Feeds:
Berichten
Reacties

Niet bang zijn

 

*

 

Je moet niet bang zijn, God, ze zeggen “mijn”
van alle dingen die geduldig zwijgen.
Ze zijn als wind, die langs de twijgen
schuurt en zegt: “mijn boom”.

Ze voelen niet,
hoe alles gloeit, waaraan ze raken, –
terwijl ze zelfs de slip van het gewaad
niet kunnen pakken zonder te verbranden.

Ze zeggen “mijn”, zoals een man soms graag
een koning “vriend” noemt bij de borrel,
zolang die koning groot is – en ver weg.
Ze zeggen “mijn” tegen gehuurde muren,
al kennen ze hun huisbaas nog niet eens.
Ze zeggen “mijn” en noemen het “bezit”,
maar ieder ding klapt dicht, als zij het naderen,
zoals misschien een smakeloze charlatan
de zon de zijne noemt of ’t bliksemlicht.
Zo zeggen ze: mijn leven, of mijn vrouw,
mijn hond, mijn kind, maar weten immers best,
dat alles: leven, vrouw en hond en kind
los van hen staan, en dat zij slechts
met blinde vingertoppen eraan raken.
Maar zeker weten dit alleen de waren,
die nog naar ogen haken. Alle anderen
willen niet weten, dat hun eenzaam dolen
met niets ter wereld samenhangt,
dat zij, gejaagd door have en bezit
en ongekend door al hun eigendommen,
geen vrouw bezitten en zelfs niet de bloem,
die – vreemd aan ons – zijn eigen leven leeft.

Raak daarom, God, niet van je stuk.
Wie van je houdt en je gezicht herkent
in ’t donker, wanneer hij flakkert als een kaars
op het bewegen van jouw adem –
ook hij bezit je niet.
En als ooit iemand in de nacht,
grip op je krijgt, zodat je komen moet
in zijn gebed:

Jij ben de gast,
die altijd weer vertrekt.

Wie kan, God, jou bevatten? Jij bent van jou,
door geen bezitters hand gegrepen,
zoals de nog niet uit gegiste wijn,
alleen zich zelve toebehoort,
en alsmaar zoeter wordt.

Rainer Maria Rilke

Advertenties

Een wij

 

Het is goed dat er niemand kijkt, want bijster elegant ziet het er niet uit. Ik hang wat onderuitgezakt in de fauteuil in de erker en Poezemien heeft zich over mij heen gedrapeerd. Dat wil zeggen: haar achterpoten rusten op de leuning, haar kin ligt helemaal hingegeben op mijn buik. Haar voorpoten heeft zij tot ver voorbij haar neusje uitgestrekt, alsof zich ergens links van mij iets bevond, dat absoluut aangeraakt moest worden. Er klinkt muziek en zij spint zachtjes mee. “Wat hebben wij eigenlijk met elkaar?” fluister ik zomaar, zonder dat van tevoren bedacht te hebben. Haar linkeroor tast naar het beetje geluid en opeens weet ik één ding zeker: wat ons tot een wij maakt, is niet de taal die op spraak berust.

Zijn wij dan wel een wij? Hoe wederkerig zijn onze betrekkingen nu helemaal? Goed, zij is (sorry, God) de eerste aan wie ik denk als ik wakker word. Zal ik eerst mijn Euthyrox slikken, of eerst Poezemientje iets lekkers geven? Pas dan denk ik aan God, die heeft gezegd: “Ik geef u gras op uw veld voor uw vee, en u zult eten en verzadigd worden.” Met andere woorden: eerst de beesten eten geven, daarna pas jezelf. De poes komt braaf aan trippelen, opdat ik mijn zegen brengende handeling kan vervullen. Is zij er voor mij of ben ik er voor haar? Of wij voor elkaar?

De bijsluiter zegt dat ik nog een half uur moet wachten, voordat ik mij aan het ontbijt mag zetten. Ik mompel een paar zegenspreuken en ga nog even liggen. Dat weet Poezemien. Met een kort miauwtje kondigt zij zich aan en springt meteen op het bed en vervolgens bovenop mij. Haar volle gewicht op die vier ronde voetzooltjes is me bijna teveel. Wilde ik niet nog even weg wegdoezelen? Ik kreun wat, maar zij weet van geen wijken. Hoe weet zij toch de liefde in mij te wekken, die zorgt dat ik haar wensen boven de mijne laat prevaleren? Ik praat en lach tegen haar, of zij het nou verstaat of niet. En zij, zij spint er keihard tegenin.

Mijn eigen menselijk bewustzijn met al zijn overwegingen ken ik wel zo’n beetje, maar hoe zit het met dat van een kat? Prediker heeft er gelukkig voor gezorgd dat de Bijbel ons voorhoudt, dat wij ons maar beter niet al te zeer op dat bewustzijn moeten laten voorstaan.

Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. (…) Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?

Hoe is het bewustzijn van mijn kat? Soms meen ik iets ervan te merken en dan moet ik meteen erkennen dat zij beslist in het bezit van een zintuig is, dat wij niet hebben en zelfs niet kunnen kennen en meten met onze vernuftige instrumenten. Zij weet altijd op welke plek in huis ik mij bevind, zonder dat zij mij ziet of dat ik geluid maak. Gezien de afstanden tussen de verschillende kamers, is het ook niet waarschijnlijk dat zij mij ruikt of mijn lichaamswarmte voelt. Een dergelijke gevoeligheid in de ons bekende zintuigen zouden haar het leven op andere momenten onmogelijk maken. Golven? Ach kom, ze zou allang ontregeld zijn door alles wat onze apparaten door de ruimte zenden.

Hoe ik dit weet? O ja, dat moet ik nog vertellen. Altijd, zodra ik in de fauteuil in de erker plaats neem, nauwlettend erop toeziend dat ik geen enkel geluid maak, springt Poezemien op van haar dommelplek van het moment – dat kan mijn bed zijn, de bank boven, een stoel op het balkon – en snelt naar waar ik ben, om zich op mijn schoot of buik te installeren. Even een wij te zijn. Terwijl ik probeer mij in te denken wat dat voor haar betekent, merk ik al snel dat ik die vraag voor mezelf niet eens kan beantwoorden. Zachtjes waait ergens een deur open, op een kiertje maar, die me vertelt dat er daarbuiten een wereld zonder woorden is. Betekenis betekent daar niets. Alles is gewoon. Eén groot wij?

 

Mindlessness

 

Misschien zwerft het nog ergens, dat psychiatrisch rapport, waarin werd geconstateerd dat ik een “sterke neiging tot intellectualiseren” had. Blijkens het vorige stukje valt dat tegenwoordig wel mee. Inmiddels krijg ik het gedaan om een hele avond lang mindless te genieten. Maar wacht: de mind laat zich niet zomaar ringeloren. Een heel toneelstuk door mijn ogen naar binnen laten stromen, om het daarachter ergens onder luid gelach te laten verdampen, dat is toch net iets teveel van het goeie. Zat er niet toch ergens een inzicht verscholen? Nou vooruit, daar gaat-ie dan.

Daags na dat heerlijk-futiele gebeuren kwam er een citaat boven drijven:

Wie slechts geloof heeft, loopt gevaar een kwezel te worden. Wie slechts humor heeft, dreigt cynisch te worden. Wie geloof en humor heeft, vindt het evenwicht waarmee hij in het leven rechtop kan blijven.

Martin Buber

Meestal schiet dat citaat me te binnen als ik een bewust ongelovige medemens cynisch zie worden. (“Zie je wel.”) Soms ook als ik over mezelf denk: “Oei, nou even oppassen! Straks ben je een kwezel.” (Alle kwezel citaten, wijsheden, quotes en uitspraken vindt u altijd en alleen op citaten.net: 3 gevonden.)

Maar waarom in hemelsnaam associeerde ik deze wijsheid met De Drie Musketiers van De Warme Winkel? Waarschijnlijk juist omdat ze hier niet van toepassing was. Er was geen sprake van een geloof, er was veel om je vrolijk over te maken, maar van cynisme geen spoor. Rara, hoe kan dat? Kunnen we ons dan toch aan ongeloof en humor te buiten gaan, zonder om te vallen? Of bestaat er humor die Buber over het hoofd heeft gezien? Of?

Wat is eigenlijk het verschil tussen geloof en humor, waardoor iemand als Buber op het idee is gekomen om ze als tegenpolen neer te zetten? Ooit heb ik me laten vertellen dat humor een middel is om een zekere afstand te scheppen ten aanzien van een situatie of een ander, misschien zelfs tot het leven an sich. Dan zouden we met geloof proberen een soort hechting teweeg te brengen. Dat klinkt aannemelijk. De volgende stap ligt voor de hand: van alles wat en alles op z’n tijd. Schrijf het op een tegeltje en hang het in de gang.

Natuurlijk zijn er meer manieren om je tot het leven, tot je medemensen en tot de dieren te verhouden. Wreed, gulzig, slordig, krampachtig, onderdanig, trouw, vol mededogen, hartstochtelijk, intellectualiserend en nog veel meer. Mild en teder, zou ook nog kunnen. Met overgave. Zodra de opsomming begint is het einde ervan uit zicht. Ik denk dat er heel veel van die mogelijkheden werden aangeboord in het spel van De Warme Winkel. En bij dat al werd er naar hartenlust gelachen, zonder cynisch te worden. Integendeel, ik heb dat lachen als buitengewoon lebensbejahend ervaren.

Opnieuw een schijnbaar willekeurige associatie. Het wordt herfst hier en ik kijk uit naar het Loofhuttenfeest. Dan wordt bij ons het boek Prediker gelezen, waarin alle zekerheden een voor een vervluchtigen. “Lucht en leegte, zegt Kohelet, lucht en leegte, alles is leegte.” Toch vervalt hij niet in een “nihilistische problematiek”. Hij blijft zijn tanden poetsen en zijn “bibben wassen”, bijna zoals meneer Dil, de waard van het lege hotel in De Tuinen van Dorr van Paul Biegel. Godsdienst hoort bij hem in hetzelfde rijtje thuis: het is niet een kwestie van geloof of van het weg lachen, maar gewoon iets wat je doet. Net als al het andere wat je hand vindt om te doen. Naar theater gaan, bijvoorbeeld.

Dodemanslippen

 

Dodemanslippen

Dodemanslippen spraken fluisterzacht
diep in de aarde, argeloos gepraat,
de bandeloze bomen gingen zich al woest
te buiten in hun bloesempracht.

De windselen worden losgerukt
de aarde wil geen zorg, wil pijn.
En lente wil geen rust, geen vrede,
voorjaar is vijandelijk terrein.

Met de verliefde stelletjes zijn we op pad
naar waar de regenboog de aarde raakt,
om te zien of wij daar kunnen landen.

We wisten al: de doden zijn terug;
we wisten al: de storm steekt ook weer op,
vandaag, uit open meisjeshanden.

Yehudah Amichai (vertaling: Channa Kistemaker)

Nergens over

*

 

Van de muggen hebben we geen last gehad. Van de vliegtuigen ook niet, en na afloop konden we zelfs zonder jas, verkwikt naar lichaam en ziel door een donker geurend bos naar huis fietsen. De geest mag zich vermeien met de indrukken die zijn blijven kleven. Waar gaat dit over?

Afgelopen weekend ben ik met mijn kinderen, hun aanhang en mijn hartsvriendin Renée naar het Bostheater geweest, waar toneelgezelschap De Warme Winkel hun versie van De Drie Musketiers opvoerde. De voorstelling van deze avond was uitverkocht, maar wij hadden goede plaatsen en tijd genoeg om onze traditionele picknick met Prosecco te genieten, terwijl de avondschemering zich langzaam verdichtte. Toen de verlichting het podium in een toverachtige gloed zette, viel het spreeuwengekwetter van het duizendkoppige publiek stil en maakte de alledaagse werkelijkheid plaats voor een illusie vol verrassingen.

Waar ging het eigenlijk over? Ik kende het verhaal van Dumas en de historische omstandigheden waar dat zich in afspeelde niet, maar dat bleek geen probleem. Vermoedelijk had het gezelschap niet veel meer dan de meest simpele plots en verhaallijnen overgenomen en zich verder naar hartenlust uitgeleefd in het maken van een soort paëlla van zeer verschillende scènes. Parodie, pastiche? Misschien wel satire in de Horatiaanse (“satura tota nostra est”) zin. Etymologisch: een schotel met een ratjetoe aan kruidige ingrediënten.

Zonder dat daarbij enige opzet in het spel was, heb ik het spektakel deze keer ondergaan zonder gelijktijdige oordeelsvorming over het stuk of over mijn emotionele respons. Of dit echt nieuw voor mij was, weet ik niet, maar het voelde wel zo. Het leek nog het meest op dromen en weten dat je droomt, maar niet wakker worden. In een scène, waarin een kroegbazin werd verhoord door een kardinaal, kwam ik mezelf tegen in een voor mij volstrekt nieuwe hoedanigheid. Zonder voelbare schrik, maar daarover – gek genoeg! – wel verbaasd, resoneerde ik mee met het genot dat inherent is aan het pijnigen van een ander. De onwillige informant had zes wax-strips op haar gezicht, die er één voor één werden af getrokken, met veel misbaar tot gevolg. Het anticiperen op elke volgende pijniging was een traktatie op zich. De zesde strip, die zich op een lager gelegen niveau bleek te bevinden, was daarbij een overbodige anticlimax.

Vanuit een bepaalde gezichtshoek bekeken hing het hele drama van vunzigheden aan elkaar, vaak op het randje van ranzig, maar dan toch eerder camp. En je kon er gerust “omheen eten”: paëlla zonder de mosselen en gamba’s is nog altijd lekker. Mijn oudste dochter en ik genoten vooral van het herkennen van de knipogen naar Koefnoen, Monty Piton en Little Brittain. En anders wel van de schitterende soundscape, die het stuk zelfs voor een blinde de moeite waard maakte. Momenten waarop het leek alsof we op een filmset achter de camera zaten, zorgden voor een prikkelend vervreemdingseffect. De mooiste vondst wat mij betreft: op het moment dat d’Artagnan en Constance het met elkaar aanlegden, klonken uit de luidsprekers de flirtende stemmen een jong stel dat kennelijk nog ergens op de tribune aan het picknicken was. Alsof men met onzichtbare microfoontjes onze fluisterruimte had gehackt!

Maar waar ging het ook alweer over? Aan het slot lijkt de aap alsnog uit de mouw te komen. Het draaide allemaal over de coming of age van d’Artagnan, die symbool had kunnen staan voor de blanke, mannelijke, heteroseksuele dertiger van vandaag. Uit het oerwoud van de zingeving weet hij tenslotte een Boom der Kennis van Goed en Kwaad te kiezen: het gaat om “aandacht”, “afleiding” is uit den boze. Arme jongen! Onmiddellijk verrijst aan zijn zijde de dood gewaande Constance, die alle tegenstellingen weer opheft in een spiritueel Al-Begrijpen. Zo buitelt de moraal van het verhaal als een schoolmeisje om de hoogste stang van het klimrek. Tijd om de nacht in te gaan, met nog één onschuldig-ondeugende knipoog van een stel blote kabouterbillen, waarvan ik er vast een heleboel over het hoofd heb gezien.

*

 

De kleine en de grote dood

 

Toen ik zes jaar geleden voor het eerst bij haar over de vloer kwam, was zij pas 98. Ze liep nog, zong nog en speelde nog piano. Toch had zij onze ondersteuning bij de “algemene dagelijkse levensverrichtingen” nodig. Ik hielp haar bij het opstaan, wassen en aankleden en maakte in de keuken een bordje Brinta-pap voor haar klaar: niet te heet, niet te koud, niet te dik, niet te dun, wel te zoet en met een heel klein beetje zout. Zo wordt men honderd. Ik bleef bij haar zitten, terwijl zij de blauwe bowl leeg lepelde, gefascineerd door de zorgvuldigheid, waarmee zij het laatste restje uit de rand schraapte. Ach, die sierlijke, korte rukjes van haar broodmagere rechterhand! De lepel was in de loop der jaren scheef afgesleten van dat trouwe geschraap.

Haar lichaamstaal sprak van toewijding, nooit van gulzigheid en misschien zelfs niet van genieten. Ondertussen mopperde ze gestadig op het leven, op de lengte ervan en op de ongemakken, waarmee de ouderdom de mensen komt plagen. Vaak deed ze daar nog een schepje bovenop, een soort meta-gemopper: dan gaf zij zichzelf ervan langs, omdat zij God niet dankbaar was voor het leven. De mensen met wie zij optrok, waren allemaal “in de Heer”. Blij in de Heer, bovendien. Zij niet. Soms wist ze niet eens of ze wel geloof had, genoeg geloof had, het juiste geloof had. Dan probeerde ik haar gerust te stellen: ook dat ziet God met mededogen aan.

Op haar vraag waarom haar leven zo lang moest duren (ze werd uiteindelijk 104) had ik geen antwoord. Het was ook geen vraag, meer een noodkreet. Net als het theatrale “Help! Help!”, of het smekende “Ga niet weg, Janiek. Wat moet ik dan?” Ik zag het altijd weer met mededogen aan, net als God, maar kon haar last niet wegdragen. Heel soms zag ik achter dat tergend langzaam wegterende hoopje mens op dat bed een ander beeld: Job op zijn mestvaalt. Was het ook hier de Tegenstrever, die God op de proef stelde, wetend dat Hij zich niet van Zijn mededogen zou kunnen ontdoen?  Maar deze Job had geen builen, nauwelijks doden te betreuren. Vrienden, die het beter wisten, als het over God ging, die had ze wel.

Telkens wanneer ik over de enveloppen van de goede doelen die zij steunde haar sobere, nog door haar ouders gemeubileerde woning binnenstapte, moest ik wel denken dat dát het was waar haar leven over ging: soberheid en naastenliefde van Hogerhand. Of probeerde zij met haar zuinigheid en hang naar vlekkeloosheid haar leven als een ei op een lepel heelhuids naar de overkant te brengen? Zij was nooit getrouwd geweest, maar had zij dan niet toch misschien, ergens ver weg in het naoorlogse Duistland, waar zij had gewerkt onder vluchtelingen, een tragische, maar grote liefde gekend? Een collega, die tegen alle regels in met haar bevriend was geraakt, had het haar een keer op de vrouw af gevraagd: “Heeft u dan nooit in uw leven seks gehad?” “Nee,” was het antwoord geweest. Onvoorstelbaar, in de ogen van mijn collega.

Ach, ik kon me het wel voorstellen. Zelf was ik meestal ook blij met mijn plekje op het droge, wanneer ik de liefde een keer had toegestaan haar golven om mij heen te slaan. En ik heb niet eens smetvrees, zoals zij. Gelukkig is er taal, waardoor je je kunt laten raken, zonder vies te worden of je botten te breken. Daar konden wij samen dikwijls van genieten. Ik zal nooit vergeten hoe we op een avond dicht bij elkaar stonden in haar achterkamer (de coördinaten zijn door mijn voeten zorgvuldig gearchiveerd) en zij, met zwoele stem en een zeldzame schalksheid in haar blik, een paar dichtregels begon te citeren:

Männer umschwirr’n mich,

Wie Motten um das Licht.

Und wenn sie verbrennen,

Ja dafür kann ich nichts.

Ich bin von Kopf bis Fuß

Auf Liebe eingestellt,

Denn das ist meine Welt,

Und sonst gar nichts.

Marlene Dietrich

De laatste avond van haar leven kwam ik binnen in de kamer waar zij al twee jaar lag. Op een ziekenhuisbed, de rand van de deken omklemd en opgetrokken tot aan haar kin, een zakdoek tussen twee vingers. Dit keer was er iets heel erg anders, dat zag ik meteen: zij had de deken opzij gegooid en lag uitgestrekt op het bed, haar armen slap langszij. Zo ontspannen had ik haar nog nooit gezien. Wel was ik heel vaak bang geweest haar dood te moeten vinden. Ze hijgde snel en zachtjes, de ogen open, met heel wijde pupillen. Toen ik naast haar ging zitten en tegen haar sprak, merkte zij dat niet. Ook toen ik haar handpalm en voetzool aanraakte, kwam er geen enkele reactie. Voorzichtig legde ik een vochtig washandje tegen haar lippen, maar zij was duidelijk ergens anders, ver weg.

Met alle liefde had ik bij haar willen blijven en over haar willen waken, maar ik moest nog twintig andere mensen bezoeken. Ik belde de buurvrouw, die haar mantelzorger en zuster in de Heer was en die ik gelukkig bereid vond om bij haar te gaan zitten. Al had ik nooit eerder zo duidelijk en van zo nabij gezien dat sterven een zaak is tussen de dood en zijn uitverkorene, het is menselijkerwijs niet te doen om een stervende zomaar alleen te laten en de  deur achter je dicht te trekken. Nog twee keer die avond ben ik terug geweest om me ervan te verzekeren dat er altijd iemand zou zijn om deze plicht te vervullen. De volgende morgen pas is zij stilletjes overleden.

Samen met die brutale collega zat ik in het zaaltje op de begraafplaats waar haar geloofsgenoten liederen van Johan de Heer zongen. Bij Daar ruist langs de wolken zag ik mezelf nog heel even in een kleuterschoolbankje zitten. We kropen dicht tegen elkaar aan, toen we tijdens de preek een zacht gebonk hoorden, dat door niemand anders opgemerkt leek te worden. Opeens werd het stil en gingen de deuren achter de kist open. Daar stonden zes wondermooie jonge dames op haar te wachten. Zij namen haar op de schouders en droegen haar het hele eind naar het familiegraf. Toen we bij wijze van laatste groet een blik in de kuil wierpen, zagen we een veldmuis schielijk vanuit een hoek naar onder haar kist vluchten.

Ein rätselhafter Schimmer, . . .

 

Burqa queens en athei-craten

08082019

 

Eigenlijk durf ik er niks meer over te zeggen. Terwijl ik nog nadenk, hebben de anderen het allemaal al gezegd en voor je het weet gaat het alweer over andere komkommers. Hoor hier:

Maar wie niet meer weet te onderscheiden tussen theocratie en democratie, wie het verschil niet begrijpt tussen emancipatie en onderdrukking, kan de zorg voor mensenrechten beter aan anderen overlaten.

Paul Scheffer

Zo weten we meteen wat er allemaal op het spel staat. Of neemt Paul Scheffer het allemaal wat te zwaar op? Dat zou je denken als je Maxim Februari leest:

Het is om de vrouw te bevrijden, begrijp ik. Terwijl de boerkadraagsters zelf zeggen dat ze juist om de vrouw te bevrijden hebben besloten hun gezicht te verbergen, zodat de controverse klonk als een zeldzame win-winsituatie. Of je de boerka nou draagt of verbiedt: de vrouw wordt er altijd vrijer van.

Kom op, jongens, je moet je gewoon niet op de kast laten jagen! Of: heeft de graaf geen andere zorgen?

Maar ook dat kan je té zeer au sérieux nemen. Wie een beetje bekend is met het links-feministische discours had het aan kunnen zien komen: de boerkadraagster (of -drager, want je weet het immers maar nooit) is rijp voor de laatste letter in de LHBTIQ* alfabet. Queer as a coconut! Hartstikke camp, joh! Op naar de slutwalk!

NO HUMAN IS FREE UNTILL WE ARE ALL FREE

Lijkt dat niet als twee druppels water op het ideaal van de Egyptische journaliste bij wie Scheffer houvast zoekt?

„Ik wil de boerka en nikab in heel de wereld verboden zien. Niet alleen in West-Europa. Omdat ik denk dat het heel gevaarlijke instrumenten zijn in de pogingen om vrouwen weg te wissen.”

De hele wereld. Wij allemaal. Gaat het hier dan toch om “het Goede”, om “universele waarden”? En zijn die al universeel, voordat wij ze allemaal onderschrijven? En hoe weten we zeker dat juist de West-Europese waarden universeel zijn, en niet (ook) de Chinese of Midden-Oosterse? Als we allemaal van God los zijn, dan hebben we Hem pas echt gevonden. Of ben ik nu net zo in de war als al die anderen?

Vooruit, ik hijs me op aan de luchtige ironie van Februari, en kuier verder, kauwend op een ander, taaier stukje taal:

„Een goede samenleving geeft mensen het recht om onverschillig te zijn ten opzichte van de ander.”

Arnon Grünberg