Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘poëzie’ Category

Lastig leven

 

*

Voor wie geen geloof heeft

Voor wie geen geloof heeft,
is ’t lastig leven dit jaar.
Het veld vraagt om zegen,
de zee vraagt vertrouwen,
maar jij – jij vraagt niets.

Mijn hart slaapt zijn slaap
en ik – ik slaap ook.
Mijn droom is zwaar van stilte.
Mijn doden wandelen in mijn slaap,
als in een oud kasteel.

Hoe zal ik opstaan uit mijn slaap,
zonder geloof in mijn hart?
En jij – jij vraagt niets.

Lea Goldberg

Advertenties

Read Full Post »

Thuizen

*

 

‘Home is the place where, when you have to go there, 
They have to take you in.’ 

                                      ‘I should have called it 
Something you somehow haven’t to deserve.’ 

Robert Frost, The Death of the Hired Man

 

*

Dat is het: ik weet niet waaraan ik het verdiend heb, maar sinds kort heb ik twee thuizen. Dat was wat ik voelde toen we landden op Ben Gurion Airport. In een flits, later was het soms weg, soms overweldigend, meestal vaag aanwezig en tenslotte iets waarvan ik me los kon maken in de zekerheid dat ik terug zou komen. Het was dus geen vakantie, geen bedevaart, geen reis, maar een thuiskomen. In het Goede Land, dat mijn pas gekregen voorouders als van God gegeven hebben ervaren, ook al zei de Eeuwige er duidelijk bij dat het Zijn eigendom was en zou blijven, net als het volk dat er mocht gaan wonen.

Terwijl ik – gisteren pas thuisgekomen in de ballingschap – nog onwennig zit te plukken aan een kluwen draden die ik geacht word ‘weer op te pakken’, neem ik me voor om in de komende weken enkele indrukken van ons verblijf in Israël op dit weblog vast te leggen. Ik zeg “we” en “ons”, want ik was daar niet alleen. Zolang het gaat over wat we deden, zal dat meervoud af en toe weer opduiken; waar het impressies betreft kan ik uiteraard alleen voor mezelf spreken. Wie mijn reisgenoot was, doet er voor de lezer niet toe: hij heeft bovendien recht op enige privacy. Voor mijzelf maakte het veel uit, dat hij mee was. Als nóg een thuis, dat ik niet heb hoeven verdienen.

Tussen het scherm en mijn toetsenbord ligt Poezemien alweer te spinnen, staat op en likt haar linker voorpoot. Ik ben thuis.

Read Full Post »

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Read Full Post »

Rachel de Dichteres

 

 

 

Afgelopen dinsdag was ik bij de boekpresentatie van het tweede deel in de serie Hebreeuwse Bibliotheek van Amphora Books. De bedoeling van deze reeks is het onder een breder publiek bekend maken van modern-Hebreeuwse poëzie in vertaling. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van het werk van amateur vertalers, die hebben meegedaan aan de Vertaalwedstrijd Hebreeuws. Een feestelijke bijeenkomst, waarbij ik zelf een eervolle vermelding kreeg voor het gedicht hieronder, dat in de bundel is opgenomen (op blz.36).

Ook heb ik een bijzondere band met het kunstwerk hierboven, dat voor de cover van het boek is gebruikt. Het werd kosteloos beschikbaar gesteld door kunstenaar Yaïr Aa en tijdens de presentatie geveild door Prof.Dr. Irene Zwiep. Ik haalde – klaarwakker! – een rib uit mijn lijf en even later mocht ik – voor een schijntje! – een heus “thing of beauty” mee naar mijn huis nemen.

ZWIJGEN

De zwaarte van dit zwijgen drukt mij ter aarde,
het zwaard van dit zwijgen doorklieft mijn hart.
Ik ben nog hier – nog hier – en wacht,
het bloed van mijn verzen nog rood rondom mij.

De dood legt stil, zeker, wij allen vallen stil,
tenslotte – als de dag zonder omwegen daar is.
Maar het leven heeft een eigen stem en taal, en wij
een zucht naar die taal, een echo, helder en scherp.

Zij bevriest mij. Met haar de vrees voor het graf:
haar verwrongen mond spert zij grenzeloos open.
Ik ben nog hier – nog hier – aan de overkant –
Sla mij met woorden! Maar in ’s hemelsnaam, zwijg niet!

Read Full Post »

 

*

 

De antennes op de daken van de huizen leken toen
op de masten van het schip van Columbus,
en elke kraai die stond op hun spitsen
kondigde een ander continent aan.

 

Beneden in de straten liepen plunjezakken van reizigers
en de taal van een onbekend land
hakte in op de schroeiende middaghitte
als het koude lemmet van een mes.

 

Hoe kon de lucht van die kleine stad
zoveel jeugdherinneringen in zich opnemen,
zoveel verlepte liefdes,
zoveel kamers, leeggeruimd, ergens ver weg?

 

Als beelden, die de film in een camera zwart kleuren,
maakten heldere winternachten een negatief
van regenachtige zomeravonden, ver weg, over zee,
van mistige morgens in metropolen, ver weg.

 

De kadans van de voetstappen achter je rug:
marsliederen van een vijandelijk leger –
en het was net alsof je je hoofd maar om hoefde draaien,
en daar op zee dreef de kerk van de stad waar je thuis was.

(vertaling: Channa Kistemaker)

Read Full Post »

Meekijken

*

Eerst dacht ik dat ik domweg gelukkig was, en dat niet eens in de Dapperstraat. Ik fietste door de Valeriusstraat, de avond viel en ik keek vooruit en naar omhoog, waar de gevels een streep blauwe lucht vrij lieten, waarlangs de wolken zich bewogen. Op weg naar die wolken gleed mijn blik langs een raamkozijn, ooit geschilderd in bentheimer wit, nu grauw en bladderend. Opeens moest ik denken aan net zo’n raamkozijn, dat ik ooit heb geschilderd,  in de Bloedstraat op de Amsterdamse Wallen, in 1996. Ik streek mijn kwast in neerwaartse richting en zag hoe een haar zich losmaakte en wegzonk in de zacht ineenvloeiende hoogglanslak. Ogenblikkelijk was ik vastbesloten: deze haar laat ik zitten. Hij zat op een plek waar hij niemand op zou vallen, dus hij zou daar voor altijd zitten, ingesloten door de verf, als bewijs dat ik daar was, dat ik geleefd heb en heb besloten dat die haar daar zou blijven. Als hij niet weer weggeschuurd en -geschilderd is, dan zit hij er nog.

Nu was het alsof ik in één klap kon zien hoe er op een hele rij raamkozijnen boven mij haren waren ingebed in de verf. Niemand merkte ze op, maar  ik wist heel zeker dat God weet heeft van al die haren. Immers, geen mus zal op de aarde vallen etc. God ziet al die haren, hier en overal, en kent alle omstandigheden waaronder ze daar op die raamkozijnen terechtgekomen zijn. De schilders, Hij kent ze bij naam, de levenden en de doden. Maar hij weet ook alles van de stoffige heesters, die onderaan sommige van deze gevels staan en van het schamele onkruid, dat in hun schaduw schuilt. Ook de hondendrol op de stoeptegel rechts daarvan is Hem bekend. En de man die de riem vasthield in zijn hand en het zweet in zijn handpalm. De hand waarmee . . . .

Hoe lang hield dit aan? Niet eens één seconde, denk ik. Ik fietste gewoon door, was immers aan het werk. Eigenlijk had ik helemaal geen tijd voor “moments of sudden illumination”, voor de wonderen die het leven verborgen houdt, “tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.” Toch kon het me niet ontgaan dat ik, heel even, de wereld zag zoals ik denk dat God haar moet zien. En natuurlijk zag ook ik dat het goed was.

Heeft God dan ogen?

Waarom niet?

Zoude Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren?
Die het oog gevormd heeft, niet zien?

Psalm 94:9 (vertaling Samuel Israel Mulder)

En ikzelf heb immers – heel even maar – door Zijn ogen naar de wereld mogen kijken? Misschien gebeurt dat ook andersom: misschien is Hij het Bewustzijn waar alle beelden, die wij allen met elkaar zien, samenkomen. Alle beelden. Dat van J.C.Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat; dat van mij, plotseling verlicht in de Valeriusstraat; en dat van Gerard Reve, berustend in het leven aan de Jozef Israelskade.

Hij had de huisdeur bereikt. ‘Vrede,’ dacht hij, ‘het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.’ Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. ‘Goedenavond,’ zei Frits. ‘Zo, mijn jongen,’ antwoordde de man. ‘Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen?’ dacht Frits. ‘Een zwangere huisknecht.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk? Hansop, geloof ik.’ Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onderaan de rug, was een lange verticale spleet, die open stond. ‘Ik kan zijn reet zien,’ dacht hij. ‘De klep om te kakken staat open.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

 

 

 

Read Full Post »

Licht

*

op bladzijde 47:

*

 

 

 

Mijn licht

Vertaling: Channa Kistemaker

Ik heb het licht echt niet op straat gevonden.
Bij de erfenis van mijn vader zat het ook al niet.
Echt, uit eigen rots, uit eigen steen,
heb ik het geslagen, gehouwen
uit mijn eigen hart.

Eén vonk gaat schuil in de rots
van mijn hart – één heel klein vonkje,
maar wel helemaal van mij.
Ik heb haar van niemand gebietst of gestolen.
Echt, uit mij komt zij en ze blijft in mij.

Onder de mokerslagen van mijn verdriet
spat mijn hart uit elkaar, die sterke rots.
Op springt de vonk, recht in mijn oog
en van mijn oog – naar mijn vers.

Vandaar glipt zij jullie harten binnen,
en in het ontsteken van jullie vuur verdwijnt zij.
Ik, met mijn merg, mijn bloed,
betaal haar gloed.

Read Full Post »

Older Posts »