Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘poëzie’ Category

 

Toen ik zes jaar geleden voor het eerst bij haar over de vloer kwam, was zij pas 98. Ze liep nog, zong nog en speelde nog piano. Toch had zij onze ondersteuning bij de “algemene dagelijkse levensverrichtingen” nodig. Ik hielp haar bij het opstaan, wassen en aankleden en maakte in de keuken een bordje Brinta-pap voor haar klaar: niet te heet, niet te koud, niet te dik, niet te dun, wel te zoet en met een heel klein beetje zout. Zo wordt men honderd. Ik bleef bij haar zitten, terwijl zij de blauwe bowl leeg lepelde, gefascineerd door de zorgvuldigheid, waarmee zij het laatste restje uit de rand schraapte. Ach, die sierlijke, korte rukjes van haar broodmagere rechterhand! De lepel was in de loop der jaren scheef afgesleten van dat trouwe geschraap.

Haar lichaamstaal sprak van toewijding, nooit van gulzigheid en misschien zelfs niet van genieten. Ondertussen mopperde ze gestadig op het leven, op de lengte ervan en op de ongemakken, waarmee de ouderdom de mensen komt plagen. Vaak deed ze daar nog een schepje bovenop, een soort meta-gemopper: dan gaf zij zichzelf ervan langs, omdat zij God niet dankbaar was voor het leven. De mensen met wie zij optrok, waren allemaal “in de Heer”. Blij in de Heer, bovendien. Zij niet. Soms wist ze niet eens of ze wel geloof had, genoeg geloof had, het juiste geloof had. Dan probeerde ik haar gerust te stellen: ook dat ziet God met mededogen aan.

Op haar vraag waarom haar leven zo lang moest duren (ze werd uiteindelijk 104) had ik geen antwoord. Het was ook geen vraag, meer een noodkreet. Net als het theatrale “Help! Help!”, of het smekende “Ga niet weg, Janiek. Wat moet ik dan?” Ik zag het altijd weer met mededogen aan, net als God, maar kon haar last niet wegdragen. Heel soms zag ik achter dat tergend langzaam wegterende hoopje mens op dat bed een ander beeld: Job op zijn mestvaalt. Was het de Tegenstrever die God op de proef stelde, wetend dat Hij zich niet van Zijn mededogen zou kunnen ontdoen?  Maar deze Job had geen builen, nauwelijks doden te betreuren. Vrienden, die het beter wisten, als het over God ging, die had ze wel.

Telkens wanneer ik over de enveloppen van de goede doelen die zij steunde haar sobere, nog door haar ouders gemeubileerde woning binnenstapte, moest ik wel denken dat dát het was waar haar leven over ging: soberheid en naastenliefde van Hogerhand. Of probeerde zij met haar zuinigheid en hang naar vlekkeloosheid haar leven als een ei op een lepel heelhuids naar de overkant te brengen? Zij was nooit getrouwd geweest, maar had zij dan niet toch misschien, ergens ver weg in het naoorlogse Duistland, waar zij had gewerkt onder vluchtelingen, een tragische, maar grote liefde gekend? Een collega, die tegen alle regels in met haar bevriend was geraakt, had het haar een keer op de vrouw af gevraagd: “Heeft u dan nooit in uw leven seks gehad?” “Nee,” was het antwoord geweest. Onvoorstelbaar, in de ogen mijn collega.

Ach, ik kon me het wel voorstellen. Zelf was ik meestal ook blij met mijn plekje op het droge, wanneer ik de liefde een keer had toegestaan haar golven om mij heen te slaan. En ik heb niet eens smetvrees, zoals zij. Gelukkig is er taal, waardoor je je kunt laten raken, zonder vies te worden of je botten te breken. Daar konden wij samen dikwijls van genieten. Ik zal nooit vergeten hoe we op een avond dicht bij elkaar stonden in haar achterkamer (de coördinaten zijn door mijn voeten zorgvuldig gearchiveerd) en zij, met zwoele stem en een zeldzame schalksheid in haar blik, een paar dichtregels begon te citeren:

Männer umschwirr’n mich,

Wie Motten um das Licht.

Und wenn sie verbrennen,

Ja dafür kann ich nichts.

Ich bin von Kopf bis Fuß

Auf Liebe eingestellt,

Denn das ist meine Welt,

Und sonst gar nichts.

Marlene Dietrich

De laatste avond van haar leven kwam ik binnen in de kamer waar zij al twee jaar lag. Op een ziekenhuisbed, de rand van de deken omklemd en opgetrokken tot aan haar kin, een zakdoek tussen twee vingers. Dit keer was er iets heel erg anders, dat zag ik meteen: zij had de deken opzij gegooid en lag uitgestrekt op het bed, haar armen slap langszij. Zo ontspannen had ik haar nog nooit gezien. Wel was ik heel vaak bang geweest haar dood te moeten vinden. Ze hijgde snel en zachtjes, de ogen open, met heel wijde pupillen. Toen ik naast haar ging zitten en tegen haar sprak, merkte zij dat niet. Ook toen ik haar handpalm en voetzool aanraakte, kwam er geen enkele reactie. Voorzichtig legde ik een vochtig washandje tegen haar lippen, maar zij was duidelijk ergens anders, ver weg.

Met alle liefde had ik bij haar willen blijven en over haar willen waken, maar ik moest nog twintig andere mensen bezoeken. Ik belde de buurvrouw, die haar mantelzorger en zuster in de Heer was en die ik gelukkig bereid vond om bij haar te gaan zitten. Al had ik nooit eerder zo duidelijk en van zo nabij gezien dat sterven een zaak is tussen de dood en zijn uitverkorene, het is menselijkerwijs niet te doen om een stervende zomaar alleen te laten en de  deur achter je dicht te trekken. Nog twee keer die avond ben ik terug geweest om me ervan te verzekeren dat er altijd iemand zou zijn om deze plicht te vervullen. De volgende morgen pas is zij stilletjes overleden.

Samen met die brutale collega zat ik in het zaaltje op de begraafplaats waar haar geloofsgenoten liederen van Johan de Heer zongen. Bij Daar ruist langs de wolken zag ik mezelf nog heel even in een kleuterschoolbankje zitten. We kropen dicht tegen elkaar aan, toen we tijdens de preek een zacht gebonk hoorden, dat door niemand anders opgemerkt leek te worden. Opeens werd het stil en gingen de deuren achter de kist open. Daar stonden zes wondermooie jonge dames op haar te wachten. Zij namen haar op de schouders en droegen haar het hele eind naar het familiegraf. Toen we bij wijze van laatste groet een blik in de kuil wierpen, zagen we een veldmuis schielijk vanuit een hoek naar onder haar kist vluchten.

Ein rätselhafter Schimmer, . . .

 

Advertenties

Read Full Post »

Kineret

Terwijl het hier op mijn schrijfplek – zonder kachel – alsmaar kouder wordt, lijkt het me een goed plan om op mijn blog weer naar Israël terug te keren. (Au!) Waar waren we ook alweer? O ja, in Tsfat, geen plek om te blijven. Om niet dezelfde weg terug te hoeven rijden, kozen we een route via Tiberias. Door dezelfde dorre bergen als op de heenweg koersten we naar het zuidoosten, langzaam slingerend naar lager regionen. En toen was daar opeens, bij het uitgaan van de zoveelste bocht, onze eerste blik op de Kineret.

Bij het zien van die wondermooie spiegel van het zuiverste aquamarijn ter aarde, probeerde mijn sterke, maar onhandige talent voor ontroering zich dwars door het gebruikelijke gekeuvel heen een weg naar buiten, naar stembanden en traanklieren te banen. Gelukkig volgde onmiddellijk een scherpe bocht, die de betovering doorbrak, zodat Max dit keer tenminste een beetje ruimte overhield, zo vlak bij die heftige zieleroerselen. Het is genoeg dat ik nooit zal vergeten hoe het was alsof ik heel even definitief thuis kwam.

Beneden aan de oever was het een stuk prozaïscher. Ook hier vooral verval en vervuiling. We baanden ons een weg door manshoog riet naar een strand van groezelig zand en scherpe stenen, waar we een rustig plekje vonden om te zwemmen. De wind woei kinderstemmen en opblaasspeelgoed in onze richting en verder, naar de Hermon. Aan het einde van een dromerige middag reden we tegen het fel-oranje licht van de ondergaande zon terug naar Haïfa.

Wat was ik blij met Max’ voorstel om de volgende sjabbat aan de oevers van het meer met de vele namen door te brengen. De ultra-orthodoxe mannen van de woonwijk in Tiberias waar wij met onze auto heel even in verdwaald raakten hadden misschien gelijk dat wij de sjabbat ontheiligden, maar verder was de dag beslist zoals God het bedoeld moet hebben.  We vonden een strand waar een sympathiek slag recreanten waren neergestreken. Zo konden we in volstrekte rust mee resoneren met een scala aan universele strandvermakelijkheden.

Naast ons bivakkeerden een paar jonge stellen met wat kinderen, een bal, een hond en een gitaar. Vanuit hun richting hoorde ik Carlebach-achtige melodieën mijn kant op waaien en op dat moment bedacht ik me dat op één na alle ingrediënten die voor Channa Szenes de wereld de moeite waard maakten, aanwezig waren:

Mijn God, mijn God,
laat deze dingen nooit ophouden te bestaan:
het zand en de zee
het geruis van het water
de donder van de hemel
het gebed van de mens.

Dikwijls verbaas ik mij over haar bescheidenheid, maar op die sjabbat, aan de oever van de Kineret, miste ik niets en had het moment eeuwig mogen duren.

Read Full Post »

Lastig leven

 

*

Voor wie geen geloof heeft

Voor wie geen geloof heeft,
is ’t lastig leven dit jaar.
Het veld vraagt om zegen,
de zee vraagt vertrouwen,
maar jij – jij vraagt niets.

Mijn hart slaapt zijn slaap
en ik – ik slaap ook.
Mijn droom is zwaar van stilte.
Mijn doden wandelen in mijn slaap,
als in een oud kasteel.

Hoe zal ik opstaan uit mijn slaap,
zonder geloof in mijn hart?
En jij – jij vraagt niets.

Lea Goldberg

Read Full Post »

Thuizen

*

 

‘Home is the place where, when you have to go there, 
They have to take you in.’ 

                                      ‘I should have called it 
Something you somehow haven’t to deserve.’ 

Robert Frost, The Death of the Hired Man

 

*

Dat is het: ik weet niet waaraan ik het verdiend heb, maar sinds kort heb ik twee thuizen. Dat was wat ik voelde toen we landden op Ben Gurion Airport. In een flits, later was het soms weg, soms overweldigend, meestal vaag aanwezig en tenslotte iets waarvan ik me los kon maken in de zekerheid dat ik terug zou komen. Het was dus geen vakantie, geen bedevaart, geen reis, maar een thuiskomen. In het Goede Land, dat mijn pas gekregen voorouders als van God gegeven hebben ervaren, ook al zei de Eeuwige er duidelijk bij dat het Zijn eigendom was en zou blijven, net als het volk dat er mocht gaan wonen.

Terwijl ik – gisteren pas thuisgekomen in de ballingschap – nog onwennig zit te plukken aan een kluwen draden die ik geacht word ‘weer op te pakken’, neem ik me voor om in de komende weken enkele indrukken van ons verblijf in Israël op dit weblog vast te leggen. Ik zeg “we” en “ons”, want ik was daar niet alleen. Zolang het gaat over wat we deden, zal dat meervoud af en toe weer opduiken; waar het impressies betreft kan ik uiteraard alleen voor mezelf spreken. Wie mijn reisgenoot was, doet er voor de lezer niet toe: hij heeft bovendien recht op enige privacy. Voor mijzelf maakte het veel uit, dat hij mee was. Als nóg een thuis, dat ik niet heb hoeven verdienen.

Tussen het scherm en mijn toetsenbord ligt Poezemien alweer te spinnen, staat op en likt haar linker voorpoot. Ik ben thuis.

Read Full Post »

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Read Full Post »

Rachel de Dichteres

 

 

 

Afgelopen dinsdag was ik bij de boekpresentatie van het tweede deel in de serie Hebreeuwse Bibliotheek van Amphora Books. De bedoeling van deze reeks is het onder een breder publiek bekend maken van modern-Hebreeuwse poëzie in vertaling. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van het werk van amateur vertalers, die hebben meegedaan aan de Vertaalwedstrijd Hebreeuws. Een feestelijke bijeenkomst, waarbij ik zelf een eervolle vermelding kreeg voor het gedicht hieronder, dat in de bundel is opgenomen (op blz.36).

Ook heb ik een bijzondere band met het kunstwerk hierboven, dat voor de cover van het boek is gebruikt. Het werd kosteloos beschikbaar gesteld door kunstenaar Yaïr Aa en tijdens de presentatie geveild door Prof.Dr. Irene Zwiep. Ik haalde – klaarwakker! – een rib uit mijn lijf en even later mocht ik – voor een schijntje! – een heus “thing of beauty” mee naar mijn huis nemen.

ZWIJGEN

De zwaarte van dit zwijgen drukt mij ter aarde,
het zwaard van dit zwijgen doorklieft mijn hart.
Ik ben nog hier – nog hier – en wacht,
het bloed van mijn verzen nog rood rondom mij.

De dood legt stil, zeker, wij allen vallen stil,
tenslotte – als de dag zonder omwegen daar is.
Maar het leven heeft een eigen stem en taal, en wij
een zucht naar die taal, een echo, helder en scherp.

Zij bevriest mij. Met haar de vrees voor het graf:
haar verwrongen mond spert zij grenzeloos open.
Ik ben nog hier – nog hier – aan de overkant –
Sla mij met woorden! Maar in ’s hemelsnaam, zwijg niet!

Read Full Post »

 

*

 

De antennes op de daken van de huizen leken toen
op de masten van het schip van Columbus,
en elke kraai die stond op hun spitsen
kondigde een ander continent aan.

 

Beneden in de straten liepen plunjezakken van reizigers
en de taal van een onbekend land
hakte in op de schroeiende middaghitte
als het koude lemmet van een mes.

 

Hoe kon de lucht van die kleine stad
zoveel jeugdherinneringen in zich opnemen,
zoveel verlepte liefdes,
zoveel kamers, leeggeruimd, ergens ver weg?

 

Als beelden, die de film in een camera zwart kleuren,
maakten heldere winternachten een negatief
van regenachtige zomeravonden, ver weg, over zee,
van mistige morgens in metropolen, ver weg.

 

De kadans van de voetstappen achter je rug:
marsliederen van een vijandelijk leger –
en het was net alsof je je hoofd maar om hoefde draaien,
en daar op zee dreef de kerk van de stad waar je thuis was.

(vertaling: Channa Kistemaker)

Read Full Post »

Older Posts »