Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2014

Beslisboom

26052014

 

De vriend van mijn jongere broer was een man die zich serieel monogaam verhield tot zijn hobby’s. Toen ik hem leerde kennen, ruim dertig jaar geleden, was zijn liefde voor het houden van reptielen op sterven na dood. Letterlijk: in een laatste terrarium hing een al wat oudere Trimeresurus albolabris bewegingloos om een dorre tak gedraaid te wachten tot het zover was. Alleen als je in zijn buurt kwam liet hij nog merken dat hij leefde. G. vertelde dat deze slang normaal gesproken ongeveer eens in de drie maanden een levende witte muis tot zich neemt, maar dat dit exemplaar nu al een half jaar niet meer gegeten had. Zijn baasje had besloten het dier rustig te laten sterven en dan de herpetologie achter zich te laten.

Ik vond dat ‘zielig’ en bovendien raakte ik gefascineerd door iets dat zo langzaam leeft en zo weinig behoeft, dus bood ik aan het dier onder mijn hoede te nemen. Dat mocht, maar dan moest hij eerst een beetje in conditie zijn, vond de eigenaar. Er werd een muis gekocht en die liet hij voorzichtig – de slang is uitermate giftig – in het terrarium glippen. Terwijl het muisje nietsvermoedend zijn nieuwe habitat begon te verkennen, wachtten wij op enige afstand geduldig af tot de slang toe zou slaan, als een bliksem uit de lucht. Heel lang gebeurde er niets. Daarna weer heel lang niets. Een tik tegen de wand van zijn wereld riep nog wel de gebruikelijke defensieve reactie op, maar naar de muis keek het beest niet om. Een maand later was hij dood.

Deze gebeurtenis is mij altijd bijgebleven als een oerbeeld van de onomkeerbaarheid van resignatie. Van tijd tot tijd zie ik in het leven van mijn medemensen iets gebeuren wat erop lijkt. Laatst nog, toen een cliënte van mij enthousiast begon te vertellen over haar vakanties van vroeger. Zij was gepassioneerd door de Romaanse architectuur van kerken en kloosters in Frankrijk. Nu heb ik daar ook wel het een en ander van gezien, dus ik ging er gretig op in. Na enig kaatsenballen met onze ervaringen en favorieten kwam de verzuchting ‘das war einmal’. Vanuit mijn professionele zorg om het behoud van haar ‘kwaliteit van leven’ probeerde ik deurtjes in de verbeelding te openen, die haar nog eens in de buurt van die vroegere liefde zouden kunnen brengen. Zij reageerde heel resoluut: “Ach nee, ik wil mijzelf geen pijn doen.”

Je zou zeggen, dat maakt terughoudend, maar desondanks heb ik daarna iemand anders die pijn wel aangedaan. In mijn eigen tijd en onder mijn eigen verantwoordelijkheid, want onder die van mijn werkgever zou het niet hebben gemogen, heb ik een bedlegerige cliënte de trap af geholpen naar waar de televisie stond, om samen met haar huisgenote naar de pontificale zegen te kijken. Het initiatief kwam van mij en haar huisgenote, maar zij reageerde er voldoende positief op om het plan door te zetten, vond ik. Toen ik haar die middag weer naar boven bracht, was zij zo verdrietig dat ik bijna spijt kreeg van mijn goede bedoelingen. Dat hoefde nou ook weer niet, kon ik uit haar latere reflectie opmaken, maar ik blijf twijfelen of ik er goed aan doe iets te ondernemen om dat stille wachten op de dood te doorbreken.

En toch blijf ik het ook willen. Voorzichtig gooi ik zo nu en dan een balletje op, om te kijken of zij er nog naar grijpt. Meestal valt het op de grond. Kort geleden was onze zorgregisseur bij haar en hij kwam terug met het goede nieuws dat er een paar afspraken waren gemaakt, met als doel haar weer een paar uur per dag uit dat bed en in een stoel te krijgen. We zouden haar zelfs een bescheiden ‘activiteit’ kunnen aanbieden. Ik ben benieuwd wat hij bereiken zal. Ben ik misschien door dat slangenverhaal en andere ervaringen een te zachte heelmeester geworden? Is het wellicht ten onrechte dat ik ben gaan denken dat het leven zich als een soort beslisboom aan ons voltrekt? Zou het toch mogelijk zijn om een andere boommetafoor te hulp te roepen en met wat extra belichting en beluchting ‘slapende knoppen’ te doen uitbotten?

Advertenties

Read Full Post »

16052014

*

 

Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

Rainer Maria Rilke, Neue Gedichte

 

*

 

Archaïsche Torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ‘t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ‘t midden toe, dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

*

Wat voor “kwaal” je hebt, maakt niet uit.

*

 

Met dank aan Joke Hermsen, die in haar nieuwe boek Kairos een heel hoofdstuk wijdt aan deze ‘diagnose-behandel-combinatie‘.

Read Full Post »

15052014

 

Toen ik, op zoek naar een passende illustratie bij dit blogbericht, het woord ‘smart’ in het Google-orakel wierp, kreeg ik onmiddellijk een curieuze confetti van hippe peptalk over me heen. Het ging allemaal over carrièretijgers, managers, kekke autootjes, ‘domotica‘, ‘tools‘ en ‘technology‘. Ik vernam dat de mensen achter smartensexy.nl “volop onderweg [zijn] om vrouwen te inspireren hoe ze nog meer uit het leven kunnen halen.” De klik naar ‘afbeeldingen’ leverde alleen nog maar honderd keer hetzelfde autootje op. Waar is het tranendal gebleven, waarnaar ik zocht?

Oud worden is evenwel vaak een smartelijke aangelegenheid. Hoezeer ik ook mijn best doe wat lichtheid aan te dragen, het bestaan van mijn ‘zorgafnemers‘ blijft weerbarstig in zijn ondraaglijke zwaarte. “Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn.” Dat hoor ik elke dag weer, soms meermalen per dag. Inmiddels weet ik niet meer zo goed of ik het wel wil worden, maar de beslissing daarover stel ik toch maar liever uit totdat ik het ben. Deo volente. Gedachten over mijn eigen oude dag bewaar ik voor thuis. In mijn werk neem ik de klacht van mijn ‘cliënten‘ eerbiedig in ontvangst, zeg amen en leg haar voorzichtig op een plekje naast ons neer. Dan stel ik voor dat ik hen behulpzaam zal zijn bij de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.

Eenmaal samen aan de slag ontspinnen zich andere gesprekken. Een mens is vaak best gemakkelijk op ander gedachten te brengen, zeker als er even gelegenheid is geweest om de last van het leven uit te spreken, zodat die terzijde gelegd kan worden. Soms zitten we halverwege de rechter steunkous alweer middenin de ‘oral history‘, ver weg en lang geleden op de veranda van een pandhuis in voormalig Nederlands Indië of op een regenachtige herfstdag, ploeterend in de Zeeuwse klei. En voor je het weet valt er alweer wat te lachen, zelfs over trieste dingen.

Nu alles om ons heen ons lijkt te willen leren dat vitaliteit hetzelfde is als gezondheid en dat waardigheid samenvalt met productiviteit, is het haast onwennig om veerkracht en weerbaarheid te zien bloeien in de stugge doornigheid van de ouderdom. Toch gebeurt het, telkens wanneer er een beetje terrein heroverd wordt op het verval. Of wanneer de aanvaarding van een verlies dat eerst ondraaglijk leek, de ogen opent voor iets waarvan je vergeten was dat je het in je had. De ouderdom is een voortdurende krenking, niet in de laatste plaats door te zien dat waarden die je een leven lang overeind hebt gehouden achteloos worden weggeworpen. Als het desondanks lukt om je zelfrespect en autonomie te bewaren onder die deken van deskundigheid en betutteling, dan is dat een heuse manifestatie van menselijke waardigheid.

Soms zit die in kleine gebeurtenissen. Een paar keer in de week kom ik bij een mevrouw die door een nare aandoening al meer dan een jaar volledig aan haar bed gekluisterd is. Een poosje geleden had zij last van jeuk rond haar beide ellebogen, ze krabde zich daar en dat resulteerde in een mazelen-achtig patroon van kleine wondjes. De doktersassistente, die voor iets anders was langsgekomen, pakte resoluut haar smart-phone, nam een foto van de ‘uitslag’ en stuurde die in een Whatsapp-je naar de huisarts. Deze schreef onmiddellijk een anti-allergene zalf voor en voor de zekerheid nog een kuurtje anti-allergene pillen erbij. Toen de medicijnen bezorgd werden, keek mevrouw wat knorrig de andere kant uit.

Een paar weken later, gisteren, zag ik tijdens het wassen dat de huid op haar armen weer volledig intact was. Op mijn vraag of de medicatie dan toch geholpen had, antwoordde zij: ” Ach welnee. Het is gewoon vanzelf over gegaan. Ik ben toch zeker niet gek, dat ik van alles ga smeren en innemen wat die dokter voorschrijft na het zien van zo’n fotootje?”

The weight of this sad time we must obey.
Speak what we feel, not what we ought to say.
The oldest hath borne most. We that are young
Shall never see so much, nor live so long.

Shakespeare, King Lear

Read Full Post »

Zie de mens

09052014

 

Het was niet geheel onverwacht dat ik twee blogberichten geleden aan mijn wiskundelerares moest denken. Ik denk de laatste paar jaar wel vaker aan haar. Zou ze nog leven? En hoe is het dan met haar? Hoe zou het zijn om haar nog een keer te zien en haar te laten weten wat zij voor mij heeft betekend? Dat kon ik haar destijds onmogelijk zeggen, eigenlijk ben ik haar pas veel later op haar waarde gaan schatten. Zij was onhandig, onpraktisch, niet knap en niet getrouwd, kortom: het ergste wat er van een vrouw kon worden in het leven, vanuit puberperspectief. En toch is zij van alle docenten uit mijn jeugd degene die de diepste indruk heeft achtergelaten.

Dan denk ik natuurlijk aan de tijd waarin ik, altijd braaf geweest, vrij plotseling onhandelbaar begon te worden. Obstinaat, heette dat toen nog. Ik was geschorst en merkte dat ik daarbij de heimelijke bewondering van mijn medeleerlingen, die een dergelijke maatregel doorgaans opleverde, moest ontberen. Terwijl ik op mijn kamertje lag te mokken, heeft zij op een middag tien kilometer gefietst om mij op te zoeken en mij in alle oprechtheid de Parcival-vraag te stellen: “What ails thee?” Eng mens!

Maar bovenal denk ik aan al die maandagmiddagen dat wij het laatste uur wiskunde hadden en zij met ons de dagsluiting moest doen. Sommige docenten lazen een overdenking uit een mapje, liefst zo kort mogelijk, anderen een stukje uit de Bijbel, maar zij zong met ons een psalmvers. Altijd hetzelfde: de eerste twee coupletten van Psalm 139.

Heer, die mij ziet zoals ik ben,
Dieper dan ik mijzelf ooit ken,
Kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,
Gij volgt mij waar ik zit of sta.
Wat mij te diepste houdt bewogen,
’t Ligt alles open voor uw ogen.

Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
Wie weet mijn wegen zoals Gij?
Gij kent mijn leven woord voor woord,
Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja, overal op al mijn wegen
En altijd weer komt Gij mij tegen.

Al was ik nog zo’n krengige puber, de ontroering in haar stem ontging mij niet. Pas veel later ging ik mij afvragen waarom zij telkens weer naar die woorden terugkeerde. Was het omdat die haar zelf troost schonken? Of wilde zij ons laten weten dat ook wij minder alleen waren dan we dachten, te midden van  al die rare worstelingen met dat geweldige leven dat aan onze voeten lag?

Tijdens de afgelopen maand van de filosofie heb ik elke dag aan haar gedacht, en aan de psalm die zij ons week in week uit heeft laten zingen. Dat kwam doordat ik in het al eerder gememoreerde essay van Jos de Mul las over Freud en zijn ‘derde krenking’:

Nadat Copernicus de menselijke trots al een knauw had gegeven door aan te tonen dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, betekende deze tweede krenking [Darwin’s evolutie-theorie] dat we ons maar een beetje onderscheiden van de andere dieren. En Freud voegde daar, zoals hij niet al te bescheiden opmerkte in zijn ‘Inleiding in de psychoanalyse’, nog een derde krenking aan toe: slechts een klein deel van onze gedachten is bewust, de meeste psychische processen verlopen onbewust.

Hoezo ‘krenking’, denk ik dan? Dat wisten we toch al lang? Maar misschien had hij geen wiskundelerares om hem in alle bescheidenheid duidelijk te maken dat de menselijke psyche zo’n raadsel is voor onszelf, dat er een God aan te pas moet komen om haar te peilen.

The Brain is just the weight of God, ­
For, ­Heft them, Pound for Pound ­
And they will differ, if they do ­
As Syllable from Sound.

Emily Dickinson

Read Full Post »

07052014

 

Vorige week viel mij opeens een ticket in de schoot. Een bevriende Shakespeare-kenner kon door een ongeluk niet naar de voorstelling en zo zat ik zomaar in de grote zaal van Tuschinsky, waar op een reusachtig scherm King Lear gebracht werd, live vanuit het Londense National Theatre. Als in een spiegel zag ik hoe ginds de zaal zich vulde: het geroezemoes van hier en daar was nauwelijks uit elkaar te houden. Een presentatrice vertelde enthousiast dat het stuk op dit moment wereldwijd in duizend zalen te zien zou zijn. Daarna doofden de lichten en zette ik mij schrap in mijn stoel. Ik had mij voorgenomen degene die daar had moeten zitten verslag te doen.

Wel, Joris, met dit blog schrijf ik voor mijzelf een brevet van onvermogen. Ik heb genoten, jazeker. Het was in één woord geweldig, beslist. Maar wat kan ik je in hemelsnaam vertellen, zodat je er alsnog een beetje bij bent? Het verhaal ken je ongetwijfeld, en beter dan ik. Het referentiekader dat ik nodig zou hebben om iets zinnigs te zeggen over de merites van dramaturg, regisseur en spelers, heb ik helaas niet. Je zult het moeten doen met een handvol indrukken.

Nu weet ik het weer: een toneelstuk moet je niet lezen, maar zien. Ik las de tekst achteraf en begreep er tegelijk meer én minder van. Een tekst geeft je veel gelegenheid stil te staan en in je eigen gedachtegangen te duiken, in het theater krijg je die kans niet. Zeker niet wanneer Shakespeare in de taal van zijn eigen tijd wordt gespeeld. Bijna amechtig probeerde ik bij te houden wat er gezegd werd, in een taal die sowieso veel minder redundant leek dan het gesprek van alledag. Gelukkig was er veel lichaamstaal, die het boek in mijn kast niet spreekt.

Maar wat een wereld werd ik binnen gesleurd! Beschaving stelde ik mij voor, zowel bij Shakespeare als bij de aristocratie. Rauwheid en ruwheid, hartstocht en wreedheid kreeg ik te zien. Gelachen werd er niet op het toneel, in de zaal aarzelend, op de gekste momenten, als je het mij vraagt. Vraag het mij maar niet: in die wereld zou ik gekker zijn dan de ‘fool’ en Tom of Bedlam bij elkaar. Misschien was waanzin wel de enige wijkplaats, als je niet verbannen werd. Heftig, zegt men vandaag. Hoor eens hoe men kon schelden en dreigen:

A knave, a rascal, an eater of broken meats; a base, proud, shallow, beggarly, three-suited, hundred-pound, filthy, worsted-stocking knave; a lily-livered, action-taking knave; a whoreson, glass-gazing, super-serviceable finical rogue; one-trunk-inheriting slave; one that wouldst be a bawd in way of good service; and art nothing but the composition of a knave, beggar, coward, pander, and the son and heir of a mongrel bitch; one whom I will beat into clamorous whining if thou deniest the least syllable of thy addition.

En dan de thematiek: als ik het filmpje, dat tijdens de pauze werd vertoond, mag geloven, dan gaat het stuk over de relatie tussen ouders en kinderen. Over demente ouders, bovendien. Ja ja, er is niets nieuws onder de zon. Zo had het ook over de vrijheid van meningsuiting kunnen gaan. Hoor de nar:

They’ll have me whipped for speaking true,
thou’lt have me whipped for lying,
and sometimes I am whipped for holding my peace.
I had rather be any kind o’ thing than a fool.

Of het enigmatische slot:

The weight of this sad time we must obey.
Speak what we feel, not what we ought to say.
The oldest hath borne most. We that are young
Shall never see so much, nor live so long.

Tja, denk ik dan, Fokke en Sukke hadden wel een punt, op 5 mei jongstleden, toen een ‘orakel‘ op de Dam zou zeggen wat wij voelen, in ons virtuele bestaan. “Vrijheid is….. dat iedereen mag roepen wat ‘ie wil…. omdat het toch niemand een fuck kan schelen.”

King Lear, dat waren nog eens andere tijden. Zweepslagen leken me zo kwaad nog niet, toen ik tegen het einde van het stuk een podium vol lijken zag. Hé, waar deed dat me opeens aan denken? Aan een vergeten stukje wijsheid, dat thuis op me lag te wachten:

The Israeli-Palestinian conflict has been a tragedy, a clash between one very powerful, very convincing, very painful claim over this land and another no less powerful, no less convincing claim. Now such a clash between right claims can be resolved in one of two manners. There’s the Shakespeare tradition of resolving a tragedy with the stage hewed with dead bodies and justice of sorts prevails. But there is also the Chekhov tradition. In the conclusion of the tragedy by Chekhov, everyone is disappointed, disillusioned, embittered, heartbroken, but alive. And my colleagues and I have been working, trying…not to find the sentimental happy ending, a brotherly love, a sudden honeymoon to the Israeli-Palestinian tragedy, but a Chekhovian ending, which means clenched teeth compromise.

Amos Oz (in een interview met de PBS)

Read Full Post »

04052014

*

 

The past only comes back when the present runs so smoothly that it is like the sliding surface of a deep river. Then one sees through the surface to the depths. In those moments I find one of my greatest satisfactions, not that I am thinking of the past; but it is then that I am living most fully in the present.

Virginia Woolf, A Sketch of the Past

In een ver verleden kwam bij ons de melkboer langs. Hij bracht ons allerhande zuivel in flessen met een wijde hals, afgesloten met een dunne aluminium dop. Blauw voor de melk, rood voor karnemelk en groen voor yoghurt: alleen die kleuren leven voort in de ‘pakken‘ van vandaag. Melk moest in die tijd, maar wij waren vooral dol op de doppen. We versierden daarmee onze fiets, door ze dubbel te vouwen om de spaken. Dat zag er feestelijk uit en maakte een vrolijk geluid (ritselend, rammelend, fluisterend) als je de straat uit reed. Je kon er ook speelgoedgeld van maken.

Iets dichter aan de oppervlakte glinsteren die doppen in een wiskundeles. De lerares wijdde ons in in de tweedimensionale meetkunde. Aan het eind van het hoofdstuk over de cirkel werd ons inzicht getoetst met een handvol sommen. Eén daarvan zal ik nooit vergeten: “Je hebt een aluminium strip van 3 centimeter breed en 3 meter lang. Hoeveel doppen met een doorsnede van 3 centimeter kun je daaruit stansen?” De juffrouw keek vragend de klas rond. Ik stak mijn vinger op, maar zij wachtte even of niet iemand anders zich aandiende. “Honderd,” zei ik, toen ze mijn kant op keek. Zij lachte zoals je lacht wanneer je iemand ziet uitglijden en draaide zich om naar het bord.

Daar deelde zij de doorsnede van de te stansen doppen door twee. Dat leverde een ‘straal‘ op, waaruit zij middels de bekende formule ‘pi-r-kwadraat‘ de oppervlakte van een dop berekende. Vervolgens deelde zij dat op de oppervlakte van de strip – lengte maal breedte. Er kwam een raar getal uit met een aantal cijfers achter de komma, die netjes ‘rest’ genoemd werden. “En toch klopt het niet,” waagde ik. Hoe ik ook om me heen keek, er kwam geen bijval. Het was maandagmiddag, tien voor vier, dus wat wil je. Daar heb je die wijsneus weer, zag ik de docente al denken. Ik ging wat rechter op zitten en stak van wal: “Het is eenvoudiger dan u denkt. De strip is precies zo breed als de doorsnee van een dop en honderd keer zo lang. Als je honderd doppen hebt gestanst, hou je een hoop afval over waar je verder niks mee kan.” (Nou ja, bewaren voor de zending, dat wel.)

Gelukkig was de juf haar vertwijfeling snel te boven en met een handigheid die zij anders zelden aan de dag legde, zei ze: “Kijk, dat wilde ik nou even laten zien, dat jullie allemaal zitten te slapen, behalve eentje die nog wakker is. Pak jullie boeken maar in en wegwezen!” De dagsluiting schoot er die keer bij in, weet ik nog. Toen ik bij de deur nog even naar haar omkeek, schudde zij haar hoofd, alsof zij die honderd melkflesdoppen eruit wilde hebben.

Bij mij blijven ze erin en beginnen ze te ritselen, rammelen en fluisteren, telkens wanneer iemand simpele sommen maakt om een mening kracht bij te zetten. “Vlees eten is slecht, want voor elke kilo vlees is 20 kilo graan nodig! Wat een verspilling!” (Op de eerste pagina in Google varieert het getal van 4 tot 35 kilo.) “En toch klopt het niet,” begin ik dan, want ik ben nog steeds een akelige wijsneus. Goed, voor de niet grondgebonden bio-industrie gaat het aardig op. Maar als we op grond daarvan naar een vegetarische utopie zouden moeten streven, stansen we meer doppen dan mogelijk is. Het is namelijk eenvoudiger én minder eenvoudig dan je denkt. En vandaag heb ik nog bijval ook:

Steve Davis, an animal scientist at Oregon State University, has estimated that if America were to adopt a strictly vegetarian diet, the total number of animals killed every year would actually increase, as animal pasture gave way to row crops. Davis contends that if our goal is to kill as few animals as possible, then people should eat the largest possible animal that can live on the least intensively cultivated land: grass-fed beef for everybody. It would appear that killing animals is unavoidable no matter what we choose to eat.

When I talked to Joel Salatin about the vegetarian utopia, he pointed out that it would also condemn him and his neighbors to importing their food from distant places, since the Shenandoah Valley receives too little rainfall to grow many row crops. Much the same would hold true where I live, in New England. We get plenty of rain, but the hilliness of the land has dictated an agriculture based on animals since the time of the Pilgrims. The world is full of places where the best, if not the only, way to obtain food from the land is by grazing animals on it–especially ruminants, which alone can transform grass into protein and whose presence can actually improve the health of the land.

The vegetarian utopia would make us even more dependent than we already are on an industrialized national food chain. That food chain would in turn be even more dependent than it already is on fossil fuels and chemical fertilizer, since food would need to travel farther and manure would be in short supply. Indeed, it is doubtful that you can build a more sustainable agriculture without animals to cycle nutrients and support local food production. If our concern is for the health of nature–rather than, say, the internal consistency of our moral code or the condition of our souls–then eating animals may sometimes be the most ethical thing to do.

Michael Pollan, An Animal’s Place

Read Full Post »