Feeds:
Berichten
Reacties

Vrijgevigheid

 

In de tijd dat in Amsterdam de diamantslijperijen op volle toeren draaiden en een groot deel van haar joodse bevolking van een goed inkomen voorzagen, was er een sjnorrer (= bedelaar, parasiet), die op vaste tijden de lange tafels af ging om de giften op te halen, waaruit zijn inkomen bestond. Iedereen wist het en legde voor die tijd een stuiver links van zijn schuurschijf, zodat de bedelaar er minder werk aan had en zij zelf niet van hun werk zouden worden gehouden. Op zekere dag had iemand in plaats van een stuiver een twee-en-een-halve centstuk neergelegd. Toen de goede man dat zag, tikte hij de gever op de schouder en zei: “Het kost vijf cent, hoor.”

Dit verhaal wordt nog wel eens aangehaald om aan te tonen hoe de joodse versie van liefdadigheid, die tsedaka (= gerechtigheid) genoemd wordt, het gevoel van eigenwaarde van de behoeftige intact laat. Misschien zou het ook een aanmoediging kunnen zijn voor het aanwenden van enige chotspe (= brutaliteit) bij het binnenhalen van geld ten behoeve van de gemeenschap. God zorgt goed voor ons, maar heeft daar wel uw bankrekening bij nodig.

In de aanloop naar de Hoge Feestdagen raakte ik langzaam maar zeker gepreöccupeerd door gedachten rond dit thema. Dat kwam natuurlijk vooral door een discussie over de juiste aanpak in de fondsenwerving, maar zeker ook doordat ik administratief betrokken was bij de inschrijvingen en betalingen voor deelname aan de diensten tijdens deze dagen. Alles was helder, maar toch waren er telkens vragen over geld. Controle was globaal gezien misschien overbodig, maar niettemin vielen er zo nu en dan discrepanties op tussen deelname en betaling. Zo was de afgelopen weken zomaar opeens het woord krenterig terug van weggeweest.

Het hield me bezig, dus ik sprak er met verschillende mensen in mijn omgeving over. Dat was verhelderend, want al snel bleek dat mensen het probleem – als dat er al was – heel verschillend benaderden, afhankelijk van de gevoelens waardoor men zich liet leiden. Zo ontdekte ik, dat bij mij het rechtvaardigheidsgevoel de overhand had. Haast ongemerkt was bij mij de ergernis erin geslopen over, ja, laat ik het toch maar de krenterigheid noemen, die sommige mensen aan de dag legden. Strikt genomen ging het hooguit om een procent of drie van de deelnemers, maar in mijn gemoed namen die uiteindelijk zevenennegentig procent van de ruimte in.

Pas op de Grote Verzoendag zelf viel er bij mij een kwartje: ik was als het ware een spiegelbeeld geworden van die wanbetalers. Mijn ergernis vulde hun terughoudendheid in het geven in alle gulheid aan. Maar hoe vrijgevig was ik zelf eigenlijk, als het voor mij blijkbaar geen optie was om niet of minder te geven? Gelukkig is Jom Kipoer een dag bij uitstek om je bekommernis op de Eeuwige te werpen (Psalm 55:23) en het klopt: Hij zal voor je zorgen. Mijn gevoel voor proportie is weer hersteld. Moge het in ieder geval tot de volgende Jom Kipoer mee gaan.

Advertenties

Zielsverruiming

 

“Wat verandert er na deze dag?” vroeg een van de rabbijnen en ze keken me alledrie verwachtingsvol aan. Ik wierp nog een keer een blik in mijn ziel, waaruit ik net drie kwartier lang van alles had opgediept, om hen te laten zien hoe ik tot dit moment gekomen was. Toekomstvisioenen zaten daar niet echt bij. Draaide ik niet allang volop mee in het joodse leven? En was dat niet reeds ruim voldoende voor mij? Ja, het zou een officiëler karakter krijgen, dat wel. Verder kwam ik niet. Toen stuurden ze mij de gang op.

Al na twee minuten werd ik teruggeroepen en na wat gescherts over en weer gingen de drie rabbijnen staan en reikten mij een voor een de hand, met de woorden “Achotenoe at!” – “Onze zuster ben jij.” Wat moest ik daarop zeggen? “Toda raba” dan maar: hartelijk dank! En toen was het opeens of ergens diep binnenin mij een deksel van een put werd geschoven en er een bron omhoogwelde, die me tot in alle kieren vulde met een gevoel van volmaakte vervulling. Zij zagen hoe ik vol schoot, en ik dacht even dat ik door mijn tranen heen voldoening in hun blikken waarnam. “Blijkbaar is dit voor jou belangrijk,” zei een van hen nog.

Dat was nog maar het begin. Even later was ook mijn lijf tot in de poriën geraakt door water, al moet ik eerlijk zeggen dat ik het gevoel van opnieuw geboren te worden op dat moment niet echt kon bevatten. Ook toen ik een Tora-rol in mijn armen mocht houden en mijn eigen rabbijn mij de drievoudige priesterzegen gaf, was ik er nog niet helemaal bij. Terwijl de gebruikelijke gastvrouwenstress (er zat een hele bank vol vrienden en vriendinnen voor mij!) zachtjes door mijn aderen ruiste, ving ik nog net op dat de Tora-voorlezing van deze week (“Wanneer je in het land gekomen bent . . .”) wel heel toepasselijk was voor een rite de passage.

Op de eerstvolgende Sjabbat bleek wel hoe ik echt op de andere oever was aangeland: ik werd voor het eerst ‘opgeroepen’ voor de Tora-lezing en daarna las de rabbijn die de dienst leidde een speciale zegenwens voor, waarvan ik de vertaling hier graag weergeef:

Moge Hij die onze voorouders Awraham, Jitschak, Jaäkov, Sara, Riwka, Rachél en Léa zegende, Zijn zegen geven aan Channa bat Awraham, die deze heilige Sjabbat is opgeorepen voor de Tora, nadat zij bij ons is gekomen om te schuilen onder de vleugelen van Gods Aanwezigheid. Zij heeft een lange weg van voorbereiding afgelegd om te worden opgenomen in het joodse volk en te worden gerekend onder hen die behoren tot het volk van de God van Awraham en Sara.
Moge de Heilige, Hij zij geprezen, met haar meegaan en haar voorspoed geven op haar levensweg, haar beschermen en zegenen met voldoening en tevredenheid als zij haar deel van Gods werk in deze wereld verricht. Mogen al haar wensen ten goede in vervulling gaan en moge zij altijd openheid, vriendschap en verbondenheid ondervinden onder haar volk Israël.
Daarop zeggen wij: Amén.

” . . . opgenomen in het joodse volk . . . ” Nooit zou ik hebben geweten hoe dat was, als ik het niet had meegemaakt. Hoe zou het zijn als mijn leven bijna volledig bestond uit de voorstellingen die ik mij ervan maakte? Heel vaak heb ik het bestaan zo overweldigend gevonden, dat ik daar graag genoegen mee had genomen. Vandaag prijs ik me gelukkig om alle momenten waarop ik dat niet heb gedaan.

Een andere reden om aan de veilige kant van alles te blijven, is de angst om te verliezen wat je dierbaar is. Betekent een nieuwe naam krijgen niet het verlies van een oud vertrouwde? Er wordt wel gezegd dat opname in het Jodendom een “biologisch wonder” is: je wordt zozeer werkelijk een nazaat van Awraham, dat oude bloedbanden hun geldigheid verliezen. Wil ik dat dan wel? Gelukkig was ik inmiddels zelf al soepeler geworden in het gebruik van twee voornamen; er blijven plekjes waar ik Janiek genoemd word. Voor het andere probleem vond ik op de valreep een oplossing, ergens op het internet, ik weet niet meer waar. Elke jood die de Sjabbat heiligt, krijgt voor die dag een nesjama jetera: een extra ziel, – of misschien ook wel: een ruimere ziel. Precies hetzelfde geldt voor de joodse ziel die een bekeerling krijgt (of blijkt te bezitten) op het moment van toetreden tot de Natie. Er hoeft niets te worden tenietgedaan. Ik hoef slechts toe te staan dat er een zielsverruiming plaats vindt. Graag!

 

 

 

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Koesteren

 

Het lijkt nog maar kort geleden dat ik hier schreef over de bijzondere ervaring van het ziek zijn. Over heerlijke gevoelens van onthechtheid en overgave. De afgelopen weken geniet ik een bijna tegenovergestelde ervaring: ik ben zo gezond als een vis, maar dan wel als eentje die ligt te spartelen op de walkant. Wonderlijk kwetsbaar zonder de omhulling van water.

Eerst de beleving, dan de feiten: mijn huis ondergaat een ingrijpende renovatie en ik zit vijf deuren verder in een ‘logeerwoning’, ingericht als zo’n vakantiehuisje in zo’n park, alleen zonder tropisch zwemparadijs. Alles rondom staat in de steigers en is vol van geweld en geluid: gebonk en gehamer, gehak en geboor. Tegelijkertijd worden de belangrijkste wegen in mijn directe omgeving vanwege werkzaamheden omgewoeld. En de natuur ligt amechtig te hijgen in de aanhoudende droogte.

Ik spartel. Eerst spartelde ik tegen, daarna begon ik mee te bewegen in het grote gebeuren. Onder de indruk van de grondigheid, wanneer ik zie hoe waterleidingen in toilet en douche in de muur worden ingefreesd. Teleurgesteld door het haastwerk, als op andere plekken de tegels gewoon op de oude tegelwand worden gelijmd. Voortdurend alert om waar mogelijk nog dingen bij te sturen. En lastig, wat voel ik me soms lastig!

Maar vooral: wat voel ik mij onthand en ontregeld. En hoezeer val ik mezelf daarin tegen. Hoewel mijn werk en mijn taken binnen de joodse gemeenschap er niet eens onder lijden, had ik van mijzelf duidelijk meer sangfroid verwacht. Dat ik kennelijk zo afhankelijk ben van mijn huis en mijn spulletjes, van die bubble om mij heen, kan ik maar slecht verkroppen. Niet realistisch, merk ik, zodra ik op straat mijn buren spreek. Iedereen is aangedaan. Een jonge buurvrouw werd zelfs fysiek ziek, maar zij blijft het positief beleven: “Zo weet je weer dat je iets te koesteren hebt.”

Koesteren! Wat een liefdevolle kijk op je gehechtheid. Een andere wisseling van perspectief werd me aangereikt door een vriend, die zelf onlangs zijn huis had laten verbouwen. Ik moest blij zijn, vond hij, toen hij me hoorde sputteren over hoe indringend dit alles was. Nee, wat een luxe was het, dat ik het allemaal zomaar in mijn schoot geworpen kreeg! Stijf van de stress vanwege al die chaos om mij heen en de voortdurend opschuivende oplevertijd, onderga ik toch langzaam maar zeker een mentaliteitsverandering. Hier ligt een kans voor mij.

Hoe vaak valt het mij niet op, in de huizen waar ik voor mijn werk kom, dat de dood daar al aan de muren en de meubels knaagt, zich in de vloerbedekking en de gordijnen nestelt, lang voordat hij de bewoners komt halen? Het sterkst voel ik het aan de verf, die daar al meer dan dertig jaar de muren en het houtwerk dekt. De liefde die er ooit in is gestoken, is zozeer verbleekt dat je haar niet meer kunt lezen. Heel soms vraag ik mij af, of ook mijn huis niet reeds die weg is ingeslagen. Nu kan ik mij nog omdraaien, en al die ontheemde gevoelens erbij, door dat huis te koesteren, met kwasten en met rollers, met liefde en met licht.

 

Rachel de Dichteres

 

 

 

Afgelopen dinsdag was ik bij de boekpresentatie van het tweede deel in de serie Hebreeuwse Bibliotheek van Amphora Books. De bedoeling van deze reeks is het onder een breder publiek bekend maken van modern-Hebreeuwse poëzie in vertaling. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van het werk van amateur vertalers, die hebben meegedaan aan de Vertaalwedstrijd Hebreeuws. Een feestelijke bijeenkomst, waarbij ik zelf een eervolle vermelding kreeg voor het gedicht hieronder, dat in de bundel is opgenomen (op blz.36).

Ook heb ik een bijzondere band met het kunstwerk hierboven, dat voor de cover van het boek is gebruikt. Het werd kosteloos beschikbaar gesteld door kunstenaar Yaïr Aa en tijdens de presentatie geveild door Prof.Dr. Irene Zwiep. Ik haalde – klaarwakker! – een rib uit mijn lijf en even later mocht ik – voor een schijntje! – een heus “thing of beauty” mee naar mijn huis nemen.

ZWIJGEN

De zwaarte van dit zwijgen drukt mij ter aarde,
het zwaard van dit zwijgen doorklieft mijn hart.
Ik ben nog hier – nog hier – en wacht,
het bloed van mijn verzen nog rood rondom mij.

De dood legt stil, zeker, wij allen vallen stil,
tenslotte – als de dag zonder omwegen daar is.
Maar het leven heeft een eigen stem en taal, en wij
een zucht naar die taal, een echo, helder en scherp.

Zij bevriest mij. Met haar de vrees voor het graf:
haar verwrongen mond spert zij grenzeloos open.
Ik ben nog hier – nog hier – aan de overkant –
Sla mij met woorden! Maar in ’s hemelsnaam, zwijg niet!

Anti-antisemitisme

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

 

*

 

De antennes op de daken van de huizen leken toen
op de masten van het schip van Columbus,
en elke kraai die stond op hun spitsen
kondigde een ander continent aan.

 

Beneden in de straten liepen plunjezakken van reizigers
en de taal van een onbekend land
hakte in op de schroeiende middaghitte
als het koude lemmet van een mes.

 

Hoe kon de lucht van die kleine stad
zoveel jeugdherinneringen in zich opnemen,
zoveel verlepte liefdes,
zoveel kamers, leeggeruimd, ergens ver weg?

 

Als beelden, die de film in een camera zwart kleuren,
maakten heldere winternachten een negatief
van regenachtige zomeravonden, ver weg, over zee,
van mistige morgens in metropolen, ver weg.

 

De kadans van de voetstappen achter je rug:
marsliederen van een vijandelijk leger –
en het was net alsof je je hoofd maar om hoefde draaien,
en daar op zee dreef de kerk van de stad waar je thuis was.

(vertaling: Channa Kistemaker)