Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘poëzie’ Category

Onpeilbaar

Kunnen zeevogels

die leven aan schuimranden

van de getijden

een onpeilbare diepte

bevatten ― en, wat dat zegt …

Ono no Komachi, 834-880 AD

 

*

Als ik een zilvermeeuw was, dan zou ik het je kunnen zeggen. Of juist niet: ik zou wanhopig, klaaglijk krijsen. En misschien zou ik denken, dat jij denkt, dat ik het weet – achter de onzichtbare, ondoorlaatbare wand, die ons van elkaar scheidt. Maar goed, ik zou je zeggen: „Het schuim zit in de weg. Wij moeten weg, naar helderder water.” Zo moeilijk is dat niet. Jij weet net zo goed als ik wat het is om boven het spiegelvlak van een bergmeer te hangen, als een vogel. Onder ons schittert de zon op de bodem van een blinkend blauwe schaal, veel dieper dan de bodem van het meer. Maar onpeilbaar? Laten we wachten op de nacht, nee, op de helderste nacht, windstil. De nacht waarin het zwart achter de verste ster zichtbaar wordt, boven ons en onder ons.

Elf eeuwen staan tussen ons in, en een taalbarrière die ons nog lelijk kan bedriegen. Toch, als wij elkaar nu diep in de ogen kijken, weten we dat het onpeilbare zich in ieder van ons herhaalt. Wij zien het niet, om van bevatten maar te zwijgen.

 

*

uitgedaagd door Simon Buschman

Read Full Post »

03122016a

Vroeger was ik heel bescheiden: telkens wanneer ik de uitdrukking “de brutalen hebben de halve wereld” hoorde, vulde ik die geruststellend aan met “goed, maar dan blijft de mooiste helft voor ons over”. Met de jaren ben ik zelf wat brutaler geworden en kwam ik erachter dat die andere helft ook z’n charme heeft. Gisteravond nog bracht m’n chotspe me een moment dat ik voor geen goud had willen missen.

Al dagen liep ik met een verstopte neus en een keelontsteking rond, of liever: ik lag ermee onder een deken. Daar kwam ik alleen nog onder vandaan om een crematie bij te wonen of om mijn werk te doen. Dat kan nog net, als je nauwelijks kunt praten, maar je nog wel van het ene huis naar het andere kunt slepen. Voor zover ze geen doodsangsten uitstonden vanwege de wolk van bacillen die zij zich rondom mijn hoofd voorstelden, was het lekker rustig voor de mensen. En soms nog grappig ook, om met gebarentaal te moeten communiceren.

Tegen tienen stapte ik bij mijn laatste cliënt de kamer binnen. Mevrouw is stokdoof en zit meestal tegenover de tevee te dommelen. Dit keer kon ik haar niet wakker roepen, dus schudde ik zachtjes aan haar schouder. Blijde schrik, zoals altijd. “Even m’n gehoorapparaatjes indoen,” riep zij, en toen wist ik dat ik het niet kon maken om haar het gebruikelijke praatje te onthouden. Nadat ik haar steunkousen had uitgedaan, begonnen we over de gebruikelijke ditjes en datjes. “Wil je misschien iets drinken?” vroeg zij tussendoor en keek me vragend aan. Ik keek vragend terug, wachtend op de opsomming van wat ze mij kon aanbieden. Toen die niet kwam, vroeg ik zomaar opeens: “Heeft u cognac in huis?”

Cognac tegen verkoudheid en griep! Met heet water en een beetje suiker. Ik moest het zelf maar klaarmaken, want mevrouw is niet meer zo mobiel. Ooh, wat was dat lekker! Terwijl ik genoot van de warme gloed, die zich vanuit mijn maag naar al mijn poriën verplaatste, vertelde mevrouw over een vriend, die op wonderbare wijze genezen was van slokdarmkanker. Ook door cognac? Nee, twintig chemo’s en nog een stuk of wat bestralingen. Maar nu is hij er dan ook helemaal van af. Alleen, hij mag geen cognac meer drinken. Ach! Ik hief mijn mok op de gezondheid van die vriend en sneed een ander onderwerp aan: lezen.

Mevrouw was net jarig geweest en had weer een aantal boeken gekregen. Ze leest graag en veel, dat is een zegen als je lichamelijk niet meer zo makkelijk van je plek komt. Wij bleken één gemeenschappelijke interesse te hebben: biografieën. Verder wijken we nogal van elkaar af. Of zij wel eens gedichten las, vroeg ik luid, want inmiddels weer aardig bij stem. Nee, dat deed zij eigenlijk bijna nooit. Hier had het gesprek (tijdelijk) dood kunnen lopen, maar ik had nog een brutale vraag achter de hand. “Heeft u dan ook geen lievelingsgedicht?” Ja, dat had ze toevallig wel en voor ik het wist stond zij op, waarbij haar knieën knarsten als kiezels die barsten onder een traag draaiend karrenwiel.

Ze kwam terug met een bruine map, waaruit zij twee vergeelde en verfomfaaide krantenknipseltjes tevoorschijn haalde, die ze voor mij op tafel legde. “Die had ik ooit eens uitgeknipt, omdat ik dacht: dat zou mooi zijn om op mijn begrafenis te laten lezen.” Hopelijk zullen de mensen die om haar begaan zijn dat ook doen. Ik mocht nu al:

 

03122016b

Read Full Post »

Jongskens

08062016

Mijn vader was een vogelaar, mijn moeder die zong psalmen, in mij vinden die twee elkaar, terwijl ‘k bij d’ afwas sta te galmen:

Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In ’t kunstig nest bij Uw altaren,

Uiteraard ben ik vooral zo vrolijk, omdat mij sinds kort een eigen plekje in de nabijheid van een ‘aron hakodesj‘ ten deel is gevallen, maar niet al mijn lezers zullen zin hebben om daar de hele tijd naast mij te komen zitten. Daarom gaat dit berichtje over vogels.

Het is de laatste dagen schitterend weer. Mijn keukenraam staat open en als ik even niet zing, geniet ik van het drukke ge-kèwkèw van de jonge kauwen. Ongeveer een week geleden zijn ze uitgevlogen, uit een vermoedelijk niet zo kunstig nest in de spouwmuur van mijn huis. Wekenlang had ik hun ouders daar – reuze behendig! – in en uit zien vliegen, door een gat in de gevel, dat daar ooit gemaakt is om de boel te isoleren. Nu is de hele familie overdag buiten en ben ik getuige van een soort onafhankelijkheidsstrijd, die zich bij hen niet uit in puberaal gedrag van de jongskens, maar in een obstinate weigering van de kant van het ouderpaar om hun kroost nog langer te blijven voeren.

Soms hangen de jongens/meisjes vlakbij mijn keukenraam over de rand van de dakgoot en kijken me aan met een wat brutale, vragende blik. Zou ik ze nog tam kunnen krijgen, vraag ik me af. Mijn gedachten gaan terug naar zomervakanties lang geleden. Mijn broertje en ik logeerden op de boerderij van onze grootouders en de buurjongens daar vermaakten zich met het tam maken van jonge eksters. Ze geloofden heilig dat je de vogels kon leren praten, nadat je hun tong een heel klein beetje losser had gesneden. Zij voerden hen stukjes in melk geweekt witbrood en als het even kon een uit moeder’s kippenhok gestolen ei. Met een windbuks schoten zij op mussen, want daarmee zouden ze de eksters pas echt groot krijgen.

En dan bedenk ik me plotseling dat het misschien niet eens zo’n goed idee is om die schoffies hier aan me te binden: straks hebben ze het nog voorzien op de jonge duifjes, die ik gisteren uit het ei heb zien kruipen. In een verslonsde hoek van mijn balkon zat al een poos heel stilletjes een paartje stadsduiven te broeden en nu liggen daar op die paar schamele takjes twee blinde, kale (dat gele pluis kan ik toch geen dons noemen) jongkies. Ze kunnen hun kopje nog maar nauwelijks optillen, maar ik weet uit ervaring dat ze over een maand klaar zijn om hun leven als ‘vliegende rat‘ te beginnen. Tot die tijd moet ik hen toch maar tegen kat (sorry Twiggy) en kauwen beschermen.

Gisteravond tijdens het ‘lernen‘ werd ons gevraagd wat wij ons voorstelden bij de gedachte dat wij naar Gods beeld en gelijkenis zijn geschapen. Dat viel ons (te) moeilijk, want zodra je dat gaat benoemen, ben je al bezig een beeld van de Eeuwige te vormen en daarmee breng je de Onbegrensde in het nauw. Vanochtend valt het me makkelijker: al zingend en genietend van het jonge leven dat in mijn huis een huis vindt, zie ik een puntje van vergelijking. Een puntje, meer niet, maar zeker ook niet minder.

Read Full Post »

Heimwee

04012016a

“Als ik ooit nog eens ga trouwen, dan trouw ik met dit gedicht!” zei ik, met mijn gebruikelijke mengeling van scherts en ernst. Een amalgaam, waarvan het recept geheim is en bovendien telkens verandert, waardoor anderen mij zo vaak serieuzer wanen dan ik ben. Dit keer had ik het niet eens bedacht, of misschien was het een losgebroken gedachte, die als een kalf in de wei meteen wilde sprongen maakte. Ach, waarom ook niet: men kan immers verliefd worden op voorwerpen, de Eiffeltoren incluis, en daarmee trouwen? Wat ik hooguit bedoelde te zeggen, is dat dit gedicht me bleef boeien, ook al las ik het een maand lang meermalen per dag en kende ik het allang uit mijn hoofd. En ik durf er op te vertrouwen dat het zijn glans ook na dertig jaar niet zal verliezen. Precies wat je van de liefde van je leven mag verwachten.

Welk gedicht? O ja! Het heet “shir hamaäloth” (Psalm 126) en daarvan gaan er precies vijftien in een dozijn. Ik leerde het kennen tijdens een etentje bij vriendinnen en ik was meteen verliefd. Het heeft zich heel bereidwillig geleend om mijn presentatie voor het mini-symposium 3000 jaar Hebreeuwse poëzie te maken. Daarin exploreerden wij, ieder aan de hand van een zelfgekozen gedicht, het verlangen naar Sion en de complexiteit van ballingschap, terugkeer en heimwee. Een centraal begrip in ‘diaspora theory‘ is de vorming van een ‘third space‘, waarin de onmogelijkheden van het ontheemd zijn een plek vinden. Mijn gedicht was misschien wel zo’n third space.

Wanneer Slauerhoff zingt dat hij “alleen” in zijn gedichten kan wonen, dan stel ik mij voor dat hij dat ook alleen doet. Bij Psalm 126 gaat dat absoluut niet: het heeft generaties lang ruimte geboden aan een heel volk. Het heeft maar zeer weinig gescheeld of dit eeuwenoude pelgrimslied was het volkslied van Israël geworden, met de prachtige melodie van Pinchas Minkowsky, de chazzan van Odessa. Misschien heeft God het wel verhoed, om ervoor te zorgen dat het gedicht onderdak kan blijven bieden aan de thuisloosheid. Want die blijft, zelfs in Jerusalem. En toch: stap heel even met mij in de betovering die de ‘alyiah‘ biedt. Yossele Rosenblatt maakte in 1933 in het toenmalige Palestina een film met als titel Chalom ami (Droom van mijn volk). Hij stierf tijdens de opnamen, zoals te zien is aan het slot van de archiefbeelden op YouTube. Kijk (vanaf minuut 11:03) – en luister naar het tweede couplet van shir hamaäloth:

 

 

 

Is het niet prachtig? Ik vind van wel, en uiteraard te mooi om waar te zijn. Gelukkig bood onze poëzie-middag een even lyrisch tegenwicht, toen een mede-studente Tel Aviv 1935 van Leah Goldberg behandelde. Goldberg kwam in dat jaar naar ‘ha-aretz‘ en legde haar eerste indrukken vast in dit gedicht. Ieder couplet lijkt een soort foto, geladen met een intens gevoel van heimwee. Niemand weet of zij het onmiddellijk geschreven heeft of pas jaren later. Het werd gepubliceerd in 1964. Hier is een tamelijk adequate vertaling van Rachel Tzvia Back:

Then the aerials on the city’s roofs were
like the masts of Columbus’ ships
and every raven that perched on their tips
announced a new continent.

And the kit-bags of travelers walked the streets
and the language of a foreign land
cut through the heat of the day
like the blade of a cold knife.

How could the air of the small city
bear so many
childhood memories, wilted loves,
rooms which were emptied somewhere?

Like pictures blackening in a camera,
the clear cold nights reversed
rainy summer nights across the sea
and shadowy mornings of great cities.

And the sound of footsteps behind your back
drum the marching songs of foreign troops
and it seems – if you but turn your head
there is your hometown church floating on the sea.

Tja, wat kan ik nu nog zeggen? Ik zal maar niet weer over trouwplannen beginnen en Irene de stuipen op het lijf jagen. Maar kijk niet gek op als je me op een regenachtige zomeravond zomaar ergens tegenkomt, hand in hand met een gedicht. Dit gedicht?

Read Full Post »

03112015

1

De weg is toch vreselijk mooi – zo sprak de jongen.
De weg is me haast te moeilijk – zei de puber.
De weg is verschrikkelijk lang – meende de man.
De grijsaard zat langs de weg wat uit te rusten.

 

De ondergaande zon kleurt zijn haar rood en goud,
Het gras aan zijn voeten glinstert van dauw,
De laatste vogel van de dag zingt boven hem:
Weet jij nog hoe mooi, hoe moeilijk, hoe lang de weg was?

 

2
Je zei: de dag snelt de dag achterna, de nacht de nacht.
Zie de dagen komen naar me toe – zei je in je hart.
Je zult de avonden en de ochtenden voor je raam zien staan,
en dan zeg je: er is niets nieuws onder de zon.

 

Zie, nu kom jij naar de dagen toe, je bent oud en grijs,
Je dagen zijn geteld en zevenmaal zo duur geworden,
En je weet het: elke dag is de laatste onder de zon,
En je weet het: elke dag is nieuw onder de zon.

 

3
Leer mij, mijn God, te zegenen en te bidden
Om het geheim van verwelkend blad, om de glans van rijp fruit,
Om deze vrijheid: te zien, te voelen, te ademen,
Te weten, te hopen, te falen.

 

Leer mijn lippen een zegening en een loflied
Bij het vernieuwen van jouw tijd met ochtend en met nacht,
Opdat mijn dag niet zal zijn als gister en eergisteren.
Opdat mijn dag voor mij geen gewoonte wordt.

 

Onder de hebraïsten rondom mij heb ik de naam een ‘fan‘ te zijn van Leah Goldberg. Nou, vooruit dan maar, in alle ernst – de hare en de mijne. Maar eigenlijk houd ik vooral van het Hebreeuws, en van Arik Einstein en Yehudith Ravitz. Daarom hieronder twee vertolkingen van bovenstaand gedicht. De eerste vind ik mooier, maar die laat de religieuze coupletten achterwege. Dat vind ik jammer, want daar wil ik het in mijn volgende blogbericht juist over hebben.

Read Full Post »

Tapoeach chinani

*

Kijk, die boom!
Hoe de wind kroelt door zijn takken
en zijn bladeren kust.

Daar in ’t park
plukt mijn lief zichzelf een appel,
lacht haar tanden bloot.

Oh, mocht ik een keer die boom zijn
en mijn lief de wind!
Ooit plukt zij mij als een appel,
blozend mooi.

Ha, wanneer breekt toch de dag aan
en zeg ik het haar:
“Kom, mijn lief, kom nu maar dwalen
in mijn tuin . . . .”

 

*

Hier is nog zo’n probeersel. De vertaling is een stuk vrijer, misschien ook beter te zingen.

Het leuke van dit gedicht, van Moshe Dor, is dat degene die spreekt niet verraadt of hij een man is of zij een vrouw. Dat is heel moeilijk in het Hebreeuws, een “seksistische taal”, grapt mijn leraar.  Zodra je zegt dat je iets doet, geef je je eigen gender al weg. Zo zijn er vier manieren om te zeggen: “Ik hou van jou.”

  • ani ohev otach – ik hou van jou (een man van een vrouw)
  • ani ohev otcha – ik hou van jou (een man van een man)
  • ani ohevet otcha – ik hou van jou (een vrouw van een man)
  • ani ohevet otach – ik hou van jou (een vrouw van een vrouw)

De truc is zorgvuldig elk werkwoord in de eerste persoon tegenwoordige tijd te vermijden. Niets doen, alleen verlangen. En dat niet zeggen, maar laten zien.

Dat Yehudith Ravitz het zingt maakt het nog mooier: de man op het plaatje is haar broer, haar geliefde is een vrouw.

Read Full Post »

Slichoot

*

Vergiffenis

Jij kwam naar mij om mijn ogen te openen,
en jouw lijf was mijn uitzicht, een spiegel, een raam;
je kwam als de nacht, die de uil op komt zoeken
en hem alles laat zien waar zijn duisternis schijnt.

En ik leerde: benoem elke wimper en nagel
en elk haartje dat groeide op blootgelegd vlees,
een geur uit mijn jeugd, geur van lijm en van boomhars
was het nacht’lijk parfum van ons lijf, van ons lijf.

Als er pijn is gedaan – die kwam naar jou toe gevaren,
met mijn zeilen zo wit in jouw inktzwarte nacht.
Laat me nu weggaan, ja, laat me nu weggaan,
dat ik kniel op het strand, waar vergiffenis wacht.

Het gedicht is van Leah Goldberg en de melodie van Oded Lerer. Mijn vertaling is niet helemaal letterlijk en beslist voor verbetering vatbaar, maar als je even je best doet, kun je met Yehudit Ravitz meezingen. Luisteren alleen is ook goed: “Genuine poetry can communicate before it is understood.” – T. S. Eliot

Read Full Post »

Older Posts »