Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘politiek’ Category

Worstelingen

 

“Daarom kan je je ook maar het best verre houden van die hele bliksemse boel,” zei de hoogleraar in ruste, terwijl hij opstond, nadat ik hem de ogen gedruppeld had. Heel even meende ik, dat ik een felle flits over zijn doorgaans zeer vriendelijke gelaat zag schieten. We hadden het over godsdienstigheid en atheïsme en over de onvrijheid die deze beiden vaak met zich mee brengen. In zijn achterhoofd speelde nog mee dat we ons gesprek waren begonnen bij de commotie, die de afgelopen week in de kolommen van alle kranten had gewoed, naar aanleiding van de ondertekening van de zogeheten Nasville-verklaring door een aantal Reformatorische predikanten en een enkele politicus. Met name onder de columnisten was er niemand die het er niet over had gehad.

Hoewel ik als godsdienstige lhbt-er langs twee kanten belanghebbende ben in deze kwestie, heb ik liever gewacht tot de storm wat ging liggen, voordat ik hier op mijn bescheiden plekje een bescheiden duit in het zakje ga doen. Wat niet betekent dat ik niet met wijdopen ogen heb gevolgd wat er allemaal geschreven werd. Daarbij viel me op dat de mensen die niet godsdienstig en niet seksueel anders geaard waren vaak juist het hoogste woord hadden. Youp, de man die ooit probeerde het woord “reetridder” salonfähig te maken, liet luide winden als “middeleeuwse Van der Staaijtjes” en “plukje fossielen” en “haatbaardjurken”, en dacht dat hij amicaal kon doen door met termen als “vette pot” en “tochtige vriendinnen” te smijten. Student Tristan Ober verlegde het probleem naar de stilte die op dit belangrijke moment in het anti-islam kamp leek te heersen. De anonieme commentator van NRC kopte: “Gereformeerden passen [sic] terughoudendheid en respect voor lhbtiq+”.

Net als bij de discussie over het verbieden van de rituele slacht, waar het al gauw niet meer om de dieren ging, ging dit gekrakeel grotendeels over de hoofden van de lhbt-ers heen. De Verlichting heeft geen eind aan de godsdiensttwisten gemaakt, maar is zelf een godsdienst geworden. Waar moet een mens naartoe, als hij zich verre wil  houden van “die hele bliksemse boel”? Gelukkig kwam ik één iemand tegen onder de columnisten, die door een samengaan van betrokkenheid en de juiste mate van distantie tot wijze, of in ieder geval voor mij troostrijke woorden kwam:

Hoe je het ook wendt  of keert: seks is een moeilijk onderwerp. Sekse is dat ook. Dat zal wel altijd zo blijven, en gelukkig maar. Alleen is rondom deze twee thema’s tegenwoordig zoveel in beweging dat open gesprek erover geen kwaad kan. Het zou mooi zijn als de verschillende partijen zich daarbij zouden uitspreken over hun eigen worstelingen en ongemak. En laten ze ophouden lhbti-mensen als speelbal te gebruiken om hun eigen morele superioriteit te bewijzen.

Maxim Februari in NRC, 8 januari 2019

Worstelingen kwam ik weliswaar ook tegen in mijn krant, maar helaas alleen die van een reformatorische homo-man en van enkele gereformeerden die wat genuanceerder dachten dan de ondertekenaars van de Nasville-verklaring en hun secularistische evenbeelden. Vooruit, laat ik eens wat over mijn eigen worstelingen vertellen.

In het dorp waar ik ben opgegroeid en dat onder Synodaal Gereformeerden gekscherend “Urk II” werd genoemd, woonden twee homo’s en dat waren twee van mijn broers. Ach, misschien was die morsige oude man, bij wie de keuken vol hing met centerfolds van jonge popmusici het ook wel, maar wist ik veel? Ik had een vaag gevoel dat er ook bij mij iets niet klopte, maar had niet het idee dat “open gesprek erover” mij wat dat betreft verder zou brengen. Toen ik na een half leven van verknochtheid en aanpassing aan een ideaalbeeld van mezelf en hoe ik me het leven voorstelde, het roer eindelijk omgooide, waren mijn twee broers al lang dood. Het dorp was ver weg, maar een zorgvuldig gekoesterde wrok jegens de christelijke theologie waarin ik was gedrenkt, droeg ik nog als een steen op mijn hart. Ook de herinnering aan de pijnlijke ongemakkelijkheid en het gebrek aan “open gesprek” bleef.

Ik vond een herberg in wat de lhbt-gemeenschap wordt genoemd, maar ik moet u bekennen dat ik me ook daar wel eens onbegrepen heb gevoeld: godsdienstigheid en “worstelingen” zijn niet echt bon ton binnen een emancipatiebeweging. Soms zelfs onveilig: de sfeer waarin langs academische weg een lans werd gebroken voor het verlenen van “sexual citizenship” voor pedofielen riep bij mij te pijnlijke herinneringen wakker. Daarom: het onderwerp zal wel moeilijk blijven en dat “open gesprek” ook. Zeker niet alleen binnen orthodox-religieuze bolwerken. Het ergste is altijd en overal de peer pressure onder jongeren, die zich geen raad weten met wat natuur en hormonen voor hen in petto blijken te hebben. Die zijn niet geholpen met stoere theologie, maar ook niet met een al te triomfantelijk libertinisme. Wel met verhalen over “eigen worstelingen”. It gets better, zeggen ze in Amerika, en ze delen verhalen met elkaar.

 

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Bar Giora

 

In dit eenvoudige huisje heb ik misschien wel de mooiste momenten van mijn vakantie in Israël beleefd. Bij het kantelen van de dag in de avond zat ik in een oude strandstoel in de tuin. Ik was niet leeg, zoals Herman de Coninck in zijn Ligstoel, maar voelde wel hoe ik volgegoten werd met het besef van mijn persoonlijk geluk. Schuimend ging het over de randen. Ho! Stop! had ik moeten zeggen, maar ik was al tezeer overweldigd. Hier te mogen zijn, badend in weelde en zacht zonlicht van vijf uur. In geuren en kleuren vertelt de tuin me waar ik ben.  Aangeland in een leven dat ik zelf gewild heb, toen ik dat eindelijk kon.

’s Avonds in de woonkeuken, waarheen ik het glas dat ik was voorzichtig, zonder knoeien had gedragen, gebeurde hetzelfde-anders opnieuw. Liggend in een soort schommelstoel zie  ik hoe Max een cd-tje uitzoekt en op zet, waarna hij aan de afwas gaat; ik had gekookt. Een moment van zo volmaakte huiselijkheid, dat me opnieuw doet overstromen. Net als aan de oever van de Kineret verlang ik naar eeuwigheid.

En toch: juist op deze plek woog de morele last van mijn verbondenheid met de geschiedenis van dit land zwaarder dan ooit en elders. Bar Giora ligt namelijk vlak naast de bestandslijn van 1949. Dat wil zeggen dat de grond daar ons niet is gegeven op basis van het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947. Het behoort tot de gebieden die zijn veroverd in de oorlog tegen de omringende landen, die volgde op de onafhankelijkheidsverklaring van 15 mei 1948. Hier hebben oorspronkelijke bewoners hun huizen moeten verlaten en ik merk hoe dat op mij drukt.

Wanneer ik op een avond de streek verken via Wikipedia, stuit ik op een intrigerende titel: All That Remains: The Palestinian Villages Occupied and Depopulated by Israel in 1948. Walid Khalidi beschrijft het oorspronkelijke dorp Allar in 1992 met de woorden: “Stone rubble, concrete blocks and slabs, and steel bars litter the site, together with the remains of stone terraces and walls. One domed stone structure, the former school building, still stands. On the slopes overlooking the site, almond and cypress trees and cactuses grow along the terraces.” Ergens denkt iemand met heimwee aan dit dorp, denk ik dan.

Er schuilt een zekere rechtvaardigheid in het feit dat deze plek op de aarde is gegeven aan andere verdrevenen, de Joden uit Marokko. Een vijftigtal gezinnen, met mooie mocro-joodse namen als Souissa, Ouaknine en Azulay, hebben hier een nieuw leven op kunnen bouwen. Zevenhonderdduizend Joden heeft de Arabische wereld uitgespuugd in de twee decennia volgend op de stichting van de staat en Israël heeft het leeuwendeel ervan kunnen opnemen. Tegelijkertijd houden de Arabische landen, met steun van de internationale gemeenschap, een ander vluchtelingenprobleem kunstmatig in stand. Wat is rechtvaardig? Welk recht is rechtvaardig?

Het is goed dat het Jodendom ons verbiedt om ons te verheugen over de nederlaag van onze vijanden, al moet ik zeggen dat ik van nature moeite heb met het innemen van ruimte waar ook anderen aanspraak op maken. Toch is daar geen ontkomen aan. In het klein kom ik een heel eind met het organiseren van een zo conflictloos mogelijk leven, maar als deel van mijn volk ontkom ik er niet aan. Max probeert me wel een uitweg te bieden, door te zeggen dat ik hier een betrokkene ben, maar geen partij. Ik ervaar dat anders, telkens wanneer de moslims onder mijn cliënten  – die zich vaak heel sterk met ‘de Palestijnse zaak’ identificeren – mij zeggen dat wij het gestolen land terug moeten geven of dat wij helaas niks van de Sjoa geleerd hebben en nu zelf nazi’s zijn. Dan heb ik alleen maar gezegd dat ik joods ben.

Kritiek op Israël moet kunnen, natuurlijk. Zelf ben ik ook niet gelukkig met de dominantie van rechts en van de ultra-orthodoxie. En het nederzettingenbeleid, tja. Maar waar gaat kritiek over in anti-zionisme en hoe vaak ligt daaraan anti-semitisme ten grondslag? In een poging Palestijnen te begrijpen kijk ik naar YouTube-filmpjes en huiver bij de onverbloemde haat en fundamentele onverzoenlijkheid die daarin de boventoon voeren. Het lukt me niet om de selectieve verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties en de VN Veiligheidsraad te begrijpen.

Al die gemengde gevoelens zijn soms lastig te herbergen. En toch betrap ik me er regelmatig op dat ik droom van een oude dag in Haïfa, of in Bar Giora.

Read Full Post »

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

Read Full Post »

 

Terwijl premier Mark Rutte gisteren bij het Auschwitz-monument plechtig speechte over “het Grote Kwaad en de kleine goedheid“, was ik heel ergens anders, proberend een kleine goedheid te doen. God zegene ook die greep. Ondertussen vroeg ik me af wat precies de goede bedoelingen zijn van historicus Keith Lowe, die een boek van 560 bladzijden heeft geschreven over de psychologische en filosofische erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In een interview in NRC waarschuwt hij ons voor wat volgens hem het Grote Gevaar is: de mythe van het slachtoffer. Hoe nieuw is dat?

Ik herinner me dat ik in 1985 als figurant – in een dubieuze rol! – mee speelde in de film In de Schaduw van de Overwinning. Vanaf die tijd ontstond de mode om goed en kwaad als onontwarbaar met elkaar verstrengeld te zien. Weg helden, weg monsters en weg slachtoffers. Ergens was ook ik een beetje opgelucht, want ik had me altijd wat ogenmakkelijk gevoeld bij het aanhoren van die jongensboekverhalen over het Nederlandse verzet in de jaren ’40-’45, zoals die op het calvinistische dorpje waar ik opgroeide rond 5 mei werden gedebiteerd.

Maar als ik nu deze Keith Lowe over de mythe van het slachtoffer hoor, bekruipt me een veel griezeliger gevoel van Unheimlichkeit. Misschien moet ik maar hopen dat hij het niet zo bedoelt. Misschien ligt het aan de interviewer. Of aan het ontbreken van het grote verband. Hoe kunnen anders dit soort insinuerende zinnen ontstaan?

Ze [de Holocaust-overlevenden] waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen. (. . .) Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin  dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

Lowe lijkt bovendien te denken dat de Holocaust als genocide een uitvinding van de staat israël is:

De Holocaust was voortaan [na het Eichmann-proces] niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie.

En dat alle slachtoffers, “misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid” dragen.

Vanmorgen zat ik tegenover zo’n slachtoffer. Voordat ik hem onder de douche hielp, vertelde hij me het verhaal van zijn wonderbaarlijke ontsnapping uit de “crêche” aan de Plantage Middenlaan, hij was toen een jaar of dertien. “Een dociel zootje waren we, destijds. Er werd gezegd dat ik me moest melden, anders zouden ze mijn zuster weghalen. Dus meldde ik me. En wat zo gek was: ik mocht daar gewoon in en uit lopen. Misschien was dat vanwege mijn vriendje, die zijn zus het met een Duitse officier had aangelegd. Op een dag was ik weggegaan naar de Hofmeijerstraat en ergens in de middag zou ik terug gaan, maar toen kwam ik iemand tegen, die me zei dat ik dat niet moest doen, omdat net de hele boel werd weggehaald. Dus ik ging naar mijn zus, die ons daarna hielp onderduiken. Zij in Limburg, ik in Overijssel. Ik stapte in de tram en legde 11 cent op het bord bij de conducteur. Die keek me strak aan en fluisterde: ‘Het kost tegenwoordig 14 cent.’ Hij had wel een idee, waarom ik dat niet wist. Die vrouw in Overijssel was een heel naar mens, maar ze heeft wel mijn leven gered.”

Dan gaat hij verder over zijn eigen verbijstering achteraf. “Er was vooral een grote onverschilligheid, maar er waren ook goeie mensen. En die hoorden daar niet bij!” In die laatste woorden ligt de grote emotie: hoe krijg je zo’n barst in je wereldbeeld weer heel? “Nooit,” is zijn antwoord, “dat kan je nooit verwerken.” Die onverschilligheid, die mis ik in de mythologie van Keith Lowe, en in de heldenverhalen van mijn dorp. De omkering ervan hoor ik in de ferme taal van Mark Rutte: “Anti-semitisme is iets dat niet alleen van de wet niet mag, maar ook van ons niet; wij met ons zeventien miljoen.” Als het ooit weer nodig is, laten er dan veel nare mensen zijn, met allemaal een beetje van die “kleine goedheid”.

Read Full Post »

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Older Posts »