Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘politiek’ Category

Hamannetjes

04032017

Nog een dag of tien, dan moeten we stemmen. (Moeten? Ja, ik vind van wel.) Overal waar ik kom draaien televisietoestellen op volle toeren en ook mijn digitale courant heeft het er maar druk mee. Dat zie ik allemaal vanuit een ooghoek, terwijl ik druk doende ben mijn draai te vinden in mijn nieuwe werkkring en me op stillere momenten afvraag waar mijn eigen leven ook alweer over ging. Terwijl ik een zaterdags ommetje loop, loopt mijn hoofd ook om, van dit alles en nog wat. In het kringelen en kronkelen van mijn gedachten passeer ik telkens opnieuw de vraag: op wie moet ik stemmen?

Een week of wat geleden dacht ik het opeens te weten. Mijn stem was voor Ada Gerkens (SP). Het zou een beloningsstem zijn. Dat had te maken met iets waarvan ik hoop dat het de geschiedenis in zal gaan als de motie-Gerkens. Twee en een half jaar heeft het geduurd, maar dankzij die motie is er een degelijk rapport van het Rathenau Instituut verschenen, dat de regering op het hart drukt onze rechtsstaat te beschermen tegen al die bedrijven die het op onze data gemunt hebben. Ik hoop dat het niet nog een keer twee en een half jaar gaat duren, voordat dit thema echt op de agenda staat, want die snelle jongens in Sylicon Valley zijn ons al te lang te snel af.

Wat later las ik een interview met Joël Voordewind (CU) en sindsdien vond ik dat ik zijn partij maar eens moest steunen met mijn kostbare stem. Waarom? Om dat beetje tegenwicht tegen mijn goed bedoelende linkse vrienden, die denken dat zij met steun aan de BDS-campagne een van de lastigste conflicten in het Midden-Oosten kunnen oplossen. En tegen de betweterige achteloosheid, waarmee iedere kiloknallerkanende Nederlander met een verbod op ritueel slachten een aflaat voor zijn schuld aan dierenleed denkt te kunnen kopen. Of tegen de verwoede secularisten en euthanasiasten, die geen maat weten in hun streven de mens tot maat van alle dingen te maken. Toen ik de ChristenUnie in een kieswijzer bijna exact op het snijpunt van de assen progressief/conservatief en links/rechts gepositioneerd zag, gaf dat zelfs een beetje thuisgevoel.

Maar de Partij van de Arbeid dan? Van de kieswijzers zou ik haar best trouw mogen blijven. En toch: Asscher is geen Job Cohen en de partij is al lang niet meer wat ze geweest is. Trouwens, mijn eigen nostalgie ook al niet meer. Dat men van het idee voor een bindend referendum is afgestapt, daar word ik wel weer een beetje warmer van. De politiek zou misschien wel iets sneller mogen, maar het moet geen clicktivism worden.

Een paar dagen voor de verkiezingen is het Poerim. Eerlijk gezegd ben ik – nebbisj – niet zo in de stemming om me te gaan verkleden en op commando gek te doen. Aan de andere kant is het een religieuze plicht om me, samen met de anderen in de queer corner van mijn sjoel, eens goed vol te gieten. Tot ik het verschil tussen Mordechaï en Haman (boeoeoe!!!) niet meer weet. Nou goed, met een paar dagen om het delier weer te boven te komen is het misschien wel te doen. Op 15 maart is het wel zaak om te weten wie Haman (boeoeoe!!!) ook al weer was. En is.

Lees het verhaal van Esther, zou ik kunnen zeggen. Dat is beter dan dat ik het samenvat. Wel wil ik verklappen dat het over deze verkiezingsstrijd gaat. Want die gaat bijna over niets anders dan over identiteit. En dan zie ik opeens heel veel Haman(boeoeoe!!!)netjes. Mannetjes (en vrouwtjes, op hun eeuwige tweede plaats) die wel weten wat de identiteit van ons land is of moet worden. Daar heb ik al vaker op gemopperd, dus nu maar even niet. Als het kon zou ik stemmen op Rosanne Hertzberger, met wie ik het  vaak oneens ben, maar vandaag even niet. Lees haar pleidooi voor vrijheid in NRC van vandaag, waaruit ik citeer:

Vertrouwen, liefde, zorgzaamheid, aandacht – daar heeft PwC geen verstand van. Want dat staat niet op papier. Als je alleen maar naar het papier kijkt, is er altijd iets te regelen. Er is geen probleem te bedenken dat jij niet kan oplossen met een onderzoek, een beleidsplan of een wetsvoorstel. Je kunt altijd de hoepels verzetten, vernauwen of er een paar extra optuigen. Je kunt er een wortel achter hangen of gewoon straf uitdelen als mensen er niet door willen springen.

Haar stemadvies:

Ik stem op de politicus die als eerste zegt: die Nederlandse identiteit, dat is niet aan ons. We gaan het niet in kaart brengen, we gaan er geen beleidsplan over schrijven, we gaan het niet regelen. Uw identiteit is aan u, lieve Nederlander.

Read Full Post »

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

Read Full Post »

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Read Full Post »

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

15102016

 

Een paar dagen geleden stond ik met een boekje in mijn handen, dat ik had opgediept uit een kuubskist met daarin de bibliotheek van een onbekende overledene. Met de bedoeling het te kopen (voor 1 euro) liep ik de hele uitdragerij door met dat boekje in mijn hand, maar aan het eind van mijn rondgang legde ik het terug. Immers, “van vele boeken te maken is geen einde en veel lezen is vermoeiing des vlezes.” Achteraf heb ik er spijt van. Het droeg de intrigerende titel Het recht om pessimist te zijn en was geschreven door M.S.Arnoni. “De veertig jaar die verstreken zijn sedert mijn bevrijding uit een Nazi-concentratiekamp, hebben mij van een verstokt optimist tot een overtuigd pessimist gemaakt,” las ik nog net.

Na mijn eigen sombere bespiegelingen in het vorige bericht had ik wellicht behoefte de andere kant op te kijken. Recht in de open hemelpoort op Jom Kipoer, bijvoorbeeld. Maar, al is dat nog zo’n bijzondere ervaring, alles is altijd overal, ook de gelegenheid om pessimistisch te zijn. Misschien zelfs met recht. Mijn kans kwam met het bericht over de plannen van het kabinet om de euthanasiewetgeving te verruimen ten behoeve van mensen met een zogenaamd “voltooid leven”. Ik zag het op het journaal, terwijl ik mijn ronde deed langs mensen van wie ik regelmatig hoor dat ze er eigenlijk schoon genoeg van hebben, van het leven.

Langs het mismoedige hoofd van een vrouw van zevenennegentig heen keek ik in het vreugdeloze gezicht van een man, midden in de tachtig, die de voorgestelde wetswijziging aanprees als precies datgene waar hij al jaren op zat te wachten. Het klonk als een reclametekst, die hij zorgvuldig uit het hoofd had geleerd. Daarna verscheen er een jonge vrouw in beeld, die was gepromoveerd op deze kwestie. “Veel oudere mensen verliezen de verbinding met de anderen en met de maatschappij,” vertelde zij en vervolgens pleitte zij voor een ander antwoord hierop dan een pil-van-Drion. Welk antwoord, dat noemde zij niet, maar ze vond de plannen voor een bredere wettelijke basis voor euthanasie vanuit die optiek “een beetje schraal”.

Nu zie ik niet veel heil in allerlei door de overheid aangestuurde plannen om de gevoelens van eenzaamheid onder ouderen te bestrijden, maar het plan om voor hen een zachte dood als uitweg te faciliteren en daardoor aan te moedigen maakt van mij een overtuigd pessimist. Dat plan legt iets bloot, een afgrond, een gapende leegte, die we met al ons wanhopig produceren en consumeren nooit dicht zullen krijgen. Trouwens, ook niet door onszelf er dan maar in te gooien, oudjes eerst. Het maakt nog iets anders zichtbaar: hoezeer wij het leven zijn gaan zien als iets waarover wij kunnen beschikken. Wacht, er schiet me een dichtregel te binnen, (jarenlang bij me gehouden, als een pil):

hoe in dit uur ons aller hart genas
van hoogmoed om ’t vermeend bezit van ’t leven.

Dit komt uit het gedicht Begrafenis aan de Hardangerfjord van Bert Bakker.

Genezend lezen. Dat zou ook buiten de kerk moeten kunnen, lijkt me. Daadwerkelijk met onze ouderen leven helpt wellicht ook. Daar word je af en toe even mismoedig van als zijzelf, maar even vaak wonderbaarlijk optimistisch. Zo was ik laatst bij een bewust demente dame van in de negentig. Hoogopgeleid, dus een goed gesprek was nog mogelijk, maar haar geheugen was vrijwel geheel verdwenen. Omdat ik zag dat zij er op de een of andere manier mee wist te leven, durfde ik haar – met de nodige omzichtigheid – de volgende vraag te stellen: “Je hoort mensen wel eens zeggen dat zij liever dood zijn dan dat ze de kans lopen dement te worden. Wat vind u daarvan?” Ze lachte: “Onzin! De andere mensen vinden het een beetje raar als je dement bent, maar zolang je je daar niks van aantrekt, gaat alles goed.” De volgende dag hielp ik haar onder de douche. Dolle pret, voor ons allebei. “Wat hebben we heerlijk gespeeld, hè?” zei ze, toen ik haar hielp met aankleden.

Dit was natuurlijk heel brutaal van mij. Aan de andere kant: mijn ouderen confronteren mij ook regelmatig en tamelijk ongegeneerd met hun negatieve gevoelens over het laatste stukje leven. Wat mij opvalt, als ik rustig luister en hen de ruimte laat zich te uiten, is dat er altijd een moment komt, waarop zij mij verzekeren, dat er geen haar op hun hoofd is die erover denkt naar de Levenseindekliniek te stappen. Daarvan verwachten zij geen genezing.

 

Read Full Post »

Niet doen

06102016

*

Doen verlangt sterkere argumenten dan laten.

Dr.F.J.Meijman

Dit motto was een van de stellingen bij het proefschrift van mijn vroegere huisarts Frans Meijman. Ik denk dat hij het meende, want toen ik op een avond kwam met de boodschap dat wij onze kinderen liever niet het hele destijds gangbare aanbod aan inentingen wilden laten ondergaan, nam hij rustig de tijd en probeerde hij mij te helpen bij het maken van een verantwoorde en goed beargumenteerde keuze. Op het consultatiebureau ging dat anders. Daar lag de bewijslast als vanzelfsprekend bij degene die niet mee wilde doen aan elk door de overheid gesubsidieerd vaccinatieprogramma: “Heeft u daar grondige redenen voor?”

Dat was twintig jaar geleden of meer. Sindsdien loopt in het domein van de zorg de druk om mee te doen zachtjes maar onverbiddelijk op. Dat bleek de afgelopen weken, toen de Tweede Kamer een wetsvoorstel aannam, waarin geregeld wordt dat het afstaan van je organen na overlijden een vanzelfsprekendheid is en dat degene die zulks niet wil doen verplicht wordt dat zelf te gaan regelen. Uit het geroezemoes in de kranten achteraf kon men goed aflezen hoe daarmee de bewijslast verschuift. Voor je het weet heb je de dood van een ander op je geweten, of in ieder geval zelf geen recht meer op zorg.

Wat te denken van zorgverzekeraars, die gratis algehele check-ups aanbieden? Of van mijn werkgever, die alle vrouwelijke medewerkers tussen de 40 en 60 jaar – we nemen de overgang ruim – een brief stuurde met het aanbod gratis deel te nemen aan een vitality challenge? Kon je gemakkelijk thuis doen en je hoefde alleen maar een pc, laptop, tablet of smartphone te hebben. En een Facebook-account. Ik huiver, wanneer ik denk aan wat die beide instanties kunnen gaan doen met de data die ik hen daarbij ongemerkt toeschuif. Dat ga ik dus mooi niet doen! Mijn privéleven is van mij en van mij alleen.

Maar wacht even: hoe onschuldig ben ik nog als ik dit soort aanbiedingen negeer? In de digitale wereld staat hoe dan ook een hele reeks vragen met twee hokjes achter mijn naam. Als ik het hokje ja niet aanvink, vinkt het systeem automatisch nee aan. Ik huiver alweer, maar nu voor de consequenties van mijn pogingen baas-overheid-woningcorporatie-zorgverzekeraar-energieleverancier etc. uit mijn privésfeer te weren. In mijn dromen zie ik mezelf al uit een hemelhoge beslisboom tuimelen. (Boem boem boem baf!) Hoelang zal het duren voor ik op het matje geroepen word? En heb ik dan voldoende sterke argumenten voor mijn laten? Al huiverend blijf ik dat niettemin doen, want:

Ik wil niet dat mijn werkgever en mijn zorgverzekeraar mijn gedrag in mijn privédomein gaan surveilleren.

Ik wil niet met een black box, waarvan ik niet weet wat hij allemaal over mij en mijn cliënten registreert de wijk ingaan.

Ik wil de intieme observaties over mijn cliënten niet klakkeloos in digitale databanken dumpen.

Ik wil de tijd van mijn cliënten en mijn eigen tijd niet opofferen aan de registratiewoede, die als een zwam op het domein van de zorg woekert.

Er is nog zoveel wat ik niet wil doen.

Read Full Post »

Moral bypassing

24092016a

Boerkini – barekini – bikini – monokini – nokini. Wat moest ik in hemelsnaam aan, deze vakantie? Gelukkig hoefde ik mijn vakantie niet aan de Côte d’Azur door te brengen en waar ik ga zwemmen maken de meerkoeten en de reigers zich niet druk om badmode. Toch zette die heisa over het boerkiniverbod me wel aan het denken. Een van de gedachten die ik dacht zag in dit verschijnsel een analogie met een ander fenomeen, dat ongeveer tegelijkertijd mijn aandacht trok: spiritual bypassing.

Mijn dochter die aan yoga doet kwam met die term, maar toen ik begreep wat het inhield, bedacht ik me dat ik hierover al eerder gehoord had van een rabbijn, die mij wijzer heeft gemaakt over joodse spiritualiteit. Op het internet wordt het in verband gebracht met consumentisme. Van daaruit zou een verlangen naar onmiddellijke bevrediging haar weg gevonden hebben naar de spirituele praktijken van de moderne, westerse mens. Nu denk ik dat dat niet klopt: waarschuwingen tegen de neiging om de gewone dingen des levens over te slaan en jezelf – liefst eens en voor altijd – te verliezen in het beleven van extase vind je al bij mystici als Johannes van Ruusbroec en Meister Eckhart.

De betrouwbaarheid van een geestelijk leidsman of -vrouw kun je aflezen aan zijn of haar aandacht voor het gewone leven. “Zonder meel geen Thora, zonder Thora geen meel.” Als je spiritualiteit nastreeft zonder eerst voor je lijf, je ziel en je samenleving te zorgen, beland je vroeg of laat in een spiritueel luchtkasteel. Keer het om en je ligt in een valkuil. Die kuil graven we ongemerkt in ons enthousiasme voor het Hogere. Geestelijke competitiviteit en een verlangen “er te zijn” doen daar nog een schepje bovenop, of diepen daar nog een schepje onderuit.

Met deze bril op keek ik tijdens mijn vakantie naar het boerkiniverbod en begon ik mij af te vragen of dat misschien meer was dan een stupide politieke manoeuvre. Of er misschien iets aan ten grondslag ligt, dat je moral bypassing zou kunnen noemen. Zodra we de normen en waarden waaraan wij westerlingen ons optrekken zien als de hoogste vorm van moraliteit, opent zich voor onze voeten een valkuil. Begrijp me niet verkeerd, ik wil hier geen lans breken voor een oeverloos cultuurrelativisme. Het is in mijn ogen een goede zaak om er heilige dingen op na te houden, alleen is heilig niet hetzelfde als absoluut. Vrijheid is een hoog goed, misschien wel het hoogste, maar hoe laag kan het vallen als je meent het af te moeten dwingen?

Misschien helpt het, zeker als we menen dat onze waarden op een hoger plan staan dan die van de “vreemdeling die in onze steden woont”, om te beseffen dat wij er niet mee uit de lucht zijn komen vallen. Dat wij wellicht wel een beetje zweven, omdat wij ons niet meer verbonden voelen met de tradities waaruit wijzelf voortkomen. Die waren namelijk helemaal niet zoveel anders dan die van de dames in boerkini en dat is bovendien helemaal niet zo lang geleden. Er moet toch wel een andere manier zijn om ons daartoe te verhouden dan anderen als achterlijk te zien?

 

24092016b

Read Full Post »

Older Posts »