Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘politiek’ Category

 

Kom, laat ik me eens buiten mijn bubble begeven en naar de Dam gaan voor een “vredesmanifestatie”. Een van onze rabbijnen had daartoe opgeroepen. Manifestatie bleek een groot woord voor die paar honderd mensen die uiting wilden geven aan gevoelens van solidariteit met de getroffenen van de terreurdaad in Christchurch, Nieuw-Zeeland. Solidariteit, het blijkt altijd weer een raar goedje te zijn. Op podium en plein hadden zich uiteraard vooral weldenkende mensen verzameld, die “elkaar vasthielden” tegenover de dreiging van “extreem rechts”. Maar daar tussenin stond een heel ander clubje mensen, die ook solidair waren, getuige de wapperende Palestijnse vlaggen.

Op het moment dat opperrabbijn Binyomin Jacobs het woord nam, draaide het groepje activisten hem demonstratief de rug toe en hielden sommigen van hen in het Arabisch gestelde plakkaten omhoog, die waarschijnlijk “kritiek op de staat Israël” behelsden. Hun actie had geen zichtbaar effect op de menigte en de woorden van de sprekers leken hen niet te raken. “Wij laten ons niet tegen elkaar uitspelen,” zei onze burgemeester, Femke Halsema. Mij raakte het wel, om zo’n duidelijke blijk van jodenhaat van zo dichtbij mee te maken.

Wat bezielt deze mensen? Zijn de Palestijnen hier werkelijk bij gebaat? Ik moest onwillekeurig denken aan iets wat een mede-redactielid ooit zei over radicale activisten: “Meestal gaat het vooral om pus. Etter van een of ander oud zeer, dat eruit moet.” Politiek als therapie. Hoe heilzaam is dat?

Wat klinken op zo’n moment de idealen van het Humanistisch Verbond, verwoord door Boris van der Ham, paradijselijk:

 

Vrede begint met het fundamenteel respecteren van de mens.

En niet ‘de mens’ als een soort abstracte soortnaam;

Niet de mens als onderdeel van een groep of stroming;

Nee, gewoon de ene mens, een voor een, iedereen afzonderlijk.

De mens die tegenover je staat. Naast je zit. Om de hoek bij je woont. In je eigen huis, je man, je vrouw, je dochter of zoon.

Vrede komt door ieder het recht toe te kennen als uniek te worden gezien.

Hier staan verschillende vertegenwoordigers van godsdienstige stromingen, en ik als vertegenwoordiger van een niet-godsdienstige levensbeschouwing, het humanisme.

Wij zijn al heel verschillend.

Maar binnen onze verschillende stromingen is het zo mogelijk nog diverser.

Ieder mens heeft een eigen mengelmoes aan kenmerken, ideeën, opvattingen.

Ieder mens heeft standpunten of gedragingen waarin we bewust of onbewust een ander pad kiezen dan onze omgeving, onze ouders, de samenleving, de stroming of de abstracte groep waar je ‘zogenaamd’ toe behoort.

Een mens is geen abstractie, maar is levend, verandert, breekt, bouwt, groeit, valt, is uniek.

Dat is vrijheid, dat is menselijk, dat is vrede.

De enige echte gelijkenis die wij als mensen hebben, is dat we allemaal, stuk voor stuk, ongelijk zijn.

Dat maakt ons mens.

Maar wat is de brug tussen dat ideaal en de werkelijkheid lang en wiebelig.

 

Advertenties

Read Full Post »

 

Een van de moeders met wie ik twee decennia geleden vaak een bankje deelde, terwijl we wachtten tot onze kinderen de school uit kwamen, was rechter. Toen ik haar eens vroeg wat haar boeide aan haar werk, zei ze: „Rechtspleging is heel erg een ‘talig’ iets. Daardoor zit  er speling tussen de formulering van een wet en de toepassing ervan. In die ruimte heb ik de gelegenheid om iets goeds te doen.”

[Ik spoel snel een heel eind verder terug.] Op de middelbare school hadden we een docent maatschappijleer, die ooit een theologiestudie was begonnen, maar die niet had afgemaakt. Toen ik hem vroeg naar zijn beweegredenen bij die keuze, zei hij: „Ik kwam er al snel achter dat je aan De Bijbel als morele code niet veel hebt. Het leek wel een stuk elastiek. Iedereen trok eraan, je kon het oneindig oprekken.” Hij was marxist geworden.

[Nu weer fast forward naar de Nashville-drukte van een paar weken geleden.] Daar gaat het immers ook om de interpretatie van een wet? De Wet van de Eeuwige nog wel. In het oververhitte begin lijkt het alleen maar te gaan over een ja of een nee tegen die wet. Fijn, dan hebben we twee kampen. Na een paar weken komt Ewoud Sanders met de hoopgevende constatering dat de Nederlandse ondertekenaars tenminste de moeite hebben genomen hun versie van de verklaring te staven met bijbelteksten. Hij laat meteen zien hoe de elasticiteit van de Wet in Nashville werkt: wees selectief.

Zelf laat hij God, met behulp van wat logica, incest via het scheppingsverhaal goedkeuren. Vond hij de dochters van Lot misschien te schunnig om erbij te halen? Hun verhaal wordt toch zonder enig oordeel verteld. Sterker: via Ruth, de Moabitische overgrootmoeder van Koning David, die zelf ook haar erotisch kapitaal wist in te zetten om de familie van haar schoonmoeder niet te laten uitsterven, komt uiteindelijk Jezus ter wereld. Verder laat hij overtuigend zien hoe “die 46 referenties, zeker als je ze in hun context leest, een ruw beeld geven van seks in bijbelse tijden.” Per saldo blijft er een handjevol “inconsistente bepalingen” over, die “geen waarachtig goddelijk fundament” onder regelgeving voor ons seksleven kunnen leggen.

Afgelopen week kwam ik een aanstekelijke tekst tegen over hoe wij Joden de Wet interpreteren. Om te beginnen is het daarbij van belang te beseffen dat je de tekst van de Tora niet kunt gebruiken los van de ‘mondelinge Tora’, die vervat is in de tradities van het rabbijnse Jodendom, en die vandaag de dag voortleeft, overal waar Joden de Tora interpreteren. Langs die weg blijkt dat de doodstraf, die in de Tora herhaaldelijk door God wordt geëist, weliswaar nooit is afgeschaft, maar binnen het Jodendom ook nooit meer wordt uitgevoerd. Verder kun je de voorschriften (in het Hebreeuws halacha) nooit los zien van de verhalen (hagada en midrasj). Een voorbeeld: God geeft de Israëlieten op de berg Sinaï allerlei regels omtrent de slavernij. Houdt dat in dat God slavernij als instituut goedkeurt? Nee, want uit het verhaal waarin die wetgeving is ingebed, weten we dat God (uiteindelijk) onze vrijheid beoogt.

Een voorbeeld van hoe levend de oude verhalen uit de Tora kunnen zijn, hoorde ik in een korte preek, die een van onze leden onlangs gaf. Hij vertelde het verhaal van Jozef en de vrouw van Potifar na, met nadruk op de zinsnede: “Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?” Oppervlakkig gezien gaat dit natuurlijk om het verbod op overspel, of om loyaliteit jegens een goede werkgever. Maar voor wie weet dat Jozef in de episode van de “veelvervige rok” in het Hebreeuws een na’ara (=meisje) wordt genoemd, in plaats van een na’ar (=knaap), steekt hier iets heel anders achter. Jozef was homoseksueel, of wellicht transgender, in ieder geval queer genoeg om uit de toon te vallen onder zijn broers. Het siert de kopiïsten van de Tora, dat zij die ‘schrijffout’ 3000 jaar lang hebben gehandhaafd; ook de Masoreten plaatsen slechts een voetnoot: lees na’ar. Als Jozef dus zegt dat hij niet tegen God wil zondigen, dan is dat bijna synoniem aan “tegen zijn geaardheid”. Dat doe je hooguit vanwege het nageslacht, maar niet voor de lol, of iemand anders’ lol.

Ik vraag me af wat de mannenbroeders van zo’n interpretatie zouden vinden. Te elastiekerig? Ik ben bang van wel. De afstand is waarschijnlijk te groot. Maar misschien is er moed te putten uit de constatering van COC-voorzitter Astrid Oostenburg, ook in NRC, dat de relatie tussen kerken en COC door de commotie rond het Reformatorische pamflet is verbeterd. Er is nog veel goed te doen.

 

Read Full Post »

Worstelingen

 

“Daarom kan je je ook maar het best verre houden van die hele bliksemse boel,” zei de hoogleraar in ruste, terwijl hij opstond, nadat ik hem de ogen gedruppeld had. Heel even meende ik, dat ik een felle flits over zijn doorgaans zeer vriendelijke gelaat zag schieten. We hadden het over godsdienstigheid en atheïsme en over de onvrijheid die deze beiden vaak met zich mee brengen. In zijn achterhoofd speelde nog mee dat we ons gesprek waren begonnen bij de commotie, die de afgelopen week in de kolommen van alle kranten had gewoed, naar aanleiding van de ondertekening van de zogeheten Nasville-verklaring door een aantal Reformatorische predikanten en een enkele politicus. Met name onder de columnisten was er niemand die het er niet over had gehad.

Hoewel ik als godsdienstige lhbt-er langs twee kanten belanghebbende ben in deze kwestie, heb ik liever gewacht tot de storm wat ging liggen, voordat ik hier op mijn bescheiden plekje een bescheiden duit in het zakje ga doen. Wat niet betekent dat ik niet met wijdopen ogen heb gevolgd wat er allemaal geschreven werd. Daarbij viel me op dat de mensen die niet godsdienstig en niet seksueel anders geaard waren vaak juist het hoogste woord hadden. Youp, de man die ooit probeerde het woord “reetridder” salonfähig te maken, liet luide winden als “middeleeuwse Van der Staaijtjes” en “plukje fossielen” en “haatbaardjurken”, en dacht dat hij amicaal kon doen door met termen als “vette pot” en “tochtige vriendinnen” te smijten. Student Tristan Ober verlegde het probleem naar de stilte die op dit belangrijke moment in het anti-islam kamp leek te heersen. De anonieme commentator van NRC kopte: “Gereformeerden passen [sic] terughoudendheid en respect voor lhbtiq+”.

Net als bij de discussie over het verbieden van de rituele slacht, waar het al gauw niet meer om de dieren ging, ging dit gekrakeel grotendeels over de hoofden van de lhbt-ers heen. De Verlichting heeft geen eind aan de godsdiensttwisten gemaakt, maar is zelf een godsdienst geworden. Waar moet een mens naartoe, als hij zich verre wil  houden van “die hele bliksemse boel”? Gelukkig kwam ik één iemand tegen onder de columnisten, die door een samengaan van betrokkenheid en de juiste mate van distantie tot wijze, of in ieder geval voor mij troostrijke woorden kwam:

Hoe je het ook wendt  of keert: seks is een moeilijk onderwerp. Sekse is dat ook. Dat zal wel altijd zo blijven, en gelukkig maar. Alleen is rondom deze twee thema’s tegenwoordig zoveel in beweging dat open gesprek erover geen kwaad kan. Het zou mooi zijn als de verschillende partijen zich daarbij zouden uitspreken over hun eigen worstelingen en ongemak. En laten ze ophouden lhbti-mensen als speelbal te gebruiken om hun eigen morele superioriteit te bewijzen.

Maxim Februari in NRC, 8 januari 2019

Worstelingen kwam ik weliswaar ook tegen in mijn krant, maar helaas alleen die van een reformatorische homo-man en van enkele gereformeerden die wat genuanceerder dachten dan de ondertekenaars van de Nasville-verklaring en hun secularistische evenbeelden. Vooruit, laat ik eens wat over mijn eigen worstelingen vertellen.

In het dorp waar ik ben opgegroeid en dat onder Synodaal Gereformeerden gekscherend “Urk II” werd genoemd, woonden twee homo’s en dat waren twee van mijn broers. Ach, misschien was die morsige oude man, bij wie de keuken vol hing met centerfolds van jonge popmusici het ook wel, maar wist ik veel? Ik had een vaag gevoel dat er ook bij mij iets niet klopte, maar had niet het idee dat “open gesprek erover” mij wat dat betreft verder zou brengen. Toen ik na een half leven van verknochtheid en aanpassing aan een ideaalbeeld van mezelf en hoe ik me het leven voorstelde, het roer eindelijk omgooide, waren mijn twee broers al lang dood. Het dorp was ver weg, maar een zorgvuldig gekoesterde wrok jegens de christelijke theologie waarin ik was gedrenkt, droeg ik nog als een steen op mijn hart. Ook de herinnering aan de pijnlijke ongemakkelijkheid en het gebrek aan “open gesprek” bleef.

Ik vond een herberg in wat de lhbt-gemeenschap wordt genoemd, maar ik moet u bekennen dat ik me ook daar wel eens onbegrepen heb gevoeld: godsdienstigheid en “worstelingen” zijn niet echt bon ton binnen een emancipatiebeweging. Soms zelfs onveilig: de sfeer waarin langs academische weg een lans werd gebroken voor het verlenen van “sexual citizenship” voor pedofielen riep bij mij te pijnlijke herinneringen wakker. Daarom: het onderwerp zal wel moeilijk blijven en dat “open gesprek” ook. Zeker niet alleen binnen orthodox-religieuze bolwerken. Het ergste is altijd en overal de peer pressure onder jongeren, die zich geen raad weten met wat natuur en hormonen voor hen in petto blijken te hebben. Die zijn niet geholpen met stoere theologie, maar ook niet met een al te triomfantelijk libertinisme. Wel met verhalen over “eigen worstelingen”. It gets better, zeggen ze in Amerika, en ze delen verhalen met elkaar.

 

 

 

Read Full Post »

Bar Giora

 

In dit eenvoudige huisje heb ik misschien wel de mooiste momenten van mijn vakantie in Israël beleefd. Bij het kantelen van de dag in de avond zat ik in een oude strandstoel in de tuin. Ik was niet leeg, zoals Herman de Coninck in zijn Ligstoel, maar voelde wel hoe ik volgegoten werd met het besef van mijn persoonlijk geluk. Schuimend ging het over de randen. Ho! Stop! had ik moeten zeggen, maar ik was al tezeer overweldigd. Hier te mogen zijn, badend in weelde en zacht zonlicht van vijf uur. In geuren en kleuren vertelt de tuin me waar ik ben.  Aangeland in een leven dat ik zelf gewild heb, toen ik dat eindelijk kon.

’s Avonds in de woonkeuken, waarheen ik het glas dat ik was voorzichtig, zonder knoeien had gedragen, gebeurde hetzelfde-anders opnieuw. Liggend in een soort schommelstoel zie  ik hoe Max een cd-tje uitzoekt en op zet, waarna hij aan de afwas gaat; ik had gekookt. Een moment van zo volmaakte huiselijkheid, dat me opnieuw doet overstromen. Net als aan de oever van de Kineret verlang ik naar eeuwigheid.

En toch: juist op deze plek woog de morele last van mijn verbondenheid met de geschiedenis van dit land zwaarder dan ooit en elders. Bar Giora ligt namelijk vlak naast de bestandslijn van 1949. Dat wil zeggen dat de grond daar ons niet is gegeven op basis van het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947. Het behoort tot de gebieden die zijn veroverd in de oorlog tegen de omringende landen, die volgde op de onafhankelijkheidsverklaring van 15 mei 1948. Hier hebben oorspronkelijke bewoners hun huizen moeten verlaten en ik merk hoe dat op mij drukt.

Wanneer ik op een avond de streek verken via Wikipedia, stuit ik op een intrigerende titel: All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948. Walid Khalidi beschrijft het oorspronkelijke dorp Allar in 1992 met de woorden: “Stone rubble, concrete blocks and slabs, and steel bars litter the site, together with the remains of stone terraces and walls. One domed stone structure, the former school building, still stands. On the slopes overlooking the site, almond and cypress trees and cactuses grow along the terraces.” Ergens denkt iemand met heimwee aan dit dorp, denk ik dan.

Er schuilt een zekere rechtvaardigheid in het feit dat deze plek op de aarde is gegeven aan andere verdrevenen, de Joden uit Marokko. Een vijftigtal gezinnen, met mooie mocro-joodse namen als Souissa, Ouaknine en Azulay, hebben hier een nieuw leven op kunnen bouwen. Zevenhonderdduizend Joden heeft de Arabische wereld uitgespuugd in de twee decennia volgend op de stichting van de staat en Israël heeft het leeuwendeel ervan kunnen opnemen. Tegelijkertijd houden de Arabische landen, met steun van de internationale gemeenschap, een ander vluchtelingenprobleem kunstmatig in stand. Wat is rechtvaardig? Welk recht is rechtvaardig?

Het is goed dat het Jodendom ons verbiedt om ons te verheugen over de nederlaag van onze vijanden, al moet ik zeggen dat ik van nature moeite heb met het innemen van ruimte waar ook anderen aanspraak op maken. Toch is daar geen ontkomen aan. In het klein kom ik een heel eind met het organiseren van een zo conflictloos mogelijk leven, maar als deel van mijn volk ontkom ik er niet aan. Max probeert me wel een uitweg te bieden, door te zeggen dat ik hier een betrokkene ben, maar geen partij. Ik ervaar dat anders, telkens wanneer de moslims onder mijn cliënten  – die zich vaak heel sterk met ‘de Palestijnse zaak’ identificeren – mij zeggen dat wij het gestolen land terug moeten geven of dat wij helaas niks van de Sjoa geleerd hebben en nu zelf nazi’s zijn. Dan heb ik alleen maar gezegd dat ik joods ben.

Kritiek op Israël moet kunnen, natuurlijk. Zelf ben ik ook niet gelukkig met de dominantie van rechts en van de ultra-orthodoxie. En het nederzettingenbeleid, tja. Maar waar gaat kritiek over in anti-zionisme en hoe vaak ligt daaraan anti-semitisme ten grondslag? In een poging Palestijnen te begrijpen kijk ik naar YouTube-filmpjes en huiver bij de onverbloemde haat en fundamentele onverzoenlijkheid die daarin de boventoon voeren. Het lukt me niet om de selectieve verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties en de VN Veiligheidsraad te begrijpen.

Al die gemengde gevoelens zijn soms lastig te herbergen. En toch betrap ik me er regelmatig op dat ik droom van een oude dag in Haïfa, of in Bar Giora.

Read Full Post »

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

Read Full Post »

 

Terwijl premier Mark Rutte gisteren bij het Auschwitz-monument plechtig speechte over “het Grote Kwaad en de kleine goedheid“, was ik heel ergens anders, proberend een kleine goedheid te doen. God zegene ook die greep. Ondertussen vroeg ik me af wat precies de goede bedoelingen zijn van historicus Keith Lowe, die een boek van 560 bladzijden heeft geschreven over de psychologische en filosofische erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In een interview in NRC waarschuwt hij ons voor wat volgens hem het Grote Gevaar is: de mythe van het slachtoffer. Hoe nieuw is dat?

Ik herinner me dat ik in 1985 als figurant – in een dubieuze rol! – mee speelde in de film In de Schaduw van de Overwinning. Vanaf die tijd ontstond de mode om goed en kwaad als onontwarbaar met elkaar verstrengeld te zien. Weg helden, weg monsters en weg slachtoffers. Ergens was ook ik een beetje opgelucht, want ik had me altijd wat ogenmakkelijk gevoeld bij het aanhoren van die jongensboekverhalen over het Nederlandse verzet in de jaren ’40-’45, zoals die op het calvinistische dorpje waar ik opgroeide rond 5 mei werden gedebiteerd.

Maar als ik nu deze Keith Lowe over de mythe van het slachtoffer hoor, bekruipt me een veel griezeliger gevoel van Unheimlichkeit. Misschien moet ik maar hopen dat hij het niet zo bedoelt. Misschien ligt het aan de interviewer. Of aan het ontbreken van het grote verband. Hoe kunnen anders dit soort insinuerende zinnen ontstaan?

Ze [de Holocaust-overlevenden] waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen. (. . .) Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin  dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

Lowe lijkt bovendien te denken dat de Holocaust als genocide een uitvinding van de staat israël is:

De Holocaust was voortaan [na het Eichmann-proces] niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie.

En dat alle slachtoffers, “misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid” dragen.

Vanmorgen zat ik tegenover zo’n slachtoffer. Voordat ik hem onder de douche hielp, vertelde hij me het verhaal van zijn wonderbaarlijke ontsnapping uit de “crêche” aan de Plantage Middenlaan, hij was toen een jaar of dertien. “Een dociel zootje waren we, destijds. Er werd gezegd dat ik me moest melden, anders zouden ze mijn zuster weghalen. Dus meldde ik me. En wat zo gek was: ik mocht daar gewoon in en uit lopen. Misschien was dat vanwege mijn vriendje, die zijn zus het met een Duitse officier had aangelegd. Op een dag was ik weggegaan naar de Hofmeijerstraat en ergens in de middag zou ik terug gaan, maar toen kwam ik iemand tegen, die me zei dat ik dat niet moest doen, omdat net de hele boel werd weggehaald. Dus ik ging naar mijn zus, die ons daarna hielp onderduiken. Zij in Limburg, ik in Overijssel. Ik stapte in de tram en legde 11 cent op het bord bij de conducteur. Die keek me strak aan en fluisterde: ‘Het kost tegenwoordig 14 cent.’ Hij had wel een idee, waarom ik dat niet wist. Die vrouw in Overijssel was een heel naar mens, maar ze heeft wel mijn leven gered.”

Dan gaat hij verder over zijn eigen verbijstering achteraf. “Er was vooral een grote onverschilligheid, maar er waren ook goeie mensen. En die hoorden daar niet bij!” In die laatste woorden ligt de grote emotie: hoe krijg je zo’n barst in je wereldbeeld weer heel? “Nooit,” is zijn antwoord, “dat kan je nooit verwerken.” Die onverschilligheid, die mis ik in de mythologie van Keith Lowe, en in de heldenverhalen van mijn dorp. De omkering ervan hoor ik in de ferme taal van Mark Rutte: “Anti-semitisme is iets dat niet alleen van de wet niet mag, maar ook van ons niet; wij met ons zeventien miljoen.” Als het ooit weer nodig is, laten er dan veel nare mensen zijn, met allemaal een beetje van die “kleine goedheid”.

Read Full Post »

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Read Full Post »

Older Posts »