Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘politiek’ Category

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Advertenties

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Hamannetjes

04032017

Nog een dag of tien, dan moeten we stemmen. (Moeten? Ja, ik vind van wel.) Overal waar ik kom draaien televisietoestellen op volle toeren en ook mijn digitale courant heeft het er maar druk mee. Dat zie ik allemaal vanuit een ooghoek, terwijl ik druk doende ben mijn draai te vinden in mijn nieuwe werkkring en me op stillere momenten afvraag waar mijn eigen leven ook alweer over ging. Terwijl ik een zaterdags ommetje loop, loopt mijn hoofd ook om, van dit alles en nog wat. In het kringelen en kronkelen van mijn gedachten passeer ik telkens opnieuw de vraag: op wie moet ik stemmen?

Een week of wat geleden dacht ik het opeens te weten. Mijn stem was voor Ada Gerkens (SP). Het zou een beloningsstem zijn. Dat had te maken met iets waarvan ik hoop dat het de geschiedenis in zal gaan als de motie-Gerkens. Twee en een half jaar heeft het geduurd, maar dankzij die motie is er een degelijk rapport van het Rathenau Instituut verschenen, dat de regering op het hart drukt onze rechtsstaat te beschermen tegen al die bedrijven die het op onze data gemunt hebben. Ik hoop dat het niet nog een keer twee en een half jaar gaat duren, voordat dit thema echt op de agenda staat, want die snelle jongens in Sylicon Valley zijn ons al te lang te snel af.

Wat later las ik een interview met Joël Voordewind (CU) en sindsdien vond ik dat ik zijn partij maar eens moest steunen met mijn kostbare stem. Waarom? Om dat beetje tegenwicht tegen mijn goed bedoelende linkse vrienden, die denken dat zij met steun aan de BDS-campagne een van de lastigste conflicten in het Midden-Oosten kunnen oplossen. En tegen de betweterige achteloosheid, waarmee iedere kiloknallerkanende Nederlander met een verbod op ritueel slachten een aflaat voor zijn schuld aan dierenleed denkt te kunnen kopen. Of tegen de verwoede secularisten en euthanasiasten, die geen maat weten in hun streven de mens tot maat van alle dingen te maken. Toen ik de ChristenUnie in een kieswijzer bijna exact op het snijpunt van de assen progressief/conservatief en links/rechts gepositioneerd zag, gaf dat zelfs een beetje thuisgevoel.

Maar de Partij van de Arbeid dan? Van de kieswijzers zou ik haar best trouw mogen blijven. En toch: Asscher is geen Job Cohen en de partij is al lang niet meer wat ze geweest is. Trouwens, mijn eigen nostalgie ook al niet meer. Dat men van het idee voor een bindend referendum is afgestapt, daar word ik wel weer een beetje warmer van. De politiek zou misschien wel iets sneller mogen, maar het moet geen clicktivism worden.

Een paar dagen voor de verkiezingen is het Poerim. Eerlijk gezegd ben ik – nebbisj – niet zo in de stemming om me te gaan verkleden en op commando gek te doen. Aan de andere kant is het een religieuze plicht om me, samen met de anderen in de queer corner van mijn sjoel, eens goed vol te gieten. Tot ik het verschil tussen Mordechaï en Haman (boeoeoe!!!) niet meer weet. Nou goed, met een paar dagen om het delier weer te boven te komen is het misschien wel te doen. Op 15 maart is het wel zaak om te weten wie Haman (boeoeoe!!!) ook al weer was. En is.

Lees het verhaal van Esther, zou ik kunnen zeggen. Dat is beter dan dat ik het samenvat. Wel wil ik verklappen dat het over deze verkiezingsstrijd gaat. Want die gaat bijna over niets anders dan over identiteit. En dan zie ik opeens heel veel Haman(boeoeoe!!!)netjes. Mannetjes (en vrouwtjes, op hun eeuwige tweede plaats) die wel weten wat de identiteit van ons land is of moet worden. Daar heb ik al vaker op gemopperd, dus nu maar even niet. Als het kon zou ik stemmen op Rosanne Hertzberger, met wie ik het  vaak oneens ben, maar vandaag even niet. Lees haar pleidooi voor vrijheid in NRC van vandaag, waaruit ik citeer:

Vertrouwen, liefde, zorgzaamheid, aandacht – daar heeft PwC geen verstand van. Want dat staat niet op papier. Als je alleen maar naar het papier kijkt, is er altijd iets te regelen. Er is geen probleem te bedenken dat jij niet kan oplossen met een onderzoek, een beleidsplan of een wetsvoorstel. Je kunt altijd de hoepels verzetten, vernauwen of er een paar extra optuigen. Je kunt er een wortel achter hangen of gewoon straf uitdelen als mensen er niet door willen springen.

Haar stemadvies:

Ik stem op de politicus die als eerste zegt: die Nederlandse identiteit, dat is niet aan ons. We gaan het niet in kaart brengen, we gaan er geen beleidsplan over schrijven, we gaan het niet regelen. Uw identiteit is aan u, lieve Nederlander.

Read Full Post »

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

Read Full Post »

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Read Full Post »

Older Posts »