Feeds:
Berichten
Reacties

De achtste dag

Vannacht droomde ik een droom, die ik al zo vaak en in zovele gedaantes heb gedroomd. Ik zat achter het stuur van onze oude HY, Alex zat nog naast me. We reden over kronkelende bergweggetjes, steeds hoger en hoger. Dan door een bergdorpje, met straatjes die steeds smaller en smaller werden. Op een zeker moment – ik was inmiddels alleen – merkte ik dat ik in een dakgoot reed, tussen twee hoge, puntige daken met Hollandse dakpannen. 

Plotseling doemde vlak voor me een schoorsteen op. Tot hier een niet verder. Ook van omkeren of achteruit rijden was geen sprake meer. Ik liet de HY ter plekke achter en wrong mij door een dakraam, dat toevallig open stond. Daar landde ik op een grote, lege zolder, met mooie oude dakspanten. Na lang zoeken vond ik een trapgat en daalde ik af in een soort schoolgebouw: eindeloos lange gangen, verdieping na verdieping. Blijkbaar was er niemand in het gebouw, als op een christelijke zondag, maar toen ik op de begane grond was gekomen, stond de glazen voordeur zomaar open.

Ik herkende de buurt, waarin het gebouw stond. Uit andere dromen? Of was het echt een arbeiderswijk aan de rand van Enkhuizen, waar ik als eenzame puber zo vaak had rondgedwaald? De zon scheen op bedauwde gazons. Het was doodstil, als op de ochtend van de achtste dag.

Toen werd ik wakker. Het was de eerste dag der week, en de eerste dag van de rest van mijn leven.

Wees niet bang

*

[Wees niet bang]  

Wees niet bang, mijn kind,
twee muizen zijn ’t maar, 
die springen van de tafel op de stoel. 
Kleiner dan jij zijn ze,
ze eten je niet op.

Wees niet bang, mijn kind,
het is de regen maar,
zijn natte vinger tikt op het raam.
Wij doen niet open.

Kruip lekker bij me,
ik ben je moeder.
We trekken de nacht als een donkere 
deken over ons hoofd:
niemand zal ons vinden.

van David Vogel (1891- 1944)

Wenst u maar!

Waarschijnlijk ben ik niet de enige, die de anderen toewenst wat ze zelf graag zou krijgen. Dus hier komt mijn wens voor 2021, in de hoop dat er plek voor is tussen alle geweldige, bruisende, fantastische, prikkelende, uitbundig bloeiende etc. tweeduizendeenentwintigs die u al gekregen heeft:

Opleidingsniveau

Op een avond fietste ik door de wijk, van de ene hulpbehoevende naar de andere, toen ik gebeld werd op mijn werkmobieltje. Of ik met spoed langs kon komen, want mevrouw haar zoon had de steunbeugels van het toilet omhoog gedaan en nu wisten ze niet meer hoe die naar beneden moesten. Lief mens dat ik ben, liet ik even alles uit mijn handen vallen om deze mensen uit hun nood te helpen. Drie minuten later stond ik al voor de deur. Ik was al “geweldig”, terwijl ik pas op de gang stond.

In het toilet werd ik geconfronteerd met een verouderd type beugels, dat ik nog nooit gezien had, maar niettemin was ik er snel achter hoe die dingen werkten. Ik zal maar niet vertellen op welke omweg in het leven ik dat technisch inzicht opgepikt heb. De zoon stond er met zijn neus bovenop en geneerde zich rot voor zijn eigen onhandigheid. “Ach, daar hebben we toch echt de thuiszorg voor nodig! Dat soort dingen snapt een arme academicus met twee linker handen niet!”

Ach, toen kon ik het niet laten om hem met een vileine opmerking even in het stof te laten bijten: “Tja, daar kan ik helemaal in meevoelen. Ik heb ook een universitaire opleiding gehad, maar gelukkig heb ik ook nog op het MBO gezeten. Daar heb je wat aan.” Wat een vals loeder ben ik toch!

Natuurlijk moest ik daar vandaag aan denken, toen ik in de krant las wat voor lelijke aap er uit de mouw van Jaap van Dissel was gekropen:

„We hebben uit onderzoek geleerd dat er heel veel factoren spelen. Daar speelt opleidingsniveau van verzorgenden in mee, de situatie in het verpleeghuis. Het is gewoon complexer dan het op te hangen aan een enkele maatregel”, zei Van Dissel over de tehuizen.

Op een geleerde toon onzin verkopen, ik geef ze niet graag de kost, die daar een goed salaris mee opstrijken. Nogal wiedes dat de V&VN haar verontwaardiging kenbaar maakte. En even begrijpelijk dat het RIVM probeert die aap weer in die mouw te wurmen:

Het RIVM verduidelijkt nu dat de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding alleen had willen schetsen hoe complex de situatie in de verzorghuizen is en dat die ook anders is dan in de ziekenhuizen. 

Tja, als Van Dissel dat alleen maar wilde, waar had hij dan dat opleidingsniveau van de zorgmedewerkers voor nodig? Het pedante dedain van de man was al vaker opgemerkt, maar nu is het echt duidelijk: hier hebben we te doen met iemand die zich laat voorstaan op kennis die hij niet heeft en op een opleidingsniveau, waarvan het virus allang heeft laten zien dat het er weinig toe doet. Dit is niet alleen schadelijk voor het gezag van de geleerde man zelf, maar ook voor het vertrouwen in de wetenschap in bredere zin.

En had hij nu nog de moed gehad om te zeggen: “Jullie hebben gelijk, ik ben een lul.” Nee, hoor wat hij zegt: 

Van Dissel heeft laten weten dat het hem spijt als zorgmedewerkers „zich door de zinsnede negatief geraakt voelen”.

Aftreden lijkt me een beter idee. Er is een groot tekort aan personeel in de verpleeghuizen, dus hij kan zo aan de bak. Maar laat hem het eerste jaar wel één dag in de week naar het ROC gaan, want met zijn opleidingsniveau komt hij er niet.

Op de valreep

*

voor Rob, z”l

*

Als straks je dertig naastbestaanden het laatste restje Rob voorzichtig in de aarde verbergen, zit ik nog uit te zieken. Van diezelfde ziekte, die jou noodlottig is geworden. Maar meer nog dan met die ziekte, zit ik met een kluwen van gemis, verdriet en dankbaarheid in mijn schoot, zoekend naar een beginnetje, zodat ik het allemaal op klosjes kan winden en bewaren.

Je was – negen jaar geleden – een van de eerste cliënten die ik hielp bij de ADL, onder het waakzaam oog van collega Frank. In de jaren erna dook je af en toe zomaar weer op, in de zorg, of gewoon op straat, met je rollator, schuifelend over de zebra in de Beethovenstraat. Steeds brozer werd je, en het was altijd weer een wonderlijk soort opsteker voor mij, om te zien dat je het weer had gehaald.

Het afgelopen jaar zag ik je regelmatiger, op en af, vanwege de dreiging van Covid-19 enerzijds en toenemende afhankelijkheid anderzijds. Je schuifelde door een steeds nauwer wordend straatje, diep gebogen, maar als je opkeek door die ogen die haast niets meer zagen, dan straalde je van levensvreugde, twinkelde je van humor, gloeide je van aandacht en altijd ging je gehuld in waardigheid.

“Ik ben een verwend mannetje,” was een van je stopwoorden. Zelfspot, die het zelf niet kraste, maar zachtjes glimmend wreef met een spatje spot. “Ik heb een prachtig leven gehad,” zei je, “en dat heb ik nóg.” Ondertussen stond je in je hemd, letterlijk en figuurlijk. Bij ieder ander had ik dergelijke woorden voor een laatste wanhopige poging tot compensatie voor verlies en aftakeling gehouden. Bij jou niet.

Bijna dagelijks mocht ik mee genieten van je oprechte dankbaarheid voor alles wat je had mogen zien en doen, in heel je heerlijk leven. Die dankbaarheid gold onveranderlijk bovenal je echtgenote en je kinderen en kleinkinderen. Het rinkelde als zilver over me heen, terwijl ik knielde om je sokken uit te trekken, met tussendoor af en toe een juweel van een anekdote. Precies op het goeie moment strooide je daar gewiekst een handje goudstof doorheen. “Ik ben blij dat jij er bent.” Of: “Jij bent de slimste vrouw die ik tot nu toe heb leren kennen.” Het mooie oude woord “vrindschap” [sic!] klonk. Wanneer jij daarna je tanden stond te poetsen, dacht ik in stilte aan Herman de Coninck:

Charme is niet iets wat er is. Charme is een vorm van medeplichtigheid tussen charmeur en gecharmeerde, de afspraak om te doen alsof. Charme is een meerwaarde die de charmeur graag aan de dingen had gegeven bij wijze van cadeau aan een of andere dame, maar die alleen geste blijft. Wat charmeert zijn de mooie woorden, in de wetenschap dat het alleen maar mooie woorden zijn. Als ze ook nog geloofd zouden worden, heb je niet met charme, maar met bedrog te maken. Essentieel voor charme is dat ze doorzien wordt, en desalniettemin graag geaccepteerd.

Toen het straatje tenslotte zo nauw werd, dat we er niet meer samen doorheen zouden passen, mocht ik je nog een laatste keer verzorgen. Beneden hadden ze gezegd dat je een slechte dag had gehad en erg zwak was. Zodra je mij hoorde leek je niettemin op te leven, om mij nog één keer van dat goudstof te laten genieten. “Om de een of andere gekke reden ben ik erg op je gesteld, dat weet je, hè, Channa.” En alsof dat niet genoeg was: “Om de een of andere rare reden, …. hou ik van jou.” Toe maar! Ik kon je nog net laten weten dat het geheel wederzijds was, voor ik té ontroerd zou raken. Beneden maakte ik nog een (misschien wat gewaagd) grapje, over hoe “in vorm” je was.

Daarna trok ik de deur achter me dicht en nam je laatste woorden mee voor mezelf: “Ik hoop dat we binnenkort weer een keer . . . . “

Dat binnenkort moeten we aan de Hemel overlaten. Een week na onze laatste ontmoeting ben je stilletjes weg geglipt uit dit leven. Eerlijk gezegd hoop ik dat je zo goed terecht bent gekomen, dat je mij een poosje kunt missen. Ik wil namelijk nog even blijven. Je nagedachtenis zal me daarbij tot zegen zijn, reken maar: je was voor mij de mooiste mentor in Lebensbejahung die ik me kan voorstellen. En telkens wanneer ik het nodig heb, hoef ik maar even met mijn vingers door mijn haar te woelen om nog weer een paar korrels van dat stofgoud te vinden. 

“Tot ziens, ….. en bedankt!” 

Een been om op te staan

Zouden we wijzer worden van de coronacrisis? Net terwijl ik me dit liep af te vragen, werd ik gebeld door een enquêteur van de gemeente. Die wilde weten hoe ik de crisis aan het doorkomen ben. Een van zijn vragen was of ik iets nieuws had geleerd in het afgelopen half jaar. Opeens zag ik mezelf struikelen over alles wat ik wilde zeggen (misschien toch te stil geweest, in alle eenzaamheid?), maar ik bleef nog net overeind en begon te vertellen. Over groeiende zelfacceptatie en navenante groei in assertiviteit. Over nieuwe taken en uitdagingen. En over het inzicht dat wij mensen veel meer van elkaar verschillen dan ik tot nog toe gedacht had.

Blijkbaar is het gewone leven (voor zover dat bestaat) erop ingericht dat we allemaal mee kunnen komen en aan onze trekken komen, met een doenlijke mate van aanpassing. Nu zie ik opeens dat die aanpassing al die tijd toch wat oneerlijk verdeeld is geweest. Terwijl het actieve en expansieve deel van de natie nu met moeite in bedwang wordt gehouden, genieten introverte naturen als ik van de afstand, van het lagere prikkelniveau en van de legitimiteit van een meer teruggetrokken levensstijl. Plotseling slaat de balans in mijn voordeel om. Poezemientje geniet er ook van. Waarschijnlijk zal ze over enige tijd terug beginnen te praten.

Maar nog even over die verschillen tussen ons mensen – tussen de prikkelgevoeligen en de prikkelbehoeftigen, bedoel ik. [De software van de spellingscorrectie in Word kent het eerste begrip niet, het tweede wel. Bij WordPress is het andersom! Maar dit terzijde . . .] Er was op de begraafplaats waar ik onderzoek doe onenigheid ontstaan over hoe de balans te vinden tussen grafrust en aandacht. Volgens de Joodse traditie hebben de doden behoefte aan beide. Maar de dood maakt tevens iedereen gelijk, dus aparte vakken of rijen voor prikkelbehoeftigen en prikkelgevoeligen hebben we niet. 

Op zeker moment ontstond er een pijnlijk conflict binnen de vrijwilligersorganisatie over een pad, dat ooit in 1925 is aangelegd over een veld met kindergraven uit 1883-1895. Een van de betrokkenen zou willen dat het pad alsnog opgeheven werd, teneinde de kinderen die eronder liggen een plek met de beoogde rust te gunnen. Ik was geraakt door zijn oprechte wens, maar zag ook dat hij onmogelijk de rest van de organisatie mee zou krijgen. De sjolemmacher in mij zocht naar een compromis. In de verkennende fase stuurde ik degene die het probleem op de agenda had gezet dit sonnet van Hendrik van Teylingen:

Kastanjes

Als we de steen mogen geloven
Dan rust jij, Wim, vier lentes net,
Hier haast een halve eeuw al met
Je broertje Joris, dat van boven

Boem! op je buikje werd geschoven
Als veel te groot verjaarspakket – 
Geen toetertje deed rettettet,
Geen wimpeltje werd rondgewoven.

Er is sindsdien maar weinig leven
Behalve soms die doffe ploffen
Zo’n zes voet boven jullie bol.

Als jullie samen nu eens even
Naar buiten kwamen, zou je boffen:
Kanstanjes, kerels! ’t Ligt hier vol!

Ik had gehoopt dat hij daardoor (oh, heerlijke macht van de poëzie!) de bevrijdende mogelijkheid van meerdere perspectieven zou gaan ervaren, zodat zijn onwrikbare stelligheid in beweging zou komen en de – toch echt niet onwillige bestuurders – zou kunnen ontmoeten op een punt, vanwaar naar een nieuw evenwicht gestreefd zou kunnen worden. Het heeft (nog) niet zo mogen zijn.

Met dit al ben ik gaan twijfelen aan de meest basale regel van de menselijke moraal: behandel een ander zoals je zelf behandeld zou willen worden. Hoe doe je dat, als mensen in hun behoeften zo radicaal van elkaar kunnen verschillen? Opeens moet ik denken aan de oude Joodse legende over Rabbi Hillel en Rabbi Sjamaï. Een puber daagde hen beiden uit met de vraag: “Kan u mij de Tora leren, terwijl u op één been staat?” Sjammaï werd kwaad en schold de knaap de deur uit. De altijd milde Hillel trok rustig zijn linker been op en zei: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet. De rest is commentaar. Ga heen en leer.”

De ethiek van de wederkerigheid is eenvoudig, maar ingewikkeld.

Elders zijn

*

“Ik leef tegenwoordig vooral in de negentiende eeuw,” zei de historica terloops, terwijl ze mij haar studeervertrek liet zien. Het was die terloopsheid, die me confronteerde met mijn eigen bedenkingen tegen het elders zijn. Is het een restje calvinistisch ketelsteen, of misschien een achtergebleven korstje marxisme, ergens aan de binnenkant van mijn ziel, dat mij moreel verplicht om in het hier en nu aanwezig te zijn? Of een herinnering aan tijden dat ik echt zo sterk de behoefte had te vluchten uit de dagelijkse dag, dat ik tenslotte zelf ging lijden onder gevoelens van verlatenheid?

Als ik goed kijk naar de mensen om me heen, dan zie ik hoe eigenlijk vrijwel iedereen voortdurend op zoek lijkt naar plekken om elders te zijn en blijken de mogelijkheden om uit het heden te dwalen duizelingwekkend groot in getal. Kunst en literatuur zijn ervoor gemaakt om ons uit ons uit ons beperkte zelf te trekken. Pornografie biedt een fantasiewereld, die minstens zo drukbezocht schijnt te zijn als Zandvoort in de zomer, zonder dat mensen elkaar daar tegenkomen. Vaak is uit het raam staren, ins Blaue hinein, al genoeg. Aan de andere kant is daar de roep om “in je lijf te komen” en “in het moment te leven”, alsof we anders een dure plicht verzaken.

Het hé-moment, dat ik ten overstaan van die terloopse opmerking van de historica beleefde, wandelt als een braaf hondje met me mee, de afgelopen weken. Zelf leef ik vooral in de decennia rond 1900 en het is daar allesbehalve doods en ongezellig. Er blijken veel mensen rond te lopen, die daar komen uit interesse, niet omdat ze er toevallig geboren zijn. Soms lijkt de grens tussen ons en de oorspronkelijke bewoners van die tijd even weg te vallen. Gisteren fietste ik voor mijn werk door de wijk en zag ik een onderzoeker lopen die ik ken. “Hé, Henny,” riep ik, “hoe is het met jou?” 

Even later waren we druk in gesprek, over iets wat gebeurd was in de Batavierstraat, op 8 augustus 1908. Toen ik over juffrouw De Vries begon, die destijds les gaf aan School nummer 81 in de Valkenburgerstraat, riep zij enthousiast: “Ja, die ken ik ook! Anna de Vries, ik heb nog een gedicht van haar, dat ze heeft geschreven in Achawa, voor Chanoeka in 1899.” Ik moest verder, want ik was tenslotte aan het werk. De negentiende eeuw reed vrolijk verlicht naast me mee, als de bus in het gedicht van Vasalis.

Onze soeka

*

Ik had een soeka gebouwd
van een paar restjes hout.
Het dak was zo lek als een mandje:
op de panlatten lag
slechts een handjevol schach,
geplukt om de hoek op ’t landje.

Toen op Erev Sjabbat
in mijn soeka ik zat,
woei de nachtwind er vrolijk en lustig. 
Maar kalm hief ik het glas,
maakte kiddoesj en alras
brandden de kaarsen weer rustig.

Mijn dochter kwam ook –
bleek als een spook –
met de kugel in haar bevende handen.
“Ach vader,” sprak zij,
“kom toch binnen met mij,
of je zult met je soeka verbranden!”

“Doe, mijn kind, niet zo mal
en vrees niemendal!
Deze storm zal toch weldra bedaren:
iem ezrat haSjem,
en vertrouwend op Hem,
staat onze Soeka al tweeduizend jaren.”

*

Gebroken biskwie

Soms lijkt het alsof we met ons allen drijven op een in de haast in elkaar geflanst vlot, over een verraderlijk kalme zee . . .

. . .  de zee laat ons het leven zien zoals het is: alsof er niets gebeurt . . .

Uit: Kunst en vliegwerk van Jan Emmens

Midden op het vlot ligt een heel groot ding, dat zich ons ondanks heeft ingescheept. Het ding dijt uit, we weten niet tot waar.

De laatste tijd maakt zich zo nu en dan een vreemde beklemming van mij meester, telkens wanneer ik me probeer voor te stellen hoe de wereld, het leven, er uit zag zonder corona. Want dat lukt me niet goed meer. Te ver van huis. Het is alsof ik de deur ben uitgegaan en even later de helft van de wereld waar toevallig mijn huis op stond is afgebroken, zoals je een koekje breekt. Gevoelens van heimwee cirkelen als meeuwen in het zwerk rond het vlot.

Hoezeer ik ook mijn best doe om een goede balans te vinden binnen de eisen van deze tijd, telkens bots ik ergens tegenop. Niet alleen tegen al die mensen die zich de schaars geworden openbare ruimte makkelijker toe eigenen dan ik. Ook tegen de beperktheid van mijn eigen aanpassingsvermogen. En – nog steeds – tegen de onweersbuien ongevraagde corona-adviezen en covid-meningen (“Ik heb me er echt in verdiept, hoor!”), die soms onverhoeds over mij worden uitgestort, wanneer ik vraag: “Hoe gaat het?”. 

En kijk, zelf weet ik ook niets beters dan dit gemok op de grens van gesteggel en resignatie: ik lijk wel in de rouw.

Of ben ik zelf een gebroken biskwietje? Want de andere helft van mijn gemoed gaat dapper door met mijn leven op orde te houden, het betekenisvol te maken voor mezelf en voor anderen. Daarbij gesteund door de mensen die me het meest na staan, maar ook door de wijdere kring van joods leven om mij heen. Vandaag beginnen we een nieuw jaar: veel zoets, alle goeds en vooral gezondheid!

De nacht is donker

De nacht is donker
en ik ben blind, 
mijn stok is verdwenen,
weg met de wind.

Mijn knapzak is leeg,
mijn hart is naar,
allebei – ballast,
allebei – zwaar.

Ik hoor iemand anders,
die naar mij tast:
“Kom, dragen we samen
jouw zware last.”

Nu lopen we samen.
De wereld is zwart:
ik draag mijn knapzak,
hij draagt mijn hart.

uit het Jiddisch van H. Leivick