Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2015

Wezenlijk

31082015a

 

Filosofisch gezien is er weinig wezenlijks aan deze wereld. Daarvoor moeten we bij het Zijn zijn. Maar daar aangeland houdt mijn belangstelling voor filosofie op. Alles wat ik met een hoofdletter zou willen schrijven, behoort voor mij tot het domein van het hart en daar kan mijn hoofd niet bij. Filosofisch gezien zit ik liever bij Aristoteles in de klas dan bij Plato. Zijn wijsheid heeft iets praktisch over zich. De wereld proberen te begrijpen, zonder de pretentie daarbij de Waarheid op het spoor te komen. Maar met oog voor wat wezenlijk is met een kleine letter.

Via de school van mijn kinderen is me op poëtische wijze iets van het wereldbeeld van Aristoteles in het hart geprent. Zonder te pretenderen dat dit Het nu Is, weet ik heel zeker dat het hier iets wezenlijks betreft. Met kleine letter. Wezenlijk, omdat het zich niet – zoals nogal wat filosofietjes – van het Leven (toch maar een hoofdletter . . .) heeft los gezongen, maar erin geworteld blijft. Kom, laat ik even copy-pasten uit een eerder blog, waar je het hele gedicht kunt lezen:

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest een woning geeft;

Met deze blik op de wereld zie ik in het rond, lees ik de krant, luister ik naar wat mensen me graag willen vertellen, en verwonder ik mij over hoe ver heel veel mensen van dit levensgevoel vervreemd lijken te zijn. Heel sterk was dat in de tijd dat ik me onder academische feministen bevond, die heel postmodern alles wat los en vast zat deconstrueerden. Niet altijd aan mij besteed. Ook te midden van de queers merkte ik wel dat al dat ‘entgrenzen‘ tot in ‘fluïde identiteiten‘, nou ja, ‘niet zo mijn ding‘ was.

Maar het sterkst voel ik wat vervreemding is, wanneer ik rond kijk in de wereld van de slimme technologie, van ‘artificial intelligence‘ en ‘transhumanism‘. Bijna verbijsterend, dat dit zich allemaal voltrekt in die rustige, bezielde wereld van mij. Het vervagen of zelfs teniet doen van grenzen die ik als heel wezenlijk ervaar, gebeurt daar met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid. Zoals Maxim Februari in een stuk in De Standaard met een zekere luchtigheid constateert:

Nu tegelijk met de mensen ook de dingen massaal online zijn, komt onze hele omgeving tot leven als was het een sprookje van Andersen. De stoplichten, de medicijnen, de robots, de boodschappenbriefjes: de dingen leven onder ons, lezen, beïnvloeden en veranderen ons. De omgeving raakt bezield, de mens wordt ding onder de dingen. We vloeien samen met de handelende omgeving.

Ja ja, “de omgeving raakt bezield”. Ik vermoed dat dit niet al te letterlijk, laat staan ‘wezenlijk‘ bedoeld is, maar bij mensen als Matthijs Pontier en zijn Moral Coppélia ben ik daar een stuk minder zeker van. Hoe kunnen intelligente mensen zich zo van de wijs laten brengen, vraag ik mij dan vol verbazing af? Hoe kan iemand serieus denken dat er van een moreel gevoel of zelfs bezieling sprake kan zijn, zonder dat het subject in kwestie is opgebouwd uit de lagen die het bovenstaande gedichtje impliceert?

Ach, ik weet wel hoe het kan! Het menselijk waarnemingsapparaat is niet goed toegerust voor het uit elkaar houden van schijn en wezen. Kijk nog maar eens naar het plaatje hierboven en ga bij jezelf na wat je ziet en wat het met je doet. Ons denken komt er ook al niet uit als het gaat om Schijn en Wezen. Als we ons tenslotte door die beiden stelselmatig van ons gevoel laten vervreemden, dan blijft er misschien inderdaad weinig wezenlijks over om onszelf van onze dingen te onderscheiden. Klaar om verliefd te worden op een ‘operating system‘, maar dan in het Echt, niet in een film.

Hm, ik kijk wel even verder. En vooral in het rond.

 

31082015b

Advertenties

Read Full Post »

Niet in de hemelen is het

30082015

 

Toen ik een jaar geleden op pad ging om mijzelf een druivejurkje te verwerven, moest mijn leraar Hebreeuws in eerste instantie hartelijk om mij lachen. Een taal gaan leren, alleen maar om ooit aan te komen bij het punt waarop je de schoonheid van één enkel gedicht zult kunnen bevatten, kwam hem in hoge mate kunstmatig voor. Volgens hem kon ik beter iets gaan doen waar ik plezier aan beleefde. Ik liet hem lachen en zette mijzelf aan tot iets waar ik maar een heel gering talent voor heb: mezelf inspannen en de bevrediging van mijn behoeften uitstellen. Iets doen omdat ik had besloten dat het de moeite waard was.

Mijn leraar leek gelijk te hebben en hij had het bijna gekregen ook. Het leren van een onbekend schrift en van woorden waarbij ik aanvankelijk geen enkele associatie had, viel me zwaar. Bovenmatig zwaar, in mijn beleving. Hoe ik er uiteindelijk doorheen gekomen ben, is me eigenlijk een raadsel. Het zal toch te maken hebben met de gelofte die ik gedaan had aan de vriendin die deze deur voor me geopend had. Die hielp om de pijn te verduren die je voelt als je langdurig oog in oog met je eigen zwakheid staat. Maar ik had het niet gered, als die leraar er niet was geweest met zijn aanstekelijke enthousiasme voor de Hebreeuwse Taal en Cultuur.

Aan hem dank ik een hart vol gedichten, die me overal zullen vergezellen, die ik kan zingen wanneer ik ze maar nodig heb. Aan hem dank ik de kennismaking met een wijsheid die van een heel andere orde is dan die welke ik kende van de oude Grieken. Zijn brein is mogelijk nog associatiever dan het mijne, dus het is volkomen onbelangrijk hoe hij erop kwam om het te vertellen, maar dát hij het vertelde, daar gaat het om. Het verhaal van de oven van Aknai:

Als iemand een oven bouwt van afzonderlijke repen klei en bij het bouwen zand tussen de repen strooit, dan kan deze oven – zo verklaarde Rabbi Eliëzer – onmogelijk onrein worden, maar de wijzen meenden dat het wel kon.

Men vertelt hierover: Op die dag bracht Rabbi Eliëzer elk denkbaar argument naar voren, maar de wijzen aanvaardden niet één ervan. Tenslotte zei hij tot hen: “Indien de halache met mijn zienswijze overeenstemt, laat deze carobe-boom het bewijzen!” En zeker, de carobe-boom ontwortelde zichzelf en verplaatste zich over een afstand van honder el, sommigen zeggen vierhonder el. “Men kan geen bewijs ontlenen aan een carobe-boom,” brachten zij daar tegenin.

En opnieuw zei hij tot hen: “Indien de halache met mijn zienswijze overeenstemt, laat deze waterloop het bewijzen!” En zeker, de waterloop veranderde van richting en stroomde opwaarts. “Men kan geen bewijs ontlenen aan een waterloop,” brachten zij daar tegenin.

Opnieuw drong hij aan: “Indien de halache met mijn zienswijze overeenstemt, laat de muren van dit leerhuis het bewijzen!” En zeker, de muren wankelden als om te vallen. Maar rabbi Joshua bestrafte de muren en zei: “Wanneer de leerlingen van de wijzen zich bezighouden met een discussie over de halache, welk recht hebben jullie dan om je ermee te bemoeien?” Uit respect voor rabbi Joshua vielen de muren niet en uit respect voor rabbi Eliëzer namen zij hun verticale positie niet weer in. Tot op de dag van vadaag staan ze scheef.

Toen zei rabbi Eliëzer tot de wijzen: ” Indien de halache met mijn zienswijze overeenstemt, laat het bewijs vanuit de hemelen komen.” En zeker, een goddelijke stem klonk op en riep: “Waarom zijn jullie het niet eens met rabbi Eliëzer, met wiens zienswijze de halache immers altijd overeenstemt?” Rabbi Joshua stond op en protesteerde: “De Torah bevindt zich niet in de hemelen! (Deut. 30:12) Wij schenken geen aandacht aan een goddelijke stem, omdat Gij lang geleden op de berg Sinaï in Uw Torah hebt geschreven: bij de meerderheid zal men zich neerleggen.” (Ex. 23:2)

Rabbi Nathan ontmoette de profeet Elijah en vroeg hem: “Wat deed de Eeuwige op dat moment?” Elijah zei: “Hij lachte en riep: mijn kinderen zijn me te slim af, mijn kinderen zijn me te slim af!”

Is het niet heerlijk om te zien hoe bijbelvastheid zich in de staart bijt om niet in fundamentalisme te ontaarden? Is dit niet een schitterend religieus pleidooi voor de democratie, waarbij de huidige secularistische verbetenheid van schaamte verbleken mag? Maar het wordt nog veel mooier als je het ‘niet in de hemelen’ in zijn context leest:

Want dit gebod
dat ik je heden gebied:
het is niet te wonderlijk voor je
en niet te ver weg is het;
niet in de hemelen is het, –
om te zeggen
‘wie zal voor ons opklimmen ten hemel,
het voor ons halen
en het ons doen horen,
zodat wij het kunnen doen?’;
niet aan de overzijde van de zee is het, –
om te zeggen
‘wie zal voor ons oversteken
naar de overzij van de zee,
het voor ons halen
en het ons doen horen,
zodat wij het kunnen doen?
nee, zeer dicht bij je is het woord:
in je mond en in je hart,
zodat je het kunt doen!

(vertaling: Naardense Bijbel, emphasis van mijzelf)

Read Full Post »

Het aangezicht van de dood

27082015

Het was ooit de bedoeling dat het hier over “de gewone dingen des levens” zou gaan. Dan kan ik natuurlijk iets zeggen in de trant van “de dood hoort er ook gewoon bij” en dan klinkt dat heel wijs, veel wijzer dan ik ben. Dat heb ik hier op mijn schrijfplekje trouwens al een keer of wat gedaan. En vandaag ga ik het weer doen. Het is nog maar de vraag of ik er nu iets nieuws over te vertellen heb, maar misschien is dat ook wel teveel gevraagd en bovendien niet eens nodig. Als het erop aankomt is het nu mijn nood erover te schrijven, gewoon, omdat hij langs is geweest en weinig onopvallend in de buurt rondhangt.

In mijn werk ben ik dat wel gewend, dus ik dacht hem al een beetje te kennen. In mijn ogen had hij meestal iets vriendelijks over zich, door de barmhartigheid die hij betoonde aan mensen, die ik vaak al langere tijd aan het leven had zien lijden. Het lukte me dan ook doorgaans wel om op een wat huiselijke manier over hem te denken, ongeveer zoals ik dat in mijn vorige berichtje over God en de duivel deed. Dan kuierde hij kalmpjes langs mijn raam, capuchon wat naar achteren geschoven, zeisje op de schouder, een dankbaar oudje als een kindje aan zijn hand.

Het kan ook anders. Een week geleden zat ik stilletjes te lezen op mijn vertrouwde beeldscherm, alles vredig donker om me heen. Toen kwam er plotseling een mail binnen en viel het licht als ’t ware uit. Alsof hier de bliksem was ingeslagen. Geen flits gezien, geen klap gehoord, maar door mijn hele lijf trilde de dreun na. Het was de Dood. Zo onverwacht en zo vlakbij, dat het voelde alsof ik slechts per ongeluk uit zijn hand (wat is die groot!) was gevallen en toekeek hoe hij degene die toevallig naast mij stond in zijn greep vermorzelde. Een bedoeling kon hij hier onmogelijk mee hebben. Weg woorden, weg beelden, niets dan een zuivere kracht, die alle bijvoeglijke naamwoorden van zich afschudt.

Tijdens de avonddienst van gisteravond toonde hij weer een ander gezicht. Rustig, afwachtend, alsof hij zeggen wil: “Neem je tijd, ik wacht wel tot je je jas aan hebt.” En dan kijk ik naar twee van mijn cliënten, bij wie hij nu bijna in de slaapkamer zit, al zien we hem niet. Bij de een zie ik een inmiddels vertrouwd beeld: een toenemende gelatenheid, die zich zelfs lichamelijk uit. Zij zoekt de veiligste rand van het bed op en dat ziet er niet uit als een angstig wegkruipen voor wat komt, maar als een zachtjes aan vleien tegen iets dat warm en zacht is als een moederborst. Goed, ze probeert nog wel te onderhandelen, maar haar portemonneetje is bijna leeg en ik bid voor haar, dat zij zich bijtijds kalm in zijn hand kan laten glijden.

Bij een andere zorgvrager is onlangs het sterfbed thuisbezorgd en klaargezet, zo letterlijk als het maar kan. En zij weet het. “Ik ga er nog niet in liggen,” zegt zij koppig en kruipt onder een dekentje op de bank in de woonkamer. Ook zij toont karakter: hoewel zij verbaal altijd heel laconiek was over de dood (ze is tenslotte over de negentig), is niets zo duidelijk als dat zij zich opmaakt om hem haar tanden te laten zien. Dit kon nog wel eens een grimmige doodsstrijd worden, denk ik, en huiver. Bij haar weet ik niet waarvoor ik bidden kan. We moeten maar zien, met welk van zijn vele gezichten de dood haar aan zal kijken als het zover is.

Read Full Post »

Schrijven

23082015b

*

voor Yaniv

*

Veertig jaar geleden zat ik eenzaam op een kamertje en probeerde ik te Schrijven. De lessen van sommige leraren Nederlands en de verplichte literatuurlijst op de middelbare school hadden op mij een uiterst zeldzaam, maar gunstig effect gehad. Ik hield van lezen, van literatuur, en het liefst zou ik echt in Fay Weldon’s City of Invention zijn gaan wonen. Schriften, papiertjes, bierviltjes, allemaal namen ze mijn gekrabbel gewillig op, maar als ik het dan terug las, dacht ik: nee. Op zomaar een zomeravond, ik zie nog de lege vensterbank waaraan ik zat, kwam er een vermetele gedachte in me op (zeker net Goethe gelezen): als ik door mijn ziel aan de duivel te verkopen een schrijftalent kon bemachtigen, dan zou ik het zó doen.

Met ingehouden adem keek ik schuin naar boven, de grijzige lucht in, naar een plek waarachter ik God vermoedde. Nou, zeg er eens wat van! Dit durf ik zomaar te denken, hoor. De wind stak op, de zon brak door de grauwe wolken heen en ik hoorde onmiskenbaar de lach van God. Het was alsof Hij me recht in mijn gezicht uitlachte! En de duivel haalde zijn schouders op: hij zag geen handel in die schamele ziel van mij. Zij keerden me de rug toe en liepen rustig pratend verder, als twee vrienden die een avondwandelingetje maken.

Veertig jaar later, ik bezit nog steeds – in lijdzaamheid – mijn ziel, zijn er zo nu en dan mensen die zeggen dat ik mooi kan schrijven. Of goed kan schrijven. Is dit waar ik destijds, amper twintig,  zo krampachtig naar verlangde? Ik zou het bij God niet weten. Terwijl ik dit opschrijf waait aan de andere kant van mijn raam de wind door het struweel en het geboomte op mijn balkon. De zon schijnt dwars door de rode bessen van het bitterzoet. Bloedmooi. God en de duivel lopen ook weer langs, nog altijd diep in gesprek. Ze letten niet op mij. En ik heb niet langer de behoefte hun aandacht op mij te vestigen.

Read Full Post »

Japie Krekel

23082015

Als er binnenkort een werelderfgoedlijst van de literatuur wordt opgesteld – en is dat niet hoog tijd? – dan heb ik alvast twee boeken om voor te dragen: Schuld en Boete van Dostojevski en De avonturen van Pinokkio van Carlo Collodi. Waarom? Nou, omdat ik vrees dat over niet al te lange tijd het Ministerie van Veiligheid en Justitie alleen nog maar Ministerie van Veiligheid zal heten. En dat het in zijn geheel ge-outsourced gaat worden naar een in China gevestigde multi-national, die is ontstaan uit een fusie van Google, Facebook, Apple en Microsoft. Justice in the cloud. Vooroordeel en laatste oordeel vallen volledig met elkaar samen.

Hoe kom ik op dat bizarre idee? Daar heb je vrienden voor, zou ik kunnen zeggen, of: wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. Eén heeft mijn belangstelling gewekt voor rechtsfilosofie, robotica en kunstmatige intelligentie, een ander vertelde me onlangs over een documentaire die zij gezien had over het implanteren van ‘microchips‘ in de hersenen van (potentiële) criminelen. “Maar daarmee ontneem je een mens het recht om een proces door te maken,” was haar onmiddellijke bezwaar. Kom, jongens, schiet op! Misschien kan het nog net in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens worden opgenomen (als die niet al is afgeschaft): het recht om een proces door te maken.

Maar waarvoor zou je dat doen, als je crimineel gedrag ook gewoon kunt voorkomen? Dat hele rechtssysteem is toch hopeloos ouderwets en inefficiënt? Ah, daar draait het leven om. Om efficiency! Vooruit, dan sleep ik nog een boek aan voor de lijst: de Bijbel. Om niet te vergeten dat het menselijk leven ook nog wel eens ergens anders over kan gaan dan over veiligheid, doelmatigheid en winstmaximalisatie. Je kunt niet God dienen en de Mammon, het staat in Lucas 16, vers 13.

Ach, en als het niet een gigantisch complot van gewetenloze ‘corporate identities‘ is, die ons in de hel der zondelozen zal brengen, dan komen we er wel met goede bedoelingen.

“I am programmed to understand humans” is how android C-3PO reassures us in Star Wars Episode II: Attack of the Clones. And that is a very honorable cause for a programmer because currently, we are under attack of computer systems that run our lives autonomously – in pursuit of profit maximization, rationally, ruthlessly. From our understanding of humans, we contributed to the field of Machine Ethics by creating a moral robot that can take perspectives, switching on or off affective, personality, and rational aspects of moral decision making.

Zo prijst Matthijs Pontier zijn Moral Coppélia aan en ik waag het niet te twijfelen aan zijn goede bedoelingen. Of het hout snijdt wat hij beweert en of het allemaal mogelijk en wenselijk is, ook daar durf ik geen oordeel over te vellen. Daar wil ik mijn vriend en vriendin nog wel eens over horen, die redeneren helderder en denken speelser dan ik. Ik moet het van mijn intuïtie en mijn associaties hebben. Die zijn er niet gerust op dat we hiermee op de goede weg zijn. Natuurlijk willen wij liever voorkomen dan genezen, maar als we daar al te consequent in worden, dan kunnen we het menselijk leven misschien maar beter overslaan. Dan zijn we pas echt veilig.

Pontier wil zijn affectief-morele software graag inzetten voor Caredroïds en Sexbots, maar hij denkt ook aan hulpjes voor potentiële criminelen:

As a partner in crime, moral robots may keep potential perpetrators from offence, because they are not only morally just; they are likeable; because they are your friend.

Ha, daar hebben we ‘m: Japie Krekel! Nou, dat een krekel leven in een stuk hout kan brengen, dat wil ik wel geloven. Maar wat een plakje silicium met een scheutje zwakstroom en een handvol algoritmen met het menselijk geweten gaat doen . . . . Nee, geef mij dan toch maar Schuld en Boete.

  • De citaten zijn ontleend aan de publicatie over Moral Coppélia.

 

Read Full Post »

Langs de weg

16052014

Archaïsche Torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ‘t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ‘t midden toe, dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

Rainer Maria Rilke

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

Het duurt nog maar een paar weken, dan zal het zijn alsof ik door een deur stap. Naar buiten, zo stel ik mij voor. Helder zal het er zijn en ruim. Mijn blik zal worden aangetrokken door een horizon, helemaal rondom. Ik kan mij draaien en draaien, maar achterom kijken kan ik niet meer. Het huis waaruit ik kom gestapt lijkt in de aardbodem verdwenen. Daar sta ik dan, “sola, sul cuor della terra”.

Zo leef ik toe naar de dag dat ik precies even oud zal zijn als mijn vader was toen hij plotseling stierf. Negen en vijftig jaar en honderd negen en zeventig dagen. Sinds ik veertien was, al die jaren, heeft dat moment als een magische ster boven mijn leven gehangen. Misschien moet ik nog maar een paar keer om me heen kijken, hier binnen. De rommel een beetje opruimen voor ik wegga.

Er zijn meer van die momenten geweest in mijn leven. Ik denk aan die week waarin Laura mij twee keer voorspelde dat ik op “zaterdag-gisterdag” dood zou gaan. En aan het moment dat mijn huisarts mij vroeg wat ik eigenlijk deed in het leven. “Of dobber je maar een beetje rond?” Van die rare suggestie klopte alleen het bootje, maar dat liep voortdurend vol en ik stond daarin te hozen om me drijvend te houden. Zonder ook maar een moment te mogen rusten. Ik ben gaan zwemmen en aan wal geraakt. Een weg gezocht om te bewandelen en er een gevonden. Dat wel, maar het bleef me moeite kosten doelen te kiezen, en dat bleef me dwars zitten.

En nu, het afgelopen jaar, merkte ik dat ik steeds vaker zomaar ging zitten en als ik dan weer opstond, was het soms moeilijk om me te herinneren welke kant ik ook alweer op aan het lopen was. Er kwamen regelmatig kleine ‘kairosjes‘ langs, die ik dan soms met goed gevolg bij de haren greep, zodat ik weer even vooruit kon. Eergisteren, ik maakte net aanstalten om op te staan en weer een stukje te lopen, stak iemand me een hand toe en hielp me overeind. Ik keek op en schrok als het ware wakker van wat ik zag. Het was een mens, maar de uitwerking die zij op mij had was als die van de torso van Apollo op Rilke:

geen plek aan haar die mij niet ziet

zo doorgaan met mijn leven kan ik niet

Read Full Post »

04082015a

Van mijn vader gaat het verhaal dat hij af zou zien van zijn plaats in de hemel, als daar de lofzangen der zaligen door een orgel begeleid zouden worden. Zelf zie ik er om een heel andere reden tegenop. Stel je voor: bij het Laatste Oordeel slaat de weegschaal waarop mijn ziel gewogen wordt door naar de ‘goede’ kant. Met één klein streepje maar, dat lijkt me niet eens onmogelijk. Dan zou ik met mijn dubieuze karakter op een plek belanden waar alles en iedereen Goed is. Ik moet er niet aan denken. Als ooit Alles Eén zal worden, laat het dan alsjeblieft jenseits von Gut und Böse zijn.

Maar eerlijk gezegd denk ik dat God, als puntje bij paaltje komt, het Laatste Oordeel overslaat. De schapen van de bokken scheiden, dat valt al niet mee, want waar laat je de kwenen, maar de Goeden van de Bozen, daar is geen beginnen aan. Bovendien lijkt God mij niet een mens van nullen en énen. Moet hij er dan misschien een algoritme op loslaten? Ach welnee, dat zou allzumenschlich zijn. De oplossing ligt hierin: “When the Lord closes the door, he opens a little window.”

Denk nu niet dat ik gering over God denk, het tegendeel is waar. Ik denk alleen zo nu en dan over ethische kwesties en dan heb je het al gauw over goed en kwaad. Voor mijn gedachten is het daarom slechts een heel klein sprongetje van God’s apocalyps naar een toekomstscenario dat me de afgelopen week uit de krant tegemoet glansde. Een indrukwekkende schare prominente wetenschappers riep de mensheid op om een verbod op ‘killer robots’. Ha fijn, denk ik dan, maar minder wereldvreemde mensen dan ik wijzen er meteen op dat een dergelijk appèl eigenlijk al te laat is. Er wordt aan gewerkt en ze zullen worden gebruikt, zo gaat dat in de wereld.

Maar nu komt het, en daarbij klapperen mijn oren luidkeels: vanuit de menigte klinkt de roep om deze moordmachines dan ook maar in onze moraliteit te betrekken. Er zijn werkelijk mensen – en niet de geringste – die serieus overwegen om “een ethische gids in de software te programmeren”. De idioten! Weten zij dan niet dat ethiek zich verhoudt tot moreel handelen zoals een worst zich verhoudt tot een varken?! En dat worstmachines maar één kant op werken? Elk varken kan worst worden, maar er is nog nooit een worst geweest die het tot varken bracht.

Laat ik het wat netter zeggen: moreel handelen is een levende werking van de menselijke geest en ethische stelsels zijn het product van een reflectie daarop en een poging daar regels uit af te leiden, die zich doorgaans met weinig succes op het werkelijke leven laten toepassen. Net zo is onze taal een organisch, levend fenomeen. Grammatica is een poging om achteraf regels op te stellen volgens welke die taal zich voltrekt, maar niet – een enkele pennenlikker daargelaten – een receptuur voor het produceren van taal. Wie de weinig bemoedigende resultaten van Google Translate kent, houdt zijn hart vast als dezelfde nerds zich aan het inbouwen van moraliteit in robots gaan wagen. “In theory, theory and practice are the same. In practice, they are not.” (quoth Einstein, zegt men.)

Dat een computer kan leren schaken, betekent niet dat hij ook taalvaardig kan worden, laat staan moreel kan handelen. Het schaakspel heeft een gesloten einde: schaakmat. Game over. Het menselijk leven en samenleven heeft – althans dat mag ik hopen – altijd een open einde. Daarom is er geen ethische gids denkbaar, die bij voldoende denkkracht tot juiste morele keuzes leidt. Elke moreel verantwoorde daad heeft een opening naar de toekomst. Het stellen van ethische vragen rondom ons handelen heeft niet als doel tot een juiste beslissing te komen, maar tot een beslissing waarvan we bereid zijn de consequenties te dragen, waar we mee verder kunnen leven. Een laatste oordeel hierover is niet aan ons.

In mijn ogen is het een gevaarlijke illusie dat we levenloze dingen, hoe intelligent ook, als ‘onzer één‘ kunnen zien. Maar kunnen wij de mensen die deze dingen ontwerpen, fabriceren en voor zich laten werken nog verantwoordelijk houden? Is het daarvoor al te laat of staat er ergens nog een raampje open?

04082015b

Read Full Post »