Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2013

27062013

Toen de spoeling dunner dreigde te worden dankzij de jongens van het verdampende geld, zag Wilder de kans schoon om Kunst en Cultuur als ‘linkse hobbies’ van de trog te duwen. Ik hoor er niet zo veel meer over en kan moeilijk beoordelen hoe kwalijk het ermee gesteld is, want bezoeken aan theater of concertzaal vallen niet binnen mijn begroting. Kom ik dan tekort op cultureel gebied? Integendeel: ik ontdek met bijzonder veel genoegen wat Amsterdam allemaal gratis te bieden heeft om mijn beschaving te helpen voeden.

Zo bezocht ik afgelopen weekend samen met mijn jongste dochter de Kerkennacht 2013. Dertien kerken stonden voor ons open, langs een wandeling van tien kilometer, maar de tijd was te kort om ze allemaal te zien. Geen nood, want wat we zagen gaf ons een gevoel van overvloed. Zeer welkom in tijden van crisis!

In al die kerken waren mensen die ons op bescheiden toon welkom heetten en mensen die iets ten gehore brachten. Gregoriaanse koorzang in de Sint Nicolaas basiliek: we konden er bijna niet meer weg komen, maar het was pas de eerste. In de Waalse kerk worstelden we ons tegen de wind van een woeste orgelrecital in naar een plekje op een houten bank. Niet voor niets: toen het stil werd stond een oudere man op om uit de psalmvertaling van Clement Marot te declameren. “Het klinkt als een liefdesgedicht,” zei Laura.

Toen we de Keizersgrachtkerk (PKN) binnenliepen, wilden we eigenlijk liever dansen, want er klonken klezmer klanken van onder de preekstoel voorin de kerk. De muziek werd hier afgewisseld met chassidische vertellingen. Sindsdien hebben wij het boek van Martin Buber van de plank gehaald om elkaar elke dag na het avondeten een verhaaltje voor te lezen.

Net toen we ongeveer begonnen te voelen hoe in een katholieke kerk het vlees centraal staat en in een protestante kerk het woord, waren we aangeland op de Singel, waar de Doopsgezinde Gemeente kerkt, pal naast de door en door katholieke Krijtberg. Groter tegenstelling is niet mogelijk! Een bijna saaie soberheid naast de overweldigende weelde van het rijke Roomse leven. Het enige wat op beide plekken precies hetzelfde was: de oude dames die zich beijverden voor goede doelen.

Een passende gedachte om mee het Begijnhof op te lopen. In de Engelse kerk herkenden wij het gebinte van een oorspronkelijk katholieke kerk, ontdaan van alles wat de zinnen zou kunnen raken en ons van het Woord af zou kunnen leiden. Ik voelde als altijd een onweerstaanbare behoefte dit soort tegenstellingen te overbruggen, al was het maar binnen mijzelf. Buitengekomen was het al donker. Slapen hier nog begijnen, vroegen wij ons af? Tijd om naar huis te gaan en er nog even naar te googlen.

Op de terugweg stond Laura – zo vertelde zij mij later – op de pont naar Noord, toen er een bedelares op haar af stapte. “Heeft u misschien veertig cent voor mij?” Laura keek in haar portemonnee en zag geen kleingeld, alleen een tientje. Dat moest zeker zo zijn, dus zij gaf het aan de vrouw en voelde zich plotseling nog gelukkiger dan zij al was. Ze vroeg de vrouw nog wat zij met het geld ging doen.“ “Ik ga ervan slapen, bij het Leger des Heils, maar eerst nog wat eten. En morgen koop ik er een ontbijt van en misschien kan ik nog een paar nieuwe kleren uitzoeken.”

Ik geloof in Amsterdam.

Read Full Post »

Doen en laten

21062013

*

Doen verlangt sterkere argumenten dan laten.

Stelling bij het proefschrift van Dr. F.J.Meijman

De meest onwijze gedachte ooit gedacht is naar mijn – in deze allesbehalve bescheiden – mening dat koningen filosofen zouden moeten zijn of filosofen koningen. De goede filosofen weten dat zij niets weten, maar zijn daardoor geneigd beslissingen en het daarnaar handelen uit te stellen, wat niet erg praktisch is voor een koning. De kwade filosofen, die wel degelijk menen iets te weten, zouden willen dat hun ideeën werkelijkheid werden. Wat God verhoede! Nee, koningen en filosofen: handen af van elkanders leest!

Voor artsen daarentegen – en mutatis mutandis voor iedereen die in de zorg werkzaam is – acht ik het geen incompatibiliteit om daarnaast filosoof te zijn. Een goede filosoof in de bovenbedoelde zin, maar met een vleugje kwaad. Dat zoiets niet eenvoudig is, ervaar ik dagelijks. Ik ben geneigd juist daarom te denken dat het goed is.

De zorgrelatie is door arts/filosoof Bert Keizer ooit getypeerd als een vorm van “benigne machtsuitoefening”. Dat klinkt niet leuk, maar het is wel de werkelijkheid. Het is niet verstandig de ogen te sluiten voor de machtsongelijkheid die gegeven is met de zorgrelatie. Wat je niet ziet kun je niet hanteren en voor je het weet zijn jij en je cliënt overgeleverd aan de meest trieste dynamiek die het terrein van de zorg kent: de hospitalisatie. Wie de gevolgen daarvan gezien heeft, met de nodige afstand, getroost zich graag de moeite zich bewust te bewegen binnen het spanningsveld van terughoudendheid en moedig ingrijpen in iemand anders leven. En als je het nodig acht: met sterke argumenten.

In mijn werk laat ik mij nog elke dag inspireren door de wijsheid van mijn vroegere huisarts, maar waar het mijn eigen leven betreft keer ik de stelling liever om. Liever krijg ik spijt van wat ik heb gedaan dan van wat ik heb gelaten.

Read Full Post »

20062013

Er was een tijd dat ik erg hechtte aan mijn eigen verleden. Achteraf gezien op een nogal onhandige manier: ik zocht er houvast voor wie ik was, terwijl dat in mijn geval juist in de toekomst lag. Met aangename ervaringen uit mijn verleden probeerde ik een positieve stemming te consolideren, terwijl gevoelens en stemmingen juist baat hebben bij wat meer bewegingsvrijheid. En vanuit een verlangen naar een beter verleden deed ik mijn best allerlei feiten die als omgevallen flessen achter mij lagen alsnog rechtop te zetten, blind voor het inzicht dat gedane zaken gewoonlijk geen keer nemen.

Binnenkort zet ik een stap waardoor mijn verleden eindelijk voltooid verleden tijd wordt. Voor zover mogelijk, natuurlijk, maar wel heel ver. Misschien nog wel belangrijker dan die afronding is dat ik in de afgelopen tien jaar die gehechtheid aan mijn verleden stukje bij beetje heb laten varen. Dat geeft vrijheid en helpt mijn tred verlichten, de toekomst in. Het is bovendien nodig de mensen om mij heen een beetje in het hier en nu te houden, omdat zij anders het identiteitsprobleem dat ik heb overwonnen alsnog mee de toekomst in dragen. Tenslotte hoef ik uit die persoonlijke geschiedenis niets mee te nemen: alles wat ik ooit nodig zou kunnen hebben loopt als een trouwe hond achter mij aan.

Wat dit alles vooral niet betekent, is dat ik mijn historische belangstelling kwijt zou zijn. Integendeel, die is nog altijd even levend als toen ik tijdens het middagdutje van mijn grootouders stilletjes naar de vliering sloop om te rommelen in dozen vol oude kiekjes en paperassen. Of toen ik urenlang banjerde over de indrogende modder die de baggeraars op de walkant hadden gestort,  op zoek naar stukjes glas en aardewerk waardoor ik de tijd van mijn voorouders naar mij toe zou kunnen halen. Later werden het archieven en bibliotheken, nu legt het internet steeds meer geschiedenis voor mij open. De fascinatie lijkt even onuitputtelijk als het verleden zelf.

Daarbij valt mij regelmatig op dat een ingewikkelde verhouding tot het verleden beslist niet iets van mij alleen is. We hebben er allemaal een handje van. Ik hoef slechts onze koloniale geschiedenis te noemen, waar wij als collectief nog veel moeite mee hebben. De oorlogservaringen van de generatie die nu langzaam van het toneel verdwijnt werken nog veel te merkbaar door in onze eigen levens van nu. Het klinkt nogal wrang, maar soms lijkt de geschiedenis op die na-ijverige God van het Oude Testament. Wat zullen onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog te stellen hebben met alles wat wij in ons eigen leven niet tot een oplossing hebben kunnen brengen?

Op het individuele vlak kom ik eigenaardige dingen tegen door mijn genealogische verkenningen. In het afgelopen half jaar heb ik voor verschillende mensen geprobeerd hun voorgeslacht in kaart te brengen. Te weinig om statistisch over te doen, maar toch: opvallend algemeen was de gedachte (kind van de wens) dat men bij nader inzien van adel zou blijken te zijn, of op z’n minst van gevluchte Hugenoten af zou stammen. Meestal valt dat tegen. De sociale mobiliteit was vroeger veel minder groot dan nu. Aan de andere kant: immigranten zijn we allemaal, in meer of mindere mate, al zal ikzelf daarvoor naar de Grote Volksverhuizing van 400 na Chr. terug moeten.

Dit mag bij amateur genealogen en hun cliënten de pret niet drukken. Als de geregistreerde feiten niets opleveren, dan zijn er nog altijd orale familietradities, die rijk zijn aan mogelijkheden om te geloven dat je een onecht kind bent van iemand op wie een van je voormoeders wel heel verliefd was, maar met wie zij natuurlijk niet kon trouwen, omdat zijn familie dat niet toestond. De kans dat een dergelijk scenario op waarheid berust lijkt niet eens zo klein. Had niet Karel de Grote behalve bij vier vrouwen nog kinderen bij zes concubines? Zijn gebeente rammelt van het lachen in zijn graf als ik hem vertel welk een rage er woedt op het wereldwijde web om te bewijzen dat men van hem afstamt. Hoe voltooid verleden tijd zijn verleden mag zijn, er zit nog altijd leven in.

Read Full Post »

16062013a

“Kijk, jongens: dat is nou kunst!” roept een man van midden vijftig over zijn schouder naar zijn gevolg. Met zijn andere arm maakt hij een vrijgevig gebaar richting kunstwerk, zodat het lijkt alsof hij het daar voor hun genoegen in het water werpt. Een ironie als waarmee men zwijnen paarlen voert is moeilijk over het hoofd te zien. “Nou, ik vind het anders wel melig, hoor!” kraait een van de dames uit het gezelschap. De hond zwijgt en tilt zijn poot op om een geurvlag over het paaltje met uitleg te draperen.

Ik heb de sculptuur in kwestie op een vroege ochtend voor het eerst gezien, alsof zij gedurende de nacht ontkiemd was. Een wonder: misschien wel honderd afgehakte onderbenen (van hout, dat lijdt geen pijn) holden over de stoep en door het gras in de richting van de fontein die deel uitmaakt van het Van Heutz-monument. Daar leken zij verkoeling te vinden, want verder ging de beweging niet. In de weken die volgden heb ik het kunstwerk been voor been zien verdwijnen, ten prooi aan vandalisme. Triest, want het had iets te vertellen en was nog lang niet uitgepraat.

Het was kennelijk te groot om een staaldraadje omheen te spannen, twintig centimeter boven de grond, met een bordje “niet aanraken”. Die eer komt de malle tractorband van een eerder bericht wel toe. God mag weten waarom, want dat zou juist een leuk stuk speelgoed zijn geweest, 100% hufterproof. Om de hoek, bij het informatiecentrum, staat een kunstwerk (een stapel vederlichte vierkante blokken van 50 bij 50 cm) waar wel mee gespeeld mag worden, en volop gespeeld wordt. Ook de Trashstones mag ik blijven knuffelen. Ik heb nog niemand anders dan mijzelf de vuilnisbakkendiertjes van Laura Ford zien aaien, maar dat is een kwestie van geduld, denk ik.

De omgang met kunst in de openbare ruimte kent wonderlijke extremen. Wat leert ons de vernielzucht, die het kunstwerk Exodus II van Jems Robert Koko Bi ten deel viel? Wat moeten we met die truttige hekjes, waar de eerste de beste vader toch overheen stapt om zijn kinderen even te laten weten van wat voor materiaal dat mysterieuze luchtschip is gemaakt? Mensen bestaan per slot van rekening uit meer dan een intellect en en paar ogen. Misschien moet ik geduld hebben en ontstaat ook aan de Apollolaan op den duur vanzelf dat heerlijke amalgaam van vertrouwdheid en eerbied, waarmee het beeld van Petrus in de Sint Pieter te Rome bejegend wordt.

Onder gestadig liefkozen verdwijnt zijn halve voet, maar dat zal nog eeuwen duren.

16062013b

Read Full Post »

09062013jpg

Eigenlijk liep ik al een tijdje rond met in mijn hoofd een blogbericht over ‘broederschap’, waarvan de conclusie de opmaat tot een optimistische levensvisie zou moeten zijn. Ik zou wijzen op de onvermijdelijkheid en de onverkwikkelijkheid van wat wij mensen op het gebied van gemeenschapszin en uitsluiting hebben teweeggebracht, maar vooral zou ik de andere kant laten zien: al die keren dat wij deze natuurwetten aan onze laars lappen. Hoe mooi, hoe hoopvol!

Geheel los hiervan – zo dacht ik – besloot ik Hella Haasse’s Oeroeg te herlezen. Dat had ik niet moeten doen, of juist wel, want nu kan ik de tekst die ik in gedachten reeds aan het weven was maar beter van het getouw halen. Het verhaal van de naamloze Nederlands-Indische jongen en zijn boezemvriend Oeroeg gaat namelijk over het tegenovergestelde van mijn ‘doorbraakverhalen’. Hier wordt iets wat ooit open was langzaam gesloten, hier wordt een intimiteit die bestond onmogelijk gemaakt door juist die wetten die bepalen wie van wie mag houden en wie niet van wie.

In dezelfde weken herdachten de mensen die het meegemaakt hadden De Oorlog. Daar zat ik met mijn neus bovenop, tijdens het druppelen van ogen en het aantrekken van steunkousen. Ik noem slechts één van de verhalen: zij had, pas twaalf jaar oud, toegekeken toen haar vader, samen met hun Joodse onderduikers, werd weggehaald, om nooit meer terug te komen. Wel kwam na de oorlog een dochter van hun onderduikers terug om de juwelen en het tafelzilver van haar ouders (“met wie zij in onmin had geleefd”) op te eisen. “Een jodenstreek,” meende de mevrouw, die nog altijd vond dat haar moeder, berooid en verweduwd omwille van die onderduikers, meer recht op die schatten had dan die ‘verloren dochter’. En naar Duitsland is zij nooit met vakantie geweest.

Tja, en zelf denk ik aldoor aan mijn eigen moeder, die tijdens de laatste oorlogsjaren de romantiek boven de politiek had laten prevaleren. Ik vraag mij nog veel te regelmatig af hoe het haar op Bijltjesdag moet zijn vergaan.

Tegen de stroom van al deze verhalen in gaat het me niet lukken om een rationeel gefundeerd optimisme te handhaven. Het komt nooit goed met de mensheid en van vooruitgang is geen sprake. Maar om te kunnen geloven in het goede (of van mijn part ‘de humaniteit’) is het niet per sé nodig te geloven dat het goede ook zal zegevieren. God plantte een hof in Eden. Het paradijs is nooit een wereldomvattende aangelegenheid geweest en zal het ook wel nooit worden, maar dat doet niets af aan de noodzaak van tuinieren. En barmhartigheid bloeit al van een druppel water.

En nu op zoek naar een gelegenheid om Salata Baladi te kijken.

Read Full Post »

06062013

Een euro kun je oppotten of uitgeven. Elke euro kun je maar één keer uitgeven, vooral als het crisis is. Daarom flitsen gedachten heen en weer bij elk verlangen dat een greep in de beurs met zich mee brengt. Wat is belangrijker: chocola of pantalons? Wijn of boenwas? Toiletpapier laat zich door niets of niemand wegdringen van de prioriteitenlijst. Maar bloemen? Waar komen de bloemen?

Een bloemetje op tafel, op de vensterbank, de schoorsteenmantel is zolang ik mij kan heugen een eerste levensbehoefte geweest. Daar werd nooit op beknibbeld. Maar nu ik noodgedwongen wat schrieperiger word, verdringen verbazingwekkend veel eerste levensbehoeften zich om mij heen, terwijl ik mijn hand krampachtig op de knip houd. In dit koude voorjaar betekent een bosje bloemen al gauw twee flesjes Mooikaap, alweer zo’n onmisbaarheid. Of drie broden. Een pond kaas. En voor tien bosjes tulpen heb je al een paar nieuwe schoenen.

Voordat ik gek word van al dat rekenen stap ik op mijn fiets en rijd ik de stad uit. Beweging, vitamine D, het is daar allemaal gratis. Dat scheelt een abonnement op de sportschool en een gang naar de drogist. Een bankje in de zon aan de rand van de Rietwijkerpolder is zeker een terrasje waard. Een uur lang drinken mijn ogen groen, groen en Hollandse hemel met witte wolken. Mijn aandacht hecht zich slechts aan het geduld van de reiger, die op vijf meter afstand van waar ik zit een rietvoorntje uit de sloot prikt. Pas nadat ik het langzaam door zijn strot naar beneden heb zien glijden, sta ik op.

Op de heenweg heb ik al in de etalages (de bermen) gekeken, dus ik weet precies waar ik moet zijn voor boterbloemen, margrieten, ridderzuring, gele lis, klaproos, blaassilene, koekoeksbloem, beemdkroon en wat grassen. God, wat bloeien de grassen mooi vandaag! Vlakbij roept de koekoek. Terwijl ik de grens tussen stad en land weer passeer valt mijn oog op een haag, waarin de hop woekert. Gauw even een maaltje hopscheuten bij elkaar plukken en weldra kom ik met handenvol buiten mijn huis binnen.

Iedere dag is er schoonheid in mijn huiskamer. Vreugde, troost, hernieuwd verlangen  om naar buiten te gaan. En mooie herinneringen: veldboeketjes hebben dertig jaar van mijn leven tot het vocabulaire van de liefde behoord.

Read Full Post »