Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2016

Mijn Mannetje

27062016

Mannen leven minder lang dan vrouwen. Dientengevolge hebben wij meer vrouwen ‘in zorg’ dan mannen. Is het deze schaarste die de hulpbehoevende mannen in onze wijk aantrekkelijker maakt? Of is het omdat zij zich zo dankbaar laten verzorgen? Mogelijk hangt er soms zelfs nog een vleugje aandoenlijke charme om zo’n oude heer. Hoe het ook zij: we hebben allemaal wel iemand die we onder elkaar “Mijn Mannetje” noemen.

De mijne is overigens ‘bezet‘, want hij heeft zijn echtgenote nog. Als twee omvallende schuttinkjes, die elkaar overeind houden, zitten zij tegenover elkaar aan de tafel. Dag in, dag uit. Beiden zwaar beperkt door hun aandoeningen en door hun ouderdom. Niettemin zijn zij dankbaar voor elke dag dat zij nog van elkanders gezelschap kunnen genieten. Hun karakters passen bij elkaar als een sleutel op een slot, maar als je goed luistert, hoor je het wel knarsen. Ik zie hen als twee Atlassen, die samen hun hemel torsen, dan klopt het helemaal.

Vorige week ging het plotseling niet goed met Mijn Mannetje. Hij was gevallen, mijn collega’s hadden zich danig vertild aan zijn 115 kilogrammen en daarna was hij op bed blijven liggen. Geen beweging meer in te krijgen. De huisarts kwam en vermoedde een griepje, misschien een beginnende luchtweginfectie. Een paar paracetamolletjes zouden voldoende zijn. Dat onze wijkverpleegkundigen er anders over dachten, mocht niet baten. Meneer werd niet ‘ingestuurd‘.

De volgende morgen tijdens het overleg drong ik er op aan dat zij nog eens aan zouden dringen. Het klonk niet goed. Toen ik later die ochtend even op persoonlijke titel bij MM langs ging, schrok ik me een ongeluk. Hij had hoge koorts en was nauwelijks aanspreekbaar. Mijn collega van de wijkverpleging, die zelf al hevig gefrustreerd was door de laconieke (of aarzelende?) houding van de huisarts, had aan mijn bezorgde geluid voldoende om echt heel hard aan de bel te gaan trekken, ditmaal bij zijn vervanger. Een uur later is MM door vijf brandweermannetjes uit zijn bed getild en met loeiende sirenes naar het ziekenhuis gereden.

Een dag later sprak ik zijn vrouw, die alleen aan de tafel in de achterkamer zat, tegenover een wel erg lege plek. “Het gaat niet goed met mijn man,” zei ze en begon te huilen. Hij lag op de intensive care en had een longontsteking en nog een paar dingen die zij niet had kunnen onthouden. Men had haar gevraagd of hij bediend wilde worden, maar dat was hij al. Dat gebeurt in de RK kerk tegenwoordig collectief, met een hele groep ouderen (55+?) tegelijk. Ik was een goed stuk meer aangeslagen dan ik had kunnen denken, en wist niet meer waar ik nog om mocht bidden. Dat krijg je van al die vrijdagmiddagen achter een rolstoel.

De volgende dag, gisteren, ging ik even bij hem op bezoek. Vijf minuten maar, want hij was heel moe en zwakjes en hing aan duizend snoeren en slangetjes. “Hoe gaat het met je tuin?” vroeg hij, desondanks. “Lief dat je bent gekomen.” Ach ja, natuurlijk. Vandaag schijnt hij alweer in een stoel gezeten te hebben. Het ziet er naar uit dat de Eeuwige zijn ‘mallech hamowes‘ even om een andere boodschap heeft uitgestuurd. Ook als je niet weet wat je moet bidden, loop je de kans verhoord te worden.

Read Full Post »

Google-oogjes

16062016

 

You never get a second chance to make a first impression.

Will Rogers

Dit klopt niet meer: de kans dat je überhaupt de kans krijgt om een eerste indruk op iemand te maken wordt met de dag kleiner. Steeds vaker gaat aan een ontmoeting een digitaal contact vooraf en bekijken we elkaar met google-oogjes, nog voordat we elkaar de hand geschud hebben. Ook zonder Google Glass. Wanneer ik iemand ergens in Spanje of Canada via de mail met een vraag heb benaderd, krijg ik – meestal nog voordat diegene mij heeft geantwoord – een melding van Academia.edu, dat “someone just searched for you on Google and viewed your profile at academia.edu”. Iemand uit Spanje of Canada, zie ik dan in het grafiekje.

Dan kijk ik gauw even wat hij of zij te zien heeft gekregen. En natuurlijk naar wat er over haar of hem is blijven kleven aan de draden van het wereldwijde web. Gelukkig ben ik meestal blij met het beste beentje dat Google namens mij voorzet. Was dat niet het geval, dan moest ik mijn toevlucht zoeken tot één van de vele handleidingen die je kunnen helpen om ons aller Alziend Oog een beetje bij te sturen. Ik zou zelfs kunnen overwegen een of andere ‘start-up‘ in de arm te nemen, die het voor mij kan doen, mits ik daar een paar duizend dollar voor over heb.

Dankzij de informatiesamenleving zitten we vol met voorkennis over elkaar en neemt ons vermogen tot vooroordelen recht evenredig toe. De mensen die hier groot geld aan verdienen gaan in hun braafste dromen nog veel verder dan die laagopgeleide PVV-aanhangers bij de politie, die de straat met hun onderbuikse naf-dar scannen. (Prijsvraag: hoeveel vooroordelen bevat deze zin?) Kijk nog eens naar dat reclamefilmpje, waarmee PinkRoccade een paar jaar geleden zijn visie en diensten aan Nederlandse gemeentes probeerde te verkopen.

Diezelfde PinkRoccade is ook zeer actief in de digitalisering van de zorg. Ook al had het door de overheid beoogde EPD onvoldoende draagvlak, de tendens om digitale patiëntgegevens zoveel mogelijk aan elkaar te koppelen en gemakkelijk beschikbaar te maken lijkt niet te stuiten. Theoretisch is er meestal nog toestemming van de patiënt nodig om gegevens in te zien, maar ik weet uit eigen ervaring dat ik zonder enige belemmering alle digitale blote billen van alle thuiszorgcliënten die van mijn werkgever zorg geleverd krijgen kan bekijken. Theoretisch is daar nog veel aan te doen, op het juridische vlak, maar we weten ook allemaal dat we doodmoe worden van telkens weer die kleine lettertjes te lezen, voordat we ergens mee instemmen. Hoe moedelozer, des te moeitelozer gaan we overstag, zodra we een ‘click-wrap‘ contract onder onze neus geschoven krijgen.

En toch blijf ik vol goede moed, zowel op mijn werk als in mijn persoonlijke leven, tegen deze bierkaai te vechten. Want het digitaal en uiteindelijk zonder menselijke tussenkomst reguleren van onze levens, ter wille van een optimale veiligheids- of zorgbeleving, stuit me tegen de borst. Het druist in tegen een principe dat ik nu maar eens niet uit mijn religieuze tas tevoorschijn zal toveren, maar overneem van politiek denker Hannah Ahrendt: ‘natality‘. (Lees hier een verwerking van dat concept door Joke Hermsen.) Minder filosofisch kan ook: ik word graag zelf gezien en gehoord als ik om hulp kom, en zelf heb ik ook liever oog voor mijn cliënten, dan dat ik met mijn neus in hun dossier zit.

Update 20 juni 2016: een vriend stuurde me een link naar een blog van jurist Daniel Solove, waarin dit principe nog eens fraai verwoordt wordt, als één van de 10 Reasons Why Privacy Matters:

9. Ability to Change and Have Second Chances

Many people are not static; they change and grow throughout their lives. There is a great value in the ability to have a second chance, to be able to move beyond a mistake, to be able to reinvent oneself. Privacy nurtures this ability. It allows people to grow and mature without being shackled with all the foolish things they might have done in the past. Certainly, not all misdeeds should be shielded, but some should be, because we want to encourage and facilitate growth and improvement.

Read Full Post »

Jongskens

08062016

Mijn vader was een vogelaar, mijn moeder die zong psalmen, in mij vinden die twee elkaar, terwijl ‘k bij d’ afwas sta te galmen:

Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In ’t kunstig nest bij Uw altaren,

Uiteraard ben ik vooral zo vrolijk, omdat mij sinds kort een eigen plekje in de nabijheid van een ‘aron hakodesj‘ ten deel is gevallen, maar niet al mijn lezers zullen zin hebben om daar de hele tijd naast mij te komen zitten. Daarom gaat dit berichtje over vogels.

Het is de laatste dagen schitterend weer. Mijn keukenraam staat open en als ik even niet zing, geniet ik van het drukke ge-kèwkèw van de jonge kauwen. Ongeveer een week geleden zijn ze uitgevlogen, uit een vermoedelijk niet zo kunstig nest in de spouwmuur van mijn huis. Wekenlang had ik hun ouders daar – reuze behendig! – in en uit zien vliegen, door een gat in de gevel, dat daar ooit gemaakt is om de boel te isoleren. Nu is de hele familie overdag buiten en ben ik getuige van een soort onafhankelijkheidsstrijd, die zich bij hen niet uit in puberaal gedrag van de jongskens, maar in een obstinate weigering van de kant van het ouderpaar om hun kroost nog langer te blijven voeren.

Soms hangen de jongens/meisjes vlakbij mijn keukenraam over de rand van de dakgoot en kijken me aan met een wat brutale, vragende blik. Zou ik ze nog tam kunnen krijgen, vraag ik me af. Mijn gedachten gaan terug naar zomervakanties lang geleden. Mijn broertje en ik logeerden op de boerderij van onze grootouders en de buurjongens daar vermaakten zich met het tam maken van jonge eksters. Ze geloofden heilig dat je de vogels kon leren praten, nadat je hun tong een heel klein beetje losser had gesneden. Zij voerden hen stukjes in melk geweekt witbrood en als het even kon een uit moeder’s kippenhok gestolen ei. Met een windbuks schoten zij op mussen, want daarmee zouden ze de eksters pas echt groot krijgen.

En dan bedenk ik me plotseling dat het misschien niet eens zo’n goed idee is om die schoffies hier aan me te binden: straks hebben ze het nog voorzien op de jonge duifjes, die ik gisteren uit het ei heb zien kruipen. In een verslonsde hoek van mijn balkon zat al een poos heel stilletjes een paartje stadsduiven te broeden en nu liggen daar op die paar schamele takjes twee blinde, kale (dat gele pluis kan ik toch geen dons noemen) jongkies. Ze kunnen hun kopje nog maar nauwelijks optillen, maar ik weet uit ervaring dat ze over een maand klaar zijn om hun leven als ‘vliegende rat‘ te beginnen. Tot die tijd moet ik hen toch maar tegen kat (sorry Twiggy) en kauwen beschermen.

Gisteravond tijdens het ‘lernen‘ werd ons gevraagd wat wij ons voorstelden bij de gedachte dat wij naar Gods beeld en gelijkenis zijn geschapen. Dat viel ons (te) moeilijk, want zodra je dat gaat benoemen, ben je al bezig een beeld van de Eeuwige te vormen en daarmee breng je de Onbegrensde in het nauw. Vanochtend valt het me makkelijker: al zingend en genietend van het jonge leven dat in mijn huis een huis vindt, zie ik een puntje van vergelijking. Een puntje, meer niet, maar zeker ook niet minder.

Read Full Post »

Het Systeem

07062016

Terwijl ik op mijn beeldscherm toekijk hoe het in een paar hoeken van de krant rommelt over de gebrekkige communicatie tussen digitale systemen van artsen, ziekenhuizen en apothekers, probeer ik iemand van mijn ziekenhuis aan de lijn te krijgen. Ik heb een herhaalreceptje nodig, dat is alles, maar het lukte me niet om dat online voor elkaar te krijgen. Telkens dezelfde automatisch gegenereerde e-mail in mijn digitale postbus en niks in de echte. Nadat mij ongeveer tien (door mijzelf bekostigde) belminuten lang hkeer op keer volautomatisch is verteld dat ik voor informatie over bereikbaarheid en parkeermogelijkheden terecht kan op weeweeweepunt-nógeenmondvol-puntennèl, krijg ik een vriendelijke dame met alleen een voornaam aan de lijn.

 

“(. . . .) waarmee kan ik u helpen?”

 

“Ha,” roep ik opgelucht, “ik hoop dat u mij aan een herhaalrecept voor XXX kunt helpen, want via de mail is me dat niet gelukt.”

 

“Ja, dat zou kunnen. We hebben de laatste tijd namelijk moeilijkheden met Het Systeem gehad. En straks wordt het weer allemaal anders. . . .”

 

“Aha.”

 

“Ik zal even in Het Systeem kijken, waar uw mail gebleven is.”

 

“Nou, dat hoeft niet, hoor!” gooi ik er gauw tussendoor.  “Ik wil alleen maar een herhaalreceptje.”

 

“Ja, maar daarvoor moet ik toch in Het Systeem.”

 

“Hmm.”

 

“Ah, hier heb ik ‘m al. Verzonden op 25 mei, verzoek om een herhaalrecept XXX, 1 maal daags 2 milligram. Tja, op de een of ander manier is die mail wel in Ons Systeem terechtgekomen, maar niet automatisch naar de dokter doorgestuurd.”

 

“Tjonge, ik ben maar blij dat er toch nog ergens een mens zit om mij te helpen. Stel je voor dat er alleen nog maar systemen waren.”

 

“Ja, het is soms lastig, maar we kunnen nu eenmaal niet zonder.”

 

“Ach, ik weet niet of het in de zorg zoveel slechter ging, toen die systemen er nog niet waren.”

 

“Hmmmm, het was in ieder geval anders . . . .” sust de jonge stem aan de andere kant van de lijn.

 

Terwijl ik haar toetsenbord hoor ratelen en haar muis hoor klikken, bedenk ik me dat het niet zoveel zin heeft om de nieuwe generatie eraan te herinneren dat we ooit heel goed zonder Systemen hebben gekund en misschien nog wel zouden kunnen. We kunnen er niet meer omheen, bedoelde zij misschien. We komen er niet meer van af, vrees ik vooral.

 

Read Full Post »

101

04062016

Dit is geen tijd om oud te zijn. En toch worden we het, in steeds groter getale en steeds hogere mate.

Gister werd een cliënt van ons honderd-en-één jaar oud. Toen ik haar kwam feliciteren, kreeg ik van de mantelzorger een stuk taart en van haarzelf een klein uur gemopper. Een verrukkelijke oefening in geduld, want ik ken dat gemopper al net zo lang als ik haar ken, en niet alleen van haar verjaardagen, maar van elke dag dat het mijn beurt is om haar ‘op te starten‘. Een paar dagen geleden had ze me echter weten te verrassen: tijdens de schuifelende gang van het bed naar de bank (we houden de eerste scheppingsdag in ere) tilde zij haar looprek plotseling iets hoger op, stampte er stevig mee op de vloer en riep: “Bah!! Ik wíl niet meer!”

Zij is oud en der dagen zat, maar haar blije geloof in Christus stelt hoge eisen aan haar dankbaarheid. Aan haar eigen onvermogen daaraan te voldoen gaat minstens de helft van haar gefoeter op. Ik laat me daardoor naar hartelust uitdagen door de butsen en builen die zij haar eigen ziel toebrengt zachtjes te betten met zorgvuldig gekozen, troostrijke bijbelverzen. “Toe, mopper maar lekker, een mens kan niet altijd dankbaar zijn,” wil ik eigenlijk zeggen, want ze heeft het blijkbaar nodig, maar ik wijs haar op de plaat aan haar slaapkamerwand.

“Ken hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.”

Spreuken 3:6

De belangstelling van de Eeuwige beperkt zich niet tot onze leuke, lieve en dankbare gevoelens. “Toe, mopper maar lekker!” En dan op het juiste moment een beetje afleiden met een bizarre woordspeling, want daar houdt ze ondanks alles nog wel van.

Diezelfde dag hielp ik een andere oude dame door het ochtendritueel heen. Het ging moeizamer dan anders, pijn en benauwdheid trekken een steeds zwaarder wissel op haar kwaliteit van leven. Haar geheugen en haar vermogen zichzelf nog een beetje structuur te bieden gaan langzaam, maar vooral zeker, achteruit. We zuchtten samen even over de hoeveelheid pillen die ik haar moest aanreiken: zeven stuks, inmiddels. “Nou, straks de pil van Drion er ook nog maar bij,” grapte mevrouw. Al houd ik wel van een beetje zwarte humor en nog meer van haar schalkse oogopslag, toch schrok ik een beetje. Even geen euthanasieklanten meer, wat mij betreft.

We raakten aan de praat over haar gevoelens rond het ouder worden en aftakelen, en kwamen tot de conclusie dat dit geen tijd is om oud te worden. De zorgsector spant zich tot het uiterste in om onze lichamen aan de gang te houden, maar de rest lijkt haar een rotzorg te zijn. De protocollen waarin wij onze verzorgende activiteiten moeten persen dragen het stempel van het managementjargon waaruit zij voortkomen. Nog net geen ‘targets‘, maar wel ‘doelen‘, nog net geen ‘efficiëncy‘, maar wel de geur ervan. Onze nieuwe directeur hoopt te scoren door steunkouscliënten een hulpmiddel en een paar lessen van een ergotherapeute toe te schuiven, teneinde hen “zelfredzaam” te maken.

Nee, denk ik bij mezelf, dit is geen tijd om oud te worden. De meesten van ons zijn niet of nauwelijks opgeleid om raad te weten met die ‘extended life-span‘ en de zorgsector laat ons op een kritiek punt alleen doorploeteren. Dit is een tijd om zo lang mogelijk jong te blijven en dan: inpakken en wegwezen. Of alleen maar wegwezen.

“Zo, lekker gemopperd!” mompel ik in mezelf en ga maar wat afleiding zoeken in mijn werk. Lekker op mijn fietsje door de wijk en genieten van het zwoele weer en de geur van bloeiende acacia’s.

Read Full Post »

02062016

Het is tijd om een zoektocht af te ronden. Niet dat ik het zoeken naar sporen van het leven van Andries en Annie ga staken, nee, in dit stukje wil ik komen tot een plaatsbepaling van mijn beoogde bijdrage aan de bundel Joodse Huizen 3. Ik heb het in deze kleine serie gehad over verschillende manieren waarop men zich zou kunnen verhouden tot het gedenken van de slachtoffers van de shoah.

In het eerste bericht kreeg ik “de wind van voren”. Tot op dat moment had ik met bolle zeilen mee gevaren in de vloot aan activiteiten, waarbij de levens van hen die zijn uitgewist uitvoerig worden gedocumenteerd, opdat zij “een gezicht” zouden krijgen. In een vervoerend enthousiasme worden foto’s, briefjes en allerlei ontroerende details gedeeld. Je zou haast kunnen zeggen dat er een soort posthuum ‘facebook‘ ontstaat. Heel aanstekelijk als je er middenin zit, maar ik kan me inmiddels goed voorstellen dat mijn respondente destijds het woord ‘voyeurisme‘ in de mond nam. Iets wat ‘waarheidszegster‘ Henriëtte Boas al riep toen de dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum werden gepubliceerd.

Aan de andere kant – en daar ging mijn tweede stukje over – werd ik bij veel van mijn contacten een sterke behoefte gewaar om een gat in het collectieve geheugen van hun ‘misjpoge‘ te vullen. Een behoefte die blijkbaar zelfs uitgebreid kan worden naar de samenleving als geheel. In psychologische of zelfs spirituele zin wordt gestreefd naar ‘heling‘, alweer zo’n groot woord. Dat rechtvaardigt misschien het streven om zoveel mogelijk persoonlijke levens gedocumenteerd te krijgen, maar ontslaat mij/ons niet van de plicht na te denken over de manier waarop en de mate van openbaarheid waarin dat gebeurt.

De heelwording van de menselijke samenleving of zelfs van alle leven op aarde koester ik als een hoog ideaal. In een hiërarchie van waarden neemt het, als het erop aankomt, zelfs de hoogste plaats in. Tikkun olam is een heel mooi, maar vooral heel groot woord. Geschiedschrijving als gedeelde herinnering van “een mensheid die ten prooi is aan allerlei impulsen en emoties” in plaats van als “keuzemenu waaruit iedereen pakt wat hij nodig heeft om zijn identiteit en overtuigingen te harnassen” heeft in mij beslist een medestander, schreef ik – in mijn derde blog – voorzichtig. Voorzichtig, omdat de wereld niet heel is. Als ik iemand op de bres zie staan voor het universalisme, dan is er altijd een stemmetje in mij dat vraagt: “Wiens universalisme?” Of, zoals Bas Heijne zelf schreef in de column (NRC, 21 mei 2016) die ik hier citeer: “Zelfvertrouwen is mooi, maar jezelf wantrouwen misschien nog wel beter.”

Maar goed, laat ik nu eindelijk voor de draad komen met mijn antwoord op de vraag naar mijn eigen plek in dit gebeuren, ergens tussen Facebook en de Geschiedenis van de Mensheid. Dan moet ik beginnen te zeggen dat ik vooral schatplichtig ben aan degene die mij zo’n negen maanden geleden – zonder zich daarvan bewust te zijn – op weg gestuurd heeft. Onlangs heb ik haar boek, Sterk als de dood, gelezen. Opeens wist ik dat mijn hoofdstuk over Andries en zijn gezin de vorm moet krijgen van een ‘hesped‘, een rouwrede zoals die binnen de joodse traditie na iemands overlijden wordt uitgesproken. Net als alle andere rituelen rond sterven en rouw geeft me dat grond onder m’n voeten: een plek om stil te staan bij het verschil tussen weten en spreken.

De volgende – mooie! – woorden van Sasja Martel schrijf ik op een ‘geeltje’ en plak ik daarom in de rechter bovenhoek van mijn beeldscherm, voordat ik zal beginnen met het schrijven van de hesped voor Andries, Annie, Anneke en Nanda:

Het jodendom erkent dat de mens altijd in conflict zal blijven met de twee kanten van zijn wezen: de eenzame kant en de hang naar gemeenschap. Elk mens is een wereld in zichzelf en op zichzelf. Elk mens in een gemeenschap brengt in wezen een microkosmos mee (zijn unieke zelf), iets dat in de joodse gemeenschap als kostbaar en onvervangbaar wordt ervaren. Wanneer iemand sterft komt aan zijn unieke innerlijke wereld en inbreng een einde. Hij laat een vacuüm achter dat door niemand opgevuld kan worden.

 

Read Full Post »