Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2012

Het probleem van de mens is dat hij een geest heeft en een lichaam is.

Lees ik dat goed? Ja, het staat er echt, op de achterflap van een al wat oudere bundel columns van verpleeghuisarts Bert Keizer, de man die dagelijks drollen opvangt in zijn handen en ondertussen graag aan Wittgenstein denkt. Laat ik nou altijd gedacht hebben dat wij precies andersom in elkaar zitten: wij hebben een lichaam, maar ons wezen is onze geest. Misschien is dat een erfenis van mijn christelijke opvoeding, of moet ik het terugvoeren op mijn eigen, betrekkelijk zeldzame ervaring met het mind-body problem?

Ik kan er niet omheen dat mijn lichaam altijd een sterke stem heeft gehad in wie ik was. En toch kon ik op een gegeven moment niet anders dan het tegenspreken. Maar waar kwamen mijn woorden toen vandaan? Uit een ongelukkig geïncarneerde geest of ziel? Zo zou ik het zelf niet zomaar duiden: mijn lichaam is me veel eigener dan welk bezit ooit zou kunnen zijn. Het is geen kerker en geen tempel, maar vlees van mijn vlees, waarvan ik verlang dat het ook mijn woord zal spreken.

Een andere ervaring: toen mijn vader stierf, werd hij begraven in een naamloos graf. Deels uit armoe, maar zeker ook omdat hij ervan overtuigd was dat zijn lichaam slechts een leeg omhulsel was, nu hij eruit vertrokken was. Ik weet nog goed hoe mijn moeder spijt kreeg dat zij hem had gesteund in zijn besluit. Voor haar was zijn lichaam kennelijk meer geweest dan een verpakking, een zak vol ziel. Misschien begrijp ik vandaag beter wat zij daarbij voelde.

Ik heb geen enkele affiniteit met dat vergeestelijken van jezelf en al helemaal niet met de minachting van het lichaam waarmee dat vaak gepaard gaat. Tegen het plompverloren materialisme (“onze hersenen/genen/hormonen etcetera bepalen wie wij zijn”) dat tegenwoordig zo populair is, koester ik zelfs een regelrechte aversie. Tenslotte: waarom eigenlijk willen we lichaam en geest uit elkaar trekken en met elkaar contrasteren? Veel liever leef ik hun innige onderlinge verbondenheid, los van hebben en zijn. Dat is alles wat ik heb. Of ben.

Read Full Post »

Ik herinner mij dat ik vooral erg onder de indruk was van haar moed, maar ook wel lichtelijk geschokt. Was dat mijn kind, die zoiets beweerde? Het moet in de vierde klas van het VWO zijn geweest, in de Engelse les, als ik het wel heb. Zij had de opdracht een stelling te verdedigen en een vriendin, met wie zij vaker samenwerkte, zou haar opponent zijn. De stelling van haar keuze was: het is niet langer doenlijk, noch wenselijk om aan mensen boven de zeventig kostbare levensverlengende medische behandelingen aan te bieden. Haar argumentatie was tweeledig: de huidige praktijk in deze is binnenkort niet meer te bekostigen en wij ontnemen elkaar hiermee de gelegenheid ons met ons levenseinde te verstaan.

Het economische argument kreeg alle aandacht, doordat haar vriendin haar persoonlijke omstandigheden (zij heeft een hersentumor, die haar levenslang afhankelijk maakt van technisch hoogwaardige medische hulp) in de strijd gooide. Daardoor kreeg Roos vooral te maken met de verontwaardiging van haar klasgenoten. Zij had duidelijk een levensgroot taboe aangeroerd. Misschien wijd ik aan dat taboe nog eens een ander blogbericht, maar nu wil ik liever op haar andere argument ingaan.

“Op ieder sterven volgt de dood, maar niet aan iedere dood gaat een sterven vooraf.”

Deze stelling werd ons in de afgelopen weken voorgelegd, toen wij ons in het kader van onze opleiding tot verzorgende in de thuiszorg bezighielden met sterven, verlies en rouw. We hoeven het niet te hebben over allen die een plotselinge dood overvalt: zij hebben geen enkele keus. Aan hen gaat de kans om te sterven volgens de fasen van Kubler-Ross sowieso voorbij. Maar hoe zit dat met de rest van ons? Houdt de medische praktijk van nu ons niet gevangen in ontkenning of onderhandeling tot wij alsnog – en dan heel abrupt – uit het leven weggerukt worden? En hoe verhoudt zich dat tot onze kwaliteit van leven in die kostbare laatste maanden?

Ik zou nog wel een paar vragen willen stellen. Is het überhaupt voor iedereen zinvol of zelfs maar haalbaar om welbewust een stervensproces door te maken? Is dat hele streven om de dood weer een plek in ons aller bewustzijn te geven niet vooral een manier om onze aandacht af te leiden van het feit dat het toch eigenlijk allemaal om de centjes draait? Niettemin bewonder ik de moed van mijn dochter om dit onderwerp ter sprake te brengen en ben ik blij dat de discussie hierover inmiddels de media heeft gehaald. En als ik tijd van leven heb, dan hoop ik nog eens een paar verhalen te herlezen: Hundertwasser, honderdvijf en meer van W.F.Hermans en Tous les hommes sont mortels van Simone de Beauvoir.

Read Full Post »

Told you so

Een van de mooie dingen die me het afgelopen jaar zijn overkomen, is dat ik heb gemerkt dat ik nog kan leren. Of misschien zelfs: nu pas kan leren. Als het er op aan kwam ben ik eigenlijk altijd nogal hardleers geweest. En dat dan weer als gevolg van het feit dat ik zo makkelijk kon leren. Een goed geheugen en een gezegende bevattelijkheid zorgden ervoor dat ik al op heel jonge leeftijd “m’n weetje wel wist”. Mij maakte je niet gauw iets wijs, nee, mensen noemden mij wel “zo wijs als Salomo’s kat”. Daar kon ik het mee doen en daar deed ik het ook mee.

Op de een of andere manier had het idee bij mij post gevat dat als je maar wist hoe iets moest (of hoorde, of zat), de rest wel vanzelf zou gaan. Leren was een hoofdzaak. Het zal mijn aanleg geweest zijn, maar ook de cultuur waarin ik opgroeide: er werd veel gepreekt, zowel voor als na het handelen. Ik herinner me nog altijd hoe mijn moeder, wanneer haar preken weer niet geholpen had, in wanhopige woede losbarstte – in een dialect dat niet het hare was (waarom??) – : “En ik hew ut nog so soîd!”

Veel later hoorde ik iemand op de school van mijn kinderen zeggen: “Preken heeft geen enkele zin, daarmee bezorg je kinderen alleen maar een slecht geweten.” Dat was voor het eerst dat ik dacht: die woorden bewaar ik niet in mijn hoofd, maar in mijn hart. Niet dat ik het al begreep, maar toch. Al die tijd dacht ik nog dat “van je fouten leren” betekende dat je dan voortaan wist wat je moest zien te vermijden. Dat het maken van fouten je vaardigheden vergroot juist doordat je dan iets anders gaat proberen, dat wilde er bij mij nog niet in. De wens om het toch vooral “goed” te doen bracht een gedegen angst voor falen en fouten maken met zich mee.

Mijn werk in de zorg en mijn status als “leerling” hebben me zomaar op een voor mij heel nieuw spoor gezet. Ik kom niet meer weg met mijn vermogen tot snel absorberen van kennis, want dit werk spreekt voortdurend hoofd, hart én handen aan. Mijn verlangen naar perfectie moet ik leren loslaten: in het zorgproces worden doelen wel gesteld, maar zelden behaald. Bijstellen, daar komt het op aan. Het is nog steeds wennen, maar ik ervaar het inmiddels als een grote zegen in mijn leven, dat ik ben opgenomen in een team. Daarbinnen leer ik – schoorvoetend – fouten te maken en toe te geven. Ik heb er nog geen “told you so” gehoord.

Integendeel, ik merk tot mijn grote opluchting dat hier de onvolkomenheid van wat wij doen gemeenschappelijk als een vanzelfsprekendheid wordt gedragen, zonder dat daarmee de weg naar onverschilligheid wordt geopend. Afgelopen week realiseerde ik mij, in een evaluatiegesprek met mijn praktijkopleider, dat er beweging is gekomen in eigenschappen en attitudes die ik bij mijzelf als bijna onveranderbaar zag. Een klein jaar geleden. Wie zei dat ook al weer, dat een mens nooit te oud is om te leren leren?

Read Full Post »