Feeds:
Berichten
Reacties

Een nieuw en lichter perspectief

Onze traditie noemt de dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer de “Ontzagwekkende Dagen”. We krijgen volop de gelegenheid om stil te staan bij het besef dat we ons leven niet zelf in de hand hebben. Oenetanè tókef, zeggen we. Who by fire, who by water, zong Leonard Cohen. Van Hogerhand zal deze dagen over onze toekomst worden beslist, en hoe dat uitvalt, weten we niet. Misschien is dat maar goed ook.

Een jaar geleden had ik geen idee dat ik dit jaar Corona zou krijgen en dat ik daardoor in een burn-out zou belanden. Als ik het geweten had, had ik misschien een omweg of een uitweg gezocht. Maar nu moest ik er doorheen: machteloosheid ervaren en leren loslaten, stukje bij beetje. Inmiddels begin ik een nieuw en lichter perspectief te zien. Het was dus – achteraf beschouwd – een goeie beslissing, van Hogerhand. Dus ik denk: dan zal het dat komend jaar ook wel zijn.

Sjana tova!

Deze tekst heb ik vandaag uitgesproken tijdens de Rosj Hasjana-dienst. Ik was één van de 18 mensen die een persoonlijke reflectie op het Joodse Nieuwjaar en de Grote Verzoendag (Jom Kipoer) mochten geven.

Ik ben een Wappie

Onze ontmoeting vond plaats bij het hek van de begraafplaats, waar ik bezig was geweest met veldonderzoek, en ons gesprek begon als een doodgewoon praatje, een mooie mix van nieuwsgierigheid en behoefte aan gezelschap. Niks bij zonders aan haar gemerkt. Gewoon een vriendelijke oude dame met een rond gezicht en een wat onschuldige oogopslag. Maar toen de kans zich voordeed, zorgde zij dat de conversatie een andere wending nam, niet abrupt of geforceerd, maar subtiel en vanzelfsprekend. Ongeveer zoals een zendeling het gesprek nu eenmaal altijd op Jezus weet te brengen. Niet eens gewiekst, eerder alsof zij het zelf niet eens merkte, trok ze aan een onzichtbare handle, waardoor een wissel verschoof en de trein geruisloos in een ander spoor gleed. Ik kan me echt niet herinneren welke associatie dienst heeft gedaan voor deze omslag.

Of toch? Het had iets van doen met Israël, waar haar dochter woonde, en met “als dat maar goed gaat”. De Palestijnen? Nee, de injecties. “Heeft u ook alles gedaan, de prikken en zo?” vroeg ze mij, voorzichtig, bijna besmuikt. “Ja,” antwoordde ik, en ik dacht aan het” tobberige type in mijn omgeving”, zoals mijn stukjes schrijvende vriend mij daarom had genoemd. “Dat is geen vaccinatie,” mopperde ze zachtjes, “jullie worden geïnjecteerd met gentherapie. Eerst hebben ze het financiële systeem kapot gemaakt, het hele MKB is al verwoest. Rutte is een vazal, die is ingehuurd om ervoor te zorgen dat wij worden vervangen door robots. Alleen de elite mag blijven. We krijgen misschien wel een inkomen, maar onze vrijheid zijn we kwijt. Niks meer aan te doen.”

Ik stelde haar oprecht nieuwsgierige vragen, waarbij ik zorgvuldig vermeed om in discussie te geraken over “de Waarheid”. Wel liet ik duidelijk weten dat ik er een ander wereldbeeld op na hield, maar dat was niet meer dan een feit. Op een zeker moment haalde ze daarom opgelucht adem en toen ze die adem weer liet gaan, droeg die de woorden: “Ik ben een Wappie.” Met de volgende ademtocht sprak ze haar waardering uit voor het feit dat ik haar daarom niet veroordeelde. Waarom zou ik? “Tja, het is niet makkelijk om een Wappie te zijn,” vervolgde zij, “je gaat er slecht van slapen. En je gaat hyperventileren.” Zonder aan de Waarheid te komen, vroeg ik haar of zij die niet af en toe “los kon laten”, om aandacht te besteden aan het groen om haar heen en de zon en de mensen? 

Net op dat moment liep er een stel voorbij, waarvan de vrouw net iets te lang naar ons keek. Ik zag haar schrikken. “Die zal wel denken: waar hebben zij het over?” meende zij. “Nee hoor, die dacht: wat doet die vrouw daar met dat gele plastic schepje in haar tas, zo zonder strand in de buurt en zonder kinderen,” grapte ik. Het mocht niet baten, zij begon weer over het midden- en kleinbedrijf, en over The Great Reset. Ik begon me te realiseren dat het inderdaad geen pretje was om een Wappie te zijn en vroeg me af wie zij was geweest voordat ze een Wappie werd. In alle ernst vroeg ik haar of zij niet soms verlangde dat er een deur zou zijn, waardoor je weer uit zo’n kijk op de realiteit zou kunnen stappen. 

“Maar dat kán niet!” riep ze, bijna wanhopig om dit plotselinge onbegrip van mijn kant. “Als je dat inzicht eenmaal hebt, dan kan je niet meer terug. Het is ook allemaal te laat. Sommigen maken er een eind aan.” “Nou, ik hoop dat u dat niet gaat doen!” waagde ik nog. “Nee,” sprak zij geruststellend, “dat is veel te naar voor de nabestaanden.” En alsof ze bang was dat hij stil zou komen te staan, gaf ze een ferme slinger aan de piekermolen: “Ik hoop dat ze me mijn pensioen niet afpakken.” “Dan komt u maar een keer bij mij eten,” zei ik, terwijl ik op mijn fiets stapte om een einde aan het gesprek te maken. En al hadden we de hele tijd netjes afstand gehouden, op dat moment drukten we elkaar nog snel even de hand, haar rechter mijn linker, alsof die hele Covid-19 inderdaad een verzinsel was.

Tuinhek

Toen ik onlangs op een morgen wakker werd,
stond het tuinhek zomaar open.

Ik stond op, maar niet om het dicht te doen:
ik liep gewoon de tuin uit en deed het hek achter mij dicht.

De wereld was nog hetzelfde, maar dan veel mooier:
gloednieuw.

Toen ik in het water was gestapt,
en kopje onder was gegaan,
en daarna uitkeek
over een uitgestrekte rimpelloosheid,
waarover het ochtendlicht van de achtste dag lag,
zag ik een meeuw, die zich – in zijn vlucht! –
als een kat achter zijn oor krabde.


Wie weet gebeurt zoiets ontelbare keren,
maar dat het deze keer gebeurde en ik het zag,
maakte het tot een wonder,
waar gebeurd.

Er vallen al een week geen bommen meer in Israël en in Gaza, maar een vonkenregen waait nog over de wereld en doet her en der kruitvaatjes vol meningen ontploffen. Meningen van mensen die progressief en (dus?) “pro-Palestina” zijn. (“From the river to the sea?” – “Ach, dat zal toch zo’n vaart niet lopen?”) Meningen van mensen die vinden dat je toch wel “kritiek op Israël mag hebben”. (Het is me nog niet gelukt opbouwende kritiek of waardevolle feedback te vinden.) En zelfs meningen van mensen die het verlangen koesteren “aan de goede kant van de geschiedenis te staan”. 

Ik ben bang dat daar geen plek genoeg is voor iedereen met een mening. Daarom wil ik graag wat mensen naar voren schuiven, die daar volgens mij wel thuis horen. Een paar handenvol naamloze inwoners van Akko, die de straten schoonmaken, nadat relschoppers een Joods-Arabisch theater in de fik hadden gestoken. Joden en Arabieren samen:

Dan zijn er nog twee van wie de namen wel bekend zijn: Muhammad Mahamid, een 17-jarige Arabische Israëliër, die omkwam bij rellen in Um al Faham. Zijn vader besliste dat zijn organen beschikbaar mochten zijn voor transplantaties, sommige levensreddend. Daarbij wenste hij nadrukkelijk geen onderscheid te maken tussen Joden en Arabieren. 

En Yigal Yehoshua, een 56-jarige Joodse man uit de Joods-Arabische stad Lod, waar zware gevechten waren uitgebroken tijdens de eerste nacht van de beschietingen vanuit Gaza. Hij was op weg naar huis en kreeg een straatsteen tegen zijn hoofd. Een van zijn nieren leeft verder in het lichaam van Randa Aweis, een 58-jarige Arabisch-Israëlische vrouw uit Jerusalem.

Van Muhammad Mahamid heb ik helaas geen foto kunnen vinden. Van Yigal Yehoshua zichrono livracha wel:

Hartog en Doornroosje

Het was heel mooi weer, een dag of tien geleden. Ik hield me op in een hoekje van de begraafplaats, waar ik oude zerken, die al een halve eeuw door “de Natuur” overwoekerd waren, opdiepte vanonder een tapijt van plantenwortels en heerlijk ruikende humus. Het gekwinkeleer van tientallen zangvogeltjes in riet en struweel overstemde met gemak het constante gedruis van de stad, die net achter de sloot lag te ronken. Ik was te rustig om “opgeschrikt te worden”, maar niettemin hoorde ik plotseling een heftig gebrul of geblaf, dat mij niet zozeer alarmeerde, als wel nieuwsgierig maakte. Het leek namelijk van de begraafplaats zelf te komen. En dat kon immers niet? Ik was daar helemaal alleen en de sloot was breed als een slotgracht en de poort gesloten.

Langzaam richtte ik me op en daar klonk het geluid opnieuw: een gebrul of geblaf, angstig en woedend, dat weerkaatste tegen de gevels van de nabijgelegen huizen. Eerst liep ik in die richting, maar in het plantsoen, dat de dodenakker van de woonwijk scheidde, leek alles rustig. Toen klonk het geluid voor een derde keer, duidelijk op het midden van het terrein. Langs een slingerpaadje, uitgehakt door de bramenwoestenij, begaf ik mij naar het middenpad. In mijn gedachten zag ik  ergens verderop een “verwarde man” dwars door dezelfde bramenzee banjeren. Het beeld was glashelder: stevig postuur, dikke buik, zongebruind gezicht, woeste zwarte baard en krullen, camouflagejack boven een sleetse spijkerbroek. En maar brullen, boos op de Wereld, kwaad op het Leven zelf.

Toen ik het middenpad had bereikt, was hij daar ook, precies zoals ik verwacht had. We stonden allebei stil, vol verbazing. Ik omdat mijn vooroordelen, die ik in mijn hoofd als een balon had opgeblazen, met een geluidloze knal werden doorgeprikt. Hij omdat hij waarschijnlijk nog nooit zo dicht bij een mens was geweest. We stonden stil als struiken. Ik zag hem snuffelen, zijn veel te grote oren bewogen alle kanten op. Hij zette één been vooruit, maar trok het meteen terug, zoals wanneer je een teen in het water steekt, om te voelen of het warm genoeg is om te gaan zwemmen. Ik was verbijsterd, vanwege het wonder en vanwege de schoonheid, zo dichtbij.

O ja, ik zou het bijna vergeten te vertellen: ik stond plotseling oog in oog met een verbaasde jonge reebok. Nauwelijks bekomen van dat wonder, die schoonheid, appte ik een vriend. 

Happiness is only real when shared. 

Chris McCandless

“Are you safe?” appte hij onmiddellijk terug, want hij is heel zorgzaam. Weer verbazing: ik had er geen moment bij nagedacht dat het wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn om te gaan kijken wat zo’n verwarde man op een begraafplaats doet. Toen ik, luchtigjes, weerom appte dat het beest snel genoeg in de gaten had dat ik niet tot zijn doelgroep behoorde, had mijn vriend hem voor het inkoppen: “Dan was hij dus toch niet zo verward . . .” Dat ik het stiekem een beetje jammer vond dat ik geen hertje was, (om nog maar te zwijgen van alle andere doelgroepen waar ik buiten val), dat hield ik wijselijk voor mezelf.

Een week later hing de verdwaalde jongeman nog steeds rond op het keiwer owes. De vrijwilligers van de natuurwerkgroep vonden dat ik hem een naam mocht geven. “Hartog,” zei ik, zonder aarzelen. Want dat is, via Herzog < Hertz < Hirsch, terug te voeren op het Hebreeuwse Tsvi, wat “hert” betekent, en dat was dan weer het dier waarmee Jacob op zijn sterfbed zijn zoon Naftali vergeleek. Misschien moet ik die naam ook maar schenken aan de enige naamloze dode die in mijn database van de begraafplaats voorkomt.

Seideravond

Toen ik vier jaar geleden bij JMW Thuiszorg werkte, kwam ik regelmatig bij een cliënt die ernstig beperkt werd door de ziekte van Parkinson, om hem te helpen met douchen en aankleden. Als ik hem dan helemaal had ingezeept (met zijn lievelingszeep) en afgespoeld, vroeg ik altijd: “Nog even voor de lekkerte?” Het antwoord was steevast: “Mijn moeder zou zeggen: jij weet wat een goed mens toekomt.” Op een keer – ik strikte net de veters van zijn bruine jogging schoenen vast – begon hij te vertellen, dat hij zijn moeder verloren had door de oorlog. Ze was vermoord in Sobibor. “Maar ik heb een theorietje,” vervolgde hij, “dat zij, iedere keer als ik over haar praat, een beetje hoger en beter komt te zitten, waar ze nu is.” En nog voordat ik daar iets op kon zeggen: “Gek, dat ik dit zomaar aan jou vertel, want ik heb het nog nooit aan iemand anders verteld.”

Hoe het precies zit aan gene zijde van de dood, weten we niet. Hebben onze geliefde doden iets aan onze cultuur van herinneren en gedenken? We weten het niet, maar ik voel wel sympathie voor het “theorietje” van die cliënt van mij, zichrono livracha. En anders: laat het maar een mitswe zijn, een “zegen brengende religieuze verplichting” (Tamarah Benima in: Een schaap vangen), zonder dat we hoeven te weten hoe en waar die zegen precies neer zal dalen. 

De Sjechina (Goddelijke Aanwezigheid) rust niet op ons door droefheid, noch door laksheid, noch door grappenmakerij, noch door oppervlakkigheid, noch door druk gepraat, noch door ijdele ambities, maar slechts door de vreugdevolle bezigheid van het vervullen van de mitswot.

Babylonische Talmoed, Sjabbat 30b

Door een toeval van het soort, waardoor sommige mensen zeggen dat toeval niet bestaat, kwamen vlak voor Pesach dit jaar drie hagadot bij mij terecht – in De Mokumse Geniza. Er stonden namen in en degene die ze mij overhandigde, zei: “Tja, die mensen zijn er niet meer.” We weten wat dat betekent. Wie zij waren, is (dankzij het digitaal Joods Monument) eenvoudig te traceren en de sporen van gebruik in de boekjes brengen hen bijna tastbaar dichtbij. Er ligt een gedroogd blaadje van radijs op de plek waar de tien plagen met royale spatten wijn zijn bespat. Matsekruimels hebben zich verstopt in het bindwerk. Een briefje van een kind, versierd met een poesieplaatje, is vanaf 1922 tussen de achterste schutbladen bewaard.

Nu is het net alsof deze mensen straks bij mij aan de seidertafel komen zitten. Als een stel oude bekenden, want vanwege mijn historisch onderzoek loop ik regelmatig in de voetstappen van de vader van het gezin, die vanaf 1914 beheerder was van de Joodse Begraafplaats Zeeburg. Tot in oktober 1943 woonde hij met zijn drie dochters, een schoonzoon en twee kleinkinderen in de beheerderswoning aan de Zeeburgerdijk 226. Daar moeten deze hagadot op 14 Niesan 5703 voor het laatst zijn gebruikt. 

Graag zou ik deze mensen aan u voorstellen. Hartog de Vries werd in 1881 geboren in Hoorn. Toen Mozes Verduin nog het beheer over Zeeburg had, was hij al werkzaam als osek  (lijkbezorger). In 1914 was de begraafplaats vol en vertrok Verduin naar Diemen, waar een nieuwe dodenakker was ingewijd. Hartog de Vries heeft het in de drie decennia dat hij de verantwoordelijke was op Zeeburg niet zo druk gehad als zijn voorganger, maar moet zich vaak machteloos hebben gevoeld. Door ophoging en bebouwing van de Indische Buurt werd het terrein steeds drassiger. Zerken vielen om, voor verbetering en onderhoud was geen geld, en de straatschoffies uit de nabijgelegen wijk maakten al voor de oorlog een speelplaats van deze laatste rustplaats van het armere deel der Amsterdamse Joodse bevolking. 

Ondertussen bracht hij daar, samen met zijn vrouw Gesiena de Beer drie dochters groot. Het gezin nam actief deel aan het Joodse leven in de nieuwe wijk, waar de buurtvereniging Rechouwous sjoeldiensten verzorgde in een woonhuis en waar op zeker moment 150 kinderen Joodse les volgden. Beide oudste dochters, Reina en Eva, bleven ongehuwd. De jongste, Elisabeth, trouwde in 1935 met Benjamin Denneboom, die al in 1931 als knecht van haar vader werkzaam was: in één van de drie hagadot heeft hij aangetekend dat hij het boekje van Hartog de Vries heeft gekregen, “voor mijn geboortedatum 5 Maart 1931”.

Elisabeth en Benjamin kregen twee kinderen: Sara Gesiena en Hartog. Volgens het digitaal Joods Monument woonden zij (samen met zus Reina) aan de Plantage Kerklaan 13hs, maar uit hun archiefkaarten in het Stadsarchief blijkt dat zij in september 1941 bij vader Hartog en zus Eva zijn ingetrokken, aan de Zeeburgerdijk 226. Ik stel mij voor dat zij daar, op 19 april 1943, voor het laatst met elkaar aan de seidertafel hebben gezeten. Ongetwijfeld zullen zij vol zorg zijn geweest over de toekomst en zich ontheemd hebben gevoeld in hun eigen stad en straat, omdat bijna alle mensen die zij kenden al weg waren, naar Polen. Toch hebben zij elkaar het verhaal van de Uittocht uit het slavenhuis naar de vrijheid verteld. 

Toen ook zij uiteindelijk moesten vertrekken, hebben ze – in de hoop dat ze ooit terug zouden keren? – hun boeken in een kist gedaan en aan iemand in bewaring gegeven. Die kist is na de oorlog ergens op een zolder teruggevonden en de hagadot zijn – zoals veel Joodse “kerkbenodigdheden” – door “de weinigen die ontkwamen” gered, opnieuw gebruikt en uiteindelijk in De Mokumse Geniza terecht gekomen. Daar blijven ze staan, als matseiwes voor de mensen van wier bestaan ze getuigen:

Hartog de Vries – Hoorn, 18 maart 1881 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Gesiena de Vries-de Beer – Winschoten, 8 september 1878 – Amsterdam, 26 juli 1941

Reina de Vries – Amsterdam, 29 maart 1905 – Sobibor, 28 mei 1943

Eva de Vries – Amsterdam, 17 juli 1906 – Sobibor, 28 mei 1943

Elisabeth Denneboom-de Vries – Amsterdam, 14 september 1912 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Benjamin Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1908 – Auschwitz, 29 februari 1944

Sara Gesiena Denneboom – Amsterdam, 6 december 1939 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Hartog Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1941 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Achtertuin

Onlangs zat ik ’s avonds in het donker, vlak voordat de avondklok mij huiswaarts dwong, op een bankje aan De Nieuwe Meer over het water te staren. Dat doe ik graag en het doet me goed, de verte en de golven. Ondanks het donker werd ik plots herkend door een van mijn zorgverleners (ja, ik ben nu zelf een zorgvrager!), die daar samen met haar man een avondwandeling maakte. “Ha,” zei ik, gekscherend, “is dit soms ook júllie achtertuin?” Daarna ontspon zich een gesprek over hun woonark aan het nabijgelegen Jaagpad en over een extra fietsbrug die de Gemeente Amsterdam vlak naast hun aanligplaats wil gaan bouwen, om beide oevers van de Schinkel met elkaar te verbinden.

Ik kende het verhaal nog niet, dus mijn oren spitsten zich, om vervolgens vervaarlijk te gaan klapperen. “Hè, maar dat kán toch niet? Zo druk is het toch niet op de bestaande fietsroutes, over het sluisje en over de Zeilstraat?” Bleek dat er een grote nieuwe woonwijk (11.000 woningen!) met een heleboel kantoorruimte gebouwd gaat worden tussen de Schinkel en Nieuw-Sloten. En de mensen die daar wonen gaan uiteraard massaal op de fiets naar kantoren elders, en van elders komen de mensen op de nieuwe kantoorruimte af. “Er komt ook nog een fietspad langs de snelweg.” “En de corona dan?” opperde ik. Klopt, de plannen waren van vóór de pandemie. 

Tja, ik gaf de protesterende omwonenden niet veel kans. Meestal gaan dat soort plannen hoe dan ook door. Ze worden bedacht door nijvere ambtenaren achter tekentafels en beeldschermen vol Excel-sheets. Natuurlijk zijn ze ook op locatie wezen kijken, met een paar bestuurders en politici. Waarschijnlijk stonden ze met z’n zessen midden op het bestaande fietspad langs het paardenweitje en misschien fietste u ze op dat moment wel rakelings voorbij en dacht u nog: “Kijk uit, jullie zien ook niks!” U zag wel hoe zwaar ze het hadden met gewichtig zijn en de juiste indruk op elkaar maken. Dat klinkt nog door in de reactie van de Gemeente op de bezwaren van de omwonenden:

We begrijpen dat bewoners zorgen hebben over de plannen voor de brug, omdat dit impact heeft op hun omgeving. Met de woonbootbewoners, buurtbewoners en ondernemers gaan we een ontwerpproces in om te zoeken naar de beste inpasbaarheid in de bestaande omgeving. De voorlopige planning is dat een brug in 2025 gerealiseerd kan worden.

Ach kijk: in hetzelfde stukje op de site van AT5 prijken – als tussenkopje – de woorden “niet in mijn achtertuin“. Dat is wel de minst fantasierijke dooddoener, waarmee buurtbewoners met bezwaren doorgaans worden weggezet. Deze keer hoop ik, in mijn eigen belang en dat van heel veel Amsterdammers, dat die woorden als een boomerang op hun doel terug zullen keren. Want de “groene scheg” langs de linkeroever van de Schinkel is niet zomaar een achtertuin, laat staan alleen die van de woonbootbewoners aan het Jaagpad. Het is mijn achtertuin! En niet alleen die van mij, maar die van de hele Schinkelbuurt, van het Olympisch Kwartier en nog meer aangrenzende woonwijken. Als al die mensen, die ik daar dagelijks zie wandelen en fietsen, voor hun werk of voor hun plezier, dat nu ook beseften, dan kwam die – prestigieuze, maar overbodige – brug er niet. 

Teken de petitie hier: https://petities.nl/petitions/stop-de-brug-van-het-jaagpad-naar-de-schinkeleilanden?locale=nl_gr

En: zegt het voort!

De achtste dag

Vannacht droomde ik een droom, die ik al zo vaak en in zovele gedaantes heb gedroomd. Ik zat achter het stuur van onze oude HY, Alex zat nog naast me. We reden over kronkelende bergweggetjes, steeds hoger en hoger. Dan door een bergdorpje, met straatjes die steeds smaller en smaller werden. Op een zeker moment – ik was inmiddels alleen – merkte ik dat ik in een dakgoot reed, tussen twee hoge, puntige daken met Hollandse dakpannen. 

Plotseling doemde vlak voor me een schoorsteen op. Tot hier een niet verder. Ook van omkeren of achteruit rijden was geen sprake meer. Ik liet de HY ter plekke achter en wrong mij door een dakraam, dat toevallig open stond. Daar landde ik op een grote, lege zolder, met mooie oude dakspanten. Na lang zoeken vond ik een trapgat en daalde ik af in een soort schoolgebouw: eindeloos lange gangen, verdieping na verdieping. Blijkbaar was er niemand in het gebouw, als op een christelijke zondag, maar toen ik op de begane grond was gekomen, stond de glazen voordeur zomaar open.

Ik herkende de buurt, waarin het gebouw stond. Uit andere dromen? Of was het echt die oude arbeiderswijk aan de rand van Enkhuizen, waar ik als eenzame puber zo vaak had rondgedwaald? De zon scheen op bedauwde gazons. Het was doodstil, als op de ochtend van de achtste dag.

Toen werd ik wakker. Het was de eerste dag der week, en de eerste dag van de rest van mijn leven.

Wees niet bang

*

[Wees niet bang]  

Wees niet bang, mijn kind,
twee muizen zijn ’t maar, 
die springen van de tafel op de stoel. 
Kleiner dan jij zijn ze,
ze eten je niet op.

Wees niet bang, mijn kind,
het is de regen maar,
zijn natte vinger tikt op het raam.
Wij doen niet open.

Kruip lekker bij me,
ik ben je moeder.
We trekken de nacht als een donkere 
deken over ons hoofd:
niemand zal ons vinden.

van David Vogel (1891- 1944)

Wenst u maar!

Waarschijnlijk ben ik niet de enige, die de anderen toewenst wat ze zelf graag zou krijgen. Dus hier komt mijn wens voor 2021, in de hoop dat er plek voor is tussen alle geweldige, bruisende, fantastische, prikkelende, uitbundig bloeiende etc. tweeduizendeenentwintigs die u al gekregen heeft: