Feeds:
Berichten
Reacties

Eigenliefde

 

“De laatste tijd val ik overal buiten,” constateerde een vriendin op leeftijd, still going strong, maar duidelijk wat terzijde van de vaart der volkeren. “Post krijg ik haast niet meer. Telefoontjes ook steeds minder. De mensen e-mailen zelfs niet meer, lijkt het wel. Iedereen zit tegenwoordig op Facebook en WhatsApp en daar begin ik op mijn leeftijd niet meer aan.” Terwijl zij voortvarend verder vertelde over buren en andere contacten – het gesprek leek op een trein, waarin ik bemoedigend knikkend zat te wachten op de volgende halte, die mij de gelegenheid zou geven ook iets te berde te brengen of de koers een tikje te wijzigen – gingen mijn gedachten naar mijn eigen ervaringen met de sociale media.

Hoe lang is het nu geleden, dat ik me van mijn Facebook account ontdeed? Ik weet nog wel hoe moeizaam dat ging: alsof je een rat probeert dood te meppen met een pantoffel. “Het enige sociale medium waar ik nog aan wil zitten is de eettafel,” grapte ik, een beetje balorig, en middels telefoon en e-mail nodigde ik op gezette tijden de mensen uit, die ik tot mijn vrienden rekende en omgekeerd. Maar sinds wanneer ben ik toch maar gaan SMS-en en hoe komt het dat ik mijn sociale afspraken en wat daarbij of voor in de plaats komt nu toch meestal via WhatsApp maak? Om van de digitalisering op mijn werk nog maar te zwijgen.

“Is de menselijke natuur opgewassen tegen de nieuwe technische mogelijkheden?” vraagt Marja Pruis zich recentelijk af in NRC en zij filosofeert in de voetsporen van La Rochefoucauld verder over de menselijk eigenliefde. Ik moet meteen denken aan de beroemde spreuk van Hillel: “Als ik er niet voor mezelf ben, wie dan wel?” Wat moet je zonder eigenliefde, maar vervolgens: wat moet je ermee zodra je haar hebt? “Als ik op mezelf gericht ben, wat ben ik dan?” Duidelijk: wederkerigheid is al even onmisbaar als een gezonde amour propre. “De rest is commentaar. Ga heen en leer!” zei dezelfde wijze, zij het in een heel andere context.

Al lerend ervaar ik de menselijke communicatie als een ingewikkeld avontuur, ook of misschien juist als je van elkaar houdt. We geven en nemen, ruimte en aandacht. Mensen doen dat, met dezelfde goede wil, op heel verschillende manieren. Soms zit je samen aan één tafel, maar is het net alsof je weer klein bent en in de speeltuin op de wip-wap zit met een speelmaatje die een kilo of wat zwaarder weegt dan jij.

Nu is het natuurlijk zeer de vraag of wat wij op sociale media doen wel te vergelijken is met een tafel, een bankje of een wandelpad. Of zelfs een brief, een telefoontje. Stel dat mijn vriendin dan toch maar accounts aanmaakt bij Facebook en WhatsApp en misschien zelfs aan het twitteren slaat. Krijgt zij dan terug wat zij nu zegt te missen? Zijn de anderen nu alleen maar ergens anders, of zijn zij door hun verhuizing naar een ander continent zo veranderd dat hernieuwd contact in die nieuwe omgeving het gevoel van buitengesloten zijn niet meer zal wegnemen?

Er wordt – op het internet zelf – veel geschreven over wat de nieuwe communicatiemiddelen met ons doen. Ons overvoeren met informatie, bijvoorbeeld. Ons vermogen tot empathie eroderen, doordat we elkaars non-verbale communicatie niet meer waarnemen. Maar bovenal gaat het telkens over onze eigenliefdes. En al is het ook aan tafel of op de bank soms een hele klus om die een beetje op elkaar afgestemd te krijgen, de sociale media maken dat nog ingewikkelder. Er is dan namelijk een derde partij in het spel, die onze aandacht stuurt. Uit een zeer welbegrepen eigenbelang ($€£!) prikkelt die vooral onze behoefte aan bevestiging en zou die het liefst tot een zucht aanwakkeren, om ons aan zijn tafel, op zijn bank te houden.

Als ik de berichten mag geloven, dreigen we te ontaarden tot contactgestoorde verslaafden, met de smartphone naast het bord. Therapeuten storten zich al met de gebruikelijke urgentie in het nieuwe gat in de markt. Eerlijk gezegd denk ik dat het zo’n vaart niet zal lopen, maar of de sociale media onze onderlinge samenhang echt bevorderen, daar heb ik zo mijn twijfels over. Sinds ik mij tot mijn werkgever en collega’s via een “medewerkerportaal” moet zien te verhouden, mis ik die tafel en dat koffiezetapparaat toch wel heel erg.

Advertenties

Een beetje autistisch

 

We leven in gemakkelijke tijden. Je hoeft maar te zeggen: “Ja, ik ben een beetje autistisch . . .” en je bent onmiddellijk geëxcuseerd voor al je sociale onhandigheden. En wanneer je geregeld steken laat vallen in de sfeer van afspraken of werk, dan roep je: “Ach ja, m’n ADHD!” en dan weet iedereen meteen waar ie aan toe is. Zelfs hooggevoeligheid kan men zo van een beperkend ongemak tot een comfortabele omhulling omtoveren. Maar daar gaat het mij vandaag niet om, terwijl ik op het punt sta te beweren dat een beetje autisme zo gek niet is.

We leven namelijk in krankzinnige tijden. Innovatie, flexibilisering en zelfregulatie hebben overduidelijk de wind in de rug. Een woord als ‘structuurbehoefte’ kom je alleen nog maar tegen in teksten uit het management over Het Nieuwe Werken, meestal geschreven in 2012 of 2013. Daar kan men dus met goed fatsoen niet meer mee aan komen. Zo ging ik mij vis à vis de planning op mijn werk eerlijk gezegd twee beetjes autistisch voelen, maar besefte ik tevens dat het me niet zou helpen om daarmee te gaan koketteren. Is het misschien tijd voor iets nieuws? Iets autismevriendelijks (ongeveer 29.000 resultaten (0,42 seconden))?

Dromend over een mogelijke rol voor mij in een academisch onderzoek naar het gebruik van gebedenboeken in de joodse eredienst en thuis, begon ik mijn vakantie het afgelopen weekeinde in een verre uithoek van Twente. In de stijve bankjes van een authentiek ‘mediene-sjoeltje’ in Haaksbergen nam ik deel aan de sjabbat ochtenddienst en viel me iets op dat ik wil onthouden, voor mijn werk en voor mijn dromen. Een inzicht, misschien alleen voor mij, maar mogelijk voor iedereen die een beetje autistisch door de wereld van vandaag reist.

De dienst liep als een trein op een onzichtbaar spoor (kedeng kedeng . . . ), volgens een orde van dienst die zich al enige eeuwen onveranderd overeind heeft weten te houden, geleid door een stel vlotte voorzangers en gedragen door een handvol zanglustigen, die duidelijk precies wisten wat van hen verwacht werd. Heel anders dan in het Huis van Vernieuwing, waar ik gewoonlijk mijn religieuze plichten vervul. Paradoxaal anders, althans in mijn beleving: waar alles telkens anders gaat, raak ik het vermogen om iets nieuws mee te maken ongemerkt kwijt. Te druk met het zoeken naar het juiste ritme om op te dansen, wordt ik houteriger in mijn innerlijk bewegen. Ben ik echt een beetje autistisch?

Omdat we inmiddels het moment van het joodse jaar naderen waarop alles opnieuw begint, ben ik geneigd lering te trekken uit mijn ervaringen op het werk en in de synagogen. Dat koketteren met autisme en de onderliggende gêne over mijn natuur is straks zóó 5777. Opgewekt beweeg ik mij naar een beter optimum van vrijheid in gebondenheid.

*

Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Oe oe!

 

Sjeimesbak

 

“Wacht even, moeder!” zegt de man en hij wijst me een stoel tegenover zich aan de keukentafel. “Zij weet nog niet wat een sjeimesbak is.” Terwijl zijn vrouw in haar peignoir geduldig staat te wachten tot ik haar kom helpen met douchen, krijg ik een lesje in orthodoxie. Mijn romantische fantasieën over een zolder als die van de Genizah van Caïro in elke sjoel worden enerzijds ontnuchterd tot beelden van een rolcontainer in een door tl-buizen verlichte bijkeuken, anderzijds dichterbij gebracht door een plastische beschrijving van de uiteindelijke bestemming van de ‘sjeimes‘ uit de ‘sjeimesbak‘. “Als er iemand begraven wordt, gaat er eerst een laag boeken in de kuil, dan een beetje zand erover en daar komt de kist weer bovenop.”

Even later ben ik weer gewoon de verzorgende in de thuiszorg en hanteer ik vakkundig het washandje en de handdoek. Innerlijk geniet ik van het besef dat ik deel ben geworden van een bijzondere liefdesgeschiedenis, de liefde van een volk en een boek. Voor zover ik het kan nagaan begint dat verhaal in hoofdstuk acht van het boek Nehemia:

Aan het begin van de zevende maand, toen de Jisraëlieten [die teruggekeerd waren uit de Babylonische ballingschap] zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mosjee, de wet die de Eeuwige aan Jisraëel had opgelegd. Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het begrijpen kon hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot aan de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.

Nehemia 8:1-3

Op een zeker moment moet Ezra geschrokken zijn, want “heel het volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde.” Was het ontroering? Of verdriet om de afstand tussen dit moment en de dag dat hun voorouders die wet op de Sinaï hadden ontvangen? Ezra en de aanwezige priesters drukken de menigte op het hart dat dit een dag is om feest te vieren:

Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de eeuwige u geeft, is uw kracht.

Nehemia 8:10

Zoals het altijd gaat met liefde, vreugde en kracht, is ook deze eeuwig als het gras. Overal op de wereld waar Joden wonen bloeit zij eenmaal per jaar uitbundig op in het feest van de Vreugde der Wet, maar door het hele jaar, door alle eeuwen heen breidt zij zich uit over alle heilige geschriften. Een Tenach of een gebedenboek leg je niet op de grond en mocht het vallen, dan raap je het op en kus je het. Je laat het niet open liggen, wanneer je de kamer uit gaat. Je leest erin, wanneer je gaat slapen en wanneer je weer opstaat. En als het helemaal stukgelezen is, dan gooi je het niet zomaar weg, maar breng je het naar de sjeimesbak. Misschien kus je het nog één keer.

Deze liefde is zeer aan mij  besteed en soms lijkt mijn huis wel een beetje op een sjeimesbak en ik op dat jochie hierboven. Tegelijk vraag ik me af hoe haar geschiedenis verder zal gaan, tegen de tijd dat mijn gebeente op een laagje boeken ligt te rusten. Naast mij in sjoel zit een jonger iemand, die een smart-phone tevoorschijn haalt, zodra de Tora-rol geopend wordt: je kunt tegenwoordig meelezen in een app. Wat gebeurt er met de heilige letters, met de onuitsprekelijke naam van God, op het moment dat je die app weer weg klikt? Wat valt er nog te kussen of te begraven, als tenslotte ook de liefdesgeschiedenis van Het Boek “digitaal gaat”?

Wrede morgenstond

 

In mijn vorige bericht vergeleek Shakespeare de dood met slapen. Lawrence maakte er een mystieke zeereis van, maar op het moment dat zijn “frail soul” weer grond onder de voeten voelt, is er opeens sprake van een dageraad: “the cruel dawn of coming back to life / out of oblivion”. In het ochtendgloren ziet hij de aarde droogvallen en daar ligt zijn lichaam, als een slakkenhuis op het strand, klaar om in terug te kruipen. Het hart krijgt een zetje, als de slinger van een klok. Dan tikt het klokje weer, zoals thuis, en nergens anders.

Ach, hoe doet dit alles mij denken aan joods wakker worden. Gaan niet de eerste woorden die ’s morgens over mijn lippen komen over de thuiskomst van mijn ziel, die ik de avond tevoren in de hand van de Eeuwige had gelegd? Meteen gooit die ziel de ramen open en zodra zij heeft gemerkt dat alles het weer doet, prijst zij de Koning van het heelal om het wonder van haar lichaam. Dan voel ik mij thuis en loof ik de Eeuwige om mijn ziel, die zuiver is, dat wil zeggen: helemaal van mij alleen, ook al is Hij het die alles doet. Scheppen, vormen, inblazen, bewaren, wegnemen, teruggeven.

Dan volgt de eerste ‘bracha‘, waar ik eigenlijk een haan voor bij de hand zou moeten hebben, die het verschil tussen dag en nacht kent. Ik denk dan maar aan Poeze-Mien, die weet daar ook wel raad mee. Tja, en daarna heb ik de keuze tussen drie liberale zegenspreuken of één orthodoxe. Meestal gedraag ik me als een rechtgeaarde feministe en prijs ik de hemel dat ik een (genderneutraal!) mens ben, want naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, een dochter van de vrijheid bovendien en nog joods ook. Een enkele keer warm ik me op aan de oude, rechtzinnige vrouwen-broche: “Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God! Koning van ’t heelal, die mij naar Uw welbehagen geschapen hebt.” Omdat het voor mij geen kwaad kan me af en toe te realiseren dat ik goed ben zoals ik ben.

Tien spreuken verder ben ik zowaar blij dat Iemand mij de slaap uit de ogen gewreven heeft. Eigenlijk is het een beetje raar dat we die lofzeggingen tijdens de sjabbat ochtenddienst in sjoel herhalen. Ze zijn uniek onder de gebeden, doordat ze in de eerste persoon enkelvoud gesteld zijn. Laatst probeerde onze dienstleider daar iets van terug te brengen in de liturgie, door ons uit te nodigen een persoonlijke zegening uit te spreken. Ik had er meteen eentje klaar, maar die heb ik niet hardop gezegd, toen ik merkte dat anderen de toon zetten door allerlei bovenpersoonlijke zaken te berde te brengen, tot aan de wens voor wereldvrede toe.

Hier, in de anonimiteit van het internet, durf ik het wel: ik zou mijn God willen loven, omdat mijn kat ’s morgens vroeg op mijn bed springt en meteen begint te spinnen. Ha ha, denkt God, zo lust Ik er nog wel één! Hij die de haan het vermogen heeft verleend “om tusschen den dag en den nacht te onderscheiden”, schonk Poeze-Mien het talent om bij het krieken van de dag op jacht te gaan. Ik hoor het al aan de klank van haar miauwtje. Daar staat ze weer voor mijn bed, met een vette muis in haar bek. Gelukkig springt ze vandaag niet op me. Ze gooit de muis vlak voor me op de grond. Fijn, het arme diertje leeft al niet meer, dus ik hoef zijn doodstrijd niet te zien. Wat wil de kat eigenlijk? Dat ik de muis samen met haar opeet? Of betekent haar gebaar: zullen we samen spelen?

Terwijl ik ook haar een beetje loof en prijs, pak ik het grauwe lijkje bij de staart, loop naar het toilet en spoel het door. Met enige aarzeling ga ik zitten en geniet van het wonder van mijn lichaam. Alles doet het weer. “Ook goedemorgen, Poeze-Mientje!”

 

Terwijl de wereld overal in brand staat, lijkt de Nederlandse kabinetsformatie nog altijd in een aporie te verkeren. En dat allemaal vanwege dat zogenaamde voltooide leven. Is het gek dat ik aan Hamlet moet denken? “To be or not to be, that is the question.” Kom, lees de beroemdste zelfspraak in de wereldliteratuur nog maar eens, hier. Of neem genoegen met de samenvatting die Wikipedia geeft:

De vraag is: is het beter om te leven dan wel dood te zijn? Is het nobeler om geduldig alle onheil te ondergaan die het lot je toewerpt of valt het te verkiezen om de strijd tegen alle zorgen te beëindigen door gewoon jezelf te doden?

Intrigerend, hè, dat “gewoon”?

Misschien moet ik alleen voor mijzelf spreken, maar ik vermoed dat iedereen die ooit de impuls tot suïcide heeft gevoeld, in zichzelf een monoloog als die van Hamlet moet hebben gevoerd. Dagelijks, nee, meer keren per dag. Tot er een antwoord kwam, dat het wikken en wegen – gelukkig meestal voorlopig – overbodig maakte. Maar hoe zit dat met de voorstanders van een zelfgekozen einde aan een “voltooid leven”?

Uit de advertorials van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde komt een beeld naar voren van mensen die nog geen “thousand natural shocks” op de teller hebben, maar wel al op een wonderlijk kalme manier bang zijn voor wat het laatste stuk leven voor hen in petto zou kunnen hebben. Bijna het tegenovergestelde van de geagiteerde depressie van Hamlet. Een ander opvallend verschil: in onze tijd worden de beide alternatieven, leven of sterven, nooit werkelijk tegen elkaar afgewogen.

Van het laatste stuk leven, dat men zou willen ontwijken, wordt nog wel een voorstelling gemaakt. Mijn indruk is dat daarop angsten worden geprojecteerd die in het nu bestaan, maar waarvan de ervaring van anderen laat zien dat die zelden standhouden in een niet geregisseerd naderen tot de dood. Van de dood echter maakt niemand zich een voorstelling, althans er wordt met geen woord over gerept. Terwijl onze onwetendheid daaromtrent ruimschoots mogelijkheden biedt tot angstige projecties. Lees Shakespeare er maar op na:

                                               To die, to sleep;
No more; and by a sleep to say we end
The heart-ache and the thousand natural shocks
That flesh is heir to — ‘tis a consummation
Devoutly to be wish’d. To die, to sleep;
To sleep, perchance to dream. Ay, there’s the rub,
For in that sleep of death what dreams may come,
When we have shuffled off this mortal coil,
Must give us pause.

In dat moment van afwachten treedt bij Hamlet de twijfel in. Opeens is hij er niet meer zo zeker van dat “he himself might his quietus make / With a bare bodkin.”

Een verrukkelijk geval van intertekstualiteit koppelt Hamlet’s alleenspraak aan een andere in de Engelse literatuur. Tegen het eind van zijn leven, terwijl hij aan tuberculose ligt te sterven en openlijk naar de dood – of naar “oblivion” – verlangt, maar er tegelijk bang voor is, schrijft D.H.Lawrence een lang, mijmerend gedicht, The Ship of Death. Hij is er tamelijk zeker van dat de zelfgekozen dood geen rust kan brengen, en voor deze ene keer heb ik heel sterk het gevoel dat hij zichzelf niet overschreeuwt, maar iets te vertellen heeft.

Wat hij vertelt is uiteraard ook een projectie, vol Bijbelse echo’s. Als een eenzame Noach timmert hij prekend aan een ark in woorden:

A little ship, with oars and food
and little dishes, and all accoutrements
fitting and ready for the departed soul.

Now launch the small ship, now as the body dies
and life departs, launch out, the fragile soul
in the fragile ship of courage, the ark of faith
with its store of food and little cooking pans
and change of clothes,
upon the flood’s black waste
upon the waters of the end
upon the sea of death, where still we sail
darkly, for we cannot steer, and have no port.

In zijn eigen geest maakt hij van de naderende dood een mystieke reis, niet naar het Grote Licht, want daar hield hij niet zo van, maar naar “the deepening black darkening still blacker”. Helemaal in die diepte, of die verte, waar “the upper darkness is heavy on the lower”, zwaait de camera 180 º naar het scheppingsverhaal, naar een wedergeboorte:

A flush of rose, and the whole thing starts again.

 

 

 

Afstand

09082017

 

Weer wat geleerd: volgens een deskundige behoor ik tot een mensentype (daarvan zijn er negen, dus ik ben beslist niet de enige) dat probeert zijn identiteit te baseren op zijn eigen gevoelens. Soms zelfs op zijn emotionele reacties op wat het leven brengt. Dat is volgens die deskundige een hachelijk avontuur en daar kan ik als ervaringsdeskundige uiteraard over meepraten. Toevallig had ik het er recentelijk nog over, hier op dit weblog. En ongeveer tegelijkertijd las ik een artikel in de krant over de zegeningen van het kwijtraken van jezelf – of je ‘zelf’.

Nu heb ikzelf daarover, zoals over alles, altijd gemengde gevoelens gehad. Zolang ik nog druk doende was met het verkrijgen van zo’n ‘zelf’, moest ik er niet aan denken er alweer afstand van te moeten doen. Tegelijk kon dat hele gedoe me soms zozeer gestolen worden, dat al wat in mij was leek te verlangen naar vergetelheid.

And if tonight my soul may find her peace
in sleep, and sink in good oblivion,
and in the morning wake like a new-opened flower
then I have been dipped again in God, and new-created.

Shadows door D.H. Lawrence

In het hierboven genoemde artikel trof mij een inzicht, dat aan Daniel Dennett werd toegeschreven: “(…) beslissingen worden op verschillende plekken in ons brein genomen en er bestaat geen centraal handelend zelf. Het zelf wordt geconstrueerd door het brein, en niet eens continu, maar af en toe. De rest van de tijd is het afwezig.” Tja, bij nader inzien ben ik dus zo gek nog niet. Niemand ontkomt eraan, aan dat zoeken en kwijtraken van zichzelf. Zouden er dan negen verschillende manieren zijn om die beide extremen te bereiken, of het midden daartussen te bewandelen?

Vervolgens las ik iets in het artikel dat er niet stond. Ik begreep dat we het ‘zelf’ construeren, zoals we een vertrouwd landschap waarnemen: het bestaat uit oneindig veel details en het is altijd aan verandering onderhevig en toch ervaren we het als iets statisch. Er hangt als het ware een schilderij van in onze bovenkamer. Dat ik “werkelijkheid” onbewust verving door “landschap”, zegt iets over de manier waarop ik me tot de wereld om mij heen én tot mijn eigen binnenwereld probeer te verhouden. Weliswaar wandel ik erin, maar voor mijn gevoel doe ik dat altijd bergopwaarts, zodat ik op zeker moment uitzicht heb over een landschap.

Nu zou ik het verder bijvoorbeeld over landschapsarchitectuur kunnen hebben en bij de mystiek van Zuster Bertken en haar “hoofken” uit kunnen komen, maar dat doe ik niet. Vandaag ben ik geboeid door de idee van afstand nemen, aangetrokken door heldere berglucht. Bovendien gonst er een ander inzicht in mijn herinnering. Ergens in zijn boek Über das Wesen der Bienen maakt Rudolf Steiner een opmerking over bijen en individualiteit. Volgens hem is een honingbij op zichzelf eigenlijk geen individu, misschien zelfs niet eens een dier. Buiten haar bijenvolk kan zij immers geen dag leven. En dan stelt hij zich voor dat je een heel bijenvolk onder het omgekeerde van een microscoop zou kunnen leggen. (Uitzoomen, zouden wij nu zeggen.) Dan zou je, volgens hem, op zeker moment een soort aangezicht zien en zou de imme een persoon worden.

In de jaren dat ik bijen hield heb ik mij er geregeld over verwonderd, dat elk volk een eigen karakter leek te bezitten. Een karakter dat bovendien constant bleef zolang de voortdurend wisselende populatie dezelfde moeder had. Ook bleef het mij intrigeren dat een volk altijd een volk bleef, niet alleen wanneer het ’s winters als een bal tussen de rijk gevulde raten samenklonterde, maar ook als het zichzelf verloor in het zomers landschap, verstrooid over een oppervlak met een diameter van wel zes kilometer. Helaas kon ik de bijen niet vragen of zij het zelf ook zo ervoeren, of zij bij zichzelf een ‘zelf’ gewaar werden.

Hoe deed ik dat zelf, toen ik mijzelf een wolkje muggen boven een tuinpad voelde? Hoe doe ik dat nu, terwijl ik mijn verstrooide gedachten samen probeer te brengen in een tekst die anderen kunnen begrijpen? Misschien moet ik hoger en hoger klimmen. Hoger dan de blauwe luchten, tot waar ik het allemaal op grote afstand zie en begrijp. Als een landschap, als een aangezicht.

Verwoesting

Over een paar dagen is het de negende van de maand Av. Dan rouwen Joden over de hele wereld om de beide verwoestingen van de Tempel van Jeruzalem, in 587 vóór en in 70 ná de gewone jaartelling. Dit jaar wordt die rouw sterk gekleurd door de interne conflicten rond het recht om te bidden bij de Westelijke Muur en door het recente geweld om de toegang tot de tempelberg zelf. Het is daarom dat ik als toevoeging op het lezen van Eicha (Klaagliederen van Jeremia) en de traditionele kinnot een gedicht van Jehuda Amichai heb gekozen en vertaald:

*

De plek waar wij gelijk hebben

Op de plek waar wij gelijk hebben
zullen nooit bloemen bloeien
in de lente.

De plek waar wij gelijk hebben
is platgetrapt en hard,
als een boerenerf.

Maar twijfels en romances
woelen de wereld tot rulle grond,
als een mol, als een ploeg.

Gefluister zullen we horen
op de plek waar het huis stond,
het huis dat is verwoest.

*