Feeds:
Berichten
Reacties

Onpeilbaar

Kunnen zeevogels

die leven aan schuimranden

van de getijden

een onpeilbare diepte

bevatten ― en, wat dat zegt …

Ono no Komachi, 834-880 AD

 

*

Als ik een zilvermeeuw was, dan zou ik het je kunnen zeggen. Of juist niet: ik zou wanhopig, klaaglijk krijsen. En misschien zou ik denken, dat jij denkt, dat ik het weet – achter de onzichtbare, ondoorlaatbare wand, die ons van elkaar scheidt. Maar goed, ik zou je zeggen: „Het schuim zit in de weg. Wij moeten weg, naar helderder water.” Zo moeilijk is dat niet. Jij weet net zo goed als ik wat het is om boven het spiegelvlak van een bergmeer te hangen, als een vogel. Onder ons schittert de zon op de bodem van een blinkend blauwe schaal, veel dieper dan de bodem van het meer. Maar onpeilbaar? Laten we wachten op de nacht, nee, op de helderste nacht, windstil. De nacht waarin het zwart achter de verste ster zichtbaar wordt, boven ons en onder ons.

Elf eeuwen staan tussen ons in, en een taalbarrière die ons nog lelijk kan bedriegen. Toch, als wij elkaar nu diep in de ogen kijken, weten we dat het onpeilbare zich in ieder van ons herhaalt. Wij zien het niet, om van bevatten maar te zwijgen.

 

*

uitgedaagd door Simon Buschman

iGod en de betere wereld

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Hamannetjes

04032017

Nog een dag of tien, dan moeten we stemmen. (Moeten? Ja, ik vind van wel.) Overal waar ik kom draaien televisietoestellen op volle toeren en ook mijn digitale courant heeft het er maar druk mee. Dat zie ik allemaal vanuit een ooghoek, terwijl ik druk doende ben mijn draai te vinden in mijn nieuwe werkkring en me op stillere momenten afvraag waar mijn eigen leven ook alweer over ging. Terwijl ik een zaterdags ommetje loop, loopt mijn hoofd ook om, van dit alles en nog wat. In het kringelen en kronkelen van mijn gedachten passeer ik telkens opnieuw de vraag: op wie moet ik stemmen?

Een week of wat geleden dacht ik het opeens te weten. Mijn stem was voor Ada Gerkens (SP). Het zou een beloningsstem zijn. Dat had te maken met iets waarvan ik hoop dat het de geschiedenis in zal gaan als de motie-Gerkens. Twee en een half jaar heeft het geduurd, maar dankzij die motie is er een degelijk rapport van het Rathenau Instituut verschenen, dat de regering op het hart drukt onze rechtsstaat te beschermen tegen al die bedrijven die het op onze data gemunt hebben. Ik hoop dat het niet nog een keer twee en een half jaar gaat duren, voordat dit thema echt op de agenda staat, want die snelle jongens in Sylicon Valley zijn ons al te lang te snel af.

Wat later las ik een interview met Joël Voordewind (CU) en sindsdien vond ik dat ik zijn partij maar eens moest steunen met mijn kostbare stem. Waarom? Om dat beetje tegenwicht tegen mijn goed bedoelende linkse vrienden, die denken dat zij met steun aan de BDS-campagne een van de lastigste conflicten in het Midden-Oosten kunnen oplossen. En tegen de betweterige achteloosheid, waarmee iedere kiloknallerkanende Nederlander met een verbod op ritueel slachten een aflaat voor zijn schuld aan dierenleed denkt te kunnen kopen. Of tegen de verwoede secularisten en euthanasiasten, die geen maat weten in hun streven de mens tot maat van alle dingen te maken. Toen ik de ChristenUnie in een kieswijzer bijna exact op het snijpunt van de assen progressief/conservatief en links/rechts gepositioneerd zag, gaf dat zelfs een beetje thuisgevoel.

Maar de Partij van de Arbeid dan? Van de kieswijzers zou ik haar best trouw mogen blijven. En toch: Asscher is geen Job Cohen en de partij is al lang niet meer wat ze geweest is. Trouwens, mijn eigen nostalgie ook al niet meer. Dat men van het idee voor een bindend referendum is afgestapt, daar word ik wel weer een beetje warmer van. De politiek zou misschien wel iets sneller mogen, maar het moet geen clicktivism worden.

Een paar dagen voor de verkiezingen is het Poerim. Eerlijk gezegd ben ik – nebbisj – niet zo in de stemming om me te gaan verkleden en op commando gek te doen. Aan de andere kant is het een religieuze plicht om me, samen met de anderen in de queer corner van mijn sjoel, eens goed vol te gieten. Tot ik het verschil tussen Mordechaï en Haman (boeoeoe!!!) niet meer weet. Nou goed, met een paar dagen om het delier weer te boven te komen is het misschien wel te doen. Op 15 maart is het wel zaak om te weten wie Haman (boeoeoe!!!) ook al weer was. En is.

Lees het verhaal van Esther, zou ik kunnen zeggen. Dat is beter dan dat ik het samenvat. Wel wil ik verklappen dat het over deze verkiezingsstrijd gaat. Want die gaat bijna over niets anders dan over identiteit. En dan zie ik opeens heel veel Haman(boeoeoe!!!)netjes. Mannetjes (en vrouwtjes, op hun eeuwige tweede plaats) die wel weten wat de identiteit van ons land is of moet worden. Daar heb ik al vaker op gemopperd, dus nu maar even niet. Als het kon zou ik stemmen op Rosanne Hertzberger, met wie ik het  vaak oneens ben, maar vandaag even niet. Lees haar pleidooi voor vrijheid in NRC van vandaag, waaruit ik citeer:

Vertrouwen, liefde, zorgzaamheid, aandacht – daar heeft PwC geen verstand van. Want dat staat niet op papier. Als je alleen maar naar het papier kijkt, is er altijd iets te regelen. Er is geen probleem te bedenken dat jij niet kan oplossen met een onderzoek, een beleidsplan of een wetsvoorstel. Je kunt altijd de hoepels verzetten, vernauwen of er een paar extra optuigen. Je kunt er een wortel achter hangen of gewoon straf uitdelen als mensen er niet door willen springen.

Haar stemadvies:

Ik stem op de politicus die als eerste zegt: die Nederlandse identiteit, dat is niet aan ons. We gaan het niet in kaart brengen, we gaan er geen beleidsplan over schrijven, we gaan het niet regelen. Uw identiteit is aan u, lieve Nederlander.

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

God keert terug in Jorwerd

09022017

 

De loopjongen is terug in het straatbeeld. Sinds kort prijkt het dienstmeisje op de Amsterdamse billboards. Snorders racen onzichtbaar door onze straten en op de zolders boven ons rookt en ronkt het van de nette (of onnette) heren b.b.h.h.. Mijn hippe jonge buurvrouw heeft een webwinkeltje in handgemaakte schrijfwaren en mijn eigen dochter een heuse praktijk in ayurvedische yoga-massage. Nog even en God is terug in Jorwerd.

Waarom denk ik vandaag, behalve aan God, aan Jorwerd? Dat is om een zin als deze, uit dat prachtige melancholieke boek van Geert Mak:

“Ach wat waren de mensen arm toen ik een jongen was,” zei de notaris. “er was geen steun en je zag iedereen met handeltjes beginnen. Een koemelker met zes koeien begon daarnaast iets met koffie en thee. (…)”

 

We hebben het dan over de jaren vijftig, toen geluk nog heel gewoon was en ik als een geitje met een lang eind touw stond vastgebonden aan een kwarrig appelboompje in het bleekveld aan de dijk. Aan het begin van mijn volwassen leven was al dat sappelen verleden tijd. In Frankrijk zong Marie-Paule Belle er een weemoedig liedje over en ikzelf ben de nostalgie naar die armoe nooit helemaal te boven gekomen. Ah, de romantiek ervan!

Ik heb het allemaal teloor zien gaan in mijn eigen kleine leventje. De sanering van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf had mijn vader vanonder zijn zwerk vol leeuweriken weggeplukt en aan een lopende band vol theebeschuitjes gezet. Een neef, die kruidenier was, legde het af tegen de nieuwe supermarkt in het centrum van ons dorp. En alles waar vroeger een reparateur voor bestond verdween op een zeker moment in de vuilnisbak, omdat je goedkoper een nieuwe kon kopen. Tenslotte kopen wij nu elk jaar al onze apparaten nieuw, niet omdat ze stuk of versleten zijn, maar omdat ze “niet langer ondersteund worden”. Keep the aspidistra flying!

Mijn eer-eer-eervorige manager zei eens, toen onze organisatie Amsterdam Thuiszorg net was opgeslokt door Cordaan, en wij begonnen aan de eeuwigdurende reorganisatie via wijkteams naar zelfzorgorganiserende teams naar God-weet-wat: “Het is een golfbeweging: centraliseren en decentraliseren en dan weer centraliseren.” Ik weet niet of zij helemaal gelijk had. Misschien gebeurt het wel allemaal tegelijk. De grote bedrijven, die eerst alle kleintjes hebben opgeslokt, maken nu van hun werknemers langzaam maar zeker kleine zelfstandigen. Of sappelaars, want wat blijft er van hun rechtspositie over?

De jonge mensen van nu vinden het waarschijnlijk heel romantisch allemaal en waarom ook niet? Wat een vrijheid geniet je tenslotte! Volop in beweging, in een heerlijk vacuüm van anonimiteit en je werkgever is een app, net zo verleidelijk als je facebook-account. Google maar eens naar afbeeldingen van Foodora en Deliveroo en zie dat het altijd mooi weer is. Of probeer een Helpling te vinden die niet blij kijkt. Op mijn 60-ste en op mijn fietsje door deze prachtige stad karrend, van oud bestje naar niet meer zo krasse knar, voel ik me zomaar opeens weer heel jong. Hosselen is de toekomst!

“Een hosselaar is niet afhankelijk van één inkomstenbron. Hij scharrelt zijn kostje bij elkaar met verschillende activiteiten die samen genoeg opleveren, genoeg voor een leuk leven.

Een hosselaar is streetwise: een ondernemend multi-talent dat kansen grijpt en risico’s spreidt. Geld verdienen wordt weer een levenskunst die je al doende ontwikkelt.

Wat is jouw sociale en emotionele kapitaal? Welke kansen bieden grote maatschappelijke trends? En hoe maak je van zo’n kans een geldkraantje? Je leest het allemaal in dit boek boordevol goede ideeën en slimme voorbeelden!”

Sjalom

30012017

 

Sommige gedachten zijn even troostrijk als beklemmend. Neem de gedachte dat de dood het einde niet zou zijn:

o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.

H.Marsman

Toen mijn broertje zich – op de kop af 32 jaar geleden – het leven benam, sprak iemand hem over de dood heen bemoedigend toe, wenste hem sterkte met al het onafgemaakte dat hij achter zich had willen laten. De voorstelling van zaken die achter deze wens schuil ging, kwam mij destijds als buitengewoon wreed voor. Had ik niet op zijn rouwkaart laten drukken: “Wij hopen dat hij de verlossing vond, die hij zocht”? En anders hoopte ik wel dat ik zelf ooit verlost zou zijn van al het onafgemaakte dat er tussen ons was blijven liggen.

In werkelijkheid heeft het meer dan tien jaar geduurd eer ik enigszins in het reine was met de pijn, die overbleef nadat er met geweld een eind was gemaakt aan onze relatie, die bij zijn leven gedrenkt was in gevoelens van ontoereikendheid en onvermogen. Al die tijd droeg ik – of ik dat nu wilde of niet – ons gedeelde verleden in mij mee. Dat verleden leek langzaam te verstenen, en een deel van mij versteende als het ware mee, terwijl de veranderingen in mijn eigen leven telkens slechts kleine verschuivingen teweegbrachten in mijn verhouding tot het gebeurde. Zelfs toen ik dertig jaar later zijn dagboeken las, bleek dat nog een hele klus.

Zijn – en mijn – moeder heeft hem zeven en een half jaar overleefd, maar die tijd is niet voldoende geweest om de gevoelsmatige verwijdering teniet te doen, die het drama voorafgaand aan zijn dood tussen haar en mij had veroorzaakt. Toen zij stierf, bleef ik achter met een bezwaard gemoed vanwege het besef dat het tussen ons nooit meer helemaal goed was gekomen. De tijd hielp hier niet veel, zeker niet toen ik mij op zeker moment begon te realiseren dat onze relatie ook zonder de dood van mijn broer pijnlijk ingewikkeld was geweest. En nog altijd was, ook al voelde ik mij daar heel alleen mee.

In het afgelopen jaar is daar weer beweging in gekomen, een helende beweging. Die heb ik te danken aan de kracht van de joodse liturgie en het bezig zijn met de woorden van de Tora. Laat ik een voorbeeld noemen. Vorig jaar augustus, tijdens de Pink Shabbat in onze sjoel, stonden wij voor het moment waarop kaddiesj gezegd wordt door de hele gemeente. Het is daarbij de gewoonte om de namen te noemen van degenen die in de elf maanden daarvoor zijn gestorven én van degenen wier sterfdag rond die tijd viel. Ik had mij voorgenomen de naam van mijn moeder te noemen, en voelde daarbij van binnen een zwaarte die raar afstak bij de vrolijke regenboogkleuren om mij heen.

Toen klonk de stem van onze rabbijn: “We are about to say kaddiesj for all the ones we loved, . . .” – en hier aarzelde zij even – “or did not love.” Ik schoot ogenblikkelijk in de lach, en gelukkig was ik niet de enige. De rabbijn bekende me later dat het er bij haar ook zomaar, onbedoeld, uit was gefloept. Maar het had zijn werk gedaan. De zwaarte was van mij af gevallen en ik kon de naam van mijn moeder, met alle gemengde gevoelens jegens haar die daaraan kleefden, hardop uitspreken, om vervolgens met meer dan honderd stemmen tegelijk de Eeuwige én het leven in alle denkbare termen te prijzen. Met aan het einde:

Hij die vrede maakt in Zijn sferen, moge Hij vrede maken voor ons, voor heel Jisraël en voor de hele mensheid. Zegt daarop: Amén.

Dit is slechts één van de vele momenten, waarop de verhouding tot mijn moeder een plek kreeg in mijn godsdienstige leven. Telkens weer maakte dat sterke emoties bij mij los. Alleen de laatste weken gebeurt er iets anders, iets waar ik me vooraf geen voorstelling van gemaakt had. Op volstrekt willekeurige momenten merk ik dat ik niet over of aan mijn moeder denk, maar dat ik met haar lijk te praten, en sterker: zij praat terug. Over de dood heen. Niet dat ik de woorden zou kunnen vangen, maar de klank is er wel. En een warmte, die heel lang weg is geweest.