Feeds:
Berichten
Reacties

Coronacrisiskansen

19032020a

 

Ach, het was natuurlijk heel schattig, dat dinsdagavond opeens iedereen stond te klappen voor mensen als ik. Ik stond net iemands ogen te druppelen, toen de Beethovenstraat los ging. Eerlijk gezegd dacht ik eerst nog dat een stelletje balorige millennials stiekem met elkaar op een zolderkamer was gekropen om hun plicht tot sociale onthouding te ontduiken. Zonder tevee en social media is een mens nu eenmaal niet overal van op de hoogte.

De dag erna las ik in een column in NRC dat ik er ook cynisch op had kunnen reageren: ze staan huichelachtig voor me te klappen, maar als ik straks van mijn werk kom, loop ik langs de lege schappen in de supermarkt, die zij hebben geplunderd. Dat kwam in mij niet op. Ik genoot met volle teugen van mijn luxepositie: vier keer per week mag ik twintig mensen bezoeken. In de avond nog wel, als de straten uitgestorven zijn, op een paar stellen na, die hand in hand een wandelingetje maken. En o ja, jonge gezinnen spelen op straat, na het avondeten. Ik verbeeld me dat de stadslucht nu al zuiverder is dan ik gewend ben.

Genietend van plots gelegitimeerde kluizenarij volg ik alle reacties op deze crisis met ongekende gretigheid. Mijn krant brengt een buitengewoon kleurrijk beeld van wat er leeft onder de mensen bij mij binnen. Het hamsteren, de hulpvaardigheid, het populistisch geroeptoeter, de inventiviteit, de nuchterheid, de slagvaardigheid, en niet te vergeten: de pogingen tot betekenisgeving. Een van mijn cliënten, een krasse oude dame (94), met doorgaans zeer uitgesproken politieke standpunten, liet me dit knipseltje uit De Telegraaf zien. Hier zei iemand wat zij al jaren had gedacht:

19032020b

Tja, God of de natuur, wie zou er anders achter zitten? In de Bible Belt weerklonken al boetepreken van de kansels. Marianne Thieme had een maand geleden al triomfantelijk het doodvonnis van de globalisering getekend, en Willem Schinkel zag gisteren het einde der tijden voor het kapitalisme reeds gloren. Ook nog veel dubieuzere denkers verkneukelen zich bij de gedachte dat er straks een nieuwe wereld valt op te bouwen op de puinhopen van die van eergisteren. Als het kaartenhuis instort, kunnen de kaarten opnieuw geschud worden. Nu moet ik bekennen, daar begon ook bij mij een snaar mee te trillen ergens diep in mijn ziel!

Had niet mijn dochter pas ontdekt – bij een onderzoekje dat zij zelf deed naar het verschil in statistieken met de SARS-uitbraak van 2003 – dat het aantal vluchten wereldwijd zich in 17 jaar tijd had verdriedubbeld? En hoorde ik virus-deskundige Marion Koopmans niet vanmorgen nog zeggen dat het vliegverkeer binnen China zich in diezelfde periode had vertienvoudigd? In dat licht vond ik het opeens bijzonder zuur dat het geld, dat de overheid (volgens sommigen) in de afgelopen jaren op zorg en onderwijs had beknibbeld, nu opeens met een royaal gebaar aan de luchtvaartsector kon worden beloofd.

Nu droom ik van vliegreizen-op-de-bon. Ik weet nu al dat ik mijn bonnen zal bewaren. Voor als het wc-papier weer op is bij Albert Heijn.

Raaf

09032020

*

 

Op een tak

Een kale tak
daarop een raaf
Hamlet zwartgerokt

eraf of niet eraf?

zijn zwarte ravenhart
krast smachtend, vraagt:
ga ik eraf, waar
dan op aan?
misschien naar waar . . .
(hij wacht)
maar waar is zij? ach waar!

zo zit de raaf
nog op z’n tak
(en wacht)

 

על ענף

על ענף
עורב ישב
– המלט שחור כנף

לעיף או לא

מעמק לבו העורבי
–  צרח צריחותיו
ואם לעוף אז לאן
.אולי לאנשה
(חשו)
אך איפה היא עכקיו

וישב
על אותו ענף
(וחשב)

 

Een gedicht van Avraham Chalfi. Een onvertaalbaar gedicht. Daarom heb ik het niet vertaald, maar herdicht.

Het gaat – natuurlijk – over eenzaamheid. Over een gefrustreerd verlangen naar intimiteit. Dit keer niet vanwege een lotsbestemming, zoals in het gedicht over de papegaai Yossi, maar door eigen besluiteloosheid.

Het scharniert in het midden, op de woorden “tsarach ts’richotaw“: hij kraste zijn noden (uit). De spelling in het Hebreeuws is twijfelachtig, verwarrend. Een en al woordspel en onomatopee. Daarom heb ik mij grote vrijheden veroorloofd in woordkeus en werkwoordstijden. Alles om de klank van die centrale woorden te ondersteunen.

 

Monnóppelie

26022020

 

Ik heb geen tevee en kijk dus ook geen tevee. Maar dankzij de krant heb ik wel een soort ‘Gassenfenster‘: de recensies van Arjen Fortuin. Die man schrijft goed en onderhoudend en kijkt waarschijnlijk ongeveer net zoals ik zou kijken, als ik keek. Zijn recensie over een aflevering van Rambam, waarin de makers voor één dag in de schoenen van pakketjesbezorgers gaan staan, herinnert me eraan dat ik nog iets over mijn eigen ervaringen rond de webwinkelrage wilde schrijven.

Nee, niet over mijn jonge buren, voor wie ik regelmatig naar de bel ren, zodat ik open kan doen voor een man die zich voorstelt als meneer Pakketje voor de Buren. Telkens een andere stem, hoe doet-ie dat? Daarover kan ik beter Hedy d’Ancona aan het woord laten, die plaatst het fenomeen meteen in een interessant perspectief:

Hoewel het beeld van ouderen sterk vertekend wordt. Je hoort voortdurend over ‘de zorg voor ouderen’. Maar de groep ouderen die echt intensieve zorg behoeft, beslaat maar 4 procent van alle ouderen. De pr rond die inderdaad schandelijke situatie van ouderen in verpleeghuizen is ijzersterk. Maar de overgrote meerderheid van de ouderen bevindt zich in een andere positie. In de nabije toekomst zouden de buren mijn mantelzorgers moeten zijn. Het is eerder andersom. Ik neem de hele dag voor iedereen postpakketjes aan.

In de tweede week van januari dit jaar fietste ik welgemoed naar de binnenstad om een kadootje te kopen voor één van mijn schoonzoons. Er stond een Monopolie-spel op zijn verlanglijstje, een toepasselijk geschenk voor een jongeman die economie en internationale betrekkingen studeert. Op de Heiligeweg wist ik nog een winkel van Intertoys, maar die bleek er niet meer te zijn. Ach, verderop in de Kalverstraat zou ik wel een andere speelgoedwinkel tegenkomen. Maar ergens halverwege de Nieuwedijk voelde ik nattigheid en vroeg een aardig meisje in een schoenenzaak naar de dichtstbijzijnde speelgoedwinkel. Die waren er niet meer, zei ze. Wist ik veel!

Ze raadde me de Bijenkorf aan. Die zag er inderdaad zeer verkoopkrachtig uit. Maar in het lijstje naast de roltrap kwam het woord ‘speelgoed’ niet voor. Geen nood, spelletjes hadden ze natuurlijk wel op de boekenafdeling. Daar trof ik veel ruimte, weinig boeken en nul spelletjes. De jongedame achter een van de balietjes kon me nog net vertellen dat er rond de Kerst een verkoopeilandje was geweest met spellen, maar dat was alweer opgeruimd. “Volgens mij kunt u beter naar The Gamekeeper gaan,” zei ze. “Dat is ergens in De Negen Straatjes.” Op haar smartphone zocht zij nog even op naar welk van die straatjes ik me moest begeven. Ik mag die jeugd van tegenwoordig wel.

Even later zette ik mijn fiets tegen de winkelruit van een piepklein pijpelaatje, dat een warme Sinterklaassfeer uitstraalde tegen de reeds invallende duisternis. Ik had het woord “monopolie” nog niet uitgesproken, of een van de eigenaren stak me de doos al toe. Mijn blijdschap kende geen grenzen, dus ik betaalde met alle genoegen 35 in plaats van 25 euro voor het spel. Daarna was ik wel ongemanierd genoeg om over dat prijsverschil te beginnen. Overigens niet om de winkelier op zijn nummer te zetten, maar omdat me iets begon te dagen over het echte “monnóppelie-spel” in de echte wereld.

Daar wist de winkelbaas alles van! Vanuit de grond van zijn hart stak een storm van verontwaardiging op over de verwoestende werking van bedrijven als bol.com. “Ze pikken de meest gewilde items eruit en gaan daarmee desnoods onder de inkoopsprijs zitten. Winst hebben ze nog nooit gemaakt. Hoeft ook niet, dat komt wel als alle concurrentie weg is.” Ik prees hem om zijn uithoudingsvermogen en beloofde voortaan al mijn spellen bij hem te kopen, en nooit meer iets via internet te bestellen. Van de weeromstuit schreef hij voor mij alvast een tegoedbon uit voor mijn eerstvolgende aankoop. “Die is twee jaar geldig,” zei hij nog.

Of ik binnen twee jaar weer een spelletje nodig heb, betwijfel ik. Maar dat ik niets meer bij bol.com koop, zolang ik het nog in een winkel kan halen, daar mag je mij aan houden.

Epiphanie

09012020

 

Ergens in de afgelopen weken was het opeens weer zover. Het was avond en ik stond voor het raam in een huis aan de rand van het Olympiaplein te wachten tot mijn cliënt van het toilet af zou komen en ik hem zijn medicatie kon aanreiken. Terwijl ik gedachteloos naar het gewemel van lichtjes in het regenachtige donker staarde, sprong plotseling het stoplicht van de Parnassusweg op groen en zag ik drie auto’s achter elkaar optrekken en rechtsaf slaan.

 

Met een bedrieglijke schijn van eenheid, want volstrekt synchroon, maakten zij vaart en verdwenen naar links uit mijn beeld, de Stadionweg op. Plotseling was het alsof in heel mijn ziel en lichaam het geluid van de harmonie der sferen dreunde, omdat ik overweldigd werd door het besef, dat achter elk van die drie sturen een onherhaalbaar mensenkind zat, dat zich buiten mijn blikveld begaf naar een plek die voor haar of hem alleen, op dat onherhaalbare moment, een doel was.

 

Heel even maar, maar heel intens, leek het alsof het tot de mogelijkheden behoorde dat ik, net als God, tegelijkertijd heel het leven van die drie mensen van binnen uit kon overzien, en niet alleen van die drie, maar van alle mensen die er zijn, ooit geweest zijn en ooit zullen zijn, in de eeuwen der eeuwen. Want voor ieder van die mensen geldt het “Heer die mij ziet zoals ik ben / dieper dan ik mijzelf ooit ken” van Psalm 139 evenzeer. Het was alsof die God mij – luid lachend – optilde, in de lucht smeet, weer opving en liefdevol met mijn voeten terug op de grond zette. Precies op dat plekje voor het raam in een huis aan de rand van het Olympiaplein.

 

Ik hoorde het toilet doorspoelen en was gelukkig voldoende geland om mijn praktische leven te hervatten. Terwijl mijn cliënt de kamer binnen kwam strompelen, bedacht ik me nog net dat de consequentie van mijn eigen duiding van deze – even vluchtige als intense – ervaring was, dat naar alle waarschijnlijkheid ieder mens van tijd tot tijd zo door God onder handen genomen wordt. Alleen, de meesten hebben het er niet over. Of toch? En toen herinnerde ik me de ochtend, waarop ik met tante Corrie (een oudtante van mijn geliefde van weleer) aan de koffie zat. “Gisteren stond ik daar,” zei ze en wees op een plekje voor de kachel in haar voorkamer, “en voelde ik hoe God over me kwam.” Meer woorden maakte zij er niet aan vuil. Maar ze herhaalde ze wel nog een keer, met nadruk.

 

Zo herhaal ik al een paar weken af en toe koesterend dit moment van epifanie, zoals een kind aan zijn eerste losse tand voelt. Zit ie er nog? En hoe los nu? Misschien is het goed dat ik juist in die twee weken de roman Ravelstein van Saul Bellow lees. Daarin mijmert de ik-figuur aan het sterfbed van zijn vriend over wat hij zijn “intimate metaphysics” noemt. Hij neemt aan dat “Only a small number of special souls have ever found a way to receive such revelations”, en hij durft er met Ravelstein niet over te spreken. Hij verwacht dat deze ze al intellectualiserend zal ontdoen van hun grootsheid en hij “didn’t feel like having these first epistemological impressions anticipated or dismissed.” Hiermee verraadt hij dat het koesteren van deze ervaringen eigenlijk een soort guilty pleasure voor hem is geworden.

 

In children this impression – real reality – is tolerated by adults. Up to a certain age nothing can be done about it. In well-to-do families it lasts longer, perhaps. But Ravelstein might have argued that there was a danger of self-indulgence in it. Either you continue to live in epiphanies or you shake them off and take up trades and tasks, you adopt rational principles and concern yourself with society, or politics.

 

Misschien heeft hij gelijk en is het een privilege van een klein aantal “special souls”, maar het zijn er altijd genoeg geweest om elkaar te vinden, door de eeuwen heen. En overal waar mystieke tradities zijn ontstaan is het gevaar waar Ravelstein op doelde onderkend. Maar daar is ook altijd gezocht naar manieren om aan zijn “either/or” te ontsnappen. Ik herinner mezelf graag aan het advies dat Jan van Ruusbroec aan zijn mystieke zusters gaf: met wat oefening zou het mogelijk zijn om heel snel en herhaaldelijk “in en uit God te gaan”, ongeveer zoals je met je ogen knippert, zonder dat het zicht waarneembaar onderbroken wordt. Daarbij zouden ze merken dat zij hun aandacht niet hoefden te verdelen, want die verdubbelde zich juist.

 

Ondertussen heb ik mijn meneer zijn steunkousen uitgetrokken, zijn inco-broekje ververst, zijn medicatie aangereikt en zijn warme hap geserveerd. O ja, én een praatje met hem gemaakt. Over zijn katten. Met de aanwezigheid van God, Saul Bellow en Ruusbroec in zijn huiskamer heb ik hem maar niet lastig gevallen.

Update: de meneer in dit bericht is ongeveer zes weken later overleden.

Telefoonseks

06012020

 

Een droge januari vind ik meer iets voor in oktober, maar anderszins nodigt het seculiere Nieuwjaar ook mij uit tot het oppakken van goede voornemens die ik toch nog had liggen. Om gezondheidsredenen begin ik dus de dag met een stevige wandeling. Gisteren voerde die wandeling me naar De Nieuwe Meer, aan de kant van De Oeverlanden. Ergens in de buurt van het sluisje had ik blijkbaar, in gedachten verzonken, ergens naar staan staren, want opeens werd ik bijna ingehaald door een vrouw, die op bitse toon tegen een smartphone liep te praten. Aan haar andere hand bungelde een leeg boodschappenwagentje.

 

Haar stem stond me niet aan, dus ik versnelde mijn pas, maar de kans dat ik buiten bereik van die stem zou geraken leek klein. Net toen ik overwoog om dan maar voor het sluisje linksaf te slaan, merkte ik dat de vrouw achter mij dat ook ging doen, dus koerste ik weer rechtdoor. Daardoor kreeg ik de kans om haar vanuit een ooghoek gade te slaan. Ze was wat aan de dikke kant en droeg een lichtgrijze, gewatteerde jas, die haar niet flatteerde. Haar make-up en te zwart geverfde haar maakten het er niet beter op.

 

“. . . pedestrians only . . .” hoorde ik haar in de telefoon snauwen, en: “. . . you’ll be punished . . .”

 

Omdat ik altijd gefascineerd raak door het raadsel van onvolledige teksten, ging ik als vanzelf iets langzamer lopen. Terwijl de vrouw me links inhaalde en de straat overstak, richting de woonboten, ving ik nog net haar laatste woorden op:

 

“So: I can do with you whatever I want. You are my slave!”

 

Toen stak ze de telefoon, met daarin een timide minnares, die vol spanning lag te wachten op wat haar meesteres straks voor haar in petto had, in haar linker jaszak.

Onomatopee voor de stilte

LEMMER-SPREEUWEN-DUIZENDEN

 

Als je goed luistert,
is er boven al het luidruchtig

geraas
geratel
gezwatel
gefleem
geteem
geroep
gerommel
gestommel
gesteun
gekreun
gedreun
gedonder
gedender
gedaver
geknetter
gekwetter
gekletter
geklater
gesnater
gesnotter
geroffel
gefoeter
getoeter
gemopper
gemompel
geprevel
geproest
gefluister
geruis
gedruis
gesuis
geritsel
geroezemoes
gerinkel
getinkel
gepruttel
geklop
geklap
geklepper
geknal
gefluit
gegil
getetter
geschreeuw
gehuil
gejank
gesnik
getik
geblaf
gekef
gemiauw
gekir
gekakel
geklets
geloei
geknor
gesnuffel
gesnuif
gebries
gepuf
getuf
getok
getokkel
gekras
gekraai
gehinnik
gebrom
gegrom
gesis
gezoef
gebral
gebulder
gekras
gekrijs
geplof
gemurmel
geklepper
geschetter
geschater
en getwinkeleer

– goddank – ook

een onomatopee voor de stilte:

30122019

Worden en Zijn

18122019

 

In het Oude Griekenland stonden ze in steen gebeiteld, het werkwoord worden “en het werkwoord zijn. / Daarmee was tijd, was eeuwigheid gegeven”, en het was alsof een mens moest kiezen voor de ene werkelijkheid of voor de andere. Ach, er hebben altijd twee soorten mensen bestaan. Op velerlei wijze. Nu maar eens over mensen die op zoek zijn naar groei en mensen die op zoek zijn naar houvast. Dat doet het goed bij de borrel, of gewoon aan de eettafel, waar mijn jongste dochter laatst opmerkte dat haar ouders haar niet echt een voorbeeld hadden gegeven van een op groei en verandering gerichte mentaliteit. Ik kon niet ontkennen dat dat zo is. Of was? Er is geen Zen zonder bromvlieg en geen Zijn zonder worden.

Wij spraken vaak van “karakter”, zagen som een “type” in de persoonlijkheid van onze kinderen. Tja, dat herinnerde ik me ook wel. Terstond schoot mij een moeder te binnen, die ik lang geleden beroepshalve hielp bij het huishouden. Zij had zes kinderen en de zevende was op komst. Die hing in een heerlijke bubbel van vruchtwater en ik vroeg me wel eens af of zij al hoorde hoe het toeging in de wereld waarin zij terecht zou komen. Met schelle stem sprak de moeder die haar droeg over de andere kinderen, die zij stuk voor stuk als problematisch ervoer. Gelukkig had zij een hele handvol diagnoses achter de hand, waardoor haar gezin toch nog iets ordelijks kreeg. Zelf mankeerde zij uiteraard niets.

Het kan ook andersom, of allebei: sommigen van ons meten zichzelf de luxe van een persoonlijkheidsstoornis of een plek op het autistisch spectrum aan. En ik ken ook mensen die de diagnoses eerlijk over alle leden van het gezin verdelen. Wat drijft ons om dat spel te spelen?

Misschien ligt de sleutel in mijn eigen ervaring. Op een van roerigste momenten in mijn leven voelde ik een onweerstaanbaar verlangen naar een psychiatrische diagnose. Wat moest ik anders met al mijn innerlijke ongerijmdheden dan ze opsluiten in een stevig hok? Me erdoor mee laten slepen? God bewaar me! Hier verraadt zich een mogelijk motief voor een keuze voor het Zijn: een authentieke en misschien zelfs gezonde behoefte aan rust in het hoofd. Toch ben ik blij dat ik daar uiteindelijk aan ontsnapt ben.

Dat heb ik in eerste plaats te danken aan mijn toenmalige huisarts. Hij merkte mijn drang om mijn onrustige hoofd in het cachot te gooien, maar waarschuwde me, dat ik daar dan zelf ook in zou belanden. “Een diagnose,” zei hij, “is op z’n best een rustpunt voor de menselijke geest en met een beetje geluk hangt daar een behandeling achter, die je in staat stelt je verder door het leven te bewegen.” Onafhankelijk van zijn advies wees ook een vriendin me op het gevaar van opsluiting in een als identiteit gehanteerde diagnose. Gelukkig ben ik claustrofobisch, dus ik koos een therapeute, die weigerde diagnoses te stellen en zo bleef ik – met horten en stoten – in beweging.

Het zijn die horten en stoten, die me de ogen openden voor de mogelijkheid van in ieder geval nog een derde mensensoort. Eén die afwisselend wordt en is. Misschien ben ik zelf wel zo’n mens geworden.