Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘geschiedenis’ Category

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Read Full Post »

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

Read Full Post »

09022017

 

De loopjongen is terug in het straatbeeld. Sinds kort prijkt het dienstmeisje op de Amsterdamse billboards. Snorders racen onzichtbaar door onze straten en op de zolders boven ons rookt en ronkt het van de nette (of onnette) heren b.b.h.h.. Mijn hippe jonge buurvrouw heeft een webwinkeltje in handgemaakte schrijfwaren en mijn eigen dochter een heuse praktijk in ayurvedische yoga-massage. Nog even en God is terug in Jorwerd.

Waarom denk ik vandaag, behalve aan God, aan Jorwerd? Dat is om een zin als deze, uit dat prachtige melancholieke boek van Geert Mak:

“Ach wat waren de mensen arm toen ik een jongen was,” zei de notaris. “er was geen steun en je zag iedereen met handeltjes beginnen. Een koemelker met zes koeien begon daarnaast iets met koffie en thee. (…)”

 

We hebben het dan over de jaren vijftig, toen geluk nog heel gewoon was en ik als een geitje met een lang eind touw stond vastgebonden aan een kwarrig appelboompje in het bleekveld aan de dijk. Aan het begin van mijn volwassen leven was al dat sappelen verleden tijd. In Frankrijk zong Marie-Paule Belle er een weemoedig liedje over en ikzelf ben de nostalgie naar die armoe nooit helemaal te boven gekomen. Ah, de romantiek ervan!

Ik heb het allemaal teloor zien gaan in mijn eigen kleine leventje. De sanering van het Nederlandse land- en tuinbouwbedrijf had mijn vader vanonder zijn zwerk vol leeuweriken weggeplukt en aan een lopende band vol theebeschuitjes gezet. Een neef, die kruidenier was, legde het af tegen de nieuwe supermarkt in het centrum van ons dorp. En alles waar vroeger een reparateur voor bestond verdween op een zeker moment in de vuilnisbak, omdat je goedkoper een nieuwe kon kopen. Tenslotte kopen wij nu elk jaar al onze apparaten nieuw, niet omdat ze stuk of versleten zijn, maar omdat ze “niet langer ondersteund worden”. Keep the aspidistra flying!

Mijn eer-eer-eervorige manager zei eens, toen onze organisatie Amsterdam Thuiszorg net was opgeslokt door Cordaan, en wij begonnen aan de eeuwigdurende reorganisatie via wijkteams naar zelfzorgorganiserende teams naar God-weet-wat: “Het is een golfbeweging: centraliseren en decentraliseren en dan weer centraliseren.” Ik weet niet of zij helemaal gelijk had. Misschien gebeurt het wel allemaal tegelijk. De grote bedrijven, die eerst alle kleintjes hebben opgeslokt, maken nu van hun werknemers langzaam maar zeker kleine zelfstandigen. Of sappelaars, want wat blijft er van hun rechtspositie over?

De jonge mensen van nu vinden het waarschijnlijk heel romantisch allemaal en waarom ook niet? Wat een vrijheid geniet je tenslotte! Volop in beweging, in een heerlijk vacuüm van anonimiteit en je werkgever is een app, net zo verleidelijk als je facebook-account. Google maar eens naar afbeeldingen van Foodora en Deliveroo en zie dat het altijd mooi weer is. Of probeer een Helpling te vinden die niet blij kijkt. Op mijn 60-ste en op mijn fietsje door deze prachtige stad karrend, van oud bestje naar niet meer zo krasse knar, voel ik me zomaar opeens weer heel jong. Hosselen is de toekomst!

“Een hosselaar is niet afhankelijk van één inkomstenbron. Hij scharrelt zijn kostje bij elkaar met verschillende activiteiten die samen genoeg opleveren, genoeg voor een leuk leven.

Een hosselaar is streetwise: een ondernemend multi-talent dat kansen grijpt en risico’s spreidt. Geld verdienen wordt weer een levenskunst die je al doende ontwikkelt.

Wat is jouw sociale en emotionele kapitaal? Welke kansen bieden grote maatschappelijke trends? En hoe maak je van zo’n kans een geldkraantje? Je leest het allemaal in dit boek boordevol goede ideeën en slimme voorbeelden!”

Read Full Post »

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Read Full Post »

The morning after

19122016

 

Look, this goes to the heart of, to the difference between the Jewish messianic temperament and the Christian messianic temperament. Think of it this way: the problem for Jews is that we wait and wait and wait and wait, and he doesn’t come. The problem for the Christians is that he came and the world did not change. The Jews will always so arrange matters, that they will never wake up on the morning after the messiah arrives. Because the risk is much too great, because the world will still be the world.

Dit zegt Leon Wieseltier tegen Simon Schama in het tweede deel van de tevee-serie The Story of the Jews (vanaf de 47ste minuut), naar aanleiding van de zogeheten disputatie van Barcelona in 1263. Maar hoe doen de Joden dat dan? Ik stel me voor dat het bij Wieseltier, net als bij mij, via de route van het intellectualiseren gaat: je klapwiekt wat met de vleugels van je intellect en voor je het weet zweef je veilig boven de menigte die uitzinnig van vreugde achter de messias aan danst. En wanneer iedereen met een kater wakker wordt, schrijf jij er een boek over. Of je leest zo’n boek.

Recentelijk verdiep ik me in de geschiedenis van het sabbatianisme en lees daartoe het nog altijd magistrale werk van Gershom Sholem. In het kort: het sabbatianisme ontstond tijdens de Chanoeka van het jaar 5426 (december 1665 CE), toen Sabbatai Tsvi, door de profeet Nathan van Gaza als messias herkend, zichzelf in het openbaar als zodanig begon te manifesteren. Binnen enkele maanden had hij een grote aanhang onder de Joden in heel Europa. Ook onder de sefardim in Amsterdam. Een tegenstander, Jacob Sasportas, beschrijft in zijn boek Tzitzat Nobel Tzvi de impact van het nieuws over de komst van de messias als volgt:

En er was grote opschudding in Amsterdam, alsof er een hevige siddering door de stad ging. De vreugde was uitzinnig, met tamboerijnen en gedans, in alle straten. De wetsrollen werden uit de Ark, met zijn prachtige versieringen, gehaald, zonder dat men zich bekommerde om het gevaar dat zulks de jaloezie en haat van de niet-joden zou kunnen opwekken. Integendeel, ze predikten openlijk en brachten de niet-joden op de hoogte van alle berichten.

Overal bereidde men zich voor om en masse naar het toenmalige Palestina te verhuizen. Ondertussen deed men alom boette om de manifestatie van God in deze wereld kracht bij te zetten. Tegen het einde van datzelfde jaar leek alles voorbij. Sabbatai Tsvi werd in Istanbul gevangen genomen door de Turkse autoriteiten en bekeerde zich korte tijd later tot de islam. Het hele gebeuren klapte als een zeepbel uit elkaar.

Maar niet heus. Veel van zijn volgelingen bleven in hem geloven en duizenden werden moslim, net als hun messias. De Turken noemden hen döhnme, overlopers. Nog in de twintiger jaren van de vorige eeuw leefde er een döhnme-gemeenschap in Tessaloniki en bedenkers van complot-theoriëen geloven graag dat Atatürk uit hun midden afkomstig was. Veel boeiender vind ikzelf de veerkracht van de Joden die na deze koortsdroom het Jodendom trouw bleven. Daar valt voor mij nog wat van te leren.

Een andere gedachte die mijn lectuur me bracht is deze: met de Verlichting en de dood van God achter de rug zal het ons niet zo snel meer gebeuren dat we achter een Redder aan lopen. Hooguit maken we ons zorgen over Henk en Ingrid of over al die onzichtbare Trump-stemmers. Maar hoe zeker zijn wij er eigenlijk van dat wij met onze Rede niet ook in een Droom verzeild raken? Ook dat is eerder gebeurd. We kijken daarbij graag achterom of naar een ander deel van de wereld en denken graag dat het gevaar in onderbuiken huist. Toch zou het zomaar kunnen dat we juist met onze oplossingsgerichtheid, met onze ijver het leven en de wereld optimaal te rationaliseren, het einde van de geschiedenis dichterbij brengen. (Verlossing, oplossing, Endlösung.) Hoe zal dán de morning after zijn?

Read Full Post »

02062016

Het is tijd om een zoektocht af te ronden. Niet dat ik het zoeken naar sporen van het leven van Andries en Annie ga staken, nee, in dit stukje wil ik komen tot een plaatsbepaling van mijn beoogde bijdrage aan de bundel Joodse Huizen 3. Ik heb het in deze kleine serie gehad over verschillende manieren waarop men zich zou kunnen verhouden tot het gedenken van de slachtoffers van de shoah.

In het eerste bericht kreeg ik “de wind van voren”. Tot op dat moment had ik met bolle zeilen mee gevaren in de vloot aan activiteiten, waarbij de levens van hen die zijn uitgewist uitvoerig worden gedocumenteerd, opdat zij “een gezicht” zouden krijgen. In een vervoerend enthousiasme worden foto’s, briefjes en allerlei ontroerende details gedeeld. Je zou haast kunnen zeggen dat er een soort posthuum ‘facebook‘ ontstaat. Heel aanstekelijk als je er middenin zit, maar ik kan me inmiddels goed voorstellen dat mijn respondente destijds het woord ‘voyeurisme‘ in de mond nam. Iets wat ‘waarheidszegster‘ Henriëtte Boas al riep toen de dagboeken van Anne Frank en Etty Hillesum werden gepubliceerd.

Aan de andere kant – en daar ging mijn tweede stukje over – werd ik bij veel van mijn contacten een sterke behoefte gewaar om een gat in het collectieve geheugen van hun ‘misjpoge‘ te vullen. Een behoefte die blijkbaar zelfs uitgebreid kan worden naar de samenleving als geheel. In psychologische of zelfs spirituele zin wordt gestreefd naar ‘heling‘, alweer zo’n groot woord. Dat rechtvaardigt misschien het streven om zoveel mogelijk persoonlijke levens gedocumenteerd te krijgen, maar ontslaat mij/ons niet van de plicht na te denken over de manier waarop en de mate van openbaarheid waarin dat gebeurt.

De heelwording van de menselijke samenleving of zelfs van alle leven op aarde koester ik als een hoog ideaal. In een hiërarchie van waarden neemt het, als het erop aankomt, zelfs de hoogste plaats in. Tikkun olam is een heel mooi, maar vooral heel groot woord. Geschiedschrijving als gedeelde herinnering van “een mensheid die ten prooi is aan allerlei impulsen en emoties” in plaats van als “keuzemenu waaruit iedereen pakt wat hij nodig heeft om zijn identiteit en overtuigingen te harnassen” heeft in mij beslist een medestander, schreef ik – in mijn derde blog – voorzichtig. Voorzichtig, omdat de wereld niet heel is. Als ik iemand op de bres zie staan voor het universalisme, dan is er altijd een stemmetje in mij dat vraagt: “Wiens universalisme?” Of, zoals Bas Heijne zelf schreef in de column (NRC, 21 mei 2016) die ik hier citeer: “Zelfvertrouwen is mooi, maar jezelf wantrouwen misschien nog wel beter.”

Maar goed, laat ik nu eindelijk voor de draad komen met mijn antwoord op de vraag naar mijn eigen plek in dit gebeuren, ergens tussen Facebook en de Geschiedenis van de Mensheid. Dan moet ik beginnen te zeggen dat ik vooral schatplichtig ben aan degene die mij zo’n negen maanden geleden – zonder zich daarvan bewust te zijn – op weg gestuurd heeft. Onlangs heb ik haar boek, Sterk als de dood, gelezen. Opeens wist ik dat mijn hoofdstuk over Andries en zijn gezin de vorm moet krijgen van een ‘hesped‘, een rouwrede zoals die binnen de joodse traditie na iemands overlijden wordt uitgesproken. Net als alle andere rituelen rond sterven en rouw geeft me dat grond onder m’n voeten: een plek om stil te staan bij het verschil tussen weten en spreken.

De volgende – mooie! – woorden van Sasja Martel schrijf ik op een ‘geeltje’ en plak ik daarom in de rechter bovenhoek van mijn beeldscherm, voordat ik zal beginnen met het schrijven van de hesped voor Andries, Annie, Anneke en Nanda:

Het jodendom erkent dat de mens altijd in conflict zal blijven met de twee kanten van zijn wezen: de eenzame kant en de hang naar gemeenschap. Elk mens is een wereld in zichzelf en op zichzelf. Elk mens in een gemeenschap brengt in wezen een microkosmos mee (zijn unieke zelf), iets dat in de joodse gemeenschap als kostbaar en onvervangbaar wordt ervaren. Wanneer iemand sterft komt aan zijn unieke innerlijke wereld en inbreng een einde. Hij laat een vacuüm achter dat door niemand opgevuld kan worden.

 

Read Full Post »

21052016

De wind waait wisselend van alle kanten en zo raakte ik in mijn-klein-hoekje bedolven onder een hoop rondkringelende bladeren. Maar kijk, ik steek mijn hoofd er alweer bovenuit, mijn lommerdbriefje heb ik nog in de hand en mijn blik vult zich met het zoete licht dat mij gratis omringt. De duisternis waarin ik was ondergedoken, was niet voor niets: binnenin me begint zachtjes een inzicht te zingen, waarvan ik hoop dat ik het woorden zal kunnen geven. Anders moet ik er in mijn eentje blij mee zijn, en ik ben niet zo goed in binnenpretjes.

Het licht ging bij mij aan, toen ik afgelopen zaterdag in NRC de column van Bas Heijne las over de rol die ‘geschiedenis’ gaat spelen – en vaak al speelt – waar de beoefening van en het onderwijs in Geschiedenis als zelfstandig vak verdwijnt. Hij schrijft hierover zeer behartenswaardige dingen:

(. . .)historische feiten die alleen nog maar gebruikt worden om emoties in het heden van achtergrond te voorzien, waardoor geschiedenis een keuzemenu wordt waaruit iedereen pakt wat hij nodig heeft om zijn identiteit en overtuigingen te harnassen.

Hij dacht daarbij aan Sylvana Simons, maar ik had de dreiging ervan onlangs boven een heel andere discussie zien donkeren. Eind vorig jaar werd in De Rode Hoed gedebatteerd over de mogelijkheid om de ban van Spinoza op te heffen. Geboeid luisterde ik naar een paar zeer goed onderlegde historici, die het probleem van context voorzagen. Ik was onder de indruk van opper-rabbijn Toledano, die zijn rug recht hield tegenover een meerderheid die niet aarzelde het beter te weten dan de 17de-eeuwse chachamiem. Het ‘progressieve‘ standpunt kreeg woorden door mannen als Paul Cliteur en Nathan Lopes Cardozo, en ja, daar stonden eigen identiteit en overtuigingen, verlegen om een geschiedenis die als een maatpak zou passen.

Het voor mij verlossende woord kwam van Yosef Kaplan: “I ask you, with respect for Spinoza, leave this issue to history. What we can do, is explain what happened. We can even condemn what happened (. . .)”. Vervolgens legde hij nog een keer uit dat je niet mee kunt spelen met de orthodoxie en de spelregels eenvoudig naar je eigen hand zetten. Met terugwerkende kracht, bovendien. En dat je zoiets als seculiere jood ook helemaal niet nodig hebt.

Hier zag ik in volle glorie wat Bas Heijne ziet als de vruchten van ‘geschiedenis’:

Maar empathie ontwikkel je alleen wanneer het je lukt om jezelf als deel van iets groters te zien, van een mensheid die ten prooi is aan allerlei impulsen en emoties, die nu eens iets geweldigs voortbrengt en dan weer Auschwitz en de slavernij. Wanneer het je lukt, simpel gezegd, om jezelf als mens in de geschiedenis te zien in plaats van als enkel individu in het heden.

Tja, en wat moet ik hier mee als het mijn lommerdbriefje betreft? Het zou al mooi zijn als ik persoonlijk mijn empathie en burgerzin ontwikkel aan de inspanningen die het kost om het verhaal van Andries en Annie te begrijpen in de context zoals die is beschreven door de verschillende historici die ik er omheen lees. Want ik heb niet de ambitie en het uithoudingsvermogen om te komen tot een vierhonderd pagina’s tellend populair geschiedwerk, dat De halve eeuw van Andries en Annie zou kunnen heten. Dat hoeft ook niet: de vorm die mijn verhaal zal krijgen, de spelregels die mij zullen leiden, kwamen mij diezelfde zaterdag vanuit een heel andere hoek aanwaaien.

(wordt vervolgd)

Read Full Post »

Older Posts »