Feeds:
Berichten
Reacties

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Advertenties

Wonderen

 

Waarom zetten we de chanoekia bij voorkeur (maar: safety first!) in de vensterbank? Omdat de wereld mag weten dat “daar een groot wonder is geschied”, zoals de vier Hebreeuwse letters op de dreidl verkondigen. Voor wie het nog niet weet: in het jaar 164 v.C. hadden de Maccabeeën de Tempel in Jerusalem heroverd op de Seleucidische Grieken. Die hadden het heiligdom ontwijd door een varken op het altaar te offeren en daarna de boel kort en klein te slaan. De zevenarmige kandelaar lag op de grond en tussen het puin werd slechts één kruikje kosjere olie gevonden. Desondanks zette men de menora rechtop en stak haar aan. Ze bleef branden tot er weer nieuwe olie geperst was, acht dagen lang.

Zo ver weg in tijd en ruimte, en toch wist de warmte van dit wonder me feilloos te bereiken! Dat is op zich al een wonder. Van dichter bij kwam een ander Chanoeka- verhaal op mij af. Rabbijn Hugo Gryn herinnert zich Chanoeka 1944 in een “miserable little concentration camp in German Silesia”:

My father took me and some friends to a corner in the barracks. He announced that it was the eve of Hanukkah and produced a small clay bowl. Then he began to light a wick immersed in his precious but now melted margarine ration. Before he could recite the blessing, I protested at this waste of food. He looked at me, then at the lamp, and finally said, “You and I have seen that it is possible to live up to three weeks without food. We once lived almost three days without water. But you cannot live properly for three minutes without hope!

Ook dit is een wonder. Er is een bijzonder verband tussen wonderen en hoop. Ik kom daarop terug.

Mijn eigen rabbijn had dit jaar een heel andere benadering van het wonder: als je goed kijkt is alles een wonder. Zij heeft haar keuze gemaakt uit het dilemma van Albert Einstein:

There are only two ways to live your life. One is as though nothing is a miracle. The other is as though everything is a miracle.

Dat zal ook wel de bedoeling zijn geweest, en anders wel die van Abraham Joshua Heschel:

Our goal should be to live life in radical amazement. ….get up in the morning and look at the world in a way that takes nothing for granted. Everything is phenomenal; everything is incredible; never treat life casually. To be spiritual is to be amazed.

Het is goed met de existentialistische heren: ik houd de snaren van mijn ziel liever wat minder strak gespannen, dan gaan ze wat langer mee. Ik heb er – in ieder geval statistisch gezien – goede hoop op dat ik daar dan ook nog lang van mag genieten. In verwondering schuilt genot, maar soms draagt juist statistiek de hoop aan, bijna alsof het zekerheid is.

Is het misschien daarom dat wij gewoon zijn in alles om ons heen eerder de vaste patronen te herkennen dan het eenmalige? Zouden we het aan kunnen als we écht konden zien hoe God de wereld even vaak opnieuw schept – en vernietigt – als uw computerscherm zich ververst? Waar ligt de gulden middenweg tussen voorspelbaarheid en verrassing? Vermoedelijk voor ieder van ons op een andere, steeds verschuivende lijn. Na een jaar waarin dit voor mij persoonlijk een van de belangrijkste thema’s is geweest, vrees ik dat wij als mensheid nogal van het padje beginnen te raken. Dronken door het succes van de voorspellende kracht van de kunstmatige intelligentie die wij in het leven hebben geroepen, laten we onszelf net iets te graag opsluiten in een droom van voorspelbaarheid. Tijd voor weer wat wonderen. Daar heb ik overigens goede hoop op.

 

Wat is vluchtiger: een woord of een gedachte?

Misschien is mijn antwoord strikt aan mijn persoon gebonden, misschien ook herkent een van mijn lezers het wel. Mijn woorden verwaaien veel sneller dan mijn gedachten – tot mijn verdriet. Nee, ik zou niet willen dat mijn woorden bestendiger waren, maar juist dat het gesprek met mijzelf, waaruit mijn gedachtenwereld bestaat, de helft minder stroperig was. Mijn stream of consciousness is als een brede rivier, die traag stroomt – als je er een strootje in gooit, of een dorre twijg, dan zie je hoe door obstakels en wervelingen alles wat het leven van anderen aan het mijne toevoegt heel lang zichtbaar blijft, voordat het naar de diepte zakt of in de zee der vergetelheid verdwijnt.

Als ik het zo neerschrijf, kan ik me er ook gelukkig om prijzen, vanwege de rijkdom die het mijn innerlijk leven geeft. Maar vandaag denk ik daar anders over. Al wekenlang denk ik dagelijks over mijn op handen zijnde afscheid van mijn huidige werkkring en van mijn cliënten. Met nogal gemengde gevoelens constateerde ik dat de zelfgekozen overgang naar een andere omgeving met andere zorgbehoeftigen me tamelijk onverschillig liet. Liet, want afgelopen week had ik een vriend te eten, aan wie ik probeerde uit te leggen dat ik me steeds minder hecht aan de cliënten met wie ik bijna dagelijks verkeer. Al vertellend zocht ik naar een verklaring: ik heb geen vaste roosters, ze gaan de een achter de ander dood, door hun pijn en beperkingen zijn ze vaak zo sterk op zichzelf betrokken, dat er weinig wederkerigheid in de belangstelling voor elkaar optreedt.

Gek genoeg kan ik me de reactie van mijn vriend niet eens precies herinneren, maar door mijn rondcirkelende gedachten werkelijk woorden te laten worden, schoot er iets los in die rare rivier van binnen. Alsof hij ongemerkt een zwerfkei had verplaatst, een paar centimeter maar. Opeens bleken mijn gedachten niet meer te kloppen. Ze waren niet langer dezelfde, als toen ik ze wilde verwoorden. Zit er morgen een andere vriend tegenover mij aan tafel, dan krijgt hij een ander verhaal te horen. Niet omdat hij een ander is, maar omdat ik niet langer dezelfde ben. Ik kom niet meer weg met de gedachten die ik had, maar zal het moeten doen met de gevoelens die mij nu doorstromen. Veel minder onthecht dan ik dacht.

Een heel ander verhaal. Enige tijd geleden schreef Bart Schut in het Nieuw Israelietisch Weekblad een column, waarin hij triomfantelijk de Koran citeerde en vervolgens van de Arabieren verwachtte dat zij zouden beamen, dat hun profeet het land Israël als onvervreemdbaar bezit van de Joden had bestempeld. Hoeveel speelsheid en ironie zat er in zijn bewering? Ik kon het moeilijk meten. De week erop las ik ergens een reactie op het stuk, waarin een lezer hem erop wees dat het weinig zinvol is om een heilig geschrift als bewijsstuk op te voeren, zonder zich rekenschap te geven van de manier waarop die woorden leven onder het volk van dat boek.

Raakt dit aan een wezenlijk verschil tussen calvinisme en Jodendom? Hoe leeft een tekst, die men als heilig in het midden legt? Opeens herinner ik mij een docent maatschappijleer op de middelbare school. Een bevlogen man, of liever, bevlogen geweest, want toen al trof mij in hem de melancholie van gekwetst idealisme. Hij had theologie gestudeerd, maar was er halverwege mee gestopt. Toen ik hem vroeg naar het waarom, legde hij mij uit dat hij teleurgesteld was geraakt in de Bijbel als morele code. “Ik kwam erachter dat het een stuk elastiek is: iedereen trekt eraan en gaat zijn eigen kant uit.”

Het heeft heel lang geduurd eer ik erachter kwam dat het weinig zin heeft om de woorden van God als een morele code te zien. Yehuda Amichai heeft gelijk als hij zegt:

We begged you, Lord, to divide right from wrong
and instead you divided the waters above the firmament
from those beneath it. We begged
for the knowledge of good and evil, and you gave us
all kinds of rules and regulations
like the rules of soccer
(…)

Toch, waar die woorden ter harte worden genomen, telkens wanneer erover gediscussieerd wordt, wanneer ze uitgesproken worden, thuis en onderweg, bij het opstaan en bij het slapen gaan, brengen ze – net als een vriend aan tafel – leven in de stroom van gedachten.

De weg naar het hart

Als een mens een heuse poos geen seks heeft gehad, dan komt ie tekort en gaat er iets knagen. Tenminste, dat geloven we allemaal. Toen, jaren geleden, een jongere collega een keer met een ochtendhumeur op het werk kwam, gierde een van de andere dames het uit: “Hahahah, Yolanda, moet je soms een piemeltje hebben?!” Van een oudere dame hoorde ik, hoe zij ooit met depressieve klachten bij de huisarts binnenstapte en de man haar vroeg: “Gaan jullie nog wel regelmatig van bil?” En ik maar denken dat seks vooral met intimiteit te maken heeft, met de weg naar het hart.

Misschien is dat ook wel zo, maar veel vaker lijkt het – bedankt, dokter Freud! – alsof heel ons leven een metafoor is voor seks. Eten bijvoorbeeld. Van een lieve Indiase moeder in Zuid-Afrika kreeg ik eens een kookboek kado, met een vette knipoog: “. . . because after all, the way to a man’s heart is through his mouth.” Nu ben ik er heilig van overtuigd dat liefde een grote rol speelt in de keuken, maar ik denk daarbij echt niet altijd meteen aan de slaapkamer. Gelukkig lees ik af en toe een roman, zodat ik blijf weten waar het bij mannen uiteindelijk allemaal om draait:

Zachte minnepraat. Zoete heiligverklaringen die zonder uitzondering gastronomisch getoonzet waren.
Ze wilden haar. Ze wilden haar beboterd met suiker. Ze zagen haar opdoemen voor hun geestesoog met overal bananen. Ze gingen haar, let maar eens op Biancaatje, inwrijven met hollandaise, bearnaise; hoe hitsiger de fantasie, hoe romiger de sauzen waarmee ze haar wilden bedruipen en bezalven.
Uit schaamte over zoveel gulzigheid deelden de heren haar vervolgens ootmoedig mede dat ze hun perverse pornohoofd het liefst zouden verstoppen onder de witte kwabben van haar vissenbuik. Ze zagen zichzelf roetsjend in frambozenbavaroise en zachtroze coulis al over haar golvende dijen rijden en o ja, Bianca, zou ze s’il vous plait, een paar Franse woorden kunnen spreken terwijl ze voor straf hun testikels in de vinaigrette doopte, en kon ze please, puh-lease, hun papillen kietelen met langoustinestaart?

Ook het domein van mores en moraal wordt geregeerd door lage driften. Afgelopen weekend las ik een column in de krant met als titel Morele masturbatie. In het het zich aanmeten van morele superioriteit herkent de auteur onmiskenbaar de lust om te vernederen. Wij allen zitten vol (seksuele) aggressie. Je hoort de stoomfluiten juichen en de uitlaatkleppen sissen: de stoommachine als zinnebeeld van ons driftleven. Rechters die corpsballen taakstraffen opleggen, maar vooral de maatschappelijke commotie eromheen: alles is seks. Nu lijkt me het schrijven van zo’n column ook een eenzaam avontuur, dus . . . oei, wat zit ikzelf hier eigenlijk te doen? . . . ik bedoel: wanneer ik die strenge moraalridders onder de columnisten bezig zie, moet ik inderdaad wel eens denken aan blote, ruig behaarde heren, die elkaar stevig van katoen geven, zoals ik die wel eens in een por . . . nou, zeg, hoe kom ik nog op nettere gedachten?!

Laat ik het liever over religie en spiritualiteit hebben, dat is heilig en veilig. Tenminste, als ik de misbruikte misdienaartjes, de foute guru’s en die ‘seksrabbijn’ even buiten beschouwing laat. Tja, maar dan kan ik me die scène uit Het Parfum, waarin een purperen kardinaal, bedwelmd door de feromonen van 50 vermoorde maagden, temidden van een orgie op een dorpsplein in religieuze extase raakt, ook maar beter niet herinneren. En, oh jee, daar heb je Gerard Reve en Hadewich ook nog! Er is geen houden aan. Ik hoef mijn teentjes maar even, heel voorzichtig, in het vurige water van de bronnen der joodse mystiek te dopen, of ik kom er achter dat al mijn gebeden en goede werken erop gericht zijn om de mannelijke en de vrouwelijke helft van God “tot elkaar in” te doen gaan.

Hoe kan een mens nog tekort komen, als seks zo alomtegenwoordig en alles doordringend is? Ik hoor hoe een rabbijn zich druk maakt over jongeren die verliefd worden op de nieuwste iPhone. (“People used to fall in love with real people.”) Maar wat is daar zo vreemd aan? Je hoeft niet zo ver te gaan als Birdy in de gelijknamige film om ornithofiel te zijn en volgens de freudianen is ook postzegels verzamelen een “gesublimeerde auto-erotische activiteit”. Postzegels, brieven, . . .  Kom, misschien moet ik eens aan een prikkelende “epistolaire relatie” beginnen, zoals de hoofdpersoon in Les Intouchables. Met hem was lager dan zijn oorlelletjes fysiek niets zinnelijks meer te beleven, maar hij vond wél de weg naar het hart van een echte vrouw. Zou dat andersom ook werken?

 

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Licht

*

op bladzijde 47:

*

 

 

 

Mijn licht

Vertaling: Channa Kistemaker

Ik heb het licht echt niet op straat gevonden.
Bij de erfenis van mijn vader zat het ook al niet.
Echt, uit eigen rots, uit eigen steen,
heb ik het geslagen, gehouwen
uit mijn eigen hart.

Eén vonk gaat schuil in de rots
van mijn hart – één heel klein vonkje,
maar wel helemaal van mij.
Ik heb haar van niemand gebietst of gestolen.
Echt, uit mij komt zij en ze blijft in mij.

Onder de mokerslagen van mijn verdriet
spat mijn hart uit elkaar, die sterke rots.
Op springt de vonk, recht in mijn oog
en van mijn oog – naar mijn vers.

Vandaar glipt zij jullie harten binnen,
en in het ontsteken van jullie vuur verdwijnt zij.
Ik, met mijn merg, mijn bloed,
betaal haar gloed.