Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2012

Vakantie is bij uitstek een periode waarin ik mij heel erg ‘heliocoïdaal’ voel. Samen met de zon maak ik elk jaar een cyclische loop door het leven en kom ik op hetzelfde punt terug. Met de zon in dezelfde stand als het jaar ervoor en de hele natuur die roept dat het leven een eindeloze herhaling van telkens hetzelfde is. Hetzelfde en ook weer niet hetzelfde, want we zijn immers een jaar verder in de tijd. Op dat punt in mijn slakkengang lijkt een gat te zijn geboord, waardoor ik naar beneden kan kijken, om te zien waar ik een jaar geleden stond. En het jaar daarvoor, en daarvoor, en daarvoor……

Door de omstandigheden ben ik dit jaar extreem ontvankelijk voor herinneringen aan vorige vakanties, zevenentwintig in getal, die ik telkens met dezelfde mens(en) doorbracht. Dus als ik door dat gat kijk, zie ik niet alleen mezelf staan, maar heel vaak mijn gezin, en verder in de diepte twee jongvolwassenen, die nog moesten leren vakantie te nemen. Want het is niet vanzelfsprekend, maar wel degelijk belangrijk om het juiste punt te vinden en daar stil te gaan staan en naar beneden te kijken door dat duizelingwekkende gat. Voor je het weet is het weer voorbij en heb je de heilzame werking van dat enge kijken gemist.

Toch is er nog nooit een vakantie voorbij gegaan zonder dat bewuste moment van “kijk, nu sta ik voor het Gat”. Het verbaasde me dus in het geheel niet, dat ik ook in Balkonia oog in oog met het Gat kwam te staan, helemaal alleen dit keer. Laat ik het nu niet hebben over het verdrietige van dat kijken en ook niet over de nostalgie die erin ligt. Nee, over het heilzame wil ik het hebben. Ook weer niet in al te concrete bewoordingen, want ik zou eens beschaamd kunnen worden door wat ik (niet) met het gegeven inzicht doe. Maar een inzicht heb ik gekregen. Over wat ik wel en niet moet doen in de omloop naar mijn volgende ontmoeting met het Gat.

Geheel afgezien van wat ervan terecht zal komen geeft dat inzicht mij precies de fris- en fruitigheid die het resultaat van elke echte vakantie heet te zijn. Nu al, en ik heb nog vier dagen te gaan.

Read Full Post »

Balkonia (7): Lezen

Voor Tamar

*

Lezen, met een stapel boeken naast je in een tuinstoel of een hangmat hangen, lijkt een vast bestanddeel van het cliché ‘vakantie’. Ook ik haak naar die idylle, terwijl ik inmiddels wel van mezelf zou kunnen weten dat ik daar totaal ongeschikt voor ben. Stilzitten vind ik een regelrechte ramp. Zelden is een concert, een film, een toneelstuk zo boeiend dat ik de lichamelijke spanning die zich door het stilzitten in mij opbouwt kan vergeten. Televisie kijken? Ik begin er niet eens meer aan. Maar lezen, ach, lezen! Kon ik het maar….

Meestal lees ik ongeveer vier boeken tegelijkertijd en steek ik tussendoor mijn neus nog in een paar naslagwerken. Als stukken taart waar stiekem van gesnoept wordt, slingeren ze rond in mijn bed en op de bank en vaker wel dan niet gaat er een restje teloor, wanneer het me echt niet meer smaakt. Leesvoer: wat een vreselijk woord en wat een veel vreselijker realiteit. Maar de schaamte ben ik allang voorbij en het boek met die titel heb ik uiteraard nooit helemaal uitgelezen.

In Balkonia heb ik mijn hele bibliotheek bij de hand en onderweg hebben zich op slinkse wijze nog een paar pockets van 50 eurocent in mijn koffer verstopt. Eén daarvan heeft me heel even laten raken aan ‘lezen’, zoals lezen hoort te zijn: ik heb me één middag als een prooidier mee laten slepen door een verhaal.  Als iemand me zou vertellen dat ik al die tijd vergeten was te ademen, zou ik het geloven. Zozeer was ik gegrepen door de haast onbarmhartige empathie van de schrijfster met haar karakters, door de pijnlijke scherpte van haar oog voor detail, door de virtuoze trefzekerheid van haar taalgebruik. En nu de titel: Reflections in a Golden Eye van Carson McCullers.

Na zo’n leeservaring kan ik even geen boek meer zien, dus ruim ik de rest ook maar op en trakteer ik mij op de rust van eenvoudige huishoudelijke taken. Wat een zegen dat die er zijn! Als mijn geest weer eten wil, kan ik gemakkelijk terug naar Particularly Cats van Doris Lessing, mooi en warm als een porseleinen theekopje, dat geruststellend dampt. Of naar de Inleiding tot de Verwondering van Cornelis Verhoeven, ongenietbaar en onweerstaanbaar tegelijk, waarvan ik kleine hapjes neem, die ik soms – viespeuk! – op de rand van het bord terug leg, omdat ik ze (nog) niet weg kan krijgen. (Ik hoop maar dat niemand het ziet.) Dat rare – want té Amerikaanse – boek over De kracht van je intuïtie, dat ik laatst in een doos met het opschrift “om mee te nemen” op het trapje van een Amsterdams grachtenpand vond, pak ik op en schuif ik weer van me af: even geen trek in.

Met een schuin oog naar As I Lay Dying van William Faulkner, dat ik graag nog eens zou herlezen, ga ik toch eerst maar de was ophangen. Daarna gehaktballetjes maken, waarbij ik natuurlijk altijd denk aan Karlsson van het Dak van Astrid Lindgren. Even kijk ik uit het keukenraam naar boven, maar nee, het was verbeelding. Ondertussen bedelt de kat ook nog om eten, of aandacht. Particularly…..

Read Full Post »

Balkonia (6): Herfst?

*

Vandaag is de dag dat de eerste walnoot viel.

Read Full Post »

Mijn vader viel voor vogels, mijn moeder hield van alles wat harig was, mits niet te groot, en ik beleef nog ’t meest plezier aan plantjes. Een veelzijdige liefde, die ik heel veel jaren lang met mijn lief gedeeld heb. Ook nu onze wegen zich hebben gescheiden, zie ik nog dat ze allebei door veld en beemd gaan en nooit zonder bermen zijn.

Toen wij nog samen langs ’s heren wegen trokken, of het nu een vakantie, een reis of een dagtochtje betrof, gingen we zelden zonder plantengidsje op pad. Hadden we het niet bij ons, dan namen we wel een bloempje of een paar blaadjes van wat we niet kenden mee naar huis, zodat we het alsnog konden opzoeken. Als je weet hoe iemand heet, kun je vrienden worden. En achter een naam opent zich vaak een verhaal, waardoor je vertrouwd kunt raken met de eigenaardigheden van het kruidje dat je zo trof toen je het voor ’t eerst zag staan.

We hebben bloemetjes gedroogd, soms als vakantie-album, soms om wenskaarten mee te maken. Zaden en pitten verzamelden we zorgvuldig om ze thuis uit te kunnen zaaien. Zo staat hier nog steeds een Johannesbroodboom in een pot, uit een pitje dat we in 1990 uit Andalusië meenamen. Later kregen we een tuin en plantten we bomen en struiken. (De vijgenstek uit Arnasco die Alex aan de Kleersloot plantte reikt inmiddels tot aan de vierde verdieping van het flatje!) We kweekten vergeten groenten, maar namen dikwijls het onkruid in bescherming tegen onze eigen schoffel. Het bilzenkruid dat opkomt tussen de rijen boontjes is immers een belevenis op zich?

Onze balkons zijn altijd een soort asiel voor zwerfplanten geweest. Een lijsterbes, gered uit het vermolmde hart van een oude knotwilg die weg moest uit iemand’s tuin. Een sparretje in een pot, die de Kerst had overleefd, maar in januari zo zielig aan de stoeprand stond: maanden later pas kwam er weer leven in. Een appelboompje, dat iemand eerst had laten verkwarren en toen maar bij het vuil gegooid. Tussen de barsten in het metselwerk van Noord-Balkonia groeien allerlei herinneringen aan planten die Alex hier ooit naartoe haalde: Sint-Janskruid, Bergsteentijm, Vlasbekje en zelfs een Korenbloem. De Bitterzoet nam zij mee, maar ik heb een stekje weggehaald tussen het riet van De Oeverlanden en die doet nu ijverig haar best om in mijn dagelijkse behoefte aan schoonheidsbeleving te helpen voorzien.

Mijn ontdekking van dit jaar zie je op het plaatje hieronder: het Kaaps Springzaad (Impatiens capensis). Er staan een paar exemplaren verscholen tussen het riet langs de oevers van De Nieuwe Meer. “Eenjarige, niet-inheemse soort uit oostelijk Noord-Amerika. Verwilderd in Noordwest-Frankrijk en Groot-Brittanië, maar breidt zich noordwaarts uit.” Het is me zowaar gelukt om drie rijpe zaadjes te oogsten. Nu maar hopen dat ze kiemen, in de dakgoot van Noord-Balkonia.

Read Full Post »

Thuis

*

Fear no more the heat o’ the sun,
Nor the furious winter’s rages;
Thou thy worldly task hast done,
Home art gone, and ta’en thy wages.

William Shakespeare

*

Voor mijn laatste lievelingsmevrouw, die ik bijna tot aan het einde heb mogen verzorgen. Wel thuis.

Read Full Post »

Tot voor kort heb ik altijd gedacht dat het een begrip was dat D.H.Lawrence zelf had geïntroduceerd. Mis: iets als de ‘spirit of place’ was al bekend bij de Romeinen, die het ‘genius loci’ noemden. Verder was ik er misschien niet helemaal uit wat een plaats haar karakter verleende of wat het ‘gevoel’ veroorzaakte dat iedere omgeving op mij overbracht, maar ik neigde ertoe te denken dat daarbij doorslaggevend was wat mensen in hun leefomgeving wisten te investeren. Ook mis: in de traditionele bedenksels over dit verschijnsel is het eerder de plaats die haar bewoners inspireert.

Hoe het ook zij, op vakantie gaan is voor mij altijd een welkome gelegenheid geweest om mij te verwonderen over de enorme verschillen in ‘eigenheid’ tussen de dorpen, steden en landschappen die we doorkruisten. Fascinerend om te voelen hoe mijn gemoed zich beweegt bij de aanraking met de sfeer van elke plek. Een boeiend gedachtenspel of discussie, zodra je naar verklaringen zoekt voor die verschillen. Om altijd weer te stuiten op het raadselachtige, dat aanleiding geeft tot het spreken over een ‘spirit of place’.

De meest raadselachtige en tegelijk minst betoverende plek, – waar we nota bene vaak naar zijn teruggekeerd om er de nacht door te brengen! – is wel de oever van het riviertje  dat langs het Vlaamse dorpje Zichem stroomt. De eerste keer kwamen wij daar uit nood: we waren laat vertrokken en moesten toch eerst de grens over om ‘wild’ te kunnen kamperen. En in die hele godverlaten Kempen kwamen we geen enkel geschikt plekje tegen, tot we – het was al donker en het regende – die half verharde weg langs de oever van dat riviertje in reden. Het riviertje stonk, naar een hele rij wasmachines, en aan de oevers groeiden alleen planten die het blijven doen waar geen liefde woont. Brandnetels, vlieren en populieren, harig wilgenroosje, weegbree en varkensgras.

Ook toen we de volgende morgen even het dorp in wandelden zette de troosteloosheid van de plek zich ongegeneerd voort. Alles even grauw, vieze ruiten, waarachter groezelige vitrage, geen enkel plantje in geen enkele vensterbank. Geen bomen langs de straat, nergens een perkje met bloemen. Zelfs de mensen waren er zonder uitzondering lelijk, ze keken stuurs in onze richting of juist angstvallig de andere kant op. Groetten zij elkaar? Ik geloof het niet ….

Nee, geef mij dan die dorpen in Frankrijk, waar men de lantarenpalen en de brugleuningen vol hangt met geraniums en begonia’s. Op de rotonde waar je binnenkomt staat een ouwe boerenkar verkleed als hoorn des overvloeds, overstromend van kleurige bloemen en in de perkjes er omheen prijken de vlijtige liesjes en de afrikaantjes. En alles staat fris in de verf. Truttig? Het hoeft je smaak niet te zijn (’t is ook de mijne niet) om de liefde te voelen waarmee dit alles in stand gehouden wordt, terwijl men elders onverschillig zijn hele leefomgeving aan de verwaarlozing  prijsgeeft.

En nu Balkonia: eindelijk heb ik een maandagochtend vrij en begeef ik mij  naar de bloemenmarkt op het Amstelveld. Ik ben duidelijk de eerste klant en mijn ogen doen pijn van de overdaad aan kleuren. Voor de veiligheid kies ik toch maar iets wat nog een beetje wild lijkt (alsjeblieft geen begonia’s!) en ga met mijn fietsstuur vol tasjes op weg naar huis, eh, naar Balkonia. De hele rest van de ochtend ben ik in de weer om bloembakken en –potten te vullen met al dat moois. Ik ben benieuwd wat de Conseil National des Villes et Villages Fleuris ervan zou zeggen, van mijn ‘genius loci’.

Read Full Post »

Vakantie was vandaag voor mij: vroeg op, om bramen te plukken. Hele einden dwalen, langs spoordijken en oude hagen, door ruigten en rietlanden. Onbekommerd als een kind, of eigenlijk nog dichter bij die droom dan ik ooit geweest ben. Vroeger plukten wij ze in de schoolvakantie “achter doik”, waar we ook gingen zwemmen, en “zeestiene loupe”, dat is: springen van de ene zwerfkei op de andere, net zo lang tot er iemand een knie kapot viel en de lol er af was. Dan bramen plukken. Maakten we er sap van? Of jam? Of saus voor over de pudding? Ik weet het niet meer, maar nu maak ik er wijn van, al vijfentwintig jaar. Hier staat het recept.

Heerlijk, zo’n zonnige zondagmorgen! Een voorrecht de enige te mogen zijn die al op is. Maar ho, aan de oever van De Nieuwe Meer tref ik een hele kudde mensenkalfjes. Ik sta stil om ernaar te kijken. Zij lijken te dansen, maar ik hoor geen muziek. Dan zie ik dat ze allemaal koptelefoons dragen. Er komt er eentje op me af, vriendelijk lachend. Als hij vlak voor me staat, doet hij de koptelefoon af en ik vraag: “Horen jullie allemaal dezelfde muziek?” “Ja,” lacht hij, “wilt u het horen?” Ik hoor iets ritmisch dat me niet kan bekoren en geef het ding maar gauw terug. De jongen vertelt nog dat ze gistermiddag drie uur zijn begonnen en tot vanavond negen uur door zullen gaan. “Voor wie wil,” voegt hij eraan toe.

Ik ga verder, op zoek naar de zeldzame plekjes die anderen over het hoofd gezien hebben, of waar kortere mensen dan ik geplukt hebben. Op het pad rond Polder Meerzicht kom ik de eerste jogger tegen. “Good morning,” zegt hij. De ganzen grazen traag en de koeien lijken de bosrand op te zoeken voor koelte. Dit wordt een zeer warme dag. Als ik De Oeverlanden vanaf de zuidkant nader, hoor ik al kinderstemmen en tegen de tijd dat ik het sluisje bereik, zie ik het pontje vrolijk naar zijn werkplek tuffen. De oogst is goed: genoeg voor tien liter bramenwijn.

Read Full Post »

Older Posts »