Feeds:
Berichten
Reacties

Ziektewinst

 

Wow!! Wat had ik er de laatste maanden lekker de vaart in! Plezier op mijn werk, de regie over mijn roosters, tijd en energie over voor leuke dingen, zelfs om bestuurstaken op me te nemen. Die ik ook leuk vind om te doen. De energie kon niet op. Er kon telkens nog een tandje bij en tijdens de hectische voorbereidingen voor Pesach voelde ik me helemaal on top of the world. Twee dagen nadat de laatste seidergasten vertrokken waren, kwam ik echter zacht suizend naar beneden en knarsend tot stilstand. Dinsdag had ik bij mijn cliënten al verteld dat ik ziek ging worden en alleen het hoogst noodzakelijke kon doen. Ik was doodmoe en er opende zich een kolk van groene walging bij elke gedachte aan eten. Toen ik thuiskwam viel ik in bed en in slaap, niet duidelijk in welke volgorde.

Toen ik wakker werd was het heel stil en donker om mij heen. Telkens vervormende gezichten met priemende oogjes en hoog gebogen wenkbrauwen zweefden zachtjes als ballonnen tussen mij en het plafond. Ik kon mij niet bewegen, maar zag mezelf, ergens ter hoogte van mijn kruis, als baby op de grond zitten, temidden van een boel omgevallen potjes, bakjes en blikjes, waarin ik allerlei vreemde voorwerpen had verzameld. Raadsels van mijn vroegste jeugd. Ik rook de geuren: bitter, scherp, zwaarzoet, muf, teerachtig. Ik zag vormen en kleuren, zo vreemd dat ik ze ook nu nog niet thuis zou kunnen brengen. Een schop van mijn beentje en daar koos een wolkje violetblauwe schimmelsporen kringelend het luchtruim. Zo alleen, die baby, en zo zorgeloos!

Telkens als ik een propje slijm wegslikte, leek het alsof een klein mannetje, dat zich ergens in mijn zachte verhemelte genesteld had, het een e-mail adres meegaf en op een blauwe button SEND klikte. Ook heel gewoon. Het verbaasde mij bijna dat alles zo gewoon leek, terwijl het toch duidelijk ongewoon was. De meest vreugdevolle verbazing gold dat ik totaal geen angst voelde. Ook toen mijn geest aan gruzelementen ging en neerdwarrelde naar de bodem van een kaleidoscoop, om daar rustig verder te malen, bleef mijn overgave aan het moment me dragen als de met koortszweet doordrenkte matras onder mijn roerloze rug. Zelfs de goederentrein zonder einde, die ondersteboven tegen de binnenkant van mijn rechter schedelhelft langsdenderde, volgeladen met stukken herinnering aan een wekelijks door migraine geteisterde puberteit, – ze zagen eruit als brokken puin van een gesloopte asfaltweg – liet ik ongestoord zijn loop’s maken.

Soms sliep ik weer een poos. Dan werd ik weer rillend en badend in het zweet wakker. Een enkele keer slaagde ik erin om uit bed te komen voor een sanitaire stop en om water in te slaan voor de rest van de reis. Het was meestal niet duidelijk of ik wakker was of sliep, het dromen of hallucineren had een eigen constante, die zich daar niets van aantrok. Alles voltrok zich zonder rekening te houden met tijd en ruimte. Nog altijd boezemde niets wat ik zag of voelde mij angst in. Ook toen ik op een gegeven moment dacht “Misschien blijf ik straks wel dood, als ik weer weg glij,” bleef ik volkomen zorgeloos. Een blijkbaar snel aangeleerd instinct zorgde ervoor dat ik nog net het ‘sjema‘ kon zeggen: men weet maar nooit. Maar ik werd gewoon weer wakker, wanneer, dat weet ik niet meer.

Heel, heel langzaam ebden de hallucinaties weg, werd de hoofdpijn minder en zette de walging zich om in vreemde hunkeringen, waaraan ik echter van de ondertussen geraadpleegde huisarts (wel echt) niet mocht voldoen. Op streng dieet en met strikte rust als enige opdracht ben ik voorzichtig op de terugweg naar een normaliteit, die ik bijna vergeten was. Verbazingwekkend vanzelfsprekend dat ook dit weer gewoon buiten mij om plaatsvindt. Ach, ik weet al dat ik die volstrekte, absurde eenzaamheid van de eerste ziektedagen ga missen. Daarom stop ik ze in dit blikje of bakje. Ook neem ik er een besef uit mee: alles waar ik ooit zo bang voor was – desintegreren, alleen zijn, niets kunnen – is die angst niet waard.

Laat ik dat maar meteen als levenseinde verklaring vastleggen: wat me ook ooit zal overkomen, ik wil graag doorleven voorbij het moment dat ik zelf geen beslissing meer kan maken om mijn leven te (laten) beëindigen. Zal wel te duur worden, tegen die tijd, maar daar ga ik me nu geen zorgen over maken.

Advertenties

Een uiltje knappen

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Nachtklaar

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Lààà-no!

In de kattenhemel zaten ze net aan tafel, toen er hard gebeld werd. Een roodcyperse kattenengel sprong op en greep naar de intercom. “Láánow!” riep een zware, diep doorrookte mannenstem aan de andere kant. Zeker iemand uit de mensenhemel aan de overkant van de straat. De engel deed open en miauwde naar beneden: “Lààà-no!” Even later was Lano boven en rende naar de keuken, waar hij zijn bakje ‘urinary’ brokjes zocht. En vond, natuurlijk: de hemel was hemels zoals alleen een hemel hemels kan zijn.

Toen mijn jongste dochter zes jaar zou worden, kon ze al zelf een verlanglijstje voor haar verjaardag dicteren. Bovenaan stond ‘een kat’. Een half jaar tevoren was onze Stoffel gaan hemelen en haar ouders hadden zelf nog niets ondernomen om het huis weer bepoest te krijgen. Zo zijn we toen met ons vieren naar het asiel getogen, waar ons kind een kat mocht kiezen. De keus was snel gemaakt toen ze een mollige (want ‘geholpen’) kater op haar schoot kreeg, die daar meteen rustig bleef zitten en haar overal kopjes begon te geven. Hij had al een naam: Lano heette hij, omdat hij gevonden was aan de Laanweg in Amsterdam-Noord, waar hij na het overlijden van zijn baasje, een oude vrijgezel, verweesd was achtergelaten.

Men waarschuwde ons: probeer de kat thuis niet meteen aan te halen, want waarschijnlijk kruipt hij eerst een paar dagen onder een kast, om daarna schuchter de boel te gaan verkennen. Ach, die lui kenden Lano helemaal niet! Toen we thuis de kattenmand openden, liep meneer heel bedaard naar buiten en sprong op de bank. Daar zat hij nog maar even, of hij spitste zijn oren en keek in de richting van de piano, waar hij blijkbaar iets hoorde wat ons allen ontging. Binnen twee uur had hij vijf muizen gevangen! Tevreden spinnend krulde hij zich in een hoek van de bank op en viel in slaap.

Een tevreden kater is hij altijd gebleven, hoewel, toen Twiggy met haar buik vol jongen zijn territorium binnen kwam vallen, merkten we wel dat zelfs hij ontstemd kon raken. Hij was altijd een buitenkat geweest en die aard liet zich niet loochenen. Wij woonden drie hoog, maar elke morgen ging Lano met ons mee naar beneden, glipte naar buiten en dan zagen we hem de hele dag niet meer. Een nette heer, bezigheden buitenshuis hebbende, met her en der in de buurt een eethuisje. Dat werd nog lastig, toen hij een paar jaar later vanwege blaasperikelen op diëet moest.

Als meneer vond dat het weer tijd werd om naar huis te gaan, dan deed hij dat. Alleen: hij kon niet bij de bel. Dus posteerde hij zich rustig voor de deur en wachtte tot die vanzelf open zou gaan. In de eerste jaren woonde in een benedenhuis tegenover ons Ome Henk. Zodra die zag dat Lano voor de deur zat te wachten, kwam hij naar buiten en belde bij ons aan: “Láánow!” Meestal zaten we net te eten. Toen Ome Henk opeens overleden was, was er niemand meer om Lano op zijn wenken te bedienen. Dat weerhield hem er niet van om zijn bezigheden buitenshuis te hebben. Hij leerde zich aanpassen aan ons komen en gaan, zelfs het geluid van onze auto leerde hij herkennen. Als we van een tochtje terugkwamen, zagen we hem al naar de deur huppelen, zodra we de hoek van de straat om kwamen rijden.

Krap tien jaar na zijn intrede in ons huishouden kwam de scheiding en ging Lano mee naar Amsterdam Noord. Twee straten verderop van de Laanweg kwam hij te wonen, in een huis met een tuintje erbij. Als ik hem af en toe terugzag, verheugde ik mij altijd over zijn welstand. Mollig, niet te dik, een glanzende vacht en van een tevredenheid waar de hele wereld jaloers op zou kunnen zijn. Mijn ex is trouw en zorgzaam als geen ander. Toch kwam ook aan zijn idyllisch leven een einde. Na zeventien jaren trouwe dienst zeiden zijn hart en nieren: tabee. Het toeval – of het universum – wilde dat mijn dochter en ik juist vanmorgen samen in Noord kwamen om iets op te halen, zodat we hem voor de laatste keer opgekruld in een mandje konden zien liggen. In de poezenhemel was de bel al gegaan. Goeie ouwe Ome Henk.

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Witte en zwarte jassen

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Meekijken

*

Eerst dacht ik dat ik domweg gelukkig was, en dat niet eens in de Dapperstraat. Ik fietste door de Valeriusstraat, de avond viel en ik keek vooruit en naar omhoog, waar de gevels een streep blauwe lucht vrij lieten, waarlangs de wolken zich bewogen. Op weg naar die wolken gleed mijn blik langs een raamkozijn, ooit geschilderd in bentheimer wit, nu grauw en bladderend. Opeens moest ik denken aan net zo’n raamkozijn, dat ik ooit heb geschilderd,  in de Bloedstraat op de Amsterdamse Wallen, in 1996. Ik streek mijn kwast in neerwaartse richting en zag hoe een haar zich losmaakte en wegzonk in de zacht ineenvloeiende hoogglanslak. Ogenblikkelijk was ik vastbesloten: deze haar laat ik zitten. Hij zat op een plek waar hij niemand op zou vallen, dus hij zou daar voor altijd zitten, ingesloten door de verf, als bewijs dat ik daar was, dat ik geleefd heb en heb besloten dat die haar daar zou blijven. Als hij niet weer weggeschuurd en -geschilderd is, dan zit hij er nog.

Nu was het alsof ik in één klap kon zien hoe er op een hele rij raamkozijnen boven mij haren waren ingebed in de verf. Niemand merkte ze op, maar  ik wist heel zeker dat God weet heeft van al die haren. Immers, geen mus zal op de aarde vallen etc. God ziet al die haren, hier en overal, en kent alle omstandigheden waaronder ze daar op die raamkozijnen terechtgekomen zijn. De schilders, Hij kent ze bij naam, de levenden en de doden. Maar hij weet ook alles van de stoffige heesters, die onderaan sommige van deze gevels staan en van het schamele onkruid, dat in hun schaduw schuilt. Ook de hondendrol op de stoeptegel rechts daarvan is Hem bekend. En de man die de riem vasthield in zijn hand en het zweet in zijn handpalm. De hand waarmee . . . .

Hoe lang hield dit aan? Niet eens één seconde, denk ik. Ik fietste gewoon door, was immers aan het werk. Eigenlijk had ik helemaal geen tijd voor “moments of sudden illumination”, voor de wonderen die het leven verborgen houdt, “tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.” Toch kon het me niet ontgaan dat ik, heel even, de wereld zag zoals ik denk dat God haar moet zien. En natuurlijk zag ook ik dat het goed was.

Heeft God dan ogen?

Waarom niet?

Zoude Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren?
Die het oog gevormd heeft, niet zien?

Psalm 94:9 (vertaling Samuel Israel Mulder)

En ikzelf heb immers – heel even maar – door Zijn ogen naar de wereld mogen kijken? Misschien gebeurt dat ook andersom: misschien is Hij het Bewustzijn waar alle beelden, die wij allen met elkaar zien, samenkomen. Alle beelden. Dat van J.C.Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat; dat van mij, plotseling verlicht in de Valeriusstraat; en dat van Gerard Reve, berustend in het leven aan de Jozef Israelskade.

Hij had de huisdeur bereikt. ‘Vrede,’ dacht hij, ‘het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.’ Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. ‘Goedenavond,’ zei Frits. ‘Zo, mijn jongen,’ antwoordde de man. ‘Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen?’ dacht Frits. ‘Een zwangere huisknecht.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk? Hansop, geloof ik.’ Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onderaan de rug, was een lange verticale spleet, die open stond. ‘Ik kan zijn reet zien,’ dacht hij. ‘De klep om te kakken staat open.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’