Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2013

31012013

Filosofen kunnen zeggen wat ze willen, maar ‘zijn’ is geen toestand. Misschien als God zegt ‘Ik ben die Ik ben’, maar dan ook alleen omdat Hij zijn bestaan leidt zonder zich aan ruimte en tijd te storen. Dat kunnen wij niet. Al zou de geest het willen, het vlees is daarvoor te zwak. Verkeren wij dan in een voortdurende staat van wording? Twijfelachtig, in mijn vocabulaire draagt het werkwoord ‘worden’ connotaties met zich mee die naar doelgerichtheid verwijzen. Worden wie je bent, of zoiets.

Deze gedachten sprongen bij mij op schoot toen ik onlangs de pagina Wie is Janiek? op dit blog herlas. Zonder te hoeven zeggen dat ik dat niet (meer) ben, moet ik toch toegeven dat er niet zo heel veel (meer) van klopt. Zo kan die ‘stress’ wel van de ‘kip’ verwijderd worden. Fijn. Maar ook  ‘mijn lief’ moet ik schrappen. Niet fijn. En ik zorg nog maar halftijds voor slechts één van mijn kinderen. De schrijfplekken bij verschillende emancipatiebewegingen heb ik inmiddels aan anderen overgelaten en voor Romeins koken is mijn huishoudgeld even niet toereikend.

Wie ben ik dan nu? Of nog?

Wel, ik heb mij – met de nodige koketterie – gevoegd bij het groeiende leger der werkende armen. Hip! Als ik mijn tijd met zelfhulpgroepen niet zo grondig gehad had, dan zou ik nu periodiek samenkomen met andere vrouwen die te kampen hebben met het ‘empty nest syndroom’. Mijn werk is een veel grotere plek in mijn leven gaan innemen, zowel in tijd als intensiteit. En ik heb ruimschoots de gelegenheid gekregen om te ontdekken wie ik ben als ik alleen ben.

Toen de scheiding zich aandiende ging ik nog regelmatig om met mensen die een paar decennia jonger waren dan ik en dacht ik dat ik voortaan ‘single’ zou zijn. Nu weet ik dat ik heel iets anders ben geworden. Eerder een ‘weduwe’, ook al is er niemand dood gegaan. Voor ‘singles’ – zo stel ik mij voor – bestaat het leven uit alleenstaan of –gaan, al dan niet onderbroken door korter of langer durende ‘relaties’. Ik heb nooit een ‘relatie’ gehad en zal er ook nooit een krijgen. Wat ik met de scheiding ben verloren was een Liefde die voor een heel leven bedoeld was. Althans wat mij betreft.

Wat een veranderingen! Maar ben ik nu iemand anders geworden? Ik dacht ’t niet. Voor het oog van de wereld ben ik al vaker en ingrijpender van identiteit veranderd, maar dat neemt niet weg dat iemand die mij pakweg 10 jaar niet gezien heeft, mij onmiddellijk herkent. En – leuk of niet – als ik zelf in de spiegel kijk of even naast mijzelf ga staan om mijn doen en laten te observeren, dan ben ik echt wie ik altijd al was. Misschien wel juist door de manier waarop ik de loop van mijn jaren volg. Deed ik dat namelijk niet, dan zou ik onherroepelijk uit mijn leven verdwijnen. Niet zijn.

Read Full Post »

19012013a

Het was jarenlang mijn favoriet op de volkstuin. Hij smaakte goed, liet zich zonder problemen invriezen en als je ‘m tijdens de zomervakantie een paar weken niet had kunnen plukken, dan was dat ook geen probleem. De vlezige peulen met hun haast volgroeide zaden hadden een heel eigen charme in een herfstige stoofschotel met lamsschouder en tomaten die niet meer wilden afrijpen. Maar al die tijd heb ik niet geweten dat wij dorpsgenoten waren.

Op het dorp waar ik geboren ben, werd tot aan de na-oorlogse hervormingen in de landbouw een intensieve vorm van tuinderij bedreven. Men teelde groente niet voor de consumptie, maar voor het zaad. Vooral bonen waren populair. Ik herinner me  nog net hoe ik als 5-jarige met mijn Opoe Kist en Tante Truus aan de keukentafel zat om bonen te ‘lezen’. De grote berg witte bonen die tussen ons in lag doorzochten wij handje voor handje, om de exemplaren waar iets aan mankeerde eruit te verwijderen. Het was zo stil in de keuken, dat je de muizen hoorde ritselen achter het behang.

In die tijd was Daniël Vriend, de tuinder die de ‘dubbele witte zonder draad’ had ontwikkeld, net overleden. Afgaande op de twee anekdotes die mijn vader over hem vertelde moet hij een bijzondere man zijn geweest. Maar eerst het verhaal van zijn wonderbaarlijke  vondst en zijn inzicht in de plantenveredeling. Toen hij een keer een maaltje slabonen had geplukt van de akker die eigenlijk voor zaad bestemd was, kwam hij er bij het ‘afhalen’ achter dat er een handjevol peulen tussen zat die geen draad hadden. Hij wist de plant waarvan ze afkomstig waren op te sporen en hield het zaad daarvan apart. De nakomelingen van deze ene plant bleven ook de komende jaren bonen zonder draad voortbrengen. Het moet jaren in beslag genomen hebben eer zijn nieuwe ras op de markt kon worden gebracht en nu is het alweer een ‘vergeten groente’.

In diezelfde tijd – rond 1930 – schijnt hij aanwezig te zijn geweest bij een lezing van dorpsarts Gerardus Sterk van de Weg, die een lans wilde breken voor het toepassen van eugenetica op de menselijke soort. Dat kwam in die tijd neer op het streven bepaalde mensen(rassen) het recht op voortplanting te ontnemen. Mijn vader vertelde dat Daniël Vriend na het betoog opstond en een verhaal begon over slabonen en over hoe belangrijk het is om soorten die je op een gegeven moment lager inschatte tóch door te telen. In een ander tijdsgewricht kon je hun eigenaardigheden zomaar nodig hebben om in te kruisen. Het woord bio-diversiteit bestond nog niet, maar het inzicht in het belang ervan wel.

19012013b

Hij moet er bovendien uitgezien hebben als een profeet, met zijn lange grijze baard, maar in wezen was hij een ketter. Wanneer de dominee op de kansel weer eens een poging deed om de rare capriolen die God moet maken om zowel barmhartig als rechtvaardig te zijn, uit te leggen, dan stond hij op. Tijdens de preek, wel te verstaan. En dan begon hij te vertellen over de eindeloze liefde en het geduld van God en over hoe God uiteindelijk ‘alles in allen’ zal zijn. Een lieve ketter. Die laatste twee verhalen bewaar ik graag nog een paar decennia in mijn hart.

Read Full Post »

Bagger en brats

15012013

Toen ik vanmorgen om kwart over zeven naar mijn werk fietste, de hand boven mijn ogen tegen de wervelende sneeuwvlokken, was ik compleet van mijn stuk door de schoonheid die ik waarnam. In het licht van de straatlantaarns twinkelde de nog onbetreden sneeuw als een deken van diamanten, telkens wanneer een vlakje van een sneeuwkristal een beetje licht weerkaatste. Vlak voor de ingang van ons kantoor ging ik met een fraaie zwieperd onderuit. Ik was té gelukzalig om ervan te schrikken. De winterpracht had me op een kinderlijke manier vrolijk en blij gemaakt.

Die blijheid droeg ik de hele ochtend met me mee en ik strooide ervan rond in de huizen waar ik binnenkwam, alsof ik de honderdduizend had gewonnen. Het kon niet op. Tot ik thuiskwam en min of meer toevallig mijn blik op de grote wereld richtte. Ik las een krantenbericht in het Frans over een demonstratie in Parijs, waarbij 340.000 mensen (volgens de organisatoren zelfs 800.000) op de been waren met als gemeenschappelijk streven een stokje te steken voor de openstelling van het huwelijk voor mensen van gelijk geslacht. Driehonderdenveertigduizend mensen! Ik werd er mismoedig van. En kwaad, erg kwaad.

Dat kwam doordat ik in mijn laatste berichten steeds meer onder de indruk was geraakt van hoe belangrijk het is om zaken als erfrecht, partnerpensioen en de aanspraak op omgang met je kinderen goed te regelen tegen de kwade dag dat de anderen zich van hun slechtste kant laten zien. Daar kan toch niemand op tegen zijn, dat iedereen die bescherming van de wet geniet? Ik kwam er gaandeweg bovendien achter dat het nog om iets anders gaat: het recht op erkenning. Erkenning van de keuze aan wie je je liefde wilt geven in deze wereld.

En dan is er iets waar ik echt mijn hoofd niet omheen kan krijgen: waar komt die haat vandaan die homoseksuelen de meest elementaire rechten wil ontzeggen? Wanneer ik iets heb waaraan ik grote waarde hecht, dan ben ik blij als anderen daarin willen delen. Zeker wanneer dat iets is wat niet minder wordt door het te delen, zoals de levensvreugde die ik vanmorgen in mij voelde opborrelen. Zoiets is toch ook de wens om degenen van jouw keuze te laten delen in de vruchten van je inspanningen? Of de trots waarmee je aan de wereld wilt laten zien van wie jij houdt? Of de kinderwens die je in vervulling ziet gaan?

Kortom: het was even alsof mijn goede humeur net als de sneeuw aan het einde van de dag tot bagger en brats was gereden door het menselijk verkeer. Maar mijn dag kan nog eindigen zoals die mistroostige Roemeense film die ik laatst zag. Nadat de menselijke machteloosheid bijna drie uur lang breed was uitgemeten, zag je de wereld door de voorruit van een politie-auto, die voor een stoplicht stond te wachten. Er reed een vrachtwagen voorbij, die een flats van die groezelige stuk gereden sneeuw tegen de voorruit kwakte. Op dat moment floepte de ruitenwisser aan en zag ik dat de zon scheen.

Daarom besluit ik dit stukje met een bemoedigend citaat dat een vriend mij laatst stuurde:

Er is niets nieuws onder de zon. Alle dingen die we nu bij wet erkennen zijn niets nieuws. Ze behoren tot de geschiedenis van de mensheid en het is tijd geworden te accepteren dat de werkelijkheid niet is zoals wij willen dat ze is of zoals anderen willen dat ze is – de werkelijkheid is zoals ze is.

Die woorden sprak de Argentijnse president Cristina Fernández de Kirchner bij de ceremoniële eerste uitgifte van identiteitspapieren aan transseksuelen.

Read Full Post »

Structuur

13012013

Er is nog iets anders waar dat stuk van Dorien Pessers mij in gedachten naartoe brengt. Het blijft mij verwonderen dat wij – ikzelf niet in de laatste plaats – het leven doorgaans niet nemen zoals het is, met alle ambivalente gevoelens die het in ons wekt, maar het beoordelen vanuit een idee hoe het zou moeten zijn. Zeker zodra het woord ‘menswaardig’ valt, zijn we al snel helemaal gevangen door die inperking van ons blikveld.

Laatst kwam ik om half vijf op mijn werk voor de avonddienst. Ik had mijn jas nog niet uit, of een collega riep al naar me: “Oh Janiek, je hoeft vanavond niet naar mevrouw L., want die is overleden. Net een half uur geleden!” “Nou, dat is maar beter voor haar ook,” meende een andere collega, de blik strak op het beeldscherm van zijn computer gericht. Ik was in gedachten bij die vrouw, maar meer nog bij haar man, die mij altijd hielp met het verschonen.

De eerste keer dat ik daar kwam was ik compleet onvoorbereid en schrok ik onwillekeurig van de situatie waarin ik binnenstapte. De mevrouw die nu net overleden was lag op een ziekenhuisbed midden in wat vroeger de salon was. Zij was wakker, maar verder beroofd van alle vaardigheden op grond waarvan wij soms denken dat wij mens zijn. Stijf als een etalagepop lag zij daar, zij kon niet praten en niet slikken, haar voedsel kreeg zij via een maagsonde toegediend. Mijn taak bestond in het verschonen van het inco-materiaal en het wegpoetsen van haar ontlasting. Soms moest zij ook nodig een ander nachthemd aan, dat was dan een hele klus.

Haar man hielp mij altijd en op een gegeven moment waren we zo op elkaar ingespeeld dat ik de rust en de gezamenlijkheid waarmee wij onze taak verrichten als een kostbaar moment begon te ervaren. En als we klaar waren en ik mevrouw toedekte en haar een goede nacht wenste, dan zag ik het licht in haar ogen opglanzen en maakte zij een beetje geluid achter in haar keel.

Op een avond vroeg ik haar man of hij wist hoeveel zijn vrouw nog meekreeg van wat wij spraken. (Ik was gewoon haar telkens te zeggen wat mijn volgende handeling zou zijn, ook al kon zij niet meewerken.) “Tja, dat weet ik eigenlijk niet,” zei hij. “Zij kan het ons in ieder geval niet vertellen.” Ik vroeg hem of dat voor hem niet heel moeilijk was. “Ach, wat heet moeilijk. Het ergste komt nog voor mij, en dat is als zij er straks niet meer is. Kijk, het geeft toch structuur aan mijn leven, dat ik voor haar moet zorgen. Als ik de mannen van mijn leeftijd om mij heen zie, die hun vrouw kwijt zijn, en zie hoe die allemaal de weg kwijt raken…..”

Ik was even flink geraakt. Natuurlijk omdat ik die angst dat ik ooit ergens kom waar ik uit mijzelf geen koers kan houden maar al te goed ken. Maar ook om de inktzwarte helderheid waarmee deze man zichzelf en zijn situatie onder ogen zag. Hij was zeer hoog opgeleid en aan zijn huis en materiële welstand was te zien dat hij een leven had geleid, dat wij graag succesvol noemen. En toch was hij bang dat dat alles hem niet zou helpen, zodra zijn vrouw hem ontviel.

Nu ze hem ontvallen is, steek ik af en toe een kaarsje voor hem aan. En ik denk ook nog maar eens aan die andere avond, toen we het hadden over de reactie die veel mensen hebben tegenover het lot dat zijn vrouw droeg: je kunt maar beter dood zijn. “Ach,” zei hij, “die mensen weten niet waar ze het over hebben. Het leven is het enige wat je hebt. Je kunt nog lang genoeg dood zijn, zeg ik altijd.”

Read Full Post »

11012013

voor alle bastaarden, vondelingen, ongehuwde moeders, zwarte schapen, oude vrijsters en weggelopen kinderen – in heden, verleden en toekomst

Wat een toeval! Ik had net mijn vorige blogstukje over familielijnen geschreven en zat met een kop koffie op de bank mijn zaterdagkrant te lezen, toen mijn oog viel op een artikel van Dorien Pessers over de wet Lesbisch ouderschap van rechtswege. Het ging daarin onder andere om “de behoefte van het kind zich in de continuïteit van een lange familielijn te kunnen plaatsen en een antwoord te vinden op de existentiële vraag ‘wie ben ik eigenlijk?’.

Aha, ik dacht al: wat voel ik mij de laatste tijd onder de pannen, op existentieel gebied. Mijn kinderen doen er dan wel een beetje meewarig om, maar zie: ik bouw aan mijn ‘narratieve identiteit‘ en zal het antwoord op de vraag ‘wie ben ik eigenlijk’ niet lang meer schuldig blijven. Eigenlijk ben ik namelijk de achterkleindochter van de nicht van de broer van de oma van de neef van de echtgenote van de achterkleinzoon van de vrouw via dewelke de halve Nederbetuwe afstamt van Karel de Grote. Toch nog van adel.

Voordat u denkt dat ik hier de spot drijf met het betoog van Pessers, moet ik bekennen dat ik – uit eigen ervaring –  als geen ander weet hoe lastig het kan zijn om een narratieve identiteit te construeren waarin men ‘in waarheid kan leven’, zodra je geaardheid je buiten de gangbare familieverhoudingen plaatst. Om in waarheid te kunnen leven heb je in de allereerste plaats een talent voor fictie nodig. En een welwillend publiek: in deze wereld zijn wij allen keizers met nieuwe kleren aan.

Ik waardeer het daarom zeer dat Dorien Pessers in haar artikel benadrukt dat het allemaal om fictie draait. Ik ben ook heel blij dat zij op het eind een lans breekt voor het erkennen van ‘meervoudig juridisch ouderschap’. Maar omdat zij daar neven ook bezig is een poot onder de stoel van het lesbisch ouderschap weg te zagen, wil ik graag een weerwoord laten horen.

Zoals ik mijzelf – tegen de wind van sommige emancipatiewerkers in – wil behoeden voor het bagatelliseren van de ongemakken die ongebruikelijke familierelaties met zich mee brengen, zou ik graag zien dat Pessers zich niet zo vergaloppeert in het problematiseren van diezelfde verhoudingen. “Adoptiekinderen weten daar alles van” is vooral een retorisch argument. Ik staaf mijn bewering met even weinig onderzoeksresultaten als Pessers, maar ik weet zeker dat bij lange na niet alle adoptiekinderen de noodzaak voelen op zoek te gaan naar hun biologische ouders.

Ondanks de indrukwekkende infrastructuur waar ik in mijn naspeuringen zo dankbaar gebruik van maak, vind ik dat zij het belang van het traceerbaar maken van genealogische lijnen nogal overschat. Als het om existentiële zaken gaat zijn de meeste mensen – gelukkig – niet voor één gat gevangen. Om maar iets te noemen: naast datgene wat je meegekregen hebt, is wat je zelf ‘in de wereld zet’ op dit punt van minstens even groot belang. En daarbij staan vreemde kronkels in je familielijnen je beslist niet in de weg.

Om tot slot nog een andere ervaringsdeskundige aan het woord te laten: ooit vroeg ik aan mijn jongste dochter of zij niet toch soms een vader miste. Haar antwoord: “Ik houd mij niet zo erg bezig met dat ik een vader mis, meer met dat ik blij ben dat ik een Janiek heb.”

 

Read Full Post »

06012013

Meestal voel ik mij nogal onbeholpen ten overstaan van abstracties. Ze hebben me vaak weinig te vertellen en dan kan ik er maar moeilijk interesse voor opbrengen. Gisteren viel me op dat dat (gelukkig) toch niet helemaal waar is. Goed, ik zou mijzelf niet zijn als mijn gemoed niet voortdurend in beweging werd gebracht bij het overtypen van de data van jonggestorven kinderen en vroeg verweduwden. Toch merk ik dat bij het in elkaar knutselen van kwartierstaten en parentelen ook het lijnenspel me weet te boeien. Ongeveer zoals wanneer je vroeger op een regenachtige woensdagmiddag het ene velletje papier na het andere vulde met potlood en spyrograaf. Of zoals je op een zonniger middag dromerig in het gras lag en urenlang naar de wolken kon kijken. Leuk, en wel nergens om.

Maar voor je het weet bieden die lijnen alweer doorkijkjes naar de werkelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer ik merk hoeveel moeite onze voorouders zich getroost hebben om al die orde tot stand te brengen in de weerbarstige wildgroei van menselijke relaties. Afgezien van het hele proces in de richting van een consequente naamgeving en spelling, zie je dat misschien wel het duidelijkst in de verwoede pogingen om de voortplanting te controleren. Om te mogen trouwen – en ‘echte’ kinderen te krijgen – moest je aan allerlei voorwaarden voldoen. Terwijl de menselijke natuur ondertussen aan heel eigen wetten en regels wil gehoorzamen.

En dan wordt het leuk: onze voorouders waren wijze mensen, die wisten dat het leven zich niet ongestraft laat regelen. Zodra je regels wilt toepassen, moet je uitzonderingen toestaan. Maar die moet je wel weer netjes opschrijven. Zo vind ik verschillende van mijn voorouders terug in de verzameling ‘huwelijksdispensaties’ van de provincie Gelderland, opgetekend tussen 1617 en 1775. De restricties waarvan ontheffing verkregen moest worden stellen me voorlopig nog wel voor een raadsel:

Bij de “Echtordnung off ordonnantie op de houwelycken”, 26 Mei 1597 door stadhouder, kanselier en raden van Gelderland uitgevaardigd, werd, naast handhaving van de voordien geldende bepalingen, tevens het huwelijk tussen neef en nicht verboden. Deze ordonnantie, opnieuw uitgevaardigd in 1627 en 1658, werd 9 October 1660 vervangen door een nieuwe, waarin naast het verboden huwelijk tussen neef en nicht (art. X) andere graden van verwantschap worden opgenoemd, waartussen een huwelijk verboden was, o.a. het huwelijk van een man met de weduwe van zijn broeder of met zuster van zijn overleden vrouw (art. XV), van een man met de weduwe van zijn broeders of zusters nakomelingen (art. XVI) en van een man met de dochter van zijn overleden vrouws zuster (art. XVII).

Dat een huwelijk tussen neef en nicht werd ontmoedigd zou een milde vorm van eugenetica kunnen zijn, maar bij die andere verdachte verwantschappen speelt erfelijk materiaal geen rol. Ik begin te vermoeden dat het allemaal meer om de materiële erfenis te doen was. Misschien was het niet de voorplanting, die men in goede banen wilde leiden, maar probeerde men het gebakkelei rond erfenissen binnen de perken te houden.

Ik begon aan dit stukje met een zekere vooringenomenheid tegenover de regelzucht waarmee wij mensen het leven tegemoet treden. Gaandeweg zie ik de noodzaak voor een nuancering. Die erfeniskwesties deden me namelijk denken aan het verhaal dat een man mij vertelde, die zijn geliefde aan AIDS had verloren. Vijf jaar lang had hij zijn doodzieke vriend verzorgd, terwijl de familie zich afzijdig hield. Toen de dood hen beiden tenslotte verlossing bracht, bleek er voor de enige werkelijke nabestaande niets geregeld en ging de familie van de overledene met het geld (veel geld) aan de haal.

Read Full Post »

02012013

Van alle dingen die de mensen tot een antithese maken, merk ik vroeg of laat dat ik beide in mij mee draag. Zo had ik een paar jaar geleden heel braaf een stapel vragenlijsten ingevuld om een psychologe een kijkje in mijn ziel te gunnen. Toen ik een paar weken later bij haar terugkwam om de uitslag te horen, begon zij – en ik meende een lichte teleurstelling in haar stem te horen: “Er is iets vreemds met de uitslag van de tests.” Wat dat dan was, wilde ik wel weten. “Nou, volgens de tests ben je ontegenzeggeljk introvert. Daar kun je niets aan doen, dat is iets neurologisch. En toch zie jij jezelf als heel sociaal en open naar je omgeving.” Nu meende ik iets vragends in haar blik te zien.

Dus antwoordde ik: “Ja, dat zou best eens zo kunnen zijn. Ik herken dat wel.” En ik begon te vertellen hoe ik dikwijls bang ben geweest om in mijzelf te verdwalen en uiteindelijk te verdwijnen, als niemand mij meer zou zoeken. Zo sterk kan de neiging om naar binnen te keren zijn. Dus heb ik mij aangeleerd om zelfstandig de beweging naar buiten te maken. “Dan heb je je als het ware tegen je eigen natuur in ontwikkeld,” besloot de psychologe en zij leek gerustgesteld, alsof door die woorden  haar denkraam weer in de sponning paste. Dus dat liet ik maar zo.

Bovendien was er iets in haar constatering dat mij geruststelde. Want behalve de onrust die ik al noemde, bezorgde dat introverte karakter me nog meer bedenkingen. Schoot ik niet moreel tekort, telkens wanneer ik mijn medemensen zo’n karige portie van mijn aandacht gunde? Nu had ik beslist (ik weet het zeker) een rustige wijsheid op haar gezicht gezien, terwijl zij me diagnosticeerde. Het had benauwend kunnen zijn, die neurolgische gegevenheid, maar opeens zag ik er ook nog iets anders in: een thuis, een zijnswijze. In ieder geval gaf het mij de ruimte, of zelfs een aanzet, om mij ook tegen die andere, bezorgde natuur in te ontwikkelen.

Spoedig volgden nog meer aanzetten. Rond de vorige jaarwisseling stuurde een vriend mij, bij wijze van beste wensen, de goede voornemens van Virginia Woolf voor het jaar 1931:

Here are my resolutions for the next 3 months; the next lap of the  year.
To have none. Not to be tied.
To be free & kindly with myself,  not goading it to parties: to sit rather privately reading in the  studio.
(…)To stop irritation by the assurance that nothing is worth  irritation.
Sometimes to read, sometimes not to read.
To go out yes—but  stay at home in spite of being asked.
As for clothes, to buy good ones.

Kort daarop kreeg ik van het leven opeens meer en langere momenten waarop ik mijzelf alleen thuis trof. Na mijn werk, dat elke dag vijf uur intensieve aandacht voor mijn medemensen van mij vraagt, voelde dat alleen-zijn vaak als een weldaad. En die neiging om de blik naar binnen te richten bleek een vermogen, waarmee ik balans kon vinden.

Dat ging allemaal zozeer vanzelf, dat ik het bijna ‘natuurlijk’ zou noemen. Wellicht bestaat er niets tegennatuurlijks in het menselijk leven, is het alleen maar een perpetuum mobile van bewegingen in verschillende richtingen. Dus als jullie me een poos niet zien of horen, denk dan maar: “O ja, Janiek is introvert, zo is ze nu eenmaal geboren.” Maar wees gerust: als ik weer eens mail of bel, dan is ook daar niks tegennatuurljks aan.

Read Full Post »

Older Posts »