Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘faits divers’ Category

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.

Read Full Post »

09022017

 

De loopjongen is terug in het straatbeeld. Sinds kort prijkt het dienstmeisje op de Amsterdamse billboards. Snorders racen onzichtbaar door onze straten en op de zolders boven ons rookt en ronkt het van de nette (of onnette) heren b.b.h.h.. Mijn hippe jonge buurvrouw heeft een webwinkeltje in handgemaakte schrijfwaren en mijn eigen dochter een heuse praktijk in ayurvedische yoga-massage. Nog even en God is terug in Jorwerd.

Waarom denk ik vandaag, behalve aan God, aan Jorwerd? Dat is om een zin als deze, uit dat prachtige melancholieke boek van Geert Mak:

“Ach wat waren de mensen arm toen ik een jongen was,” zei de notaris. “er was geen steun en je zag iedereen met handeltjes beginnen. Een koemelker met zes koeien begon daarnaast iets met koffie en thee. (…)”

 

We hebben het dan over de jaren vijftig, toen geluk nog heel gewoon was en ik als een geitje met een lang eind touw stond vastgebonden aan een kwarrig appelboompje in het bleekveld aan de dijk. Aan het begin van mijn volwassen leven was al dat sappelen verleden tijd. In Frankrijk zong Marie-Paule Belle er een weemoedig liedje over en ikzelf ben de nostalgie naar die armoe nooit helemaal te boven gekomen. Ah, de romantiek ervan!

Ik heb het allemaal teloor zien gaan in mijn eigen kleine leventje. De sanering van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf had mijn vader vanonder zijn zwerk vol leeuweriken weggeplukt en aan een lopende band vol theebeschuitjes gezet. Een neef, die kruidenier was, legde het af tegen de nieuwe supermarkt in het centrum van ons dorp. En alles waar vroeger een reparateur voor bestond verdween op een zeker moment in de vuilnisbak, omdat je goedkoper een nieuwe kon kopen. Tenslotte kopen wij nu elk jaar al onze apparaten nieuw, niet omdat ze stuk of versleten zijn, maar omdat ze “niet langer ondersteund worden”. Keep the aspidistra flying!

Mijn eer-eer-eervorige manager zei eens, toen onze organisatie Amsterdam Thuiszorg net was opgeslokt door Cordaan, en wij begonnen aan de eeuwigdurende reorganisatie via wijkteams naar zelfzorgorganiserende teams naar God-weet-wat: “Het is een golfbeweging: centraliseren en decentraliseren en dan weer centraliseren.” Ik weet niet of zij helemaal gelijk had. Misschien gebeurt het wel allemaal tegelijk. De grote bedrijven, die eerst alle kleintjes hebben opgeslokt, maken nu van hun werknemers langzaam maar zeker kleine zelfstandigen. Of sappelaars, want wat blijft er van hun rechtspositie over?

De jonge mensen van nu vinden het waarschijnlijk heel romantisch allemaal en waarom ook niet? Wat een vrijheid geniet je tenslotte! Volop in beweging, in een heerlijk vacuüm van anonimiteit en je werkgever is een app, net zo verleidelijk als je facebook-account. Google maar eens naar afbeeldingen van Foodora en Deliveroo en zie dat het altijd mooi weer is. Of probeer een Helpling te vinden die niet blij kijkt. Op mijn 60-ste en op mijn fietsje door deze prachtige stad karrend, van oud bestje naar niet meer zo krasse knar, voel ik me zomaar opeens weer heel jong. Hosselen is de toekomst!

“Een hosselaar is niet afhankelijk van één inkomstenbron. Hij scharrelt zijn kostje bij elkaar met verschillende activiteiten die samen genoeg opleveren, genoeg voor een leuk leven.

Een hosselaar is streetwise: een ondernemend multi-talent dat kansen grijpt en risico’s spreidt. Geld verdienen wordt weer een levenskunst die je al doende ontwikkelt.

Wat is jouw sociale en emotionele kapitaal? Welke kansen bieden grote maatschappelijke trends? En hoe maak je van zo’n kans een geldkraantje? Je leest het allemaal in dit boek boordevol goede ideeën en slimme voorbeelden!”

Read Full Post »

Poeze-Mientje

07012017

 

Wat een geluk dat ik geen man ben! Of misschien is het al genoeg dat ik geen vrouw heb. Zo’n vrouw die op een goeie dag een lange blonde haar op d’r mans (of vrouws!) schouder ziet liggen, terwijl zij zelf korte donkere krullen heeft. Ze deinst meteen terug en een draaikolk van destructieve gevoelens woelt op vanuit haar binnenste. Haar hoofd is een klok vol galmende vragen: Van wie is die haar?! Hoe oud is zij? Hoe lang is het al gaande? Wat zijn mijn kansen?

Wacht, lieve vrouw (of man!) die er niet is. Ik kan het allemaal uitleggen. Kijk om te beginnen goed. Doe van mijn part het licht aan. Je zult zien dat die haar niet lang is, maar kort, en niet blond, maar wit, en dat ie daar niet alleen ligt, maar met honderd, wat zeg ik, duizend tegelijk! Jij bent er niet, maar er is ook geen ander. Hou nou toch op! Ik heb gewoon een kat in huis gehaald, dat is alles. Echt.

Terwijl ik mij voorzichtig naar rechts draai, naar de lege stoel waartegen ik net zat te praten, schiet er een lichtflits in mijn ooghoek. Een vallende ster, een geest uit een fles. En daar staat ze al: luid spinnend draait ze zich een paar keer om en springt dan op mijn schoot, op mijn toetsenbo0dsVLK[MV=9djkadjqh-38hnv’an, en vandaar weer op mijn schoot.

Tot straks, ik moet even aaien.

O ja, en nu de vragen. Ze (ja, het is een zij) is ongeveer vier jaar oud en ze leeft sinds 27 december 2016 met mij onder één dak. Op die dag heb ik haar gered uit een hel van blaffende honden, getraumatiseerde katten en door oprukkende digitalisering getergde verzorgsters. Daar was ze beland, toen haar vorige baasje/vrouwtje overleed. Volgens de rapportage op haar hokkaart was zij “een lieve, verlegen dame, die eerst vanuit verstopplekjes de kat uit de boom kijkt, maar na een poosje zal ontdekken dat wij mensen wel meevallen en dan vanzelf om een aai zal komen”.

Thuis aangekomen deed ik het deurtje van de mand open en verwijderde ik mij discreet. Na een afwasje van niks kwam ik de kamer weer in. De mand was leeg en de poes onvindbaar. Uiteindelijk bleek zij achter de piano te zijn gekropen. God, wat een sneu gezicht! Angstig ineengedoken zat zij daar, aan alle kanten ingeklemd als een gebakerde baby. Drie dagen heeft dat geduurd, dat verstoppen. Alleen ’s nachts kwam zij tevoorschijn, getuige het lege schoteltje in de keuken en het drolletje dat ik ’s morgens vroeg in de kattenbak zag liggen. Toen kwam vriendin Renée op bezoek, met een zakje kattenlekkers in haar tas. Knisperend met dat zakje en met een hoog stemmetje pratend benaderde zij het bange diertje in haar donkere schuilhoek.

“Poezemientje!” was haar eerste woord en daarmee was zij peetmoeder geworden en had Poeze-Mientje haar naam. Het ijs tussen kat en mens was bovendien gebroken en een dag later sprong het poezenbeest vrolijk op mijn schoot en zette zij het op een spinnen. Ronkend van hartstocht was ze opeens all over me, met heel haar zachte, witte kattenlijf. Vandaar die haren. Zie je wel, niets aan de hand!

Ik kijk nog eens naar de stoel naast me, die nu weer leeg is. Poeze-Mientje ligt op de bank verder te verharen en nog wat na te spinnen. Het is net alsof ik de nagalm van de overgebleven vraag boven die lege plek hoor brommen: “Wat zijn mijn kansen?” Of die vraag nu gesteld wordt door mijzelf of door die imaginaire afwezige (m/v) in mijn leven: het zijn altijd de kansen die je grijpt. Het komt allemaal goed, als je van katten houdt, niet zeurt over een paar haren hier en daar, en net zo met je Berührungsangst omspringt als dit poezemientje.

Read Full Post »

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

Hoekjes

24122016

 

Waarom had ik het hem nooit eerder gezegd? Wat als ik hem voor altijd uit het oog verloren was en hij dit nooit geweten had? De gevolgen daarvan kan ik niet overzien, want die zullen er nooit zijn. Vanochtend was er zomaar een moment, dat ik beslist niet aan zag komen voordat het er was. Op de valreep van mijn vertrek bij mijn huidige werkgever kwam het opeens uit mijn mond: “Ik moet jou nog iets vertellen.”

We stonden voor het sleutelkastje en waren in gesprek over mijn laatste loodjes. “Ik snap je helemaal,” zei hij, “en ik denk dat het goed is wat je doet.” Dat ook hij niet enthousiast is over de plannen van het bedrijf, wist ik wel ongeveer. Dat hij zich niet genoodzaakt voelt daar consequenties aan te verbinden, denk ik wel te snappen. Hoewel, eigenlijk weet ik niet veel van hem. Hij is niet zoals ik, behept met een drang om zich te uiten.

Zo zie ik hem ook nog zitten, in een herinnering van zes jaar geleden, links van mij, aan de verste hoek van de vergadertafel. Stil, glimlachend met neergeslagen ogen, toen onze toenmalige manager aankondigde dat hij ons team ging verlaten, omdat hij de opleiding tot verzorgende ging doen. Zo, zonder enige intentie om iets teweeg te brengen, gaf hij de aanzet tot een verandering in mijn leven, die me onvoorstelbaar veel gebracht heeft. Onbedoeld bracht hij mij op een idee en ik besloot zijn voorbeeld te volgen. Zo simpel was het.

Het deed hem zichtbaar goed, toen ik hem dit vertelde. Misschien moet ik ze vaker doen, zulke bekentenisjes. Meteen schiet me nog zo’n moment te binnen. Ook toen zat het geluk in een hoek, achter een beeldscherm, energiek rammelend op een toetsenbord. Het was haar en een andere collega niet ontgaan dat mijn onvrede met de organisatie van ons werk groeide. Ik kon niet meer verbergen dat ik daar onder leed. “Kan je geloof je niet op de een of andere manier helpen hierin?” vroeg mijn veel jongere collega zomaar opeens.

Dit was niet zo simpel. Maar na wat schermutselingen tussen mijzelf en mij, zag ik in dat ik andere opties had dan in het ene domein te schuilen voor wat mij in het andere te moeilijk viel. Dat er ander manieren zijn to go with the flow dan door te proberen je aanpassingsvermogen op te rekken. Nog een paar dagen en ik ben weg van mijn werkplek en al schrijvend bedenk ik nog dat ik door dat te doen, vanuit mijn klein hoekje, twee andere collega’s aan een nieuwe baan heb geholpen. Onbedoeld, eerder luidruchtig dan stil, maar toch.

Read Full Post »

03122016a

Vroeger was ik heel bescheiden: telkens wanneer ik de uitdrukking “de brutalen hebben de halve wereld” hoorde, vulde ik die geruststellend aan met “goed, maar dan blijft de mooiste helft voor ons over”. Met de jaren ben ik zelf wat brutaler geworden en kwam ik erachter dat die andere helft ook z’n charme heeft. Gisteravond nog bracht m’n chotspe me een moment dat ik voor geen goud had willen missen.

Al dagen liep ik met een verstopte neus en een keelontsteking rond, of liever: ik lag ermee onder een deken. Daar kwam ik alleen nog onder vandaan om een crematie bij te wonen of om mijn werk te doen. Dat kan nog net, als je nauwelijks kunt praten, maar je nog wel van het ene huis naar het andere kunt slepen. Voor zover ze geen doodsangsten uitstonden vanwege de wolk van bacillen die zij zich rondom mijn hoofd voorstelden, was het lekker rustig voor de mensen. En soms nog grappig ook, om met gebarentaal te moeten communiceren.

Tegen tienen stapte ik bij mijn laatste cliënt de kamer binnen. Mevrouw is stokdoof en zit meestal tegenover de tevee te dommelen. Dit keer kon ik haar niet wakker roepen, dus schudde ik zachtjes aan haar schouder. Blijde schrik, zoals altijd. “Even m’n gehoorapparaatjes indoen,” riep zij, en toen wist ik dat ik het niet kon maken om haar het gebruikelijke praatje te onthouden. Nadat ik haar steunkousen had uitgedaan, begonnen we over de gebruikelijke ditjes en datjes. “Wil je misschien iets drinken?” vroeg zij tussendoor en keek me vragend aan. Ik keek vragend terug, wachtend op de opsomming van wat ze mij kon aanbieden. Toen die niet kwam, vroeg ik zomaar opeens: “Heeft u cognac in huis?”

Cognac tegen verkoudheid en griep! Met heet water en een beetje suiker. Ik moest het zelf maar klaarmaken, want mevrouw is niet meer zo mobiel. Ooh, wat was dat lekker! Terwijl ik genoot van de warme gloed, die zich vanuit mijn maag naar al mijn poriën verplaatste, vertelde mevrouw over een vriend, die op wonderbare wijze genezen was van slokdarmkanker. Ook door cognac? Nee, twintig chemo’s en nog een stuk of wat bestralingen. Maar nu is hij er dan ook helemaal van af. Alleen, hij mag geen cognac meer drinken. Ach! Ik hief mijn mok op de gezondheid van die vriend en sneed een ander onderwerp aan: lezen.

Mevrouw was net jarig geweest en had weer een aantal boeken gekregen. Ze leest graag en veel, dat is een zegen als je lichamelijk niet meer zo makkelijk van je plek komt. Wij bleken één gemeenschappelijke interesse te hebben: biografieën. Verder wijken we nogal van elkaar af. Of zij wel eens gedichten las, vroeg ik luid, want inmiddels weer aardig bij stem. Nee, dat deed zij eigenlijk bijna nooit. Hier had het gesprek (tijdelijk) dood kunnen lopen, maar ik had nog een brutale vraag achter de hand. “Heeft u dan ook geen lievelingsgedicht?” Ja, dat had ze toevallig wel en voor ik het wist stond zij op, waarbij haar knieën knarsten als kiezels die barsten onder een traag draaiend karrenwiel.

Ze kwam terug met een bruine map, waaruit zij twee vergeelde en verfomfaaide krantenknipseltjes tevoorschijn haalde, die ze voor mij op tafel legde. “Die had ik ooit eens uitgeknipt, omdat ik dacht: dat zou mooi zijn om op mijn begrafenis te laten lezen.” Hopelijk zullen de mensen die om haar begaan zijn dat ook doen. Ik mocht nu al:

 

03122016b

Read Full Post »

In memoriam Twiggy

twiggy1

Het was een regenachtige zondag in het voorjaar van 2007, ik weet het nog goed. In een wat samenzweerderige stemming kwamen de kinderen de huiskamer binnen en haalden het ouderlijk duo achter koffie en krant vandaan voor een bijzonder familieberaad. “Wij willen een poes, die nog jonkies kan krijgen,” luidde hun eis en aangezien ze samen al bijna een absolute meerderheid hadden, was elke vorm van twijfel aan onze kant onmiddellijk in het voordeel van Het Plan. Dat onze huiskater Lano geen stem in het overleg had, verbaasde ons destijds – vreemd genoeg – niet.

Tegen lunchtijd hadden de zegeningen van het internet er al voor gezorgd dat zij een e-mail konden overleggen van een mevrouw in Gouda, die gratis en voor niks een poes aanbood, die niet alleen nog jonkies kon krijgen, maar juist op dat moment een hele buik vol jonkies had. Dat was ook de reden dat die dame van haar af wilde. Een uur later reden we door de stromende regen terug naar Amsterdam en werd het tengere lapjeskatje in de mand op hun schoot Twiggy gedoopt. Roos was die jaren helemaal into fashion.

Een week of wat later hoorden we op een ochtend wat gerommel tussen de dozen onder ons bed en wisten we meteen dat Twiggy daar haar kraamkamer had ingericht. Een paar uur later (wat gaat alles toch snel in dit verhaal!) lagen er vijf jonge poesjes op een rij aan haar tepels. Zog trappen konden ze van meet af aan.

 

twiggy2

 

Zindelijk worden was een ander verhaal. Toen ze eenmaal groot genoeg waren om de trap op en af te rennen en elkaar de gordijnen in te jagen, heb ik een paar weken lang weinig anders om handen gehad dan overal schattige kleine poepjes en plasjes op te ruimen. Gelukkig kwam het vanzelf goed, dus Dolce, Gabbana, Gucci, Pucci en Chanel konden na negen weken met een gerust hart worden uitgezonden naar andere gezinnen met poesbeluste kinderen.

Twiggy – of de Natuur – had er nog geen genoeg van en toen het voorjaar van 2008 zich aandiende, glipte ze op een morgen met Lano mee naar buiten. Na enig zoeken had ze een ongeholpen kater gevonden, die bereid was aan haar romantische gevoelens tegemoet te komen. Lang heeft de liefde niet geduurd: na een paar dagen had Twiggy haar buik vol van die zwarte met zijn dikke kop en kwam ze weer netjes drie hoog wonen. Een dag voordat wij met vakantie gingen, lag het tweede nestje er al, weer tussen de dozen onder ons bed. Van hun namen kan ik me alleen Rosso en Prugno herinneren, maar Roos weet vast en zeker nog hoe de anderen heetten.

 

twiggy3

 

Na deze beide worpen hebben we Twiggy met vervroegd pensioen gestuurd. De kinderen werden groot en mopperden vooral op de katten, als die weer eens ongegeneerd verharend op hun little black dress hadden gelegen. Lano had overdag zijn bezigheden buitenshuis en Twiggy sleet haar dagen als een reïncarnatie van Emily Dickinson, alleen met haar gedachten (gedichten?). Heel bescheiden, bijna onzichtbaar, op telkens een ander plekje in huis.

Pas toen het gezin uiteen viel in 2012, bleek zij de nieuw ontstane stilte net iets te stil te vinden en toonde zij zo nu en dan behoefte aan affectie. Meestal ging zij dan nogal demonstratief op de houten vloer liggen, rolde een paar keer om en maakte daarbij een koerend geluidje, precies als dat waarmee zij Zwarte Dikkop had verleid. Ik ben dan wel geen kater, maar tegen de universele roep om liefde heb ik weinig verweer, dus vleide ik mij naast haar en kroelde haar waar zij maar wilde, tot ze haar nagels in mijn hand zette en opeens besloot, dat ik het vast wel fijn vond eens lekker gebeten te worden.

Slechts een heel enkele keer kwam zij op schoot, waar ik dan zo van genoot, dat ik me zo lang mogelijk doodstil hield. Zij had de reputatie dat ze nogal eenzelvig was, en misschien was ze dat ook wel. Maar door de jaren heen is ze mijn nabijheid toch gaan waarderen. Dat merkte ik vooral als ik bezig was met mijn pogingen de wereld om mij heen te begrijpen en daarover te schrijven. Dan lag ze graag tussen mijn beeldscherm en het toetsenbord, waarop ik vandaag deze woorden te harer nagedachtenis typ. Ze was een echte schrijverskat.

 

twiggy4

Read Full Post »

Older Posts »