Feeds:
Berichten
Reacties

Verzwommen

*

 

Die Beobachtungen und Begegnisse des Einsam-Stummen sind zugleich verschwommener und eindringlicher als die des Geselligen, seine Gedanken schwerer, wunderlicher und nie ohne einen Anflug von Traurigkeit.

Thomas Mann, Der Tod in Venedig

[De observaties en de ontmoetingen van iemand die alleen reist en dus niemand heeft om tegen te praten zijn tegelijk “verschwommener” en indringender dan die van degene die in gezelschap verkeert. Zijn gedachten hebben meer gewicht, zijn vatbaarder voor verwondering en hebben altijd iets droefs over zich.]

Hoe komt het dat deze zin me na zoveel jaren zomaar weer te binnen schiet? Het is omdat ik wijs probeer te worden uit een dag van mijn leven, die als een ei zonder schaal door een gewichtsvrije ruimte zweefde. Wat hield dat ei bijeen? Om nog maar te zwijgen van het hoe en waarom de dooier en het wit uit elkaar gehouden werden.

De dag begint om half vier ’s nachts. De avond tevoren heb ik nog gewerkt en vandaag staan er drie dingen op het programma: naar Londen Gatwick vliegen, met de trein naar Brighton reizen en aldaar ’s avonds een eredienst mee vieren in de Brighton and Hove Progressive Synagogue. Houvast genoeg, dacht ik, maar door de moeheid en de stress van de afgelopen weken knapt er iets in mijn hoofd. Geheel onverwacht is alles “verschwommen”, de dag, de wereld, ikzelf.

Onwillekeurig zoek ik de zee op, die vanzelfsprekend zowel de “snotgreen sea” van James Joyce is, als de azuren verte, van waaruit de dood Gustav Aschenbach naar zich toe lokte. Langs het strand slenter ik, ik doezel weg op een bankje in een van de verveloze ‘shelters‘, vlak naast een slapende zwerver. De zilvermeeuw, die woest in zijn spullen staat te pikken, kijkt me nog even heel kwaad aan, voordat hij de vleugels neemt. Kiezels rollen ratelend over elkaar onder het geweld van de golven. Zo ook mijn gedachten, om vervolgens als schuim op te spatten en op de wind te verdwijnen.

Overal grijnst het verval me aan, als een spiegel van mijn innerlijk. Uren lang balanceer ik op het randje van wat misschien wel mijn grootste angst is: te moeten beleven dat ik er nog ben, maar toch niet meer. Bang ben ik niet. Ik blijf rustig watertrappelen, totdat ik grond onder de voeten zal voelen. Bedenken welke kant ik op zou moeten zwemmen lukt mij niet. Ondertussen doe ik iets wat ik anders zelden doe: ik registreer wat ik zie met de camera van mijn mobiele telefoon, die – net als ik – haar verbinding met de vertrouwde wereld kwijt is.

Einsamkeit zeitigt das Originale, das gewagt und befremdend Schöne, das Gedicht.

(als boven)

*

*

*

*

*

*

*

 

Aan het eind van de dag, een paar minuten voor aanvang van de sjabbat, bel ik aan bij het gastgezin dat mij is toebedeeld. Even later zit ik in een lichte keuken, mijn koude handen om een kop thee geklemd, om mij heen de stralende gezichten van een warm gezin. Floep! Schaal om het ei, grond onder mijn voeten, wortels en bladeren aan mijn gedachten en gevoelens.

 

Advertenties

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Wij zijn één

 

Het is bijna vanzelfsprekend en misschien zelf wetenschappelijk te verklaren: aan de kust is Israël seculier, maar hoe verder je landinwaarts reist, hoe godsdienstiger het wordt. In Tel Aviv doet men vol overtuiging alles wat God verboden heeft, in Haïfa en Akkko lijkt godsdienst – net als bij ons – vooral een privé-aangelegenheid en in Achzivland vindt men de Allerhoogste misschien per ongeluk, als de wiet zijn werk goed doet. Het binnenland van Israël is een andere wereld. Over Jerusalem later, nu eerst Tzfat.

Om daar te komen moeten we een eindje richting Akko rijden, om vervolgens door het heuvelland oostwaarts op te klimmen. Het landschap oogt dor, ondanks de herbebossingsprojecten. Leeg ook: als hier werk was, zou er veel plaats voor immigranten zijn. Maar behalve hitte, droogte en steile hellingen heeft de omgeving van Tzfat niet veel te bieden. Als onze huurauto zich eindelijk naar 900 meter boven de zeespiegel heeft geworsteld, zien we de eerste huizen van het stadje. Tevergeefs zoeken onze ogen naar een charme om voor te vallen.

De oude stad lokt nog als een belofte. Daar waren immers ooit de uit Spanje verdreven Sefardiem neergestreken om er de Kaballa tot bloei te brengen en de meest gezaghebbende samenvatting van de joodse wetten te schrijven. Een plek van dergelijk belang moet toch de moeite van het bezoeken waard zijn? Na veel geploeter door rommelige wijken met smalle straten bereiken we de oudste kern en kijken elkaar lichtelijk gedesillusioneerd aan. Een handjevol smoezelige straatjes, waar de historische bouwsels na een lange periode van verval zijn bedolven onder een dikke laag quasi-religieuze koopwaar. Hier en daar herinneren plaquettes aan de muren nog aan de onafhankelijkheidsstrijd van 1948. Met een ander monumentje, zelf alweer aan de verwaarlozing prijsgegeven, wordt de weldoener geëerd, die het verarmde Tzfat tot een toeristische attractie heeft gemaakt.

Op een straathoek kopen we een bekertje vers geperst granaatappelsap. “Dan vind je god [sic],” appte mijn jonge (en niet zo religieuze) vriend Daniël behulpzaam. Het is de derde dag van Soekot, maar de plastic loofhutten die de restaurants voor hun gasten op de stoepen hebben gezet, kunnen mij niet tot het nakomen van mijn religieuze verplichtingen verleiden. We kiezen voor een seculier ogend terras om te lunchen en naar voorbijgangers te kijken. Tijd voor bespiegeling.

Wat Israël voor Joden tot een ‘thuis’ maakt, is dat joods-zijn daar een soort ‘default setting’ is. Even geen minority stress meer. Maar zelfs een buitenstaander ziet dat onder Israëlische Joden een enorme diversiteit heerst. Denk om te beginnen niet dat je het altijd aan iemand kunt zien of zij/hij joods is. Het joodse spectrum loopt er van volledig seculier, via cultuur-joods en traditioneel, naar orthodox en ultra-orthodox. Als liberaal behoor ik daar tot een verwaarloosbare minderheid en word ik door velen niet eens als joods erkend. In Tzfat behoren de meeste inwoners tot het orthodoxe uiteinde van de regenboog en we hadden al gezien dat daar de pot met goud niet staat.

Terwijl wij stukjes heerlijk vers brood in onze hummus dopen, trekt een stoet kinderrijke, en onmiskenbaar joodse, gezinnen aan ons voorbij. De mannen herkenbaar aan hun tzitzit (kwastjes) en de vrouwen aan hun scheitl (pruik) en lange rokken. De kinderen zijn meestal vrij casual gekleed – Hema, geen Bijenkorf – en het merendeel van de jongens draagt pijes (lange haarlokken aan de slapen). Omdat we de tijd nemen voor onze lunch, beginnen ons de verschillen op te vallen: men is duidelijk niet erg consequent in het zich aanmeten van deze kenmerken. Hier voel ook ik me een buitenstaander, want ik weet niets over hoe deze Joden dergelijke onderlinge verschillen waarderen. Gemoedelijk, vermoed ik wel, als ik zie hoe divers men binnen een gezin of vriendengroepje kan zijn.

Dat het joodse volk, ondanks al die verschillen, toch een eenheid blijft, is volgens velen meer aan de buitenwereld te danken dan aan onszelf. Met welk een knarsetanden dat gepaard kan gaan, zag ik afgelopen weekend weer eens in een tweet van de volledig seculiere Netanyahu naar aanleiding van de terreurdaad in Pittsburgh:

 

 

 

Waarom gebruikt hij tot tweemaal toe het woord “synagogue”? Omdat de Israëlische opperrabbijn David Lau dat heel opvallend niet had gedaan: de Tree of Life Synagogue behoort tot de Conservative gemeenschap in Amerika, en die wordt door het Israëlische opperrabbinaat niet erkend. Zo doe je dat dus, één zijn.

Gloed

 

Het is nog heel warm in Israël, terwijl wij daar zijn. Ongeveer zoals hier tijdens de hittegolf van de afgelopen zomer. Elke dag schijnt de zon. Heel fijn, maar toch ben ik maar wat blij dat Willis Haviland Carrier voor ons de airconditioning heeft uitgevonden. Elk huis en elke auto heeft er een, in Israël. Hoe hebben ze dat vóór 1960 gedaan, vraag ik me af. Het antwoord vind ik in de soeks van Safed, Akko en Jerusalem: je verstopt je openbare ruimte onder en achter veel metselwerk, zodat de zon er niet bij kan.

In de roman die ik lees op momenten dat ik niet loop, rijd, praat of eet, komen twee van de personages tot de volgende observatie:

‘Mensen die in de woestijn wonen zijn altijd geïnteresseerd in God.’
‘En als het maar warm genoeg is, menen ze Hem nog te zien ook.’
‘En als ze geen pet op hebben, beginnen ze ook nog met Hem te praten.’

Meir Shalev, De grote vrouw

Is het daarom dat in deze regio drie grote wereldgodsdiensten zijn ontstaan?

In de oude stad van Jerusalem wijst een behulpzame koopman, naar later blijkt een bedouïn, ons een weg naar het dak van de stad. Ergens op de grens tussen de moslimwijk en het christelijk kwartier lopen wij opeens door een stedelijk woestijnlandschap. De daken reflecteren de felle zon en nergens is schaduw. Er schiet mij een vers te binnen uit een psalm die ik elke morgen zeg. Let op de mooie klank:

mi-k’tsè ha-sjamajiem motsa’o oe-t’koefato al k’tsotam we-één nistar me-chamato

Aan het ene einde van de hemel komt hij op,
aan het andere einde voltooit hij zijn loop,
niets blijft voor zijn gloed verborgen.

Psalm 19:7

De laatste woorden galmen tijdens deze vakantie telkens door mijn hoofd, wanneer we ergens belanden waar we ons voor de zon niet kunnen verstoppen. Ze roepen ook herinneringen wakker aan de tijd dat ik nog op zoek was naar de in- en uitgangen van mijn leven. Hoe dikwijls verbaasde ik mij niet over de rare discrepantie tussen de beeldentaal van de Psalmen, waarmee ik opgroeide, en de natuurlijke werkelijkheid van het land waarin ik geboren was en waarmee ik dacht mij te moeten kunnen verbinden? Het lukte mij niet die kloof te overbruggen.

Opeens snap ik waarom die discrepantie voor mijn gevoel verdwenen is. Die is namelijk inherent aan het Christendom, maar in het Jodendom totaal afwezig. De christelijke boodschap is – vaak sterk vergeestelijkt – door zendelingen overgeplant naar West-Europa (en elders). Vrome Vlamingen lossen de vervreemding op door hun Klein Jezuken ter wereld te laten komen in een licht glooiend sneeuwlandschap en onder een rieten dak. De Joden hebben altijd hun hele beschaving meegenomen, overal waar zij heen trokken, en zo de band met het Land levend gehouden.

Over de hele wereld worden tijdens Soekot (het Loofhuttenfeest) de “arba’a miniem” meegebracht naar de plaatsen waar we samenkomen. De etrog, de loelav, de hadas en de arava worden vaak van ver gehaald, maar zijn niet ‘exotisch’. We nemen ze bij elkaar in onze handen en schudden ermee in een vrolijk ritueel, tot de palmtak ratelt als de regen op de droge aarde. Vanaf dat moment tot aan Pesach in het voorjaar is een gebed om regen ingebed in het dagelijks gebed. Deze vakantie was dan wel geen bedevaart, maar het zien van de zon zoals hij daar schijnt neem ik mee, wanneer ik ‘met God praat’.

 

Lastig leven

 

*

Voor wie geen geloof heeft

Voor wie geen geloof heeft,
is ’t lastig leven dit jaar.
Het veld vraagt om zegen,
de zee vraagt vertrouwen,
maar jij – jij vraagt niets.

Mijn hart slaapt zijn slaap
en ik – ik slaap ook.
Mijn droom is zwaar van stilte.
Mijn doden wandelen in mijn slaap,
als in een oud kasteel.

Hoe zal ik opstaan uit mijn slaap,
zonder geloof in mijn hart?
En jij – jij vraagt niets.

Lea Goldberg

Middelpuntvlieders

*

Toen de Templers klaar waren met de hoofdstraat van hun kolonie, dook er een andere religieuze groepering op, die de keurige rechte lijn die de Duitsers in de vlakte hadden gelegd, door trokken tegen de berg Karmel op. Passer en rij tekenden er 18 hangende tuinen, met in het midden een mausoleum, waarin hun founding father ter eeuwiger ruste werd gelegd. Het koepeldak werd bedekt met 12000 gouden dakpannetjes van Hollandse makelij. Bij dag en bij nacht een aanblik van raadselachtige schoonheid, aantrekkelijk en afstotend tegelijk.

Op een zonnige morgen togen wij daarheen (daarheen!) om de Tuinen van Baha’i te bezoeken. Bewakers bij het hek legden ons uit dat de tuinen een heiligdom vormden, wat betekende dat er van alles niet mocht: met blote benen lopen, kauwgum kauwen, spugen, op het marmer zitten, het water aanraken. Plechtig beklommen wij de trappen naar het tweede terras, om daar tot de ontdekking te komen dat de volgende terrassen niet toegankelijk waren. We namen daarom rustig de tijd om het eerste terras van boven te aanschouwen.

“De gids vertelt dat de baha’im streven naar de eenmaking van de mensheid,” verbrak ik de stilte. “Een sympathiek verlangen,” meende Max, die doorgaans wat meer hart heeft voor universalistische idealen dan ik, die meteen vond dat we (de baha’im incluis) dat maar beter aan God kunnen overlaten. Voordat we het door voorzichtig argumenteren eens hadden kunnen worden, naderden we elkaar al doordat het gesprek een scherpe bocht maakte en daarachter over mystieke ervaringen bleek te gaan. “Kent iemand dat gevoel etc.” Ondertussen klonk er een fluitje en alle grassprieten leken ogenblikkelijk in het gelid te staan en te salueren. Een kind had zijn hand in het water gestoken.

Twee schuldelozen stonden daarboven en keken ernaar. We spraken met elkaar over de mystieke ervaringen die ons zo nu en dan overdiend ten deel vielen.

‘T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
‘T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Misschien is het wel zo dat mystici, per ongeluk of express, uiteenvallen in twee categorieën: middelpuntvlieders en middelpuntzoekers. Al naar gelang zij tot het Al-Ene komen door God te vinden in Alles of in het Niets. Middelpuntvlieders waren wij. We liepen elk langs een afzonderlijke trap naar beneden en vonden elkaar daar weer. Wat nu?

Een bewaker vertelde ons dat er ter hoogte van de tempel nog een andere toegang tot de Tuinen was, dus wij begonnen aan een lange klim, die ons langs de shabby achterkant van Haïfa voerde, waar zwerfkatten woonden in uitpuilende vuilcontainers en mensen paradijsjes schiepen op erfjes ter grootte van een postzegel. Door een hek met weer twee bewakers floepten we opnieuw het domein van de perfectie binnen. Daar stond de gouden koepel, middenin een arboretum vol cactussen en vetplanten. Caroben en nog exotischer bomen boden ons schaduw. Het heilige der heiligen was al gesloten, maar ik voelde me in die tuin wel dicht genoeg bij de God van de Baha’i. De spanning tussen leven en wet stond er op springen.

Ons verlangen (naar wat eigenlijk?) voerde ons naar nog groter hoogte. In de toenemende hitte verdwaalden we in een ruigte, die ooit bedoeld was om een parkje te worden. Een bankje stond eenzaam te verpieteren op een plek waar men eens over de baai uit kon kijken. Nadat er een flat op de zichtlijn was gebouwd, had men de zaailingen van den en steeneik ook maar vrij spel gelaten. Niemand nam nog op dat bankje plaats, of het moest een junkie zijn. Alles liep hier dood.

Hoe kwamen we er weer uit? Met volharding, zegt een achtergebleven calvinist in mijn multiculturele binnenwereld. Een volharding die dan uiteraard ook beloond werd: bovenop de Karmel, aan de rechov Yefe Nof 99 (de Mooi Uitzichtstraat), stond een Georgisch restaurant. Het eten was er met veel liefde klaargemaakt, de bediening huiselijk en hoffelijk tegelijk, het uitzicht niet te overtreffen en het bier koel en welverdiend. Ik heb beloofd reclame te maken . . . .

 

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.