Feeds:
Berichten
Reacties

Verstandig?

 

Mijn verstand stond niet op nul. Integendeel, bijna had ik te lang de voors en tegens overwogen. Men kan ook té bedachtzaam zijn. Vrijdagmiddag om drie uur dacht ik: “Kom op, wees niet zo kinderachtig! Je wilt het toch?” Snel liep ik naar de overkant, naar kantoor, om zijn sleutel op te halen. “Stel je voor, straks bedenk je je nog!” Mijn collega’s keken even op van hun beeldschermen en ik zei: “Ik ga even kijken of meneer L. zin heeft in een ommetje. Het is zulk mooi weer.” Daar had je het weer: ik oogstte al bewondering voordat ik überhaupt iets had gedaan. Misschien zou ik hier over vijf minuten alweer staan, omdat ik die ouwe brompot niet had kunnen overhalen even samen naar de jonge futen te gaan kijken.

Waarom had ik zo lang geaarzeld? Waar gingen mijn bedenkingen eigenlijk over? Was ik vooral bang dat men mij onprofessioneel zou vinden? Of overdreven? Vreesde ik misschien dat ze zouden denken dat er meer achter zat dan alleen maar een altruïstische geste? Misschien was dat wel zo, want ik voelde duidelijk vanuit mijzelf de behoefte om het eens gezellig met hem te hebben, in een domein dat de intimiteit die de zorg al bood zou overstijgen. Was ik dan bang voor afwijzing van zijn kant? Hij was tenslotte, alle flirterige grapjes ten spijt, niet iemand waar je makkelijk dichtbij komt. Eigenlijk precies zoals ik ze wil hebben.

Wat was het dan? Waarschijnlijk was ik vooral, en niet geheel ten onrechte, bang dat mijn gebaar zijn verwachtingen van mij en van de thuiszorg zou ontregelen. Wat haalde ik me op mijn hals, als hij me zou gaan claimen voor van alles waar binnen de reguliere zorg geen tijd en geen geld voor is? Zou ik hem dan toch al gauw weer teleurstellen, waarna hij weer in zijn verongelijkte zelf zou terugkruipen? Mokkende ouwe man. Mijn mokkende ouwe man.

Hij zat te somberen in zijn achterkamer, toen ik (niet te vrolijk, daar houdt-ie niet van) binnenstapte. Terwijl ik mijn voorstel deed en hij het overwoog, meende ik te merken dat wij ons allebei heel even gelijkelijk kwetsbaar voelden. Even speelde hij nog hard to get, of zag hij er eigenlijk gewoon tegenop? Somberen ging hem beter af dan iets gezelligs gaan doen. Alweer, heel even: waar begon ik in godsnaam aan? Bijna had ik het opgegeven, toen hij – zonder me aan te kijken – aanwijzingen begon te geven: de voetsteunen voor zijn rolstoel lagen daar, en hij wilde het rooie jack aan, want de wind was misschien toch wat koud.

Vanaf dat moment zat ik een uur lang in mijn groove. Hij in zijn rolstoel voor me uit, zodat we elkaar niet aan hoefden kijken, wel zo makkelijk. “Kijk! Ziet u ze, de jonge futen?” “Nee, die kant langs, blijf toch maar een beetje in de zon.” “En nou naar rechts.” “Naar het Stadionplein?” “Ja, misschien kunnen we daar wel een ijsje eten.” Na het ijsje reden we nog helemaal om het Olympisch Stadion heen. Hij verwonderde zich over de huizen aan de Afroditekade en vlak voordat we de weg naar zijn huis overstaken, keek hij genietend naar een oude iep, waar zon en wind naar hartelust mee stoeiden. “Wat een prachtige boom!”

Toen ik hem uit zijn jack begon te helpen, gaf hij nog een aanwijzing. “Ach, zo,” zei ik, “dan weet ik dat voor de volgende keer.”

Die volgende keer komt niet, nooit. In de nacht van de afgelopen sjabbat is hij zomaar opeens doodgegaan. Voor het eerst sinds tijden ben ik echt verdrietig. Samen met mijn vaste collega van de avond zei ik – op zijn verzoek – “een gebedje” voor het raam van het lege huis. De collega’s van de dag waren ook geschrokken, neem ik aan, want ze “vroegen zich af, was dat wel zo verstandig, een cliënt meenemen om te wandelen in je eigen vrije tijd?” Het duurde meer dan een dag, voordat het tot me doordrong wat zij daar misschien wel mee bedoelden.

Advertenties

12052019

 

Door mijn werk heb ik een vertekend beeld van de ouderdom, ik weet het. Talloze tachtigers leiden een zorgeloos zwitserleven, zonder dat ik het in de gaten heb. Overal waar ik kom sijpelt urine langs enkels, alsof het aan mij, aan mij alleen te wijten is. In mijn wijk vol hoogopgeleiden is bovendien het merendeel van de bejaarden min of meer stevig aan de drank. Een even troostrijk als troosteloos vooruitzicht. En toch vind ik mijn werk leuk. Pappen en nat houden, met een sprankje zwarte humor. Grimlachend leef ik met mijn oudjes in hun verleden en hun hier en nu, op een heel eigen manier onbekommerd.

Door mijn eigen leven heb ik ook een vertekend beeld van het ouder worden. Mijn ouders stierven beiden jong. De goden zullen hen liefgehad hebben. Misschien hadden ze het met mij ook goed voor, want anders dan veel van mijn generatiegenoten ga ik niet gebukt onder de last van mantelzorg. Ik weet nog net wat het is om kinderen groot te brengen en uit te laten vliegen, sidderend van vreugdevolle verwachting en van vrees. Je moet er maar op vertrouwen dat zij het leven aan zullen kunnen, met al zijn klippen en kuilen. Als jij dat niet doet, hoe moeten zij dat dan voor elkaar krijgen?

Wellicht is het met de laatste levensfase van je ouders ook zo: je moet er maar op vertrouwen dat ze het kunnen, aftakelen, tot ze klein genoeg zijn om door het oog van de naald naar de andere wereld te reizen. Maar hoe moeten mijn leeftijdgenoten dat doen, in de wereld van vandaag?

Er is iets met de wereld gebeurd, waardoor vertrouwen een schaarse grondstof is geworden. Heel even heeft Jan Terlouw ons opgeschrikt, toen hij twee jaar geleden begon over het touwtje uit de brievenbus, maar het knallen van de zweep van de vooruitgang heeft hem alweer overstemd. De maakbaarheidsgedachte hangt als een half afgemaakte zin in de lucht en we zijn – heel innovatief – alweer met een volgend project gestart. Beheersbaarheid. Als dat lukt, is het opraken van het vertrouwen immers opgelost.

Met verbijstering sla ik ons gade, maar dat komt waarschijnlijk doordat ik een vertekend beeld heb van het leven. Een hoofd vol gedichten, geschiedenis en gebeden is te zwaar om de vaart der volkeren bij te houden. Of ben ik misschien toch een heel klein beetje wijzer geworden in de jaren die ik achter me heb gelaten? Wijzer en weemoediger dan.

De innovatie op mijn werkterrein is zeer oplossingsgericht en uiteraard veelbelovend. Het groeiend leger van dementerende thuiswoners wordt ingesponnen in een cocon van digitale systemen. Medido. Domotica. CarenZorgt. Uiteindelijk zal er niets meer mis gaan. Een kleine ongelovige in mij fluistert: “Niets? Wacht maar, er gaan andere dingen mis.” En heel eerlijk gezegd had dat stemmetje niets hoeven zeggen, want ik zie het al om me heen. Het is net alsof door ons streven naar beheersbaarheid het vertrouwen in onszelf, elkaar en het Leven nog sneller opraakt.

Nu wil ik niet gaan zeuren over iedere keer dat ik mijn werk moet onderbreken, omdat de centrale waarop de Medido’s zijn aangesloten me belt met de mededeling dat ik even moet gaan kijken bij mevrouw Plasmeijer, omdat haar Medido een foutmelding geeft. Liever was ik gewoon elke avond bij haar langs gegaan, dan had ze ook even aanspraak gehad en had ik even een oogje in de andere zeilen bij haar thuis kunnen houden. Ik zal het ook niet hebben over de toename in onrust door de koppeling tussen onze overdracht en de mantelzorg-app van CarenZorgt. Hoe verder de kinderen uit de buurt wonen, hoe angstvalliger ze alles via de app volgen en iedereen weet inmiddels wel dat digitale berichtjes steeds sneller en onzorgvuldiger gelezen worden, zodat de misverstanden over elkaar heen tuimelen. Voor mijn voeten.

Nee, het kwalijkste gevolg van het beheersbaarheidsdenken komt niet eens van al die digitale systemen. Het zit in de vanzelfsprekendheid waarmee verondersteld wordt dat het goed is om te allen tijde de regie over je leven te hebben. Daarvoor schijnt het belangrijk te zijn om alle mogelijke scenario’s rond het levenseinde rationeel te doordenken en alvast beslissingen te nemen voor alle mogelijke wendingen die de loop van het leven zal nemen. Ergens heb ik het idee dat de ouderen van vandaag daar niet eens zelf om vragen. De tijdgeest dringt het hen op, vaak via hun kinderen of de zorgverleners die er over de vloer komen.

Nebbisj, wat heb ik te doen met die oude geleerde op het hellend vlak van verminderende cognitieve vaardigheden, die men regelmatig lastig valt met vragen waar zijn onpraktische brein misschien wel nooit echt raad mee heeft geweten. Terwijl hij eigenlijk aan zijn memoires zou moeten werken, breekt hij zijn hoofd over dilemma’s die zich mogelijk voor zullen doen (of misschien ook niet!) op een moment dat hij zelf geen beslissing meer kan nemen. En waarom? Bij hem hangt het touwtje nog gewoon uit de brievenbus. Gelukkig mag ik nog even gewoon ouderwets zijn zelfzorg aanvullen waar nodig en ondertussen genieten van zijn hoofd vol gedichten en geschiedenis. Bidden doet hij niet – ik wel voor hem.

Vrede en haat op de Dam

 

Kom, laat ik me eens buiten mijn bubble begeven en naar de Dam gaan voor een “vredesmanifestatie”. Een van onze rabbijnen had daartoe opgeroepen. Manifestatie bleek een groot woord voor die paar honderd mensen die uiting wilden geven aan gevoelens van solidariteit met de getroffenen van de terreurdaad in Christchurch, Nieuw-Zeeland. Solidariteit, het blijkt altijd weer een raar goedje te zijn. Op podium en plein hadden zich uiteraard vooral weldenkende mensen verzameld, die “elkaar vasthielden” tegenover de dreiging van “extreem rechts”. Maar daar tussenin stond een heel ander clubje mensen, die ook solidair waren, getuige de wapperende Palestijnse vlaggen.

Op het moment dat opperrabbijn Binyomin Jacobs het woord nam, draaide het groepje activisten hem demonstratief de rug toe en hielden sommigen van hen in het Arabisch gestelde plakkaten omhoog, die waarschijnlijk “kritiek op de staat Israël” behelsden. Hun actie had geen zichtbaar effect op de menigte en de woorden van de sprekers leken hen niet te raken. “Wij laten ons niet tegen elkaar uitspelen,” zei onze burgemeester, Femke Halsema. Mij raakte het wel, om zo’n duidelijke blijk van jodenhaat van zo dichtbij mee te maken.

Wat bezielt deze mensen? Zijn de Palestijnen hier werkelijk bij gebaat? Ik moest onwillekeurig denken aan iets wat een mede-redactielid ooit zei over radicale activisten: “Meestal gaat het vooral om pus. Etter van een of ander oud zeer, dat eruit moet.” Politiek als therapie. Hoe heilzaam is dat?

Wat klinken op zo’n moment de idealen van het Humanistisch Verbond, verwoord door Boris van der Ham, paradijselijk:

 

Vrede begint met het fundamenteel respecteren van de mens.

En niet ‘de mens’ als een soort abstracte soortnaam;

Niet de mens als onderdeel van een groep of stroming;

Nee, gewoon de ene mens, een voor een, iedereen afzonderlijk.

De mens die tegenover je staat. Naast je zit. Om de hoek bij je woont. In je eigen huis, je man, je vrouw, je dochter of zoon.

Vrede komt door ieder het recht toe te kennen als uniek te worden gezien.

Hier staan verschillende vertegenwoordigers van godsdienstige stromingen, en ik als vertegenwoordiger van een niet-godsdienstige levensbeschouwing, het humanisme.

Wij zijn al heel verschillend.

Maar binnen onze verschillende stromingen is het zo mogelijk nog diverser.

Ieder mens heeft een eigen mengelmoes aan kenmerken, ideeën, opvattingen.

Ieder mens heeft standpunten of gedragingen waarin we bewust of onbewust een ander pad kiezen dan onze omgeving, onze ouders, de samenleving, de stroming of de abstracte groep waar je ‘zogenaamd’ toe behoort.

Een mens is geen abstractie, maar is levend, verandert, breekt, bouwt, groeit, valt, is uniek.

Dat is vrijheid, dat is menselijk, dat is vrede.

De enige echte gelijkenis die wij als mensen hebben, is dat we allemaal, stuk voor stuk, ongelijk zijn.

Dat maakt ons mens.

Maar wat is de brug tussen dat ideaal en de werkelijkheid lang en wiebelig.

 

 

Bijna dagelijks verwonder ik mij over de laatste cliënt die ik ’s avonds bezoek. Hij woont alleen op een bovenverdieping van een groot, bijna leegstaand huis. Hij ziet niets en kan nauwelijks lopen. Medische kunstgrepen houden zijn lichaam aan de praat en onze zorg houdt de praktische kant van zijn leven op de rails. Onlangs is zijn vrouw hem –  in een dubbele salto mortale: eerst in de geest, door Alzheimer, daarna lichamelijk, door een longontsteking – ontvallen. Toch straalt die man, als ik met hem praat, en vertoont hij een verbazingwekkende levendigheid van geest. Hoe krijgt hij dat voor elkaar? Wat is zijn geheim?

Elke dag weer daagt hij zichzelf uit om, in het pikkedonker, een berg van lichamelijke beperkingen te beklimmen, en daar op een eenzame hoogte te gaan ‘lernen‘, zoals hij het graag noemt. Hij wil nog zo graag “iets achterlaten”, misschien voor zijn kinderen (al boeit zijn queeste hen niet werkelijk), of anders voor die paar vrienden die nog niet dood zijn. En voor mij, want in mij ziet hij een verwante ziel. In den blinde zoekt hij zijn weg door taaie teksten in het Hebreeuws, hem toegesproken door een ijzige vrouwenstem, die de software voor hem genereert. “Ténach,” zegt ze. Hij volgt het spoor van aartsvader Abraham, tot diens moment van sterven, waarbij dezelfde woorden terugkomen die ook geschreven staan bij onze verdrijving uit het paradijs.

Ah, het Paradijs! Oorsprong en bestemming. Middelpunt van al onze omzwervingen. Als het niet bestaat, hoe bestaan wij dan nog? We verlangen ernaar met heel onze ziel en vluchten er uit allemacht van weg.

Zo ook mijn bejaarde bijbelvorser. Het document, dat hij na wil laten, omdat het zal getuigen van het geluk dat hij heeft geput uit zijn inzicht in het “Woord ons gegeven”, dat document zal wel nooit af komen. Zijn zoektocht, hoe rationeel en academisch ook, heeft onmiskenbaar mystieke trekken. Hoe dichter hij bij de kern komt, hoe wijder het vergezicht zich opent. De horizon lokt, of duwt hij haar zelf steeds verder weg?

Als het op ‘lernen‘ aankomt, volg ik zelf liever de omgekeerde richting: ik keer die kern de rug toe en verdiep me naar hartelust in al die aangroeisels en aankoeksels van de rabbijnen en in de lotgevallen van Abrahams zaad, talrijk als het zand der zee. Middelpuntvliedend.

Toch hebben wij iets gemeen. Allebei duwen we met onze leergierigheid het niet-Zijn voor ons uit. Zolang wij nog iets te leren hebben, zal de Dood in de wachtkamer moeten blijven zitten. Maar er is nog iets anders: laatst liet hij zich ontvallen dat het voor hem niet meer zou hoeven, wanneer hij niet meer zou kunnen werken aan zijn bescheiden magnum opus, of het nou af is of niet. In een luie stoel zitten en van een luisterboek genieten? Dat is niet genoeg om voor te leven. Begrijpelijk, met al die ongemakken, maar voor mij, gezond en wel, gaat het ook op.

Op dit moment kijk ik in dezelfde spiegel als die, welke mij tijdens de vakantie van vorige herfst een paar keer werd voorgehouden. Ik kan niet niets-doen. Sorry. Hoe aantrekkelijk de haast mystieke visie van mijn rabbijn op de Sjabbat (“laat alles los, je hoeft niets meer, dit is een dag bestemd voor louter Zijn”) me ook voorkomt, ik stel het meestal graag nog even uit. Het helpt (of niet) dat die praktijk breed gedragen wordt, in liberale kringen in ieder geval. De smartphone, die barometer van ons bestaan, blijft bij nagenoeg iedereen die ik ken branden, of in elk geval op de waakvlam staan. En ik vind altijd wel een excuus om toch een paar uur achter mijn grote beeldscherm door te brengen, al is het maar om te ‘lernen‘. Alleen maar Zijn, het lijkt bijna zo eng als niet-Zijn.

Uitgeleide

 

*

stilte rond het graf

regen roffelt fluisterzacht

op regenschermen

Gechipt

 

“Mogen we apart betalen?” vroegen we in koor aan het meisje met het pin-apparaat. Natuurlijk mocht dat. We hadden zelfs de vrijheid om zelf de verdeling te maken. “Nee, u moet uw pasje daar in steken,” zei het meisje, “Deze werkt niet contactloos.” De jongeman met wie ik net aan de koffie had gezeten, zuchtte. Het was even net alsof hij moest nadenken over de vraag welke hand hij moest gebruiken voor het intoetsen van zijn pincode en welke voor het afschermen van de begerige blikken van – ja, van wie eigenlijk? “Ach,” zei ik, “wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen! Over twintig jaar zijn we gechipt en dan betalen we automatisch op het moment dat we door het poortje lopen.” Het leven als rekeningrijden.

Het is verbazingwekkend hoe één zo’n gedachtensprongetje plots een vergezicht kan openen waar je duizelig van wordt. Wat een mogelijkheden hebben we de laatste decennia aangeboord! Ik zie onmiddellijk voor me hoe AI (= kunstmatige intelligentie) voor ons bijhoudt wat we verdiend hebben (onze citizen score), welk risico de appelpunt (met of zonder slagroom?) voor onze gezondheid betekent en hoe zwaar hij op ons budget voor deze maand weegt. Misschien krijgen we hem wel niet eens, laat staan dat we ons door een ander kunnen laten trakteren.

Geen dappere nieuwe wereld, maar een veilige en gezonde en rechtvaardige. Weg met de uitvreters, de potverteerders! De tragedy of the commons is voorgoed verleden tijd. Het gaat niet langer over de pakkans bij fraude. Niemand krijgt ooit nog de kans om iets te nemen wat haar of hem niet rechtens toekomt. De kunstmatige intelligentie die we in het leven hebben geroepen is moraalridder en Prinzipienreiter in één. Zonder dat-ie het zelf in de gaten heeft. En nee, ik ga nu even niet de pret bederven door een oude midrasj uit de muizenissen van de rabbijnen op te diepen, waarin wordt verteld dat God het allebei allang geprobeerd heeft: een wereld maken met alleen rechtvaardigheid of eentje met alleen barmhartigheid.

Wat ik me wel, met angst en beven, afvraag: waar eindigt het, als AI ons niet meer toestaat onze kwade wil te gebruiken, maar zelf in zijn jeugd nog wel de nare trekken van de mensheid heeft geïnternaliseerd? Antisemitisme, homofobie, vrouwenhaat. Op een dag zit ik met een beduimelde Penguin pocket aan een tafeltje in het restaurant van het Stedelijk Museum en click een appelpunt aan, niet eens met slagroom, maar ik krijg ‘m niet. En ik weet niet eens of het komt doordat ik vrouw ben of joods. “Ach, wat schattig dat ik nog een keer ouderwets mag pinnen,” hoor ik mezelf zeggen. De rest van het verhaal speelde zich af in een split second, op een ontstoken plekje in mijn benarde brein.

Seks in bijbelse tijden

 

Een van de moeders met wie ik twee decennia geleden vaak een bankje deelde, terwijl we wachtten tot onze kinderen de school uit kwamen, was rechter. Toen ik haar eens vroeg wat haar boeide aan haar werk, zei ze: „Rechtspleging is heel erg een ‘talig’ iets. Daardoor zit  er speling tussen de formulering van een wet en de toepassing ervan. In die ruimte heb ik de gelegenheid om iets goeds te doen.”

[Ik spoel snel een heel eind verder terug.] Op de middelbare school hadden we een docent maatschappijleer, die ooit een theologiestudie was begonnen, maar die niet had afgemaakt. Toen ik hem vroeg naar zijn beweegredenen bij die keuze, zei hij: „Ik kwam er al snel achter dat je aan De Bijbel als morele code niet veel hebt. Het leek wel een stuk elastiek. Iedereen trok eraan, je kon het oneindig oprekken.” Hij was marxist geworden.

[Nu weer fast forward naar de Nashville-drukte van een paar weken geleden.] Daar gaat het immers ook om de interpretatie van een wet? De Wet van de Eeuwige nog wel. In het oververhitte begin lijkt het alleen maar te gaan over een ja of een nee tegen die wet. Fijn, dan hebben we twee kampen. Na een paar weken komt Ewoud Sanders met de hoopgevende constatering dat de Nederlandse ondertekenaars tenminste de moeite hebben genomen hun versie van de verklaring te staven met bijbelteksten. Hij laat meteen zien hoe de elasticiteit van de Wet in Nashville werkt: wees selectief.

Zelf laat hij God, met behulp van wat logica, incest via het scheppingsverhaal goedkeuren. Vond hij de dochters van Lot misschien te schunnig om erbij te halen? Hun verhaal wordt toch zonder enig oordeel verteld. Sterker: via Ruth, de Moabitische overgrootmoeder van Koning David, die zelf ook haar erotisch kapitaal wist in te zetten om de familie van haar schoonmoeder niet te laten uitsterven, komt uiteindelijk Jezus ter wereld. Verder laat hij overtuigend zien hoe “die 46 referenties, zeker als je ze in hun context leest, een ruw beeld geven van seks in bijbelse tijden.” Per saldo blijft er een handjevol “inconsistente bepalingen” over, die “geen waarachtig goddelijk fundament” onder regelgeving voor ons seksleven kunnen leggen.

Afgelopen week kwam ik een aanstekelijke tekst tegen over hoe wij Joden de Wet interpreteren. Om te beginnen is het daarbij van belang te beseffen dat je de tekst van de Tora niet kunt gebruiken los van de ‘mondelinge Tora’, die vervat is in de tradities van het rabbijnse Jodendom, en die vandaag de dag voortleeft, overal waar Joden de Tora interpreteren. Langs die weg blijkt dat de doodstraf, die in de Tora herhaaldelijk door God wordt geëist, weliswaar nooit is afgeschaft, maar binnen het Jodendom ook nooit meer wordt uitgevoerd. Verder kun je de voorschriften (in het Hebreeuws halacha) nooit los zien van de verhalen (hagada en midrasj). Een voorbeeld: God geeft de Israëlieten op de berg Sinaï allerlei regels omtrent de slavernij. Houdt dat in dat God slavernij als instituut goedkeurt? Nee, want uit het verhaal waarin die wetgeving is ingebed, weten we dat God (uiteindelijk) onze vrijheid beoogt.

Een voorbeeld van hoe levend de oude verhalen uit de Tora kunnen zijn, hoorde ik in een korte preek, die een van onze leden onlangs gaf. Hij vertelde het verhaal van Jozef en de vrouw van Potifar na, met nadruk op de zinsnede: “Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?” Oppervlakkig gezien gaat dit natuurlijk om het verbod op overspel, of om loyaliteit jegens een goede werkgever. Maar voor wie weet dat Jozef in de episode van de “veelvervige rok” in het Hebreeuws een na’ara (=meisje) wordt genoemd, in plaats van een na’ar (=knaap), steekt hier iets heel anders achter. Jozef was homoseksueel, of wellicht transgender, in ieder geval queer genoeg om uit de toon te vallen onder zijn broers. Het siert de kopiïsten van de Tora, dat zij die ‘schrijffout’ 3000 jaar lang hebben gehandhaafd; ook de Masoreten plaatsen slechts een voetnoot: lees na’ar. Als Jozef dus zegt dat hij niet tegen God wil zondigen, dan is dat bijna synoniem aan “tegen zijn geaardheid”. Dat doe je hooguit vanwege het nageslacht, maar niet voor de lol, of iemand anders’ lol.

Ik vraag me af wat de mannenbroeders van zo’n interpretatie zouden vinden. Te elastiekerig? Ik ben bang van wel. De afstand is waarschijnlijk te groot. Maar misschien is er moed te putten uit de constatering van COC-voorzitter Astrid Oostenburg, ook in NRC, dat de relatie tussen kerken en COC door de commotie rond het Reformatorische pamflet is verbeterd. Er is nog veel goed te doen.