Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘politiek’ Category

 

Een kennis van me, ondertussen dik in de negentig, die Kamp Vught, Auschwitz en Ravensbrück heeft overleefd, noemt zichzelf “een seizoenarbeider”. “Van januari to mei heb ik het er razend druk mee, daarna helemaal niet meer.” Als een van de weinigen die het nog na kunnen vertellen zet zij zich in om de geschiedenis van de Joden tijdens het Nazi-regime onder de aandacht te houden. Zittend in een rolstoel op de eerste rij, kransen leggend, maar vooral vertellend aan de schoolklassen die rond deze tijd van het jaar de kampen bezoeken.

Het is me opgevallen dat er dit jaar veel seizoenarbeiders bij zijn gekomen. Dan heb ik het vooral over de opleving van de aandacht voor het toenemend antisemitisme. Na de Je suis Mireille-hype in Frankrijk struikelde ik in mijn krant in haast elke column over het woord. En iedereen was er natuurlijk falikant tegen. In het begin werd ik er zowaar een beetje warm van: er bleken opeens overal bondgenoten aan mijn kant te staan. Na een poosje begon ik echter schaduwzijden te zien.

Als ik goed keek leken mijn bondgenoten niet zozeer gekant tegen het antisemitisme, maar tegen de mensen aan de kant waar het antisemitisme vandaan kwam. Ze hadden het steevast over het bestrijden van antisemitisme, maar vonden het uiten van afkeer en het wijzen met de vinger meestal voldoende. Anti-antisemitisme. Ook in onze eigen gelederen, zoals in de kolommen van het Nieuw Israelietisch Weekblad tiert het welig. Misschien heeft Rabbijn Lody van de Kamp wel een punt, als hij zegt dat sommigen van ons er een hobby van maken.

Een tijd lang heb ook ik gedacht dat het is zoals je het ziet en door mijn ogen viel het allemaal nogal mee, in ieder geval in mijn omgeving. De oude Marokkaanse meneer, die jaren geleden al (politiek gecorrigeerd) figureerde in een ander blogbericht, blijft lachen en ik zie hem peilen of hij mij niet kwetst, wanneer hij oppert dat ik mijn (door hem gefantaseerde) huis in Israël maar gauw terug moet geven aan de Palestijnen. Maar bij dat rare liedje in die show van Sanne Wallis de Vries trok het bloed toch wel onder mijn huid weg, vooral toen niemand onder de niet-Joden leek te zien wat hier aan de weldenkende oppervlakte kwam. Dit gebeurde niet in de achterbuurten van het internet, maar op een nette tevee-zender. Brrr!!

Het was een anti-anticlimax, want daarna bleek het seizoen al snel echt voorbij. Dit blogbericht is een nabrander. Meningen vormen zich bij mij te traag voor een Twitter-account en soms zelfs te traag voor een zo persoonlijk reflectief weblog als dit. Bovendien, sinds kort heb ik mijn handen meer dan vol aan het op een behoorlijk praktisch niveau draaiend houden van de gemeenschap waartoe ik mij beken. Een arbeid, waarvan ik hoop dat zij mij zal adelen. Vanaf die werkplek zie ik gelukkig andere arbeiders en die stemmen me hoopvol. Ik ga er een paar noemen.

In het Nieuw Israelietisch Weekblad lees ik over een conferentie over antisemitisme, waarin de obligate afkeuring wordt overgeslagen. Dat scheelt, want dan is de kans groter dat je in de buurt van een remedie komt. Natuurlijk liet men ook daar de spierballen rollen, maar ik richt me liever op de lichtpunten:

  • Geef meer positieve informatie, zoals over de bijdrage die Joden hebben geleverd aan de westerse samenleving.
  • Blijf een-op-een de dialoog aangaan en betrek daar ook bijvoorbeeld ouders en andere leiders van de gemeenschap bij.

Heel dicht bij zie ik een hardwerkende moeder van twee jonge kinderen aan de weg timmeren met zelf ontwikkelde manieren om dialoog te bevroderen:

Chantal Suissa is programmaleider bij Nieuw Wij, een online platform dat culturen, religies, levensbeschouwingen en individuele burgers met elkaar verbindt. Ze gaf cursussen op scholen, bij maatschappelijke instellingen en buurthuizen, maar ook aan geestelijk leiders als imams en rabbijnen. De methode ‘Effectief Nuanceren’ ontwikkelde ze in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken om docenten te helpen bij het voeren van moeilijke gesprekken. Eerder voerde ze het bekroonde project ‘Leer je buren kennen’ uit. Daarin bezochten honderden Amsterdamse scholieren de Liberaal Joodse Gemeente. Chantal is ook initiatiefnemer van Mo en Moos, een ontmoetingsproject tussen Joden en Moslims in Amsterdam. 

Google eens naar haar, of lees tenminste dit interview. Het seizoen is voorbij, maar het werk niet

 

Advertenties

Read Full Post »

 

Terwijl premier Mark Rutte gisteren bij het Auschwitz-monument plechtig speechte over “het Grote Kwaad en de kleine goedheid“, was ik heel ergens anders, proberend een kleine goedheid te doen. God zegene ook die greep. Ondertussen vroeg ik me af wat precies de goede bedoelingen zijn van historicus Keith Lowe, die een boek van 560 bladzijden heeft geschreven over de psychologische en filosofische erfenis van de Tweede Wereldoorlog. In een interview in NRC waarschuwt hij ons voor wat volgens hem het Grote Gevaar is: de mythe van het slachtoffer. Hoe nieuw is dat?

Ik herinner me dat ik in 1985 als figurant – in een dubieuze rol! – mee speelde in de film In de Schaduw van de Overwinning. Vanaf die tijd ontstond de mode om goed en kwaad als onontwarbaar met elkaar verstrengeld te zien. Weg helden, weg monsters en weg slachtoffers. Ergens was ook ik een beetje opgelucht, want ik had me altijd wat ogenmakkelijk gevoeld bij het aanhoren van die jongensboekverhalen over het Nederlandse verzet in de jaren ’40-’45, zoals die op het calvinistische dorpje waar ik opgroeide rond 5 mei werden gedebiteerd.

Maar als ik nu deze Keith Lowe over de mythe van het slachtoffer hoor, bekruipt me een veel griezeliger gevoel van Unheimlichkeit. Misschien moet ik maar hopen dat hij het niet zo bedoelt. Misschien ligt het aan de interviewer. Of aan het ontbreken van het grote verband. Hoe kunnen anders dit soort insinuerende zinnen ontstaan?

Ze [de Holocaust-overlevenden] waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen. (. . .) Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin  dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

Lowe lijkt bovendien te denken dat de Holocaust als genocide een uitvinding van de staat israël is:

De Holocaust was voortaan [na het Eichmann-proces] niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie.

En dat alle slachtoffers, “misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid” dragen.

Vanmorgen zat ik tegenover zo’n slachtoffer. Voordat ik hem onder de douche hielp, vertelde hij me het verhaal van zijn wonderbaarlijke ontsnapping uit de “crêche” aan de Plantage Middenlaan, hij was toen een jaar of dertien. “Een dociel zootje waren we, destijds. Er werd gezegd dat ik me moest melden, anders zouden ze mijn zuster weghalen. Dus meldde ik me. En wat zo gek was: ik mocht daar gewoon in en uit lopen. Misschien was dat vanwege mijn vriendje, die zijn zus het met een Duitse officier had aangelegd. Op een dag was ik weggegaan naar de Hofmeijerstraat en ergens in de middag zou ik terug gaan, maar toen kwam ik iemand tegen, die me zei dat ik dat niet moest doen, omdat net de hele boel werd weggehaald. Dus ik ging naar mijn zus, die ons daarna hielp onderduiken. Zij in Limburg, ik in Overijssel. Ik stapte in de tram en legde 11 cent op het bord bij de conducteur. Die keek me strak aan en fluisterde: ‘Het kost tegenwoordig 14 cent.’ Hij had wel een idee, waarom ik dat niet wist. Die vrouw in Overijssel was een heel naar mens, maar ze heeft wel mijn leven gered.”

Dan gaat hij verder over zijn eigen verbijstering achteraf. “Er was vooral een grote onverschilligheid, maar er waren ook goeie mensen. En die hoorden daar niet bij!” In die laatste woorden ligt de grote emotie: hoe krijg je zo’n barst in je wereldbeeld weer heel? “Nooit,” is zijn antwoord, “dat kan je nooit verwerken.” Die onverschilligheid, die mis ik in de mythologie van Keith Lowe, en in de heldenverhalen van mijn dorp. De omkering ervan hoor ik in de ferme taal van Mark Rutte: “Anti-semitisme is iets dat niet alleen van de wet niet mag, maar ook van ons niet; wij met ons zeventien miljoen.” Als het ooit weer nodig is, laten er dan veel nare mensen zijn, met allemaal een beetje van die “kleine goedheid”.

Read Full Post »

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Hamannetjes

04032017

Nog een dag of tien, dan moeten we stemmen. (Moeten? Ja, ik vind van wel.) Overal waar ik kom draaien televisietoestellen op volle toeren en ook mijn digitale courant heeft het er maar druk mee. Dat zie ik allemaal vanuit een ooghoek, terwijl ik druk doende ben mijn draai te vinden in mijn nieuwe werkkring en me op stillere momenten afvraag waar mijn eigen leven ook alweer over ging. Terwijl ik een zaterdags ommetje loop, loopt mijn hoofd ook om, van dit alles en nog wat. In het kringelen en kronkelen van mijn gedachten passeer ik telkens opnieuw de vraag: op wie moet ik stemmen?

Een week of wat geleden dacht ik het opeens te weten. Mijn stem was voor Ada Gerkens (SP). Het zou een beloningsstem zijn. Dat had te maken met iets waarvan ik hoop dat het de geschiedenis in zal gaan als de motie-Gerkens. Twee en een half jaar heeft het geduurd, maar dankzij die motie is er een degelijk rapport van het Rathenau Instituut verschenen, dat de regering op het hart drukt onze rechtsstaat te beschermen tegen al die bedrijven die het op onze data gemunt hebben. Ik hoop dat het niet nog een keer twee en een half jaar gaat duren, voordat dit thema echt op de agenda staat, want die snelle jongens in Sylicon Valley zijn ons al te lang te snel af.

Wat later las ik een interview met Joël Voordewind (CU) en sindsdien vond ik dat ik zijn partij maar eens moest steunen met mijn kostbare stem. Waarom? Om dat beetje tegenwicht tegen mijn goed bedoelende linkse vrienden, die denken dat zij met steun aan de BDS-campagne een van de lastigste conflicten in het Midden-Oosten kunnen oplossen. En tegen de betweterige achteloosheid, waarmee iedere kiloknallerkanende Nederlander met een verbod op ritueel slachten een aflaat voor zijn schuld aan dierenleed denkt te kunnen kopen. Of tegen de verwoede secularisten en euthanasiasten, die geen maat weten in hun streven de mens tot maat van alle dingen te maken. Toen ik de ChristenUnie in een kieswijzer bijna exact op het snijpunt van de assen progressief/conservatief en links/rechts gepositioneerd zag, gaf dat zelfs een beetje thuisgevoel.

Maar de Partij van de Arbeid dan? Van de kieswijzers zou ik haar best trouw mogen blijven. En toch: Asscher is geen Job Cohen en de partij is al lang niet meer wat ze geweest is. Trouwens, mijn eigen nostalgie ook al niet meer. Dat men van het idee voor een bindend referendum is afgestapt, daar word ik wel weer een beetje warmer van. De politiek zou misschien wel iets sneller mogen, maar het moet geen clicktivism worden.

Een paar dagen voor de verkiezingen is het Poerim. Eerlijk gezegd ben ik – nebbisj – niet zo in de stemming om me te gaan verkleden en op commando gek te doen. Aan de andere kant is het een religieuze plicht om me, samen met de anderen in de queer corner van mijn sjoel, eens goed vol te gieten. Tot ik het verschil tussen Mordechaï en Haman (boeoeoe!!!) niet meer weet. Nou goed, met een paar dagen om het delier weer te boven te komen is het misschien wel te doen. Op 15 maart is het wel zaak om te weten wie Haman (boeoeoe!!!) ook al weer was. En is.

Lees het verhaal van Esther, zou ik kunnen zeggen. Dat is beter dan dat ik het samenvat. Wel wil ik verklappen dat het over deze verkiezingsstrijd gaat. Want die gaat bijna over niets anders dan over identiteit. En dan zie ik opeens heel veel Haman(boeoeoe!!!)netjes. Mannetjes (en vrouwtjes, op hun eeuwige tweede plaats) die wel weten wat de identiteit van ons land is of moet worden. Daar heb ik al vaker op gemopperd, dus nu maar even niet. Als het kon zou ik stemmen op Rosanne Hertzberger, met wie ik het  vaak oneens ben, maar vandaag even niet. Lees haar pleidooi voor vrijheid in NRC van vandaag, waaruit ik citeer:

Vertrouwen, liefde, zorgzaamheid, aandacht – daar heeft PwC geen verstand van. Want dat staat niet op papier. Als je alleen maar naar het papier kijkt, is er altijd iets te regelen. Er is geen probleem te bedenken dat jij niet kan oplossen met een onderzoek, een beleidsplan of een wetsvoorstel. Je kunt altijd de hoepels verzetten, vernauwen of er een paar extra optuigen. Je kunt er een wortel achter hangen of gewoon straf uitdelen als mensen er niet door willen springen.

Haar stemadvies:

Ik stem op de politicus die als eerste zegt: die Nederlandse identiteit, dat is niet aan ons. We gaan het niet in kaart brengen, we gaan er geen beleidsplan over schrijven, we gaan het niet regelen. Uw identiteit is aan u, lieve Nederlander.

Read Full Post »

Older Posts »