leken er ook zenuwbanen door dat oude stadlichaam te lopen. Electrisch geladen voelde de lucht, vanwege de veelsoortige en tot hoogspanning opgezweepte religieuze energie van al die moslims, christenen, Joden. Op een pleintje voor de Heilige Graf-kerk, omstuwd door heel veel vrome vrouwen, stond ik even stil en keek omhoog naar de luidsprekers aan de minaret van de naburige Omar-moskee, vanwaar de muezzin opriep tot het middaggebed. Too much God, maar toch mooi dat het weer kan, sinds Israël het hier weer voor het zeggen heeft.

Middenin het joodse kwartier, aan de voet van de pas herbouwde Hurva-synagoge, vonden we een terrasje met heilig voedsel. Goed voedsel, en een jonge ober die “schoon van gedaante, en schoon van aangezicht” was, genoeg om een mens weer naar de aarde en het goede leven terug te voeren. Pas ’s avonds, terug in Bar Giora, kwam de grote ontroering, maar die was veel rijker geschakeerd dan men van een liefde voor Jerusalem zou mogen verwachten, meeromvattend ook. Jerusalem, 15 kilometer verderop in het donker, kreunend onder too much God, ik was en zal je niet vergeten. Maar het mooie van het Jodendom is voor mij tóch, dat het me alle gelegenheid biedt om dicht bij God te zijn, maar ook weer niet té dichtbij.

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Kineret

Terwijl het hier op mijn schrijfplek – zonder kachel – alsmaar kouder wordt, lijkt het me een goed plan om op mijn blog weer naar Israël terug te keren. (Au!) Waar waren we ook alweer? O ja, in Tsfat, geen plek om te blijven. Om niet dezelfde weg terug te hoeven rijden, kozen we een route via Tiberias. Door dezelfde dorre bergen als op de heenweg koersten we naar het zuidoosten, langzaam slingerend naar lager regionen. En toen was daar opeens, bij het uitgaan van de zoveelste bocht, onze eerste blik op de Kineret.

Bij het zien van die wondermooie spiegel van het zuiverste aquamarijn ter aarde, probeerde mijn sterke, maar onhandige talent voor ontroering zich dwars door het gebruikelijke gekeuvel heen een weg naar buiten, naar stembanden en traanklieren te banen. Gelukkig volgde onmiddellijk een scherpe bocht, die de betovering doorbrak, zodat Max dit keer tenminste een beetje ruimte overhield, zo vlak bij die heftige zieleroerselen. Het is genoeg dat ik nooit zal vergeten hoe het was alsof ik heel even definitief thuis kwam.

Beneden aan de oever was het een stuk prozaïscher. Ook hier vooral verval en vervuiling. We baanden ons een weg door manshoog riet naar een strand van groezelig zand en scherpe stenen, waar we een rustig plekje vonden om te zwemmen. De wind woei kinderstemmen en opblaasspeelgoed in onze richting en verder, naar de Hermon. Aan het einde van een dromerige middag reden we tegen het fel-oranje licht van de ondergaande zon terug naar Haïfa.

Wat was ik blij met Max’ voorstel om de volgende sjabbat aan de oevers van het meer met de vele namen door te brengen. De ultra-orthodoxe mannen van de woonwijk in Tiberias waar wij met onze auto heel even in verdwaald raakten hadden misschien gelijk dat wij de sjabbat ontheiligden, maar verder was de dag beslist zoals God het bedoeld moet hebben.  We vonden een strand waar een sympathiek slag recreanten waren neergestreken. Zo konden we in volstrekte rust mee resoneren met een scala aan universele strandvermakelijkheden.

Naast ons bivakkeerden een paar jonge stellen met wat kinderen, een bal, een hond en een gitaar. Vanuit hun richting hoorde ik Carlebach-achtige melodieën mijn kant op waaien en op dat moment bedacht ik me dat op één na alle ingrediënten die voor Channa Szenes de wereld de moeite waard maakten, aanwezig waren:

Mijn God, mijn God,
laat deze dingen nooit ophouden te bestaan:
het zand en de zee
het geruis van het water
de donder van de hemel
het gebed van de mens.

Dikwijls verbaas ik mij over haar bescheidenheid, maar op die sjabbat, aan de oever van de Kineret, miste ik niets en had het moment eeuwig mogen duren.

Read Full Post »

Verzwommen

*

 

Die Beobachtungen und Begegnisse des Einsam-Stummen sind zugleich verschwommener und eindringlicher als die des Geselligen, seine Gedanken schwerer, wunderlicher und nie ohne einen Anflug von Traurigkeit.

Thomas Mann, Der Tod in Venedig

[De observaties en de ontmoetingen van iemand die alleen reist en dus niemand heeft om tegen te praten zijn tegelijk “verschwommener” en indringender dan die van degene die in gezelschap verkeert. Zijn gedachten hebben meer gewicht, zijn vatbaarder voor verwondering en hebben altijd iets droefs over zich.]

Hoe komt het dat deze zin me na zoveel jaren zomaar weer te binnen schiet? Het is omdat ik wijs probeer te worden uit een dag van mijn leven, die als een ei zonder schaal door een gewichtsvrije ruimte zweefde. Wat hield dat ei bijeen? Om nog maar te zwijgen van het hoe en waarom de dooier en het wit uit elkaar gehouden werden.

De dag begint om half vier ’s nachts. De avond tevoren heb ik nog gewerkt en vandaag staan er drie dingen op het programma: naar Londen Gatwick vliegen, met de trein naar Brighton reizen en aldaar ’s avonds een eredienst mee vieren in de Brighton and Hove Progressive Synagogue. Houvast genoeg, dacht ik, maar door de moeheid en de stress van de afgelopen weken knapt er iets in mijn hoofd. Geheel onverwacht is alles “verschwommen”, de dag, de wereld, ikzelf.

Onwillekeurig zoek ik de zee op, die vanzelfsprekend zowel de “snotgreen sea” van James Joyce is, als de azuren verte, van waaruit de dood Gustav Aschenbach naar zich toe lokte. Langs het strand slenter ik, ik doezel weg op een bankje in een van de verveloze ‘shelters‘, vlak naast een slapende zwerver. De zilvermeeuw, die woest in zijn spullen staat te pikken, kijkt me nog even heel kwaad aan, voordat hij de vleugels neemt. Kiezels rollen ratelend over elkaar onder het geweld van de golven. Zo ook mijn gedachten, om vervolgens als schuim op te spatten en op de wind te verdwijnen.

Overal grijnst het verval me aan, als een spiegel van mijn innerlijk. Uren lang balanceer ik op het randje van wat misschien wel mijn grootste angst is: te moeten beleven dat ik er nog ben, maar toch niet meer. Bang ben ik niet. Ik blijf rustig watertrappelen, totdat ik grond onder de voeten zal voelen. Bedenken welke kant ik op zou moeten zwemmen lukt mij niet. Ondertussen doe ik iets wat ik anders zelden doe: ik registreer wat ik zie met de camera van mijn mobiele telefoon, die – net als ik – haar verbinding met de vertrouwde wereld kwijt is.

Einsamkeit zeitigt das Originale, das gewagt und befremdend Schöne, das Gedicht.

(als boven)

*

*

*

*

*

*

*

 

Aan het eind van de dag, een paar minuten voor aanvang van de sjabbat, bel ik aan bij het gastgezin dat mij is toebedeeld. Even later zit ik in een lichte keuken, mijn koude handen om een kop thee geklemd, om mij heen de stralende gezichten van een warm gezin. Floep! Schaal om het ei, grond onder mijn voeten, wortels en bladeren aan mijn gedachten en gevoelens.

 

Read Full Post »

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.

Read Full Post »

Gloed

 

Het is nog heel warm in Israël, terwijl wij daar zijn. Ongeveer zoals hier tijdens de hittegolf van de afgelopen zomer. Elke dag schijnt de zon. Heel fijn, maar toch ben ik maar wat blij dat Willis Haviland Carrier voor ons de airconditioning heeft uitgevonden. Elk huis en elke auto heeft er een, in Israël. Hoe hebben ze dat vóór 1960 gedaan, vraag ik me af. Het antwoord vind ik in de soeks van Safed, Akko en Jerusalem: je verstopt je openbare ruimte onder en achter veel metselwerk, zodat de zon er niet bij kan.

In de roman die ik lees op momenten dat ik niet loop, rijd, praat of eet, komen twee van de personages tot de volgende observatie:

‘Mensen die in de woestijn wonen zijn altijd geïnteresseerd in God.’
‘En als het maar warm genoeg is, menen ze Hem nog te zien ook.’
‘En als ze geen pet op hebben, beginnen ze ook nog met Hem te praten.’

Meir Shalev, De grote vrouw

Is het daarom dat in deze regio drie grote wereldgodsdiensten zijn ontstaan?

In de oude stad van Jerusalem wijst een behulpzame koopman, naar later blijkt een bedouïn, ons een weg naar het dak van de stad. Ergens op de grens tussen de moslimwijk en het christelijk kwartier lopen wij opeens door een stedelijk woestijnlandschap. De daken reflecteren de felle zon en nergens is schaduw. Er schiet mij een vers te binnen uit een psalm die ik elke morgen zeg. Let op de mooie klank:

mi-k’tsè ha-sjamajiem motsa’o oe-t’koefato al k’tsotam we-één nistar me-chamato

Aan het ene einde van de hemel komt hij op,
aan het andere einde voltooit hij zijn loop,
niets blijft voor zijn gloed verborgen.

Psalm 19:7

De laatste woorden galmen tijdens deze vakantie telkens door mijn hoofd, wanneer we ergens belanden waar we ons voor de zon niet kunnen verstoppen. Ze roepen ook herinneringen wakker aan de tijd dat ik nog op zoek was naar de in- en uitgangen van mijn leven. Hoe dikwijls verbaasde ik mij niet over de rare discrepantie tussen de beeldentaal van de Psalmen, waarmee ik opgroeide, en de natuurlijke werkelijkheid van het land waarin ik geboren was en waarmee ik dacht mij te moeten kunnen verbinden? Het lukte mij niet die kloof te overbruggen.

Opeens snap ik waarom die discrepantie voor mijn gevoel verdwenen is. Die is namelijk inherent aan het Christendom, maar in het Jodendom totaal afwezig. De christelijke boodschap is – vaak sterk vergeestelijkt – door zendelingen overgeplant naar West-Europa (en elders). Vrome Vlamingen lossen de vervreemding op door hun Klein Jezuken ter wereld te laten komen in een licht glooiend sneeuwlandschap en onder een rieten dak. De Joden hebben altijd hun hele beschaving meegenomen, overal waar zij heen trokken, en zo de band met het Land levend gehouden.

Over de hele wereld worden tijdens Soekot (het Loofhuttenfeest) de “arba’a miniem” meegebracht naar de plaatsen waar we samenkomen. De etrog, de loelav, de hadas en de arava worden vaak van ver gehaald, maar zijn niet ‘exotisch’. We nemen ze bij elkaar in onze handen en schudden ermee in een vrolijk ritueel, tot de palmtak ratelt als de regen op de droge aarde. Vanaf dat moment tot aan Pesach in het voorjaar is een gebed om regen ingebed in het dagelijks gebed. Deze vakantie was dan wel geen bedevaart, maar het zien van de zon zoals hij daar schijnt neem ik mee, wanneer ik ‘met God praat’.

 

Read Full Post »

Middelpuntvlieders

*

Toen de Templers klaar waren met de hoofdstraat van hun kolonie, dook er een andere religieuze groepering op, die de keurige rechte lijn die de Duitsers in de vlakte hadden gelegd, door trokken tegen de berg Karmel op. Passer en rij tekenden er 18 hangende tuinen, met in het midden een mausoleum, waarin hun founding father ter eeuwiger ruste werd gelegd. Het koepeldak werd bedekt met 12000 gouden dakpannetjes van Hollandse makelij. Bij dag en bij nacht een aanblik van raadselachtige schoonheid, aantrekkelijk en afstotend tegelijk.

Op een zonnige morgen togen wij daarheen (daarheen!) om de Tuinen van Baha’i te bezoeken. Bewakers bij het hek legden ons uit dat de tuinen een heiligdom vormden, wat betekende dat er van alles niet mocht: met blote benen lopen, kauwgum kauwen, spugen, op het marmer zitten, het water aanraken. Plechtig beklommen wij de trappen naar het tweede terras, om daar tot de ontdekking te komen dat de volgende terrassen niet toegankelijk waren. We namen daarom rustig de tijd om het eerste terras van boven te aanschouwen.

“De gids vertelt dat de baha’im streven naar de eenmaking van de mensheid,” verbrak ik de stilte. “Een sympathiek verlangen,” meende Max, die doorgaans wat meer hart heeft voor universalistische idealen dan ik, die meteen vond dat we (de baha’im incluis) dat maar beter aan God kunnen overlaten. Voordat we het door voorzichtig argumenteren eens hadden kunnen worden, naderden we elkaar al doordat het gesprek een scherpe bocht maakte en daarachter over mystieke ervaringen bleek te gaan. “Kent iemand dat gevoel etc.” Ondertussen klonk er een fluitje en alle grassprieten leken ogenblikkelijk in het gelid te staan en te salueren. Een kind had zijn hand in het water gestoken.

Twee schuldelozen stonden daarboven en keken ernaar. We spraken met elkaar over de mystieke ervaringen die ons zo nu en dan overdiend ten deel vielen.

‘T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Misschien is het wel zo dat mystici, per ongeluk of express, uiteenvallen in twee categorieën: middelpuntvlieders en middelpuntzoekers. Al naar gelang zij tot het Al-Ene komen door God te vinden in Alles of in het Niets. Middelpuntvlieders waren wij. We liepen elk langs een afzonderlijke trap naar beneden en vonden elkaar daar weer. Wat nu?

Een bewaker vertelde ons dat er ter hoogte van de tempel nog een andere toegang tot de Tuinen was, dus wij begonnen aan een lange klim, die ons langs de shabby achterkant van Haïfa voerde, waar zwerfkatten woonden in uitpuilende vuilcontainers en mensen paradijsjes schiepen op erfjes ter grootte van een postzegel. Door een hek met weer twee bewakers floepten we opnieuw het domein van de perfectie binnen. Daar stond de gouden koepel, middenin een arboretum vol cactussen en vetplanten. Caroben en nog exotischer bomen boden ons schaduw. Het heilige der heiligen was al gesloten, maar ik voelde me in die tuin wel dicht genoeg bij de God van de Baha’i. De spanning tussen leven en wet stond er op springen.

Ons verlangen (naar wat eigenlijk?) voerde ons naar nog groter hoogte. In de toenemende hitte verdwaalden we in een ruigte, die ooit bedoeld was om een parkje te worden. Een bankje stond eenzaam te verpieteren op een plek waar men eens over de baai uit kon kijken. Nadat er een flat op de zichtlijn was gebouwd, had men de zaailingen van den en steeneik ook maar vrij spel gelaten. Niemand nam nog op dat bankje plaats, of het moest een junkie zijn. Alles liep hier dood.

Hoe kwamen we er weer uit? Met volharding, zegt een achtergebleven calvinist in mijn multiculturele binnenwereld. Een volharding die dan uiteraard ook beloond werd: bovenop de Karmel, aan de rechov Yefe Nof 99 (de Mooi Uitzichtstraat), stond een Georgisch restaurant. Het eten was er met veel liefde klaargemaakt, de bediening huiselijk en hoffelijk tegelijk, het uitzicht niet te overtreffen en het bier koel en welverdiend. Ik heb beloofd reclame te maken . . . .

 

Read Full Post »

Dahin! Dahin!

 

*

“Dahin! Dahin!” grapte een erudiete vriendin, toen ik bovenstaande foto van ons onderkomen in Haïfa had rondge-appt. Ze sloeg de juiste toon aan, in de juiste taal: het huis stond in de German Colony en met die cipres, die bougainvillea en – ja, werkelijk! – een boom vol citroenen aan de achterkant, had het zomaar romantisch Italië kunnen zijn. Op andere plekken in de stad waande Max – mijn reisgezel – zich in Griekenland, weer ergens anders voelde ik me verdwaald in Catalonië, of gedropt in Zuid-Frankrijk. Op de avond van aankomst (het was de eerste dag van Soekot, het Loofhuttenfeest) waren wij op zoek naar de enige winkel die volgens onze huisbaas nog open zou zijn: de Russische supermarkt. De enige mensen die we in het vreemd-stille donker tegenkwamen en naar de weg vroegen, spraken een karig mondjevol Engels, met een vet Russisch accent. Van jiddisjkat geen spoor, de Joden van Haïfa zijn overwegend seculier.

Naïef als ik ben, had ik landlord Samuel nog een chag sameach (fijne feestdagen) gewenst, maar toen hij de wens niet herhaalde en beleefd “thank you” zei, keek ik vlug naar de deurposten en miste de mezoeza’s. Bij het lichtknopje in mijn slaapkamer hing Jezus aan zijn kruis. Ik dacht nog even “zal ik ‘m zolang in een laatje leggen?”, maar dat vond ik toch een beetje zielig. Bovendien: hij was misschien geen jolige jongen, maar hij heeft ook nog nooit iemand kwaad gedaan. Dus lag ik daar, in een heerlijk bed, onder een loeiende oude airco, aangestaard door een soort boekenkerkhof van christelijk-theologische werken, in het meest joodse land ter wereld in mijn eentje joods te zijn.

We raakten ogenblikkelijk nieuwsgierig naar de geschiedenis van dit oude huis vol oude spullen. Had Samuel het misschien aangekleed met een deel van de winkelvoorraad van zijn schoonvader, een handelaar in brocante? Nee, daarvoor zat er toch net iets teveel samenhang in de rommel. Onafhankelijk van elkaar, en toch wel een tikje schaamtevol, begonnen we te neuzen in de boeken. Toen Max opeens met een dagboek in zijn handen stond en blij was dat het in het Fins was geschreven, zodat hij zijn nieuwsgierigheid niet op zo’n spannend moment zou hoeven wurgen, hadden we toch al de meeste puzzelstukjes bij elkaar. Hier had een christelijke Arabier gewoond, die getrouwd was met een Finse vrouw. Eén van hen had zich intensief beziggehouden met huwelijksperikelen vanuit christelijk perspectief. Samuel moest zich schamen, dat hij het huis van zijn overleden ouders aan wildvreemde mensen verhuurde, terwijl hun leven er nog niet eens helemaal uit geweken was.

*

*

De dagen daarop hoefden we maar twee stappen buiten de deur te zetten, of we bevonden ons in een ander bijzonder stuk geschiedenis: the German Colony. Wij woonden pal achter de lange straat, die de 19de-eeuwse Templars hier gebouwd hadden. Letterlijk in wat ooit hun achtertuin was, die daarom heel toepasselijk Rechov Ha-Ganim (Straat van de Tuinen) heette. Ooit een toonbeeld van orde en nijverheid, was de hoofdstraat van de kolonie nu bevorderd of gedegradeerd (doorhalen etc.) tot een uitgaanscentrum vol restaurants met enorme terrassen. Volgens mijn reisgids was de oude wijk “gerestaureerd”, maar op het eerste gezicht vielen de rafelranden erg in het oog. Verkrottende monumenten: waarom is dat Oosters in mijn ogen?

De hoofdstraat van de German Colony werd voor ons vooral de plek waar we op zwoele nazomeravonden Levantijns aten en grote, koele glazen bier dronken op feestelijk verlichte terrassen. We raakten beiden gefascineerd door de teksten die, in het prachtige Duits van de Lutherbijbel, de lateiën boven de deuren van de huizen sierden en ik begon al met het doorploegen van Wikipedia-pagina’s, teneinde iets over die Templers te weten te komen. Wat bezielde die mensen toch, om op deze destijds desolate plek, onder de macht van de Ottomaanse sultans, een kolonie te stichten? Hoe kan het dat zij met een dergelijk kleinschalig plan zo snel zo succesvol waren. Kunnen dergelijke micro-geschiedenissen mij wijzer maken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een multiculturele samenleving? Al is de Tempelgesellschaft hier allang weer verdwenen, voorlopig lijkt die van “downtown” Haïfa zeer geslaagd.

 

Read Full Post »

Older Posts »