Feeds:
Berichten
Reacties

Tuinhek

Toen ik onlangs op een morgen wakker werd,
stond het tuinhek zomaar open.

Ik stond op, maar niet om het dicht te doen:
ik liep gewoon de tuin uit en deed het hek achter mij dicht.

De wereld was nog hetzelfde, maar dan veel mooier:
gloednieuw.

Toen ik in het water was gestapt,
en kopje onder was gegaan,
en daarna uitkeek
over een uitgestrekte rimpelloosheid,
waarover het ochtendlicht van de achtste dag lag,
zag ik een meeuw, die zich – in zijn vlucht! –
als een kat achter zijn oor krabde.


Wie weet gebeurt zoiets ontelbare keren,
maar dat het deze keer gebeurde en ik het zag,
maakte het tot een wonder,
waar gebeurd.

Er vallen al een week geen bommen meer in Israël en in Gaza, maar een vonkenregen waait nog over de wereld en doet her en der kruitvaatjes vol meningen ontploffen. Meningen van mensen die progressief en (dus?) “pro-Palestina” zijn. (“From the river to the sea?” – “Ach, dat zal toch zo’n vaart niet lopen?”) Meningen van mensen die vinden dat je toch wel “kritiek op Israël mag hebben”. (Het is me nog niet gelukt opbouwende kritiek of waardevolle feedback te vinden.) En zelfs meningen van mensen die het verlangen koesteren “aan de goede kant van de geschiedenis te staan”. 

Ik ben bang dat daar geen plek genoeg is voor iedereen met een mening. Daarom wil ik graag wat mensen naar voren schuiven, die daar volgens mij wel thuis horen. Een paar handenvol naamloze inwoners van Akko, die de straten schoonmaken, nadat relschoppers een Joods-Arabisch theater in de fik hadden gestoken. Joden en Arabieren samen:

Dan zijn er nog twee van wie de namen wel bekend zijn: Muhammad Mahamid, een 17-jarige Arabische Israëliër, die omkwam bij rellen in Um al Faham. Zijn vader besliste dat zijn organen beschikbaar mochten zijn voor transplantaties, sommige levensreddend. Daarbij wenste hij nadrukkelijk geen onderscheid te maken tussen Joden en Arabieren. 

En Yigal Yehoshua, een 56-jarige Joodse man uit de Joods-Arabische stad Lod, waar zware gevechten waren uitgebroken tijdens de eerste nacht van de beschietingen vanuit Gaza. Hij was op weg naar huis en kreeg een straatsteen tegen zijn hoofd. Een van zijn nieren leeft verder in het lichaam van Randa Aweis, een 58-jarige Arabisch-Israëlische vrouw uit Jerusalem.

Van Muhammad Mahamid heb ik helaas geen foto kunnen vinden. Van Yigal Yehoshua zichrono livracha wel:

Hartog en Doornroosje

Het was heel mooi weer, een dag of tien geleden. Ik hield me op in een hoekje van de begraafplaats, waar ik oude zerken, die al een halve eeuw door “de Natuur” overwoekerd waren, opdiepte vanonder een tapijt van plantenwortels en heerlijk ruikende humus. Het gekwinkeleer van tientallen zangvogeltjes in riet en struweel overstemde met gemak het constante gedruis van de stad, die net achter de sloot lag te ronken. Ik was te rustig om “opgeschrikt te worden”, maar niettemin hoorde ik plotseling een heftig gebrul of geblaf, dat mij niet zozeer alarmeerde, als wel nieuwsgierig maakte. Het leek namelijk van de begraafplaats zelf te komen. En dat kon immers niet? Ik was daar helemaal alleen en de sloot was breed als een slotgracht en de poort gesloten.

Langzaam richtte ik me op en daar klonk het geluid opnieuw: een gebrul of geblaf, angstig en woedend, dat weerkaatste tegen de gevels van de nabijgelegen huizen. Eerst liep ik in die richting, maar in het plantsoen, dat de dodenakker van de woonwijk scheidde, leek alles rustig. Toen klonk het geluid voor een derde keer, duidelijk op het midden van het terrein. Langs een slingerpaadje, uitgehakt door de bramenwoestenij, begaf ik mij naar het middenpad. In mijn gedachten zag ik  ergens verderop een “verwarde man” dwars door dezelfde bramenzee banjeren. Het beeld was glashelder: stevig postuur, dikke buik, zongebruind gezicht, woeste zwarte baard en krullen, camouflagejack boven een sleetse spijkerbroek. En maar brullen, boos op de Wereld, kwaad op het Leven zelf.

Toen ik het middenpad had bereikt, was hij daar ook, precies zoals ik verwacht had. We stonden allebei stil, vol verbazing. Ik omdat mijn vooroordelen, die ik in mijn hoofd als een balon had opgeblazen, met een geluidloze knal werden doorgeprikt. Hij omdat hij waarschijnlijk nog nooit zo dicht bij een mens was geweest. We stonden stil als struiken. Ik zag hem snuffelen, zijn veel te grote oren bewogen alle kanten op. Hij zette één been vooruit, maar trok het meteen terug, zoals wanneer je een teen in het water steekt, om te voelen of het warm genoeg is om te gaan zwemmen. Ik was verbijsterd, vanwege het wonder en vanwege de schoonheid, zo dichtbij.

O ja, ik zou het bijna vergeten te vertellen: ik stond plotseling oog in oog met een verbaasde jonge reebok. Nauwelijks bekomen van dat wonder, die schoonheid, appte ik een vriend. 

Happiness is only real when shared. 

Chris McCandless

“Are you safe?” appte hij onmiddellijk terug, want hij is heel zorgzaam. Weer verbazing: ik had er geen moment bij nagedacht dat het wel eens gevaarlijk zou kunnen zijn om te gaan kijken wat zo’n verwarde man op een begraafplaats doet. Toen ik, luchtigjes, weerom appte dat het beest snel genoeg in de gaten had dat ik niet tot zijn doelgroep behoorde, had mijn vriend hem voor het inkoppen: “Dan was hij dus toch niet zo verward . . .” Dat ik het stiekem een beetje jammer vond dat ik geen hertje was, (om nog maar te zwijgen van alle andere doelgroepen waar ik buiten val), dat hield ik wijselijk voor mezelf.

Een week later hing de verdwaalde jongeman nog steeds rond op het keiwer owes. De vrijwilligers van de natuurwerkgroep vonden dat ik hem een naam mocht geven. “Hartog,” zei ik, zonder aarzelen. Want dat is, via Herzog < Hertz < Hirsch, terug te voeren op het Hebreeuwse Tsvi, wat “hert” betekent, en dat was dan weer het dier waarmee Jacob op zijn sterfbed zijn zoon Naftali vergeleek. Misschien moet ik die naam ook maar schenken aan de enige naamloze dode die in mijn database van de begraafplaats voorkomt.

Seideravond

Toen ik vier jaar geleden bij JMW Thuiszorg werkte, kwam ik regelmatig bij een cliënt die ernstig beperkt werd door de ziekte van Parkinson, om hem te helpen met douchen en aankleden. Als ik hem dan helemaal had ingezeept (met zijn lievelingszeep) en afgespoeld, vroeg ik altijd: “Nog even voor de lekkerte?” Het antwoord was steevast: “Mijn moeder zou zeggen: jij weet wat een goed mens toekomt.” Op een keer – ik strikte net de veters van zijn bruine jogging schoenen vast – begon hij te vertellen, dat hij zijn moeder verloren had door de oorlog. Ze was vermoord in Sobibor. “Maar ik heb een theorietje,” vervolgde hij, “dat zij, iedere keer als ik over haar praat, een beetje hoger en beter komt te zitten, waar ze nu is.” En nog voordat ik daar iets op kon zeggen: “Gek, dat ik dit zomaar aan jou vertel, want ik heb het nog nooit aan iemand anders verteld.”

Hoe het precies zit aan gene zijde van de dood, weten we niet. Hebben onze geliefde doden iets aan onze cultuur van herinneren en gedenken? We weten het niet, maar ik voel wel sympathie voor het “theorietje” van die cliënt van mij, zichrono livracha. En anders: laat het maar een mitswe zijn, een “zegen brengende religieuze verplichting” (Tamarah Benima in: Een schaap vangen), zonder dat we hoeven te weten hoe en waar die zegen precies neer zal dalen. 

De Sjechina (Goddelijke Aanwezigheid) rust niet op ons door droefheid, noch door laksheid, noch door grappenmakerij, noch door oppervlakkigheid, noch door druk gepraat, noch door ijdele ambities, maar slechts door de vreugdevolle bezigheid van het vervullen van de mitswot.

Babylonische Talmoed, Sjabbat 30b

Door een toeval van het soort, waardoor sommige mensen zeggen dat toeval niet bestaat, kwamen vlak voor Pesach dit jaar drie hagadot bij mij terecht – in De Mokumse Geniza. Er stonden namen in en degene die ze mij overhandigde, zei: “Tja, die mensen zijn er niet meer.” We weten wat dat betekent. Wie zij waren, is (dankzij het digitaal Joods Monument) eenvoudig te traceren en de sporen van gebruik in de boekjes brengen hen bijna tastbaar dichtbij. Er ligt een gedroogd blaadje van radijs op de plek waar de tien plagen met royale spatten wijn zijn bespat. Matsekruimels hebben zich verstopt in het bindwerk. Een briefje van een kind, versierd met een poesieplaatje, is vanaf 1922 tussen de achterste schutbladen bewaard.

Nu is het net alsof deze mensen straks bij mij aan de seidertafel komen zitten. Als een stel oude bekenden, want vanwege mijn historisch onderzoek loop ik regelmatig in de voetstappen van de vader van het gezin, die vanaf 1914 beheerder was van de Joodse Begraafplaats Zeeburg. Tot in oktober 1943 woonde hij met zijn drie dochters, een schoonzoon en twee kleinkinderen in de beheerderswoning aan de Zeeburgerdijk 226. Daar moeten deze hagadot op 14 Niesan 5703 voor het laatst zijn gebruikt. 

Graag zou ik deze mensen aan u voorstellen. Hartog de Vries werd in 1881 geboren in Hoorn. Toen Mozes Verduin nog het beheer over Zeeburg had, was hij al werkzaam als osek  (lijkbezorger). In 1914 was de begraafplaats vol en vertrok Verduin naar Diemen, waar een nieuwe dodenakker was ingewijd. Hartog de Vries heeft het in de drie decennia dat hij de verantwoordelijke was op Zeeburg niet zo druk gehad als zijn voorganger, maar moet zich vaak machteloos hebben gevoeld. Door ophoging en bebouwing van de Indische Buurt werd het terrein steeds drassiger. Zerken vielen om, voor verbetering en onderhoud was geen geld, en de straatschoffies uit de nabijgelegen wijk maakten al voor de oorlog een speelplaats van deze laatste rustplaats van het armere deel der Amsterdamse Joodse bevolking. 

Ondertussen bracht hij daar, samen met zijn vrouw Gesiena de Beer drie dochters groot. Het gezin nam actief deel aan het Joodse leven in de nieuwe wijk, waar de buurtvereniging Rechouwous sjoeldiensten verzorgde in een woonhuis en waar op zeker moment 150 kinderen Joodse les volgden. Beide oudste dochters, Reina en Eva, bleven ongehuwd. De jongste, Elisabeth, trouwde in 1935 met Benjamin Denneboom, die al in 1931 als knecht van haar vader werkzaam was: in één van de drie hagadot heeft hij aangetekend dat hij het boekje van Hartog de Vries heeft gekregen, “voor mijn geboortedatum 5 Maart 1931”.

Elisabeth en Benjamin kregen twee kinderen: Sara Gesiena en Hartog. Volgens het digitaal Joods Monument woonden zij (samen met zus Reina) aan de Plantage Kerklaan 13hs, maar uit hun archiefkaarten in het Stadsarchief blijkt dat zij in september 1941 bij vader Hartog en zus Eva zijn ingetrokken, aan de Zeeburgerdijk 226. Ik stel mij voor dat zij daar, op 19 april 1943, voor het laatst met elkaar aan de seidertafel hebben gezeten. Ongetwijfeld zullen zij vol zorg zijn geweest over de toekomst en zich ontheemd hebben gevoeld in hun eigen stad en straat, omdat bijna alle mensen die zij kenden al weg waren, naar Polen. Toch hebben zij elkaar het verhaal van de Uittocht uit het slavenhuis naar de vrijheid verteld. 

Toen ook zij uiteindelijk moesten vertrekken, hebben ze – in de hoop dat ze ooit terug zouden keren? – hun boeken in een kist gedaan en aan iemand in bewaring gegeven. Die kist is na de oorlog ergens op een zolder teruggevonden en de hagadot zijn – zoals veel Joodse “kerkbenodigdheden” – door “de weinigen die ontkwamen” gered, opnieuw gebruikt en uiteindelijk in De Mokumse Geniza terecht gekomen. Daar blijven ze staan, als matseiwes voor de mensen van wier bestaan ze getuigen:

Hartog de Vries – Hoorn, 18 maart 1881 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Gesiena de Vries-de Beer – Winschoten, 8 september 1878 – Amsterdam, 26 juli 1941

Reina de Vries – Amsterdam, 29 maart 1905 – Sobibor, 28 mei 1943

Eva de Vries – Amsterdam, 17 juli 1906 – Sobibor, 28 mei 1943

Elisabeth Denneboom-de Vries – Amsterdam, 14 september 1912 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Benjamin Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1908 – Auschwitz, 29 februari 1944

Sara Gesiena Denneboom – Amsterdam, 6 december 1939 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Hartog Denneboom – Amsterdam, 5 maart 1941 – Auschwitz, 27 augustus 1943

Achtertuin

Onlangs zat ik ’s avonds in het donker, vlak voordat de avondklok mij huiswaarts dwong, op een bankje aan De Nieuwe Meer over het water te staren. Dat doe ik graag en het doet me goed, de verte en de golven. Ondanks het donker werd ik plots herkend door een van mijn zorgverleners (ja, ik ben nu zelf een zorgvrager!), die daar samen met haar man een avondwandeling maakte. “Ha,” zei ik, gekscherend, “is dit soms ook júllie achtertuin?” Daarna ontspon zich een gesprek over hun woonark aan het nabijgelegen Jaagpad en over een extra fietsbrug die de Gemeente Amsterdam vlak naast hun aanligplaats wil gaan bouwen, om beide oevers van de Schinkel met elkaar te verbinden.

Ik kende het verhaal nog niet, dus mijn oren spitsten zich, om vervolgens vervaarlijk te gaan klapperen. “Hè, maar dat kán toch niet? Zo druk is het toch niet op de bestaande fietsroutes, over het sluisje en over de Zeilstraat?” Bleek dat er een grote nieuwe woonwijk (11.000 woningen!) met een heleboel kantoorruimte gebouwd gaat worden tussen de Schinkel en Nieuw-Sloten. En de mensen die daar wonen gaan uiteraard massaal op de fiets naar kantoren elders, en van elders komen de mensen op de nieuwe kantoorruimte af. “Er komt ook nog een fietspad langs de snelweg.” “En de corona dan?” opperde ik. Klopt, de plannen waren van vóór de pandemie. 

Tja, ik gaf de protesterende omwonenden niet veel kans. Meestal gaan dat soort plannen hoe dan ook door. Ze worden bedacht door nijvere ambtenaren achter tekentafels en beeldschermen vol Excel-sheets. Natuurlijk zijn ze ook op locatie wezen kijken, met een paar bestuurders en politici. Waarschijnlijk stonden ze met z’n zessen midden op het bestaande fietspad langs het paardenweitje en misschien fietste u ze op dat moment wel rakelings voorbij en dacht u nog: “Kijk uit, jullie zien ook niks!” U zag wel hoe zwaar ze het hadden met gewichtig zijn en de juiste indruk op elkaar maken. Dat klinkt nog door in de reactie van de Gemeente op de bezwaren van de omwonenden:

We begrijpen dat bewoners zorgen hebben over de plannen voor de brug, omdat dit impact heeft op hun omgeving. Met de woonbootbewoners, buurtbewoners en ondernemers gaan we een ontwerpproces in om te zoeken naar de beste inpasbaarheid in de bestaande omgeving. De voorlopige planning is dat een brug in 2025 gerealiseerd kan worden.

Ach kijk: in hetzelfde stukje op de site van AT5 prijken – als tussenkopje – de woorden “niet in mijn achtertuin“. Dat is wel de minst fantasierijke dooddoener, waarmee buurtbewoners met bezwaren doorgaans worden weggezet. Deze keer hoop ik, in mijn eigen belang en dat van heel veel Amsterdammers, dat die woorden als een boomerang op hun doel terug zullen keren. Want de “groene scheg” langs de linkeroever van de Schinkel is niet zomaar een achtertuin, laat staan alleen die van de woonbootbewoners aan het Jaagpad. Het is mijn achtertuin! En niet alleen die van mij, maar die van de hele Schinkelbuurt, van het Olympisch Kwartier en nog meer aangrenzende woonwijken. Als al die mensen, die ik daar dagelijks zie wandelen en fietsen, voor hun werk of voor hun plezier, dat nu ook beseften, dan kwam die – prestigieuze, maar overbodige – brug er niet. 

Teken de petitie hier: https://petities.nl/petitions/stop-de-brug-van-het-jaagpad-naar-de-schinkeleilanden?locale=nl_gr

En: zegt het voort!

De achtste dag

Vannacht droomde ik een droom, die ik al zo vaak en in zovele gedaantes heb gedroomd. Ik zat achter het stuur van onze oude HY, Alex zat nog naast me. We reden over kronkelende bergweggetjes, steeds hoger en hoger. Dan door een bergdorpje, met straatjes die steeds smaller en smaller werden. Op een zeker moment – ik was inmiddels alleen – merkte ik dat ik in een dakgoot reed, tussen twee hoge, puntige daken met Hollandse dakpannen. 

Plotseling doemde vlak voor me een schoorsteen op. Tot hier een niet verder. Ook van omkeren of achteruit rijden was geen sprake meer. Ik liet de HY ter plekke achter en wrong mij door een dakraam, dat toevallig open stond. Daar landde ik op een grote, lege zolder, met mooie oude dakspanten. Na lang zoeken vond ik een trapgat en daalde ik af in een soort schoolgebouw: eindeloos lange gangen, verdieping na verdieping. Blijkbaar was er niemand in het gebouw, als op een christelijke zondag, maar toen ik op de begane grond was gekomen, stond de glazen voordeur zomaar open.

Ik herkende de buurt, waarin het gebouw stond. Uit andere dromen? Of was het echt die oude arbeiderswijk aan de rand van Enkhuizen, waar ik als eenzame puber zo vaak had rondgedwaald? De zon scheen op bedauwde gazons. Het was doodstil, als op de ochtend van de achtste dag.

Toen werd ik wakker. Het was de eerste dag der week, en de eerste dag van de rest van mijn leven.

Wees niet bang

*

[Wees niet bang]  

Wees niet bang, mijn kind,
twee muizen zijn ’t maar, 
die springen van de tafel op de stoel. 
Kleiner dan jij zijn ze,
ze eten je niet op.

Wees niet bang, mijn kind,
het is de regen maar,
zijn natte vinger tikt op het raam.
Wij doen niet open.

Kruip lekker bij me,
ik ben je moeder.
We trekken de nacht als een donkere 
deken over ons hoofd:
niemand zal ons vinden.

van David Vogel (1891- 1944)

Wenst u maar!

Waarschijnlijk ben ik niet de enige, die de anderen toewenst wat ze zelf graag zou krijgen. Dus hier komt mijn wens voor 2021, in de hoop dat er plek voor is tussen alle geweldige, bruisende, fantastische, prikkelende, uitbundig bloeiende etc. tweeduizendeenentwintigs die u al gekregen heeft:

Opleidingsniveau

Op een avond fietste ik door de wijk, van de ene hulpbehoevende naar de andere, toen ik gebeld werd op mijn werkmobieltje. Of ik met spoed langs kon komen, want mevrouw haar zoon had de steunbeugels van het toilet omhoog gedaan en nu wisten ze niet meer hoe die naar beneden moesten. Lief mens dat ik ben, liet ik even alles uit mijn handen vallen om deze mensen uit hun nood te helpen. Drie minuten later stond ik al voor de deur. Ik was al “geweldig”, terwijl ik pas op de gang stond.

In het toilet werd ik geconfronteerd met een verouderd type beugels, dat ik nog nooit gezien had, maar niettemin was ik er snel achter hoe die dingen werkten. Ik zal maar niet vertellen op welke omweg in het leven ik dat technisch inzicht opgepikt heb. De zoon stond er met zijn neus bovenop en geneerde zich rot voor zijn eigen onhandigheid. “Ach, daar hebben we toch echt de thuiszorg voor nodig! Dat soort dingen snapt een arme academicus met twee linker handen niet!”

Ach, toen kon ik het niet laten om hem met een vileine opmerking even in het stof te laten bijten: “Tja, daar kan ik helemaal in meevoelen. Ik heb ook een universitaire opleiding gehad, maar gelukkig heb ik ook nog op het MBO gezeten. Daar heb je wat aan.” Wat een vals loeder ben ik toch!

Natuurlijk moest ik daar vandaag aan denken, toen ik in de krant las wat voor lelijke aap er uit de mouw van Jaap van Dissel was gekropen:

„We hebben uit onderzoek geleerd dat er heel veel factoren spelen. Daar speelt opleidingsniveau van verzorgenden in mee, de situatie in het verpleeghuis. Het is gewoon complexer dan het op te hangen aan een enkele maatregel”, zei Van Dissel over de tehuizen.

Op een geleerde toon onzin verkopen, ik geef ze niet graag de kost, die daar een goed salaris mee opstrijken. Nogal wiedes dat de V&VN haar verontwaardiging kenbaar maakte. En even begrijpelijk dat het RIVM probeert die aap weer in die mouw te wurmen:

Het RIVM verduidelijkt nu dat de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding alleen had willen schetsen hoe complex de situatie in de verzorghuizen is en dat die ook anders is dan in de ziekenhuizen. 

Tja, als Van Dissel dat alleen maar wilde, waar had hij dan dat opleidingsniveau van de zorgmedewerkers voor nodig? Het pedante dedain van de man was al vaker opgemerkt, maar nu is het echt duidelijk: hier hebben we te doen met iemand die zich laat voorstaan op kennis die hij niet heeft en op een opleidingsniveau, waarvan het virus allang heeft laten zien dat het er weinig toe doet. Dit is niet alleen schadelijk voor het gezag van de geleerde man zelf, maar ook voor het vertrouwen in de wetenschap in bredere zin.

En had hij nu nog de moed gehad om te zeggen: “Jullie hebben gelijk, ik ben een lul.” Nee, hoor wat hij zegt: 

Van Dissel heeft laten weten dat het hem spijt als zorgmedewerkers „zich door de zinsnede negatief geraakt voelen”.

Aftreden lijkt me een beter idee. Er is een groot tekort aan personeel in de verpleeghuizen, dus hij kan zo aan de bak. Maar laat hem het eerste jaar wel één dag in de week naar het ROC gaan, want met zijn opleidingsniveau komt hij er niet.

Op de valreep

*

voor Rob, z”l

*

Als straks je dertig naastbestaanden het laatste restje Rob voorzichtig in de aarde verbergen, zit ik nog uit te zieken. Van diezelfde ziekte, die jou noodlottig is geworden. Maar meer nog dan met die ziekte, zit ik met een kluwen van gemis, verdriet en dankbaarheid in mijn schoot, zoekend naar een beginnetje, zodat ik het allemaal op klosjes kan winden en bewaren.

Je was – negen jaar geleden – een van de eerste cliënten die ik hielp bij de ADL, onder het waakzaam oog van collega Frank. In de jaren erna dook je af en toe zomaar weer op, in de zorg, of gewoon op straat, met je rollator, schuifelend over de zebra in de Beethovenstraat. Steeds brozer werd je, en het was altijd weer een wonderlijk soort opsteker voor mij, om te zien dat je het weer had gehaald.

Het afgelopen jaar zag ik je regelmatiger, op en af, vanwege de dreiging van Covid-19 enerzijds en toenemende afhankelijkheid anderzijds. Je schuifelde door een steeds nauwer wordend straatje, diep gebogen, maar als je opkeek door die ogen die haast niets meer zagen, dan straalde je van levensvreugde, twinkelde je van humor, gloeide je van aandacht en altijd ging je gehuld in waardigheid.

“Ik ben een verwend mannetje,” was een van je stopwoorden. Zelfspot, die het zelf niet kraste, maar zachtjes glimmend wreef met een spatje spot. “Ik heb een prachtig leven gehad,” zei je, “en dat heb ik nóg.” Ondertussen stond je in je hemd, letterlijk en figuurlijk. Bij ieder ander had ik dergelijke woorden voor een laatste wanhopige poging tot compensatie voor verlies en aftakeling gehouden. Bij jou niet.

Bijna dagelijks mocht ik mee genieten van je oprechte dankbaarheid voor alles wat je had mogen zien en doen, in heel je heerlijk leven. Die dankbaarheid gold onveranderlijk bovenal je echtgenote en je kinderen en kleinkinderen. Het rinkelde als zilver over me heen, terwijl ik knielde om je sokken uit te trekken, met tussendoor af en toe een juweel van een anekdote. Precies op het goeie moment strooide je daar gewiekst een handje goudstof doorheen. “Ik ben blij dat jij er bent.” Of: “Jij bent de slimste vrouw die ik tot nu toe heb leren kennen.” Het mooie oude woord “vrindschap” [sic!] klonk. Wanneer jij daarna je tanden stond te poetsen, dacht ik in stilte aan Herman de Coninck:

Charme is niet iets wat er is. Charme is een vorm van medeplichtigheid tussen charmeur en gecharmeerde, de afspraak om te doen alsof. Charme is een meerwaarde die de charmeur graag aan de dingen had gegeven bij wijze van cadeau aan een of andere dame, maar die alleen geste blijft. Wat charmeert zijn de mooie woorden, in de wetenschap dat het alleen maar mooie woorden zijn. Als ze ook nog geloofd zouden worden, heb je niet met charme, maar met bedrog te maken. Essentieel voor charme is dat ze doorzien wordt, en desalniettemin graag geaccepteerd.

Toen het straatje tenslotte zo nauw werd, dat we er niet meer samen doorheen zouden passen, mocht ik je nog een laatste keer verzorgen. Beneden hadden ze gezegd dat je een slechte dag had gehad en erg zwak was. Zodra je mij hoorde leek je niettemin op te leven, om mij nog één keer van dat goudstof te laten genieten. “Om de een of andere gekke reden ben ik erg op je gesteld, dat weet je, hè, Channa.” En alsof dat niet genoeg was: “Om de een of andere rare reden, …. hou ik van jou.” Toe maar! Ik kon je nog net laten weten dat het geheel wederzijds was, voor ik té ontroerd zou raken. Beneden maakte ik nog een (misschien wat gewaagd) grapje, over hoe “in vorm” je was.

Daarna trok ik de deur achter me dicht en nam je laatste woorden mee voor mezelf: “Ik hoop dat we binnenkort weer een keer . . . . “

Dat binnenkort moeten we aan de Hemel overlaten. Een week na onze laatste ontmoeting ben je stilletjes weg geglipt uit dit leven. Eerlijk gezegd hoop ik dat je zo goed terecht bent gekomen, dat je mij een poosje kunt missen. Ik wil namelijk nog even blijven. Je nagedachtenis zal me daarbij tot zegen zijn, reken maar: je was voor mij de mooiste mentor in Lebensbejahung die ik me kan voorstellen. En telkens wanneer ik het nodig heb, hoef ik maar even met mijn vingers door mijn haar te woelen om nog weer een paar korrels van dat stofgoud te vinden. 

“Tot ziens, ….. en bedankt!”