Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2012

Geschiedenisles

*

Wat de geschiedenis ervan zeggen zal, moet ons eerlijk gezegd koud laten.

Kijk, dit kwam ik tegen in een dun goudkleurig boekje met het opschrift Hedendaags feminisme van Renate Rubinstein. Voor 50 eurocent gekocht in een uitdragerij bij mij om de hoek. Geen geld voor een verhelderende geschiedenisles als deze. Voor mij persoonlijk vielen een aantal dingen eindelijk op hun plek. Misschien voor anderen ook, want welbeschouwd is iedereen die nu leeft in dit land in sterke mate gevormd door de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog.

Mijn ouders hadden die beiden zeer bewust meegemaakt en mij gedrenkt in hun verhalen. Hun generatie hield zich vooral bezig met wie er goed en wie er fout was geweest in de oorlog. Toen mijn eigen leeftijdgenoten aan het politieke leven (meestal buitenparlementair, zoals dat toen heette) gingen deelnemen verschoof de aandacht naar wie er goed of fout zouden zijn geweest in een dergelijke oorlog. Er was vaak maar weinig voor nodig om je politieke tegenstanders voor fascist uit te maken. Eigenlijk begin ik pas onlangs de indruk te krijgen dat ook die obsessie uitgewoed raakt (ondanks populistische termen als “Bruin I” voor het kabinet Rutte). Mooi zo, dan kunnen we oog krijgen voor de echte verhalen.

Die echte verhalen kende ik al van mijn ouders en daardoor had ik altijd al een zekere argwaan tegen die enorme boom der kennis van goed en kwaad die uit al die reflectie op de oorlog was opgeschoten. Tegelijk voelde ik me er een beetje klein en onbeduidend tegenover: hoe kon het toch dat al die mensen over deze kwesties zo stellig durfden te doen en ik in mijn eentje niet? Was het misschien al fout om je te realiseren dat er in oorlogssituaties meer bestaat dan ideologie en juiste of verkeerde kampen? Verliefdheid? Verantwoordelijkheidsgevoel jegens je directe naasten? Zucht naar avontuur? Allerlei ingewikkelde loyaliteitsconflicten die je niet in noties over goed en fout kunt vangen?

En dan is er opeens zo’n boekje. Renate Rubinstein stak het destijds (we schrijven 1979) niet onder stoelen of banken dat zij van het “hedendaagse” feminisme niet veel moest hebben. Joke Smit daagde haar uit met de uitspraak:

Joke Smit schrijft mij: ‘Renate, hoe wil jij de geschiedenis in? Als iemand die modes heeft ontmaskerd en in de privésektor iets verbodens zichtbaar heeft gemaakt, maar waar het echt belangrijk was in het verkeerde kamp heeft gezeten?’

Daarop volgen een paar prachtige scherpe zinnen met een veel bredere toepasbaarheid. (“De geschiedenis als moraal, de toekomst als boeman.” en “Nee, ik sla het morele oordeelsvermogen van de geschiedenis niet hoog aan en vind het oneerbaar om iemand de mond te snoeren met het argument dat je de toekomst hebt.”) Als slotzin van het stukje kwam de zin die boven dit bericht staat.

In mijn brein dat graag verbindingen legt komen die zinnen een filmbeeld tegen, uit A passage to India van David Lean. Op het moment dat er een grote opstand uitbreekt bevinden zich een Engelse ambtenaar en een Indiase hoogleraar in het zelfde huis. Als de Engelsman zijn ontreddering  en aarzeling om te handelen niet kan verbergen, kijkt de Indiër hem stralend aan en zegt: “Het maakt niet uit wat je doet. De uitkomst staat allang vast. Je kunt gewoon doen wat je hart je ingeeft.” Op het eerste gezicht zou je dat makkelijk weg kunnen zetten als typisch Oosters fatalisme, waar je niet ver mee komt. Ik zie er graag iets anders in, net als in de grondhouding van Rubinstein: een pleidooi voor intrinsieke motivatie. Daar is niets verlammends aan, die is immuun voor morele dreigementen van anderen of “de geschiedenis”, die laat zich niet zomaar uit het veld slaan als resultaten uitblijven en vindt haar richting niet in het streven maar in het geven. Zo’n geschiedenisles wil ik wel leren.

Advertenties

Read Full Post »

Brein

Eigenlijk had ik dit stukje willen beginnen met te zeggen dat ik helemaal niet spiritueel ben. Ik bezoek immers – die van het ongekorven hout daargelaten – geen enkele kerk, ik bid nooit en hang geen enkele levensbeschouwing aan. In een “centrum voor bewustwording en spiritualiteit” zul je mij niet vinden en ook in het diepst van mijn gedachten huist geen god. Spontane mystieke ervaringen, zoals M.Vasalis die had en waaruit zij veel van haar gedichten vormde, vallen mij slechts mondjesmaat ten deel en ik heb niet de drang die bewust na te streven. Veel verder dan te geloven dat er een Onmetelijke Ondoorgrondelijkheid bestaat, die mijn kleine, heldere leventje als een diepe nacht omhult, opdat ik het niet te koud zou hebben, kom ik niet.

Terwijl ik dit zat te bedenken werd die gedachte alweer ingehaald door een andere: ik heb wel degelijk een passie om de wereld om mij heen en het menselijk leven en mijzelf te “begrijpen”. En omdat mijn brein van zichzelf graag associatief te werk gaat, zoek ik daarbij eerder naar verbindingen dan naar definities en analyse. Zijn mijn hersenen misschien van nature religieus (= verbindingen makend)? Of scheiden ook mijn nieren, klieren en spieren geest af, om de zotteklap van Dr. Schwaab * maar eens op z’n kop te zetten.

Kijk, ik snap wel hoe men erbij komt om de geest in de hersenen te situeren. In mijn werk maak ik dagelijks mee wat er met iemands geest gebeurt, zodra dat brein kapot raakt of in de war gebracht wordt. Een paar Fentanyl pleisters zijn al genoeg om een waardige emeritus hoogleraar te veranderen in een dronkeman, die schaamteloos aan zijn kruis krabt en malle liedjes zingt. Een herseninfarct laat de geest machteloos in het duister tasten, of zorgt ervoor dat de woorden hun weg naar buiten niet meer vinden. Maar om dan te concluderen dat de geest zich dus in het brein bevindt of – erger nog – er als een soort urine uit komt sijpelen, daar moet je in mijn ogen wel erg kortzichtig voor zijn.

Bekijk het eens zo: je kunt van wijn wel azijn maken, maar andersom gaat het niet. De menselijke geest laat zich gemakkelijk verwoesten en zich niet of slechts heel moeizaam “repareren”. Toch is het niet eens zo gek om eens te bedenken hoe die geest tot stand komt. Daar is meer voor nodig dan een hersenpan vol grijze massa. En dan ben ik meteen weer bij iets waarvan je alleen de uitingen kunt zien, maar wat duidelijk meer omvat: de sociale interactie en de toewijding van het opvoeden, waarvan overigens ook breinwetenschappers menen dat die het brein helpen vormen, vooral gedurende de eerste levensjaren. Een mens kan met nog zo’n gezond stel hersenen ter wereld komen, als je haar in een kippenhok opsluit, dan blijft zij ernstig geestelijk gehandicapt.

Om de uitspraak van Schwaab nog op een andere manier te begrijpen, zou je eens (voor de grap, maar evengoed serieus) kunnen veronderstellen dat de menselijke geest zich niet alleen van de hersenen bedient, maar ook van de “onderbuik”. Dat kun je ruiken aan zo’n statement. De keuze voor de nieren in plaats van, bijvoorbeeld, de alvleesklier of de hypofyse is namelijk niet toevallig en allerminst waardevrij. Die past in een traditie van debunking waar veel materialistische wetenschap zich toe aangetrokken lijkt te voelen. En waar ik graag iets tegenin breng.

* Ik bedoel zijn uitspraak: “Zoals een nier urine produceert, zo produceert het brein de geest.”

Read Full Post »

Toen ik van het platteland naar de stad kwam om daar te studeren, werd ik vaak geconfronteerd met dingen die anders waren dan ik gewend was. Het gebruik van spreekwoorden om je commentaar op een situatie kracht bij te zetten, bijvoorbeeld, leek men in mijn nieuwe omgeving niet te kennen. Naar staande uitdrukkingen werd met een zeker dédain gekeken en dooddoeners waren eigenlijk “onnet”.

Zo werd mijn zwak voor dat specifieke taalregister een soort guilty pleasure en bij gebrek aan mensen om die liefde mee te delen ben ik het gaandeweg verleerd. Maar ooit wordt een mens te oud voor guilty plaesures – niet voor de pleziertjes, maar wel voor de schaamte die eraan kleeft. Gelukkig, want mijn werk onder ouderen “from every walk of life” brengt mij plotseling weer terug bij veel van dat oude repertoire. Plus een aantal die voor mij nieuw zijn.

Vandaag stond ik aan de wastafel met een 84-jarige vrouw, die – net als veel ouderen die van zorg afhankelijk zijn – haar best deed om niet lastig te zijn. “Tjonge, u bent een makkelijk mens,” probeerde ik, om de vanzelfsprekendheid daarvan een beetje op losse schroeven te zetten. “Ja hoor, zo makkelijk als een pet van een kwartje!” antwoordde zij. Dat gaf weliswaar geen opening om haar te laten weten dat ze best iets lastiger mocht zijn, maar omdat ik haar liet delen in de lol die ik had om zo’n leuke oude zegswijze, hadden we opeens een heel gezellig moment met elkaar.

Bij de volgende mevrouw ging het gesprek over de toestand van de wereld en kwam het moment van herkenning en nabijheid toen bleek dat The story of the weeping camel voor ons allebei tot de toppers op filmgebied behoorde. Maar drie kwartier later zat ik met een andere bejaarde dame nog even na te kletsen na de wasbeurt en ging er weer zo’n oude uitdrukking over tafel, ik ben even kwijt welke dat was. “Kent u déze misschien ook?” vroeg ik, “Zo makkelijk als ….” “Een pet van een kwartje!” lachte zij en maakte een draaiend gebaar langs haar hoofd. “Je kan er alle kanten mee uit.” En weer leek er iets als intimiteit te ontstaan, zonder dat we iets persoonlijks of belangwekkends hadden gedeeld.

Welbeschouwd gaat wellicht het grootste deel van de menselijke communicatie over dingen die we eigenlijk allang weten of waarover we het zonder meer eens zijn. Wat voor mij inmiddels niet meer betekent dat ik dat soort interactie van geringe waarde acht. Taal is voor meer doeleinden geschikt dan het overbrengen van informatie of het delen van je diepste gevoelens. Vraag maar eens aan een boom vol spreeuwen waar wij het onder elkaar over hebben. Tweet, tweet, tweet, tweedeldeedom!

Mooi weertje, hè, vandaag?

Read Full Post »

Als men zegt dat het werk in de zorg zwaar is en dat je er veel te weinig voor betaald krijgt, dan is dat zeker waar. De mensen die het doen, doen het meestal niet om het geld of het gemak. Ze doen het omdat het zorgen nu eenmaal in hun bloed huist en worden uitbetaald in onbetaalbare momenten. Ik kan erover meepraten. Hoor maar.

Toen ik gistermorgen een oude heer onder de douche hielp, waarschuwde hij mij op een gegeven moment, omdat hij voelde dat hem “een windje kon ontsnappen”. Bijna schoot ik in de lach: wat is nou een windje! Ik maak regelmatig veel spectaculairder ontsnappingen mee. Gelukkig wist ik mijn lach in zijn kooitje te houden. Van zijn windje heb ik trouwens ook niks gemerkt. In plaats daarvan opperde ik iets wat geruststellend bedoeld was, over mijn moeder die altijd zei: “Dat gebeurt de koningin ook.” En vervolgens leidde ik het gesprek naar de muurbloemen die ik in zijn geveltuintje had zien staan en die juist vandaag op het punt stonden te gaan bloeien.

De oude man begon te stralen en voor ik het wist hadden we het aan één stuk door over onze gemeenschappelijke liefde voor bloemen. Zonder het te merken zaten we nog steeds onze kennis van zaken en schoonheidservaringen uit te wisselen, terwijl hij allang aangekleed was en zelfs zijn haar alweer was opgedroogd. Ik keek zijdelings naar de klok, maar zag met mijn andere oog dat hij mij nog niet wilde laten gaan. Vooruit, we pikken nog vijf minuten, dacht ik. Gelukkig maar, want het moment dat volgde had ik nooit willen missen.

Hij begon te vertellen hoe verrast hij was geweest, toen hij dit voorjaar opeens – “En ik woon hier al vijfendertig jaar met het park naast de deur!” – in een verborgen hoekje van het Vondelpark een veldje winterakonietjes had ontdekt. “Het is als je hier bij de ingang dat kleine paadje rechts neemt en dan om die grote populier heen. Maar dan zie je het nog niet, hoor, want het ligt áchter de taxussen.” De schittering in zijn ogen en de trots in zijn fluisterzachte stem tilde mij heel even over de grenzen van de werkelijkheid heen, in het beloofde land. Hij werd een jongetje, dat het nest van de graspieper had gevonden en ik was het buurmeisje aan wie hij het wilde laten zien.

Hoezo werkdruk? Wat onderbetaald zijn? De momenten waar het echt om gaat zijn immers tijdloos en onbetaalbaar.

Update: ruim drie maanden later ging ik naar hem toe om afscheid te nemen. “Het gaat niet goed,” zei hij. Hij wilde dat ik één van zijn natuurboeken uitzocht als aandenken. Ik koos Van muurbloem tot straatmadelief, een boek waar ik toevallig de dag ervoor aan had gedacht, toen ik bitterzoet zag bloeien op een van de drijvende eilandjes in de Boerenwetering.

Read Full Post »

Kistje

*

In mijn vorige bericht schreef ik over het weggooien van dingen uit mijn verleden. Of over de vraag waarvoor ik ze zou bewaren. Dat is natuurlijk allemaal onzin: niets uit je leven verdwijnt ooit echt zonder een spoor na te laten. Sterker, hoe liever je iets voor altijd kwijt wilt raken, hoe meer je erdoor geplaagd gaat worden. Elders gebruikte ik daarvoor het beeld van een zwerfhond, die jou als zijn vrouwtje of baasje heeft geadopteerd. Hier houd ik het maar even op verhuisdozen die ik in- en uitpak.

In één van die dozen zit een kistje, waarin zich de zelfmoord van mijn broertje bevindt. Een stevig kistje, met heuse hengsels, want zeker in het begin was die zelfmoord een zwaar voorwerp. In de 27 jaar dat ik het nu al met me meesleep heb ik wel gemerkt dat het lichter is geworden, maar de traagheid waarmee dat is gegaan zegt me dat ik niet mee zal maken dat het ooit tot een kruimeltje ineengeschrompeld zal zijn. Ik zal er dadelijk iets meer over vertellen, maar eerst iets anders.

In dat kistje bevinden zich naast die zelfmoord nog een handjevol kleinere zaken, parafernalia. Dat zijn de reacties van anderen, op de zelfmoord zelf, maar ook op hoe ik mij daartoe en tot mijn broertje heb verhouden. Laat ik die eerst nog eens bekijken, dan kom ik straks vanzelf weer bij het grote ding uit.

De vraag die mij kort na zijn dood het vaakst gesteld is was: “Voel je je niet heel erg boos op hem?” Telkens moest ik daar ontkennend op antwoorden en het onbegrip dat dan volgde, maakte me op den duur onzeker over de menselijkheid of de gezondheid van mijn eigen houding. Goed, ik had boos kunnen zijn omdat hij mij in de steek had gelaten of omdat hij mij had laten falen in mijn pogingen om hem hier te houden. Maar dat was ik niet, ik voelde mij daar vooral schuldig om.

“Hij heeft je er toch niet om gevraagd, om te proberen hem te redden?” zei iemand. Nee, eerder het tegendeel. “Jij hebt wel erg hooggespannen verwachtingen over hoe dicht mensen elkaar kunnen naderen,” zei een ander. Dat kan ik niet ontkennen. En nog een ander: “Je hoeft je niet zo met hem te identificeren.” Verder leek de wereld zich soms in twee kampen te verdelen: zij die zelfmoord een daad van puur egoïsme vonden en zij die dat stempel juist drukten op degenen (c.q. ik) die een ander niet rustig konden laten gaan.

De meest open reactie kwam pas twintig jaar later, toen iemand mij vroeg: “Weet je ook waarom jij daar tot het einde toe zo dicht bij gebleven bent? De meeste mensen nemen afstand als er zoiets staat te gebeuren.” Tja, ik was daar inderdaad op het laatst zo goed als alleen, zodat ik degene was die hem moest vinden. Maar waarom? Ik zag destijds niet dat ik daarin een keuze had. Het meest voor de hand liggend is te wijzen naar het verantwoordelijkheidsgevoel dat ik als oudste kind in het gezin nu eenmaal had voor mijn jongere broertje. Of naar mijn aangeboren dan wel aangeleerde “reddersgedrag”, waardoor ik uiteindelijk zo mooi op mijn plekje ben geraakt in de zorg. Toch heb ik ook altijd gedacht dat er meer was.

Dan kom ik uit bij mijn eigen keuze vóór het leven. Of liever, bij mijn bijna levenslange aarzeling daaromtrent. In de tijd tussen zijn eerste poging en zijn dood was die aarzeling buitengewoon verlammend. Zoveel jaren nadien geloof ik dat ik in mijn streven hem te begrijpen en bij hem te blijven zeker ook met mijn eigen Auseinandersetzung bezig was. Dan speelde ik beslist met vuur, want bij hem was geen sprake van een aarzeling en bij mij wel van een zoeken naar identificatie. Ik herinner mij hoe ik me op een zeker moment vastklampte aan een gedicht – Lex barbarorum van Marsman – en hoe dat tegelijk als een verraad aan hem voelde.

Het heeft nog heel lang geduurd voordat ik klaar was met aarzelen. En nóg begrijp ik mijn keuze voor het leven niet echt, laat staan zijn stap in de dood. Ik merk wel dat ik daar inmiddels geen wanhoop meer bij voel, het is goed om het open te laten. Tegelijkertijd blijken al die voorwerpen in dat kistje me iets te vertellen te hebben, ook nu weer. Daarom stop ik ze er maar in terug en zoek een stil plekje om het weg te zetten. Tot een volgende verhuizing.

Read Full Post »

Perspectief

Als mijn leven een grande randonnée was, dan zat ik nu in mijn eentje op een zonnige heuveltop. Het is ’s morgens vroeg en als een grote plas melk vult de ochtendnevel het dal onder mij. Van het pad dat ik vanaf hier ga volgen is nog niets te zien. Gisteravond is mijn wandelmaatje een andere weg ingeslagen, vanaf nu gaan wij elk weer onze eigen weg. Het gevoel dat ik daarbij heb is nu vooral onbestemd, maar ook licht en helder.

In werkelijkheid zit ik in de stilte van mijn nieuwe schrijfplek. Voor het eerst in 25 jaar heb ik een “room of one’s own”. Mijn eerste indruk is er een van rust, ruimte, rijkdom en licht.

Niet vaak heb ik zo’n sterk besef gehad van mijn plek in de tijd als juist deze dagen. Dertig jaar hebben we samen opgetrokken. Dat is de grootste helft van de tijd die ik heb geleefd en zeer waarschijnlijk langer dan ik nog te gaan heb. Ik zie mijn eigen eindigheid als in een spiegel die vlak voor mij staat. Als in een droom sta ik stil, zonder te weten hoe lang dat zal duren, terwijl de stroom van het leven gestaag onder mij door trekt. Daar stap ik wel weer in als de tijd daar is.

Mijn verwachtingen van de toekomst die mij nog rest staan als schamele planten in een tuin in aanleg, te ver uit elkaar en nog niet op krachten gekomen na hun verplaatsing. Er is dus nog veel ruimte voor het ontwikkelen van een nieuw levensperspectief, maar tegelijk dienen zich ook de grenzen ervan aan. Mijn werkende leven zal waarschijnlijk nog maar negen jaren duren. Ik hoop in die tijd en in de eerste jaren erna mijn gezondheid te kunnen bewaren en bedenk me dat daarbij om inzet en initiatief van mijn kant wordt gevraagd. Wat ik nog wil beleven in die tijd lijkt eerder een bescheiden verlangen dan een krachtig streven.

Ik zou graag blijven volgen hoe mijn kinderen hun eigen weg in het leven zoeken en vinden. Misschien zie ik hún kinderen nog geboren worden: het verlangen is er wel bij hen beiden. Vriendschap zal belangrijk voor mij blijven. Het genieten van wat mooi is om mij heen, het slagen van een maaltijd, mij blijven verwonderen over de wereld en de mensen, het groeien van inzicht en vertrouwen in mijzelf zal ik verwelkomen. Tenslotte hoop ik mij met mijn levenseinde te kunnen verstaan zonder spijt te hoeven hebben over wat ik niet gedaan heb in dit leven.

Over wat achter me ligt zou ik het ook kunnen hebben. Een balans opmaken? Ik denk dat daarvoor meer afstand nodig is dan ik nu heb. Vermoedelijk zal het moment daarvoor zichzelf aandienen. Net als die “verhuizing”, die zich nu binnen in mij begint te voltrekken. Ik blijf weliswaar op dezelfde plek wonen, maar in mijn binnenwereld bemerk ik een verschijnsel waar ik wel eens van gehoord heb en dat ik dus meen te herkennen: elke grote verandering in een mensenleven brengt je terug bij de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden. Als bij een tastbare verhuizing gaan allerlei voorwerpen die ik mijn leven lang heb meegesleept weer eens door mijn handen. Zal ik ze weggooien of toch maar weer opbergen voor – ja, waarvoor eigenlijk?

Ondertussen laat de wasmachine weten dat hij klaar is, dus moet ik de was gaan ophangen. En het klokje rechtsboven in mijn scherm zegt me dat het avond wordt en dat ik dus weldra moet gaan koken, want mijn jongste eet vandaag bij mij. Maar goed ook, want ik zit alweer veel te lang daar op die heuveltop en hier achter mijn computer. Het is tijd om in de stroom van het leven te stappen.

Read Full Post »