Feeds:
Berichten
Reacties

Alomafwezigheid

Dit woord is afkomstig uit een aforisme, waarmee een vriend van mij zijn leven na het verscheiden van zijn echtgenote omschreef: “De alomafwezigheid van M.” Het is een goed woord, want het beschrijft heel adequaat hoe mijn huis aanvoelt, nu Poezemientje er niet meer is. Alles is er nog, mijn cluttered desk, mijn overvolle boekenkasten, de stoel met kleren, de vuile vaat op het aanrecht, de urban jungle in de erker, waar onze Troon van Samenzitten staat. Toch is het alsof mijn huis is leeggehaald, door rovers in de nacht. Alsof ik keer op keer vergeefs langs de tientallen plekjes moet lopen, die zij volgens een soort rooster bezet hield als van haar.

Heur haar: ik ben bang dat ik het nog jaren zal tegenkomen, dat rare haar. Het wolkte in de hoeken van de kamer, drong zich in alle weefsels en zelfs buiten mijn huis, op mijn vaste plekje in de synagoge, kan zomaar opeens een witte kattenhaar opduiken om van haar bestaan getuigen. Negen levens heeft een kat, maar wat zijn ze kort! Toen ik vorig jaar met Poezemientje bij de dierenarts was voor een check-up, kreeg ik te horen dat zij een stuk ouder was dan ze mij in het asiel hadden wijsgemaakt: minstens twaalf jaar. En ja, toen zag ook ik wel dat haar flanken begonnen in te vallen en dat haar vacht telkens wat doffer leek te worden. Er liep een zandloper leeg.

Mijn blog vertelt me dat we vijf-en-een-half jaar samen hebben gehad. “Mooie jaren,” huil ik zachtjes, en ik schuif mijn toetsenbord van me af, buiten het bereik van mijn tranen. Daar ligt zo’n lege plek. Hoe vaak kwam ze niet even samenzijn door zich tussen dit keyboard en mijn beeldscherm neer te vleien? De witte haren, die zich god-weet-hoe onder de toetsen hebben weten te wurmen, voelen nu nog vertrouwd, maar zullen langzaam verdwijnen en niet meer worden aangevuld. Ik zal ze nog maanden, misschien jaren later vinden, op de gekste plekjes. Afgezien van de vaste pleisterplaatsen – de bank in mijn studeerkamer en haar eigen chaise longue in de huiskamer en het hoekje achter de carobe op het balkon – hoefde er maar ergens een kastdeurtje open te staan of een paar dozen te zijn opgestapeld, of Poezemientje maakte er een holletje in of achter, dat ik voortaan gewillig aan haar afstond. Haar domein breidde zich alsmaar uit en bereidde onbedoeld de grote leegte voor, die zij nu heeft achtergelaten.

Mijn gekke katje, met je gekke gewoontes, het gemis is een stuk groter dan tien, twintig keer je opgerolde witte wollen lijfje alomtegenwoordig in mijn huis. Af en toe meen ik je nog te horen, maar de meeste tijd is het hier stiller dan het spiegelbeeld van al het geluid dat je hier – alles bij elkaar opgeteld – hebt gemaakt. Hoe je het deed, dat kon je me niet vertellen, maar ik weet zeker dat jij – zonder me te horen – voelde waar ik mij bevond in ons huis. Waar jij ook was, als ik in de erker ging zitten, duurde het nooit langer dan een paar minuten, of je kwam naar me toe. Je scherpte je nageltjes aan het leer, keek me even heel hulpeloos aan, maar sprong dan toch op mijn schoot. Luid spinnend onderging je de stevige massage waar je zo van hield, waarbij hele wolken witte haren de kamer in wervelden. Nu is het alsof ik dat vreemde vermogen van jou heb geërfd: waar ik ook ga zitten, ik voel feilloos elke plek waar je niet meer bent. Het doet pijn, maar daar kan jij ook niks aan doen. Waar je wél bent, weet ik niet, maar het ga je goed, waar dan ook.

Aan de seidertafel

Een week geleden zat ik aan de seidertafel. Mij was gevraagd om iets over het Exodusverhaal te vertellen. Mijn gastheer zei er meteen bij dat ik het mezelf niet te moeilijk moest maken. Ach, hij kent mij! Daarom besloot ik niet het hele verhaal na te vertellen, ook al is dat nou juist de mitswe die we op die avond moeten vervullen. Maar goed, er waren geen kinderen bij, dus iedereen kende het al.

Dan maar meten naar de kern van het verhaal: het gaat om vrijheid. Maar wat voor vrijheid? Politieke? Persoonlijke? Beperkte, of absolute? Moest ik Isaiah Berlin er bij halen met zijn Two concepts of liberty? Net toen ik zijn prachtige essay begon te herlezen, schoot me iets eenvoudigers te binnen. Ik moest het mezelf tenslotte niet te moeilijk maken.

Een paar jaar geleden las ik vlak voor Pesach een blog van Esther Erwteman. (Ik maak graag even reclame voor haar cateringbedrijf.) Zij wees erop dat de vrijheid waar het in het exodusverhaal om gaat meermalen duidelijk omschreven wordt. 

Zo zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeërs: laat mijn volk gaan om Mij te dienen.

Exodus 8:1

Vrijheid om te dienen? Het Hebreeuwse woord voor “dienen” heeft dezelfde wortel als dat voor “slavernij”. Raken we zo niet van de regen in de drup? Nee, dat mag ik vast al wel verklappen: over 50 dagen is het Sjavoeot (het Wekenfeest) en dan krijgen we een praktische gids voor dat dienen van de Eeuwige, geheel naar menselijke maat gesneden.

Je zou zeggen, kat in ’t bakkie. Toch is het niet zo simpel, met die vrijheid en dat dienen. Laat ik voor mezelf spreken. Een jaar geleden kreeg ik corona, waar ik niet heel erg ziek van was, maar die wel een burn-out losmaakte. Dat is op zich naar om mee te maken, maar het kan ook een Cruijff-momentje worden: elk nadeel heeft z’n voordeel. Ik kreeg hulp van mensen, die het inzicht in mij wakker maakten, dat ik het mezelf vaak nodeloos moeilijk maakte, doordat ik dienstbaarheid als een vanzelfsprekende verplichting zag. Bijna als een reflex: iemand hoefde maar op de knop te drukken en ik stond klaar – of niet.  Soms met de smoor in, achteraf. Maar ja, als ik zomaar nee zei, was ik ook niet vrij: dan liep ik met een ziel vol schuldgevoel onder mijn arm.

Terug naar het Exodusverhaal, dat opeens ruimte blijkt te laten om de klemtoon anders te leggen: van vrij om te dienen naar vrij om te dienen. 

Trappelen

Afgelopen week fietste ik over het Museumplein en daar stond een jongetje van een jaar of tien, helemaal alleen, met een stukje karton in zijn hand, tegenover het Russische consulaat, waar de vlag druilerig van van de vlaggenstok leek te druipen. Ik was al voorbij, toen mijn nieuwsgierigheid mijn rechterbeen had bereikt, dat meteen op de terugtraprem ging staan. Rechts- of linksomkeert. Ja, ik had het goed gelezen: er stond “Russia go home” op de ene kant van het kartonnetje en “stop Putin” op de andere. Het jongetje was wel in voor een praatje en zo kwam ik er achter dat hij zelf weliswaar Iers was, maar dat zijn moeder een collega had, die uit Oekraïne kwam. En, o ja, hij had ook nog een Russische klasgenoot.

Terwijl we stonden te kletsen, kwam er een man op een fiets van de andere kant, die even wat proviand voor de dappere demonstrant had gehaald. Een croissant en een flesje water. Hij verontschuldigde zich nog dat het een chocolade croissantje was geworden: de gewone waren helaas op. Op dat moment merkte ik het nog niet, maar ik was waarschijnlijk zelf ook al bezig om in een soort eerste-golf-corona-stemming te raken. Het was maar één jongetje met een stukje karton, maar ik hoorde ergens in de verte het applaus voor de zorg vanaf balkons en uit open ramen klinken. 

Thuisgekomen las ik in de krant dat de stroom vluchtelingen vanuit Oekraïne op gang was gekomen, terwijl hulpgoederen en wapens de andere kant op begonnen te vloeien. Aan de ene kant van de grens met Polen stonden rijen bange Oekraïners op de vlucht, aan de andere kant vormden zich net zulke lange rijen met mannen die stonden te trappelen om aan de gevechten deel te gaan nemen. Toen ik me die avond in gesprek met een goede vriend liet ontvallen dat ik die strijdlust wel kon invoelen, heb ik hem misschien wel aan het schrikken gemaakt. Bij mezelf begon het al iets meer te dagen: het was een ruisen in mijn bloed van iets dat zowel angst als verlangen kan zijn. Een nu-wordt-alles-anders-gevoel. 

Een paar dagen later zie ik het overal om me heen en voel ik de ambivalentie van zo’n kantelpunt in de tijd steeds sterker. En niet alleen bij mezelf. Bij de kassa in de natuurvoedingswinkel hoor ik een zelfverklaarde pacifiste op een politieke moord hopen. Onze leiders buitelen over elkaar heen met veroordelingen en toezeggingen. De kansen voor heldendom lijken voor het oprapen te liggen. De zachte linkse partijen, waar ik zelf ook bij hoor, leggen de gebroken geweertjes neer en vragen om echte. Het democratisch mandaat biedt bijna overal ruimte voor. Hier begint bij mij de huiver. We zijn ergens een bocht om gegaan en in een rivier met stroomversnellingen terecht gekomen. Nu maar hopen dat er geen waterval komt.

Ter relativering een liedje uit de oude doos. Luister vooral naar de ondertonen van de intro:

Het heilige moeten

*

Vandaag begint een nieuwe fase in mijn leven en morgen ga ik een van mijn vroegere cliënten begraven. Wat heeft dat met elkaar te maken?

Dit: vanaf vandaag ben ik niet ziek meer, maar met verlof. Daarna ben ik nog enkele maanden in dienst, maar vrijgesteld van arbeidsverplichting en daarna begint mijn vervroegde pensioen. Met andere woorden: vanaf vandaag moet ik helemaal niks meer. Tenminste, dat hoop ik. Maar ergens herken ik mijzelf wel in die mevrouw, die ik morgen de laatste eer ga bewijzen. Die overeenkomst ligt in ons beider neiging tot een zekere dwangmatigheid.

Ik kan me, na een jaar niet meer gewerkt te hebben, nog elke handeling van het vaste zorgmoment in de avond met haar feilloos herinneren. Eerst het gemopper over het tijdstip, dat altijd ongelegen kwam. Dan de instructies, die ik toch al uit mijn hoofd kende. Vervolgens de klachten over ouderdomskwalen. Heel speciaal was de “wispelturige blaas”, die door middel van een speciaal ritueel “geactiveerd” moest worden. Daar stond ik met mijn neus bovenop, want het “nachtklaar maken” vond plaats in de douche- en toiletruimte. Ach, de ouderenzorg kent momenten van een onvoorstelbare intimiteit, die eigen is aan het domein waar we seksueel gezien “jenseits von Gut und Böse” zijn. 

Wat niet betekent dat er van geen plezier of lust sprake is. Zij vond het fijn om met enige fermheid aangepakt te worden, vooral bij het ophijsen van de pyjamabroek. “Animalisch”, noemde zij het genoegen, dat zij daarbij ervoer. Via mijn spiegelneuronen resoneerde ik mee met die momenten van dierlijkheid. We waren toch al zo intellectueel. Ja, dat waren we. Het was die intellectuele belangstelling, die haar op de been hield. Voor de rest was het leven haar een zware last, die zij droeg om wat zij “der kategorische Imperativ” noemde. Nou ja, bang voor de praktische kant van het sterven was ze ook wel. Vooral toen de corona kwam, die mensen liet creperen als vissen op het droge, happend naar lucht.

Zo waren zowel het leven als de dood – net als wij verzorgenden én haar eigen oude lijf – dingen om op te mopperen. Dat vond ik wel eens zwaar en soms foeterde ik dan maar gewoon terug. Maar veel liever maakte ik haar onverwacht aan het lachen, want dat bracht me steevast iets onbetaalbaars. Meestal zat ik dan geknield op de badkamervloer en keek ik naar haar op, in afwachting van dat o zo bijzondere moment waarop de zon door de wolken brak. Die twinkeling in de oude grijze ogen, die schalksheid rond haar mondhoeken, het hoofd ietsje schuin, het voelde voor mij alsof we elkaar elk moment in de armen konden vliegen. Ik heb haar beloofd dat ik me die lach nog zal herinneren als ik – net als zij – ver over de negentig ben.

Er is één speciale aflevering van dit ritueel die boven de andere uit blijft steken. Het was nog tijdens de eerste lockdown, begin van de zomer 2020. Op een dinsdagavond na de destijds gebruikelijke persconferentie was ze wat stiller dan gewoonlijk. Toen we bijna klaar waren met omkleden, zei ze: “Ik moet nog zeker tot 21 juli wachten met doodgaan, anders mogen er maar dertig mensen op mijn begrafenis komen.” En toen schoten we allebei in de lach, onbedaarlijk, er was geen houden aan. 

Nu mag het allemaal weer, in ieder geval tot de persconferentie van morgenavond. Ik ben benieuwd met hoeveel we morgen zullen zijn. Indien nodig tel ik voor 137.

Een nieuw en lichter perspectief

Onze traditie noemt de dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer de “Ontzagwekkende Dagen”. We krijgen volop de gelegenheid om stil te staan bij het besef dat we ons leven niet zelf in de hand hebben. Oenetanè tókef, zeggen we. Who by fire, who by water, zong Leonard Cohen. Van Hogerhand zal deze dagen over onze toekomst worden beslist, en hoe dat uitvalt, weten we niet. Misschien is dat maar goed ook.

Een jaar geleden had ik geen idee dat ik dit jaar Corona zou krijgen en dat ik daardoor in een burn-out zou belanden. Als ik het geweten had, had ik misschien een omweg of een uitweg gezocht. Maar nu moest ik er doorheen: machteloosheid ervaren en leren loslaten, stukje bij beetje. Inmiddels begin ik een nieuw en lichter perspectief te zien. Het was dus – achteraf beschouwd – een goeie beslissing, van Hogerhand. Dus ik denk: dan zal het dat komend jaar ook wel zijn.

Sjana tova!

Deze tekst heb ik vandaag uitgesproken tijdens de Rosj Hasjana-dienst. Ik was één van de 18 mensen die een persoonlijke reflectie op het Joodse Nieuwjaar en de Grote Verzoendag (Jom Kipoer) mochten geven.

Ik ben een Wappie

Onze ontmoeting vond plaats bij het hek van de begraafplaats, waar ik bezig was geweest met veldonderzoek, en ons gesprek begon als een doodgewoon praatje, een mooie mix van nieuwsgierigheid en behoefte aan gezelschap. Niks bij zonders aan haar gemerkt. Gewoon een vriendelijke oude dame met een rond gezicht en een wat onschuldige oogopslag. Maar toen de kans zich voordeed, zorgde zij dat de conversatie een andere wending nam, niet abrupt of geforceerd, maar subtiel en vanzelfsprekend. Ongeveer zoals een zendeling het gesprek nu eenmaal altijd op Jezus weet te brengen. Niet eens gewiekst, eerder alsof zij het zelf niet eens merkte, trok ze aan een onzichtbare handle, waardoor een wissel verschoof en de trein geruisloos in een ander spoor gleed. Ik kan me echt niet herinneren welke associatie dienst heeft gedaan voor deze omslag.

Of toch? Het had iets van doen met Israël, waar haar dochter woonde, en met “als dat maar goed gaat”. De Palestijnen? Nee, de injecties. “Heeft u ook alles gedaan, de prikken en zo?” vroeg ze mij, voorzichtig, bijna besmuikt. “Ja,” antwoordde ik, en ik dacht aan het” tobberige type in mijn omgeving”, zoals mijn stukjes schrijvende vriend mij daarom had genoemd. “Dat is geen vaccinatie,” mopperde ze zachtjes, “jullie worden geïnjecteerd met gentherapie. Eerst hebben ze het financiële systeem kapot gemaakt, het hele MKB is al verwoest. Rutte is een vazal, die is ingehuurd om ervoor te zorgen dat wij worden vervangen door robots. Alleen de elite mag blijven. We krijgen misschien wel een inkomen, maar onze vrijheid zijn we kwijt. Niks meer aan te doen.”

Ik stelde haar oprecht nieuwsgierige vragen, waarbij ik zorgvuldig vermeed om in discussie te geraken over “de Waarheid”. Wel liet ik duidelijk weten dat ik er een ander wereldbeeld op na hield, maar dat was niet meer dan een feit. Op een zeker moment haalde ze daarom opgelucht adem en toen ze die adem weer liet gaan, droeg die de woorden: “Ik ben een Wappie.” Met de volgende ademtocht sprak ze haar waardering uit voor het feit dat ik haar daarom niet veroordeelde. Waarom zou ik? “Tja, het is niet makkelijk om een Wappie te zijn,” vervolgde zij, “je gaat er slecht van slapen. En je gaat hyperventileren.” Zonder aan de Waarheid te komen, vroeg ik haar of zij die niet af en toe “los kon laten”, om aandacht te besteden aan het groen om haar heen en de zon en de mensen? 

Net op dat moment liep er een stel voorbij, waarvan de vrouw net iets te lang naar ons keek. Ik zag haar schrikken. “Die zal wel denken: waar hebben zij het over?” meende zij. “Nee hoor, die dacht: wat doet die vrouw daar met dat gele plastic schepje in haar tas, zo zonder strand in de buurt en zonder kinderen,” grapte ik. Het mocht niet baten, zij begon weer over het midden- en kleinbedrijf, en over The Great Reset. Ik begon me te realiseren dat het inderdaad geen pretje was om een Wappie te zijn en vroeg me af wie zij was geweest voordat ze een Wappie werd. In alle ernst vroeg ik haar of zij niet soms verlangde dat er een deur zou zijn, waardoor je weer uit zo’n kijk op de realiteit zou kunnen stappen. 

“Maar dat kán niet!” riep ze, bijna wanhopig om dit plotselinge onbegrip van mijn kant. “Als je dat inzicht eenmaal hebt, dan kan je niet meer terug. Het is ook allemaal te laat. Sommigen maken er een eind aan.” “Nou, ik hoop dat u dat niet gaat doen!” waagde ik nog. “Nee,” sprak zij geruststellend, “dat is veel te naar voor de nabestaanden.” En alsof ze bang was dat hij stil zou komen te staan, gaf ze een ferme slinger aan de piekermolen: “Ik hoop dat ze me mijn pensioen niet afpakken.” “Dan komt u maar een keer bij mij eten,” zei ik, terwijl ik op mijn fiets stapte om een einde aan het gesprek te maken. En al hadden we de hele tijd netjes afstand gehouden, op dat moment drukten we elkaar nog snel even de hand, haar rechter mijn linker, alsof die hele Covid-19 inderdaad een verzinsel was.

Tuinhek

Toen ik onlangs op een morgen wakker werd,
stond het tuinhek zomaar open.

Ik stond op, maar niet om het dicht te doen:
ik liep gewoon de tuin uit en deed het hek achter mij dicht.

De wereld was nog hetzelfde, maar dan veel mooier:
gloednieuw.

Toen ik in het water was gestapt,
en kopje onder was gegaan,
en daarna uitkeek
over een uitgestrekte rimpelloosheid,
waarover het ochtendlicht van de achtste dag lag,
zag ik een meeuw, die zich – in zijn vlucht! –
als een kat achter zijn oor krabde.


Wie weet gebeurt zoiets ontelbare keren,
maar dat het deze keer gebeurde en ik het zag,
maakte het tot een wonder,
waar gebeurd.

Er vallen al een week geen bommen meer in Israël en in Gaza, maar een vonkenregen waait nog over de wereld en doet her en der kruitvaatjes vol meningen ontploffen. Meningen van mensen die progressief en (dus?) “pro-Palestina” zijn. (“From the river to the sea?” – “Ach, dat zal toch zo’n vaart niet lopen?”) Meningen van mensen die vinden dat je toch wel “kritiek op Israël mag hebben”. (Het is me nog niet gelukt opbouwende kritiek of waardevolle feedback te vinden.) En zelfs meningen van mensen die het verlangen koesteren “aan de goede kant van de geschiedenis te staan”. 

Ik ben bang dat daar geen plek genoeg is voor iedereen met een mening. Daarom wil ik graag wat mensen naar voren schuiven, die daar volgens mij wel thuis horen. Een paar handenvol naamloze inwoners van Akko, die de straten schoonmaken, nadat relschoppers een Joods-Arabisch theater in de fik hadden gestoken. Joden en Arabieren samen:

Dan zijn er nog twee van wie de namen wel bekend zijn: Muhammad Mahamid, een 17-jarige Arabische Israëliër, die omkwam bij rellen in Um al Faham. Zijn vader besliste dat zijn organen beschikbaar mochten zijn voor transplantaties, sommige levensreddend. Daarbij wenste hij nadrukkelijk geen onderscheid te maken tussen Joden en Arabieren. 

En Yigal Yehoshua, een 56-jarige Joodse man uit de Joods-Arabische stad Lod, waar zware gevechten waren uitgebroken tijdens de eerste nacht van de beschietingen vanuit Gaza. Hij was op weg naar huis en kreeg een straatsteen tegen zijn hoofd. Een van zijn nieren leeft verder in het lichaam van Randa Aweis, een 58-jarige Arabisch-Israëlische vrouw uit Jerusalem.

Van Muhammad Mahamid heb ik helaas geen foto kunnen vinden. Van Yigal Yehoshua zichrono livracha wel:

Hartog en Doornroosje

Het was heel mooi weer, een dag of tien geleden. Ik hield me op in een hoekje van de begraafplaats, waar ik oude zerken, die al een halve eeuw door “de Natuur” overwoekerd waren, opdiepte vanonder een tapijt van plantenwortels en heerlijk ruikende humus. Het gekwinkeleer van tientallen zangvogeltjes in riet en struweel overstemde met gemak het constante gedruis van de stad, die net achter de sloot lag te ronken. Ik was te rustig om “opgeschrikt te worden”, maar niettemin hoorde ik plotseling een heftig gebrul of geblaf, dat mij niet zozeer alarmeerde, als wel nieuwsgierig maakte. Het leek namelijk van de begraafplaats zelf te komen. En dat kon immers niet? Ik was daar helemaal alleen en de sloot was breed als een slotgracht en de poort gesloten.

Langzaam richtte ik me op en daar klonk het geluid opnieuw: een gebrul of geblaf, angstig en woedend, dat weerkaatste tegen de gevels van de nabijgelegen huizen. Eerst liep ik in die richting, maar in het plantsoen, dat de dodenakker van de woonwijk scheidde, leek alles rustig. Toen klonk het geluid voor een derde keer, duidelijk op het midden van het terrein. Langs een slingerpaadje, uitgehakt door de bramenwoestenij, begaf ik mij naar het middenpad. In mijn gedachten zag ik  ergens verderop een “verwarde man” dwars door dezelfde bramenzee banjeren. Het beeld was glashelder: stevig postuur, dikke buik, zongebruind gezicht, woeste zwarte baard en krullen, camouflagejack boven een sleetse spijkerbroek. En maar brullen, boos op de Wereld, kwaad op het Leven zelf.

Toen ik het middenpad had bereikt, was hij daar ook, precies zoals ik verwacht had. We stonden allebei stil, vol verbazing. Ik omdat mijn vooroordelen, die ik in mijn hoofd als een balon had opgeblazen, met een geluidloze knal werden doorgeprikt. Hij omdat hij waarschijnlijk nog nooit zo dicht bij een mens was geweest. We stonden stil als struiken. Ik zag hem snuffelen, zijn veel te grote oren bewogen alle kanten op. Hij zette één been vooruit, maar trok het meteen terug, zoals wanneer je een teen in het water steekt, om te voelen of het warm genoeg is om te gaan zwemmen. Ik was verbijsterd, vanwege het wonder en vanwege de schoonheid, zo dichtbij.

O ja, ik zou het bijna vergeten te vertellen: ik stond plotseling oog in oog met een verbaasde jonge reebok. Nauwelijks bekomen van dat wonder, die schoonheid, appte ik een vriend. 

Happiness is only real when shared. 

Chris McCandless

“Are you safe?” appte hij onmiddellijk terug, want hij is heel zorgzaam. Weer verbazing: ik had er geen moment bij nagedacht dat het wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn om te gaan kijken wat zo’n verwarde man op een begraafplaats doet. Toen ik, luchtigjes, weerom appte dat het beest snel genoeg in de gaten had dat ik niet tot zijn doelgroep behoorde, had mijn vriend hem voor het inkoppen: “Dan was hij dus toch niet zo verward . . .” Dat ik het stiekem een beetje jammer vond dat ik geen hertje was, (om nog maar te zwijgen van alle andere doelgroepen waar ik buiten val), dat hield ik wijselijk voor mezelf.

Een week later hing de verdwaalde jongeman nog steeds rond op het keiwer owes. De vrijwilligers van de natuurwerkgroep vonden dat ik hem een naam mocht geven. “Hartog,” zei ik, zonder aarzelen. Want dat is, via Herzog < Hertz < Hirsch, terug te voeren op het Hebreeuwse Tsvi, wat “hert” betekent, en dat was dan weer het dier waarmee Jacob op zijn sterfbed zijn zoon Naftali vergeleek. Misschien moet ik die naam ook maar schenken aan de enige naamloze dode die in mijn database van de begraafplaats voorkomt.

Seideravond

Toen ik vier jaar geleden bij JMW Thuiszorg werkte, kwam ik regelmatig bij een cliënt die ernstig beperkt werd door de ziekte van Parkinson, om hem te helpen met douchen en aankleden. Als ik hem dan helemaal had ingezeept (met zijn lievelingszeep) en afgespoeld, vroeg ik altijd: “Nog even voor de lekkerte?” Het antwoord was steevast: “Mijn moeder zou zeggen: jij weet wat een goed mens toekomt.” Op een keer – ik strikte net de veters van zijn bruine jogging schoenen vast – begon hij te vertellen, dat hij zijn moeder verloren had door de oorlog. Ze was vermoord in Sobibor. “Maar ik heb een theorietje,” vervolgde hij, “dat zij, iedere keer als ik over haar praat, een beetje hoger en beter komt te zitten, waar ze nu is.” En nog voordat ik daar iets op kon zeggen: “Gek, dat ik dit zomaar aan jou vertel, want ik heb het nog nooit aan iemand anders verteld.”

Hoe het precies zit aan gene zijde van de dood, weten we niet. Hebben onze geliefde doden iets aan onze cultuur van herinneren en gedenken? We weten het niet, maar ik voel wel sympathie voor het “theorietje” van die cliënt van mij, zichrono livracha. En anders: laat het maar een mitswe zijn, een “zegen brengende religieuze verplichting” (Tamarah Benima in: Een schaap vangen), zonder dat we hoeven te weten hoe en waar die zegen precies neer zal dalen. 

De Sjechina (Goddelijke Aanwezigheid) rust niet op ons door droefheid, noch door laksheid, noch door grappenmakerij, noch door oppervlakkigheid, noch door druk gepraat, noch door ijdele ambities, maar slechts door de vreugdevolle bezigheid van het vervullen van de mitswot.

Babylonische Talmoed, Sjabbat 30b

Door een toeval van het soort, waardoor sommige mensen zeggen dat toeval niet bestaat, kwamen vlak voor Pesach dit jaar drie hagadot bij mij terecht – in De Mokumse Geniza. Er stonden namen in en degene die ze mij overhandigde, zei: “Tja, die mensen zijn er niet meer.” We weten wat dat betekent. Wie zij waren, is (dankzij het digitaal Joods Monument) eenvoudig te traceren en de sporen van gebruik in de boekjes brengen hen bijna tastbaar dichtbij. Er ligt een gedroogd blaadje van radijs op de plek waar de tien plagen met royale spatten wijn zijn bespat. Matsekruimels hebben zich verstopt in het bindwerk. Een briefje van een kind, versierd met een poesieplaatje, is vanaf 1922 tussen de achterste schutbladen bewaard.

Nu is het net alsof deze mensen straks bij mij aan de seidertafel komen zitten. Als een stel oude bekenden, want vanwege mijn historisch onderzoek loop ik regelmatig in de voetstappen van de vader van het gezin, die vanaf 1914 beheerder was van de Joodse Begraafplaats Zeeburg. Tot in oktober 1943 woonde hij met zijn drie dochters, een schoonzoon en twee kleinkinderen in de beheerderswoning aan de Zeeburgerdijk 226. Daar moeten deze hagadot op 14 Niesan 5703 voor het laatst zijn gebruikt. 

Graag zou ik deze mensen aan u voorstellen. Hartog de Vries werd in 1881 geboren in Hoorn. Toen Mozes Verduin nog het beheer over Zeeburg had, was hij al werkzaam als osek  (lijkbezorger). In 1914 was de begraafplaats vol en vertrok Verduin naar Diemen, waar een nieuwe dodenakker was ingewijd. Hartog de Vries heeft het in de drie decennia dat hij de verantwoordelijke was op Zeeburg niet zo druk gehad als zijn voorganger, maar moet zich vaak machteloos hebben gevoeld. Door ophoging en bebouwing van de Indische Buurt werd het terrein steeds drassiger. Zerken vielen om, voor verbetering en onderhoud was geen geld, en de straatschoffies uit de nabijgelegen wijk maakten al voor de oorlog een speelplaats van deze laatste rustplaats van het armere deel der Amsterdamse Joodse bevolking. 

Ondertussen bracht hij daar, samen met zijn vrouw Gesiena de Beer drie dochters groot. Het gezin nam actief deel aan het Joodse leven in de nieuwe wijk, waar de buurtvereniging Rechouwous sjoeldiensten verzorgde in een woonhuis en waar op zeker moment 150 kinderen Joodse les volgden. Beide oudste dochters, Reina en Eva, bleven ongehuwd. De jongste, Elisabeth, trouwde in 1935 met Benjamin Denneboom, die al in 1931 als knecht van haar vader werkzaam was: in één van de drie hagadot heeft hij aangetekend dat hij het boekje van Hartog de Vries heeft gekregen, “voor mijn geboortedatum 5 Maart 1931”.

Elisabeth en Benjamin kregen twee kinderen: Sara Gesiena en Hartog. Volgens het digitaal Joods Monument woonden zij (samen met zus Reina) aan de Plantage Kerklaan 13hs, maar uit hun archiefkaarten in het Stadsarchief blijkt dat zij in september 1941 bij vader Hartog en zus Eva zijn ingetrokken, aan de Zeeburgerdijk 226. Ik stel mij voor dat zij daar, op 19 april 1943, voor het laatst met elkaar aan de seidertafel hebben gezeten. Ongetwijfeld zullen zij vol zorg zijn geweest over de toekomst en zich ontheemd hebben gevoeld in hun eigen stad en straat, omdat bijna alle mensen die zij kenden al weg waren, naar Polen. Toch hebben zij elkaar het verhaal van de Uittocht uit het slavenhuis naar de vrijheid verteld. 

Toen ook zij uiteindelijk moesten vertrekken, hebben ze – in de hoop dat ze ooit terug zouden keren? – hun boeken in een kist gedaan en aan iemand in bewaring gegeven. Die kist is na de oorlog ergens op een zolder teruggevonden en de hagadot zijn – zoals veel Joodse “kerkbenodigdheden” – door “de weinigen die ontkwamen” gered, opnieuw gebruikt en uiteindelijk in De Mokumse Geniza terecht gekomen. Daar blijven ze staan, als matseiwes voor de mensen van wier bestaan ze getuigen:

Hartog de Vries – Hoorn, 18 maart 1881 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Gesiena de Vries-de Beer – Winschoten, 8 september 1878 – Amsterdam, 26 juli 1941

Reina de Vries – Amsterdam, 29 maart 1905 – Sobibor, 28 mei 1943

Eva de Vries – Amsterdam, 17 juli 1906 – Sobibor, 28 mei 1943

Elisabeth Denneboom-de Vries – Amsterdam, 14 september 1912 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Benjamin Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1908 – Auschwitz, 29 februari 1944

Sara Gesiena Denneboom – Amsterdam, 6 december 1939 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Hartog Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1941 – Auschwitz, 27 augustus 1943