Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘poëzie’ Category

 

*

 

De antennes op de daken van de huizen leken toen
op de masten van het schip van Columbus,
en elke kraai die stond op hun spitsen
kondigde een ander continent aan.

 

Beneden in de straten liepen plunjezakken van reizigers
en de taal van een onbekend land
hakte in op de schroeiende middaghitte
als het koude lemmet van een mes.

 

Hoe kon de lucht van die kleine stad
zoveel jeugdherinneringen in zich opnemen,
zoveel verlepte liefdes,
zoveel kamers, leeggeruimd, ergens ver weg?

 

Als beelden, die de film in een camera zwart kleuren,
maakten heldere winternachten een negatief
van regenachtige zomeravonden, ver weg, over zee,
van mistige morgens in metropolen, ver weg.

 

De kadans van de voetstappen achter je rug:
marsliederen van een vijandelijk leger –
en het was net alsof je je hoofd maar om hoefde draaien,
en daar op zee dreef de kerk van de stad waar je thuis was.

(vertaling: Channa Kistemaker)

Advertenties

Read Full Post »

Meekijken

*

Eerst dacht ik dat ik domweg gelukkig was, en dat niet eens in de Dapperstraat. Ik fietste door de Valeriusstraat, de avond viel en ik keek vooruit en naar omhoog, waar de gevels een streep blauwe lucht vrij lieten, waarlangs de wolken zich bewogen. Op weg naar die wolken gleed mijn blik langs een raamkozijn, ooit geschilderd in bentheimer wit, nu grauw en bladderend. Opeens moest ik denken aan net zo’n raamkozijn, dat ik ooit heb geschilderd,  in de Bloedstraat op de Amsterdamse Wallen, in 1996. Ik streek mijn kwast in neerwaartse richting en zag hoe een haar zich losmaakte en wegzonk in de zacht ineenvloeiende hoogglanslak. Ogenblikkelijk was ik vastbesloten: deze haar laat ik zitten. Hij zat op een plek waar hij niemand op zou vallen, dus hij zou daar voor altijd zitten, ingesloten door de verf, als bewijs dat ik daar was, dat ik geleefd heb en heb besloten dat die haar daar zou blijven. Als hij niet weer weggeschuurd en -geschilderd is, dan zit hij er nog.

Nu was het alsof ik in één klap kon zien hoe er op een hele rij raamkozijnen boven mij haren waren ingebed in de verf. Niemand merkte ze op, maar  ik wist heel zeker dat God weet heeft van al die haren. Immers, geen mus zal op de aarde vallen etc. God ziet al die haren, hier en overal, en kent alle omstandigheden waaronder ze daar op die raamkozijnen terechtgekomen zijn. De schilders, Hij kent ze bij naam, de levenden en de doden. Maar hij weet ook alles van de stoffige heesters, die onderaan sommige van deze gevels staan en van het schamele onkruid, dat in hun schaduw schuilt. Ook de hondendrol op de stoeptegel rechts daarvan is Hem bekend. En de man die de riem vasthield in zijn hand en het zweet in zijn handpalm. De hand waarmee . . . .

Hoe lang hield dit aan? Niet eens één seconde, denk ik. Ik fietste gewoon door, was immers aan het werk. Eigenlijk had ik helemaal geen tijd voor “moments of sudden illumination”, voor de wonderen die het leven verborgen houdt, “tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.” Toch kon het me niet ontgaan dat ik, heel even, de wereld zag zoals ik denk dat God haar moet zien. En natuurlijk zag ook ik dat het goed was.

Heeft God dan ogen?

Waarom niet?

Zoude Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren?
Die het oog gevormd heeft, niet zien?

Psalm 94:9 (vertaling Samuel Israel Mulder)

En ikzelf heb immers – heel even maar – door Zijn ogen naar de wereld mogen kijken? Misschien gebeurt dat ook andersom: misschien is Hij het Bewustzijn waar alle beelden, die wij allen met elkaar zien, samenkomen. Alle beelden. Dat van J.C.Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat; dat van mij, plotseling verlicht in de Valeriusstraat; en dat van Gerard Reve, berustend in het leven aan de Jozef Israelskade.

Hij had de huisdeur bereikt. ‘Vrede,’ dacht hij, ‘het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.’ Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. ‘Goedenavond,’ zei Frits. ‘Zo, mijn jongen,’ antwoordde de man. ‘Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen?’ dacht Frits. ‘Een zwangere huisknecht.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk? Hansop, geloof ik.’ Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onderaan de rug, was een lange verticale spleet, die open stond. ‘Ik kan zijn reet zien,’ dacht hij. ‘De klep om te kakken staat open.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

 

 

 

Read Full Post »

Licht

*

op bladzijde 47:

*

 

 

 

Mijn licht

Vertaling: Channa Kistemaker

Ik heb het licht echt niet op straat gevonden.
Bij de erfenis van mijn vader zat het ook al niet.
Echt, uit eigen rots, uit eigen steen,
heb ik het geslagen, gehouwen
uit mijn eigen hart.

Eén vonk gaat schuil in de rots
van mijn hart – één heel klein vonkje,
maar wel helemaal van mij.
Ik heb haar van niemand gebietst of gestolen.
Echt, uit mij komt zij en ze blijft in mij.

Onder de mokerslagen van mijn verdriet
spat mijn hart uit elkaar, die sterke rots.
Op springt de vonk, recht in mijn oog
en van mijn oog – naar mijn vers.

Vandaar glipt zij jullie harten binnen,
en in het ontsteken van jullie vuur verdwijnt zij.
Ik, met mijn merg, mijn bloed,
betaal haar gloed.

Read Full Post »

Ommekeer

 

Wat kan ik erover vertellen? Daar lag ik opeens, met koorts in bed en staarde op doktersbevel naar het plafond en dronk oneindig veel thee met gember en honing. “Het gaat wel weer over voordat je een jongetje wordt,” zouden de oude dames die ik normaal gesproken help met hun verzorging zeggen. Wat kon ik doen? Me realiseren dat machteloosheid niet mijn favoriete pose is? Mijn zonden overdenken?

Vooruit, dat dan maar. Daar was ik in mijn vakantie toch al aan begonnen. De onvrede over mijn werk was eindelijk zo groot geworden, dat ik er verandering in moest gaan brengen. Gelukkig waren de eerste stappen al gezet, dus ik lag daar niet geheel zonder richtinggevoel. Bovendien leefden we in de “ontzagwekkende dagen”, waarin het onze plicht is ons leven eens goed tegen het licht van Het Goede Leven te houden. Ik had al besloten dat ik me dit jaar niet nog eens extra zou bestraffen met schuldbewuste zieleroerselen, maar me op dat licht en de belofte van een goed leven zou richten.

De avonddienst van Rosj HaSjana (het joodse Nieuwjaar) had ik nog meegemaakt en daaruit had ik een welkome waarschuwing van onze rabbijn meegenomen. Zij was zich bewust van het averechtse effect dat al die teksten over “zonde” en “ommekeer” konden hebben op mensen die toevallig vanuit hun jeugd een negatief zelfbeeld met zich mee droegen. “Hen is het idee ingeprent dat ze ‘schuldig’ zijn aan van alles en nog wat, al was het maar omdat ze verantwoordelijk werden gemaakt voor van alles en nog wat en in die verantwoordelijkheid tekort schoten. Hoe kon het ook anders, als kind.” Tat tvam asi.

Een poos lang hield ik een boek omhoog, tussen mijzelf en het plafond. Daarin las ik het levensverhaal van Rabbi Israel Salanter, de grondlegger van de Mussar Beweging, een negentiende-eeuws joods ethisch réveil. Oog in oog met ’s mans eigenzinnige heiligheid en strenge discipline, maar vooral met zijn nadruk op zelfkritiek en het tenietdoen van eigenliefde, voelde ik weer even precies wat mijn rabbijn bedoelde met dat averechtse, verlammende effect. Zou het ook mogelijk zijn om de lat gewoon minder hoog te leggen? Of beter nog, me 180° om te draaien en ‘m heel ergens anders te hangen?

Zat van boek en plafond en van mijn eigen gedachtencirkels, besloot ik het beetje energie dat ik had eens te spenderen aan een kleine zoektocht naar muziek in mijn leven. Er was me namelijk, tijdens diezelfde avonddienst, iets intrigerends opgevallen. Terwijl onze chazzanit het Oenetanè Tokef  (Laat ons spreken over het Ontzagwekkende) voorzong, hoorde ik opeens Leonard Cohen meezingen.

 

 

 

Ja, wie roept hier eigenlijk? Overbekend, en toch altijd weer ontzagwekkend: dat besef van je eigen eindigheid. Door water? Door vuur? Door het zwaard? Door je eigen hand? Wat heb ik weer lopen dromen, lopen dwalen, het afgelopen jaar! Dat moet toch anders kunnen, en – zelfs al weet ik nog niet precies hoe – die gedachte montert me enorm op. Putte mijn rabbijn moed voor het nieuwe jaar uit het engelengeduld van glaskunstenaars Leopold en Rudolph Blaschka, ik haal de benodigde levenslust uit het overal opduiken van het woord “licht” in mijn innerlijk leven.

Zelfs in het negatief doet het zijn werk. YouTube schuift me vakkundig een volgend lied van Leonard Cohen toe: You want it darker. Vlak voor zijn dood uitgekomen, lijkt het haast alsof hijzelf het mij van gene zijde aanreikt.

 

 

Wat is dit eigenlijk? “You want it darker, we kill the flame.” Binnenste buiten gekeerd mystiek verlangen? Zelfhaat? Rebellie? Overgave? Uitdaging? Als een dobbelsteen laat ik alle mogelijkheden voor me uit rollen. Dan weet ik het: ik laat dat licht, dat overal opduikt, door dit negatief schijnen op een blanco jaar. Er verschijnt een soort vrijkaartje voor een goed leven, waarop staat dat ik mij het komende jaar maar eens moet gaan oefenen in gezonde eigenliefde. Leve het vlammetje.

*

 

Kumi ori! – Sta op en schitter!

Hineni! – Tot Uw dienst!

 

Read Full Post »

 

Terwijl de wereld overal in brand staat, lijkt de Nederlandse kabinetsformatie nog altijd in een aporie te verkeren. En dat allemaal vanwege dat zogenaamde voltooide leven. Is het gek dat ik aan Hamlet moet denken? “To be or not to be, that is the question.” Kom, lees de beroemdste zelfspraak in de wereldliteratuur nog maar eens, hier. Of neem genoegen met de samenvatting die Wikipedia geeft:

De vraag is: is het beter om te leven dan wel dood te zijn? Is het nobeler om geduldig alle onheil te ondergaan die het lot je toewerpt of valt het te verkiezen om de strijd tegen alle zorgen te beëindigen door gewoon jezelf te doden?

Intrigerend, hè, dat “gewoon”?

Misschien moet ik alleen voor mijzelf spreken, maar ik vermoed dat iedereen die ooit de impuls tot suïcide heeft gevoeld, in zichzelf een monoloog als die van Hamlet moet hebben gevoerd. Dagelijks, nee, meer keren per dag. Tot er een antwoord kwam, dat het wikken en wegen – gelukkig meestal voorlopig – overbodig maakte. Maar hoe zit dat met de voorstanders van een zelfgekozen einde aan een “voltooid leven”?

Uit de advertorials van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde komt een beeld naar voren van mensen die nog geen “thousand natural shocks” op de teller hebben, maar wel al op een wonderlijk kalme manier bang zijn voor wat het laatste stuk leven voor hen in petto zou kunnen hebben. Bijna het tegenovergestelde van de geagiteerde depressie van Hamlet. Een ander opvallend verschil: in onze tijd worden de beide alternatieven, leven of sterven, nooit werkelijk tegen elkaar afgewogen.

Van het laatste stuk leven, dat men zou willen ontwijken, wordt nog wel een voorstelling gemaakt. Mijn indruk is dat daarop angsten worden geprojecteerd die in het nu bestaan, maar waarvan de ervaring van anderen laat zien dat die zelden standhouden in een niet geregisseerd naderen tot de dood. Van de dood echter maakt niemand zich een voorstelling, althans er wordt met geen woord over gerept. Terwijl onze onwetendheid daaromtrent ruimschoots mogelijkheden biedt tot angstige projecties. Lees Shakespeare er maar op na:

                                               To die, to sleep;
No more; and by a sleep to say we end
The heart-ache and the thousand natural shocks
That flesh is heir to — ‘tis a consummation
Devoutly to be wish’d. To die, to sleep;
To sleep, perchance to dream. Ay, there’s the rub,
For in that sleep of death what dreams may come,
When we have shuffled off this mortal coil,
Must give us pause.

In dat moment van afwachten treedt bij Hamlet de twijfel in. Opeens is hij er niet meer zo zeker van dat “he himself might his quietus make / With a bare bodkin.”

Een verrukkelijk geval van intertekstualiteit koppelt Hamlet’s alleenspraak aan een andere in de Engelse literatuur. Tegen het eind van zijn leven, terwijl hij aan tuberculose ligt te sterven en openlijk naar de dood – of naar “oblivion” – verlangt, maar er tegelijk bang voor is, schrijft D.H.Lawrence een lang, mijmerend gedicht, The Ship of Death. Hij is er tamelijk zeker van dat de zelfgekozen dood geen rust kan brengen, en voor deze ene keer heb ik heel sterk het gevoel dat hij zichzelf niet overschreeuwt, maar iets te vertellen heeft.

Wat hij vertelt is uiteraard ook een projectie, vol Bijbelse echo’s. Als een eenzame Noach timmert hij prekend aan een ark in woorden:

A little ship, with oars and food
and little dishes, and all accoutrements
fitting and ready for the departed soul.

Now launch the small ship, now as the body dies
and life departs, launch out, the fragile soul
in the fragile ship of courage, the ark of faith
with its store of food and little cooking pans
and change of clothes,
upon the flood’s black waste
upon the waters of the end
upon the sea of death, where still we sail
darkly, for we cannot steer, and have no port.

In zijn eigen geest maakt hij van de naderende dood een mystieke reis, niet naar het Grote Licht, want daar hield hij niet zo van, maar naar “the deepening black darkening still blacker”. Helemaal in die diepte, of die verte, waar “the upper darkness is heavy on the lower”, zwaait de camera 180 º naar het scheppingsverhaal, naar een wedergeboorte:

A flush of rose, and the whole thing starts again.

 

 

 

Read Full Post »

Verwoesting

Over een paar dagen is het de negende van de maand Av. Dan rouwen Joden over de hele wereld om de beide verwoestingen van de Tempel van Jeruzalem, in 587 vóór en in 70 ná de gewone jaartelling. Dit jaar wordt die rouw sterk gekleurd door de interne conflicten rond het recht om te bidden bij de Westelijke Muur en door het recente geweld om de toegang tot de tempelberg zelf. Het is daarom dat ik als toevoeging op het lezen van Eicha (Klaagliederen van Jeremia) en de traditionele kinnot een gedicht van Jehuda Amichai heb gekozen en vertaald:

*

De plek waar wij gelijk hebben

Op de plek waar wij gelijk hebben
zullen nooit bloemen bloeien
in de lente.

De plek waar wij gelijk hebben
is platgetrapt en hard,
als een boerenerf.

Maar twijfels en romances
woelen de wereld tot rulle grond,
als een mol, als een ploeg.

Gefluister zullen we horen
op de plek waar het huis stond,
het huis dat is verwoest.

*

 

Read Full Post »

 

Aan het begin van dit lange, koude voorjaar overkwam mij iets, pal hier voor mijn deur, dat ik de moeite van het vertellen waard vond. Gelukkig zat mijn dochter boven met haar voeten op de kachelrand een tosti te eten, dus ik had meteen een klankbord.
Nu het voorval:

Precies op het moment dat ik mijn fiets tegen de gevel zette en mijn boodschapjes van het stuur nam, klonk achter mij een nogal ostentatieve zucht. Ik keek om en zag een zwaarlijvige man met twee zware AH-tassen zeulen. Midden over de straat liep hij in mijn richting.

“Tjonge, u zucht ervan,” zei ik, en dat klonk waarschijnlijk wel compassievol.

“Ja,” antwoordde de man, “ik heb heel weinig longcapaciteit.”

“Ah, is dat het,” zei ik, begripvol, of opgelucht, of om niet niets te zeggen.

“Ja, dat is het,” sprak de man en hij draaide zich om, want inmiddels was hij mij gepasseerd, “maar anders was het vanwege uw schoonheid.”

Ik vermoed dat het aan mij te zien was dat ik me zijn compliment liet welgevallen, want hij zette zijn boodschappen tegen zijn benen, nam een theatrale pose aan en waagde verder: “Een zucht geeft lucht aan een hart vol smart. Kwam zij wat nader en hij wat dichter, dan was die zucht gewis wat lichter.”

“En, wat gebeurde er toen?” vroeg mijn dochter.

“Nou, ik zei: ‘Zo, u ként uw klassieken!’ en toen zei hij: ‘Ja, het is van De Schoolmeester, maar de meeste mensen kennen alleen de eerste regel.’ En toen vertelde ik hem over een mevrouw (zaliger gedachtenis) die de tweede regel ook altijd aan haar zuchten toevoegde. En toen waren we allebei blij dat er nog mensen waren die de poëzie van De Schoolmeester in ere hielden.”

“Hè,” verzuchtte mijn dochter, “het is ook altijd hetzelfde met jullie intellectuelen! Jullie werpen een hele berg woorden op tussen jezelf en de directe ervaring en zo gebeurt er nooit wat.”

Tja, wat kon ik daarop antwoorden? Dat de man mijn type niet was en de stoeprand niet mijn favoriete plek voor directe ervaringen?

“Ach,” zei ik dus maar, “wij intellectuelen hebben aan een heel klein beetje ervaring al genoeg.” Of dat waar is, laat ik in het midden. In ieder geval heb ik deze kans op ‘meer’ laten schieten.

De laatste tijd spreek ik af en toe vrouwen – en een enkele man – van mijn leeftijd, of daaromtrent, die me verzekeren dat het voor ons afgelopen is. “Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr,” sprak een vriendin, die ook op poëtische wijze en met kennis van de klassieken het volledige leven tot uitdrukking probeert te brengen. En zo waken wij, en lezen; schrijven geen lange brieven meer, maar korte e-mails, in afwachting van herfstige alleeën, vol van wind en dorre bladeren. “Ach,” troost ik mij nog af en toe, al is dat statistisch gezien natuurlijk onzinnig, “je weet nooit achter welke straathoek de dood of de liefde op je wacht.”

 

Read Full Post »

Older Posts »