Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2015

30122015a

Gisteren waren we als voormalig gezin – met aanhang – bij elkaar om de verjaardagen van mijn beide dochters te vieren. Tegelijk vierden we het vertrek van de jongste, die over enkele dagen op het vliegtuig naar India stapt. De oudste wilde het feest wel ‘hosten‘, in haar fraaie huis, waar zij woont met haar vriend. Twee goddelijke taarten had zij gebakken en zij nam ons mee naar het Van Gogh Museum, om De Schreeuw van Munch te gaan zien. “Het is eigenlijk een studie van De Schreeuw,” zei een jongedame van het museum verontschuldigend, “gemaakt met pastelkrijt op karton.” Soit, dacht ik. Er was bovendien meer dan genoeg schoonheid om te aanschouwen.

“Goh, kijk!” zei ik tegen mijn jongste, toen we in het krioelen der kunstkijkers tot vlak voor Het zieke kind waren aangeland, “Dat kind weet dat ze dood gaat, en zij troost haar moeder.” – “Ja, zij weet dat het voor haar moeder erger zal zijn dan voor zichzelf.” – “Moet je zien: het lijkt wel of er licht uit haar gezicht schijnt.” – “Het is als met de dood van Perkamentus in Harry Potter: voor een opgeruimde geest is de dood slechts een deur naar een groter avontuur.” _ “Ha!” lachte ik, “Dat is precies wat ik van plan ben te gaan doen met de tijd die ik nog heb: voor een opgeruimde geest zorgen!” En toen staken we over naar een vitrine met tekeningen en kattebelletjes uit de nalatenschap van Edvard Munch.

Daar viel mijn oog op een tekening in zwarte en rode inkt, met daarnaast een soort dagboekaantekening. Ik herkende onmiddellijk de compositie van De Schreeuw, maar nog zonder de beklemmende sfeer. Die werd erbij geleverd door de tekst van de krabbel. Ik citeer:

30122015b

I was walking along a path with two friends
the sun was setting
I felt a breath of melancholy
Suddenly the sky turned blood-red
I stopped and leant against the railing,
deathly tired
looking out across flaming clouds that hung
like – blood and a sword over the
deep blue fjord and town
My friends walked on –
I stood there trembling with anxiety
And I felt a great, infinite scream pass
through nature.

Daarna leerde ik nog iets over het schilderij zelf. Er bestaan een aantal versies van. Niet omdat Munch er lang over deed eer hij tevreden was met het resultaat, maar omdat hij, telkens als het werk verkocht was, de behoefte had het opnieuw te schilderen. Alsof hij het dicht bij zich wilde houden. Op dat moment herinnerde ik mij een overweging van Reb Zalman Schachter-Shalomi (z.l.) over “spiritueel ouder worden”, waarin hij sprak over het “domesticeren van piek-ervaringen”. Aanstekelijk, vond ik, maar ik voelde ook bedenkingen opkomen. Nu zie ik een kans om over de weinig tot de verbeelding sprekende connotaties van dat domesticeren  heen te stappen, maar dan heb ik wel graag dat de dal-ervaringen ook meegenomen worden. O ja, en ook de afgrond-ervaringen. Opeens begreep ik dat Munch juist dát gedaan had in zijn Livsfrisen!

“Wat een goed idee van je, om ons hier naartoe mee te nemen,” zei ik na afloop tegen mijn dochter. “Ik ben er helemaal van opgeknapt.” – “Was dat dan nodig?” vroeg ze lachend. Nee, bedacht ik me, terwijl ik mijn jas aantrok, niet in het bijzonder. En toch . . .

Op weg naar onze fietsen vroeg ik haar vriend naar zijn bevinding van de tentoonstelling. “Ik kan niet zoveel met die schreeuw,” zei hij, “Ik ken die soort angstbeleving zelf helemaal niet.” Toen zag ik mezelf terug, in het begin van de jaren Tachtig van de vorige eeuw, ongeveer zo oud als de jonge man die naast mij door het donker liep. Ik was naar deze grote stad gekomen om te studeren en voelde me alleen. Ik probeerde een eigen leven te gaan leiden, maar dat speelde zich af in de vaak beklemmende nabijheid van mijn jongere broer, die bezig was aan het leven te lijden, en eraan dood te gaan.

De Schreeuw van Munch was destijds erg populair als ‘poster‘. Je zag hem overal, en overal was het alsof ik in de spiegel keek. Liefst wendde ik mijn gezicht af, maar dan was het juist alsof ik in het schilderij verdween en zélf met mijn rug naar de mensen toe stond, die zich nietsvermoedend van mij verwijderden, de verte in. Dus ja, ik ken die beleving van de wanhoop wel, al kan ik die nu niet meer precies zo in mijzelf oproepen. Heb ik haar misschien ‘gedomesticeerd‘? Of is zij tam geworden, als de vos in Le Petit Prince, doordat we, heel onopvallend, steeds een stukje dichter bij elkaar zijn gaan zitten? Zodat we samen naar de kleur van het korenveld kunnen kijken.

16062012

Advertenties

Read Full Post »

12122015

Er is een tijd geweest dat wij ’s avonds aan tafel aan elkaar vroegen: “En, heb jij nog een hé-moment gehad, vandaag?” Een van de kinderen was door een – duidelijk bevlogen – docent geïnspireerd om zich die vraag regelmatig te stellen, aan het einde van de dag. Om dan niet al te vaak met een mond vol tanden te staan, kweek je vanzelf de oplettendheid en de openheid aan, die je nodig hebt om zulke momenten te kunnen ervaren. Wat een hé-moment precies is, kan ik je niet vertellen. Misschien gaat het er vooral om dat jij zelf vindt dat een belevenis die naam verdient. Hier is een voorbeeld:

Zat ik in mijn vorige bericht nog aan het sterfbed van één van mijn “dames”, krap een week later woonde ik haar begrafenis bij. Haar laatste woorden aan mij gericht zullen me nog lang heugen: “Sjaniek, ga ik nu dood? Ik wil nog niet dood. Jij weet toch overal een middeltje op?” Ze hield mijn hand vast, alsof ze zich daardoor aan het leven zelf vast kon houden. De tijd van middeltjes was voorbij. Het was op, maar het blijft wonderlijk om te zien hoe moeilijk lijf en leven elkaar loslaten, zelfs als de geest al grote sprongen buiten de tijdruimte maakt. Wat kan men doen?

Gelukkig kon ik er nog wel voor zorgen dat haar vriendin en huisgenote in staat werd gesteld haar de laatste eer te bewijzen. Dat was, gezien haar lichamelijke conditie, geen vanzelfsprekendheid. Uiteindelijk was de wensenambulance bereid de klus te klaren en dan zie je weer eens waartoe mensen in staat zijn. Met een paar mailtjes en telefoontjes over een weer was alles geregeld en op de dag zelf stonden er voor dag en dauw twee vrijwilligers (gepensioneerde ambulanceverpleegkundigen) klaar met een speciale (anti-decubitus) brancard en een ambulance met uitzicht voor de zieke achterin. Vroem! Daar gingen we, stad uit, land in, naar het geboortedorp van de overledene.

Het daadwerkelijke afscheid herinner ik me vooral als een logistiek gebeuren. Vier sterke vrouwen, waarvan ik er één was, schoven en sjorden aan de open doodkist en de brancard, tot de overledene en de overlevende op gelijke hoogte lagen. “Ze waren eigenlijk een soort echtpaar,” in de woorden van een familielid. Voor het overige zijn woorden niet gauw rauw genoeg. Daarna moest de kist dicht, definitief.

Even later stond die, overdekt met bloemstukken, in het midden van de kerk, met de voeten naar het altaar. Haar vriendin lag op haar brancard voor de voorste bank en ik zat er op een stoel naast, om haar niet al te alleen te laten in die grote ruimte. Er werd een ouderwetse requiem-mis opgedragen, met een koor, dat Latijnse gezangen zong. Er waren echte misdienaartjes, joggingschoenen onder hun blanke kleed. Het oude gereedschap voor de rituelen was van stal gehaald: wijwatervat met kwast, belletjes voor de consecratie, een wierookhouder en een crucifix op een lange steel. Ik was diep getroffen door de liefde en de eerbied waarmee het lichaam van de overledene werd omringd en bejegend.

Net toen ik me dat bedacht, zag ik een misdienaartje met dat kruisbeeld op die stok voorzichtig van de verhoging van het altaar af stappen. Ik trok mijn voeten in, bang dat hij erover zou struikelen. Hij liep langs ons heen in de richting van de kist en ik keek hem na. Toen, precies op dat moment, lichtte de hemel buiten op en dat licht viel door het quasi-gotische kerkraam op het kruis. Een wonderlijke tinteling ging heel even door mijn lijf, toen ik zag hoe de spinragen, die heel sierlijk tussen de vier punten van het kruis hingen, oplichtten in de zachte stralen van de zon. Alsof God naar me knipoogde: “Zie jij wat Ik zie?”

“De Rooms-Katholieke kerk bezit een grote schat, in haar liturgie en in haar rituelen,” zei de oude heer aan wie ik dit vertelde. Toch lijkt ook die rijkdom vergankelijk. Ik moet opeens denken aan woorden uit een interview met Erik Borgman in Trouw:

De kerk blijft sacrament, net zoals God blijft, ook als mensen niet meer in hem geloven. Of zoals je nog steeds ziek wordt, ook als je denkt dat bacteriën niet bestaan. God gaat aan ons vooraf en is niet afhankelijk van ons geloof. Ziet de kerk dit niet, dan is ze eigenlijk niet te redden. Als wij de werkelijkheid betekenis moeten geven, dan hebben we ons vonnis getekend. Want wij geloven niet, of niet voortdurend, of niet hard genoeg, en bovendien gaan wij uiteindelijk dood.

Read Full Post »