Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2011

We hoeven niet bang te zijn voor de dood.
Zolang wij er zijn, is de dood er niet,
en wanneer de dood er is, zijn wij er niet.

Er is een tijd geweest dat ik het liefst een biggetje in de kudde van Epicurus * wilde zijn. Niet zo verwonderlijk: mijn calvinistische opvoeding en gevoelige natuur hadden in mij een geweten gekweekt dat een schaduw wierp over de meest eenvoudige genietingen van het leven. Toch was er iets in die varkens hoedende goeroe wat mij deed huiveren in zijn nabijheid. Dat was zijn hang naar rationaliteit.

Het sterkst voelde ik die huivering bij het citaat hierboven. Mijn eigen levenservaring zei me onmiddellijk dat hier iets niet klopte. De dood was in mijn leven zo groot en al vroeg zo nadrukkelijk aanwezig geweest, dat deze poging hem kleiner te doen lijken te vals klonk om ook maar een ziertje geruststelling te geven. De dood, ik was er doodsbang voor.

Profiterend van het voortschrijdend inzicht dat een leven vol dood en andere veranderingen nu eenmaal (gelukkig!) met zich meebrengt, weet ik nu dat mijn angst eigenlijk heel andere dingen gold. Ik was bang voor de ongewisheid van de toekomst, bang voor wat ik voelde bij het nemen van afscheid, bang voor het verliezen van mijzelf. Maar misschien was ik nog het meest van al bang voor het besef dat ik in zekere zin nog niet geleefd zou hebben, als het einde daar was.

In de loop der jaren zijn al die angsten verdwenen, opgetrokken als even zovele mistbanken. Het zonnetje schijnt om mij heen, misschien een beetje herfstig, maar toch. En wie loopt daar naast mij als was het mijn eigen schaduw? De dood, wie anders. Die was er immers al die tijd al, in al zijn verschillende gedaanten. In alle afscheid en verlies die ik heb moeten doormaken om verder te kunnen met mijn leven. Of er überhaupt aan te kunnen beginnen, als je het zo wilt bekijken.

Gek, de gedachte dat de dood er altijd is geweest en altijd zal zijn, waar ik mij ook bevind, is vele malen geruststellender dan het fraaie aforisme van die knappe filosoof. Om te leven hoef ik geen biggetje meer te zijn.

* de Romeinse dichter Horatius noemde zichzelf schertsend Epicuri de grege porcum.

Read Full Post »

2.1 Als verpleegkundige/verzorgende heb ik als uitgangspunt dat iedere zorgvrager recht heeft op zorg.

Dat betekent met name

• dat etnische afkomst, nationaliteit, cultuur, leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, ras, geloof, levensbeschouwing, politieke overtuiging, sociaaleconomische status, lichamelijke of verstandelijke beperking, aard van de gezondheidsproblemen, levensstijl niet van belang zijn voor de vraag of iemand zorg krijgt

• dat ik iedere zorgvrager en zijn naasten met hetzelfde respect tegemoet treed.

Dat las ik vanmorgen in de Nationale Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden. Vlak voor mij op de houten vloer lag mijn zaterdagkrant, Trouw, met op de voorpagina het bericht dat het huidige kabinet zich achter de zogeheten ‘weigerambtenaren’ opstelt. En opeens werd ik bestormd door allerlei vragen. Ethische vragen.

Als dienstverlening zonder aanzien des persoons zozeer een basisgegeven is voor de beroepsuitoefening in mijn professie, hoe kan het dan dat het voor ambtenaren niet even vanzelfsprekend zou gelden? Goed, ook de geciteerde beroepscode voorziet in “gewetensbezwaren” die ingegeven zouden kunnen zijn door iemands levensovertuiging. Maar die gelden het uitvoeren van “bepaalde handelingen”, niet het uitsluiten van bepaalde mensen. Bovendien moet een dergelijke beperking ten aanzien van de beroepsuitoefening bij het aangaan van het dienstverband gemeld worden, wat impliceert dat het in de beoordeling van geschiktheid meegewogen zal worden.

Trouwens: hoe zit het eigenlijk met dat geweten? Het is een ervaringsfeit dat een bepaalde gewetensnood niet vanzelf gegeven is met een bepaalde geloofsovertuiging. Exegetisch zie ik op dit punt geen grond voor het plaatsen van eigen normen en waarden boven het uitvoeren van je taak als ambtenaar. Men geve de keizer wat des keizers is, want het koninkrijk Gods is niet van deze wereld etc. Het geweten is toch een individuele aangelegenheid? Ik stel mij daarbij bovendien iets heldhaftigs voor: “Hier sta ik en ik kan niet anders.”

Voor mijn geestesoog vliegen de bovenste overhemdsknoopjes reeds alle kanten op, terwijl de borst wordt ontbloot en de ziel zich voorbereidt op het komende martelaarschap. Zijn onze steile calvinisten dan zo laf geworden dat ze door de overheid in bescherming genomen willen worden tegen hun eigen heldendom? Zou het niet veel eerlijker zijn de eer aan zichzelf te houden en te concluderen dat hun geweten hen voor bepaalde beroepen ongeschikt maakt?

En die overheid, waar leent die zich voor in dit geval? Terwijl het haar taak is de gelijkheid van alle burgers voor de wet te waarborgen, geeft zij een signaal af dat dit niet opgaat zodra mensen van gelijk geslacht met elkaar in het huwelijk willen treden. Alsof het dan niet om een huwelijk als alle andere gaat, maar om een – excusez le mot – “homohuwelijk”.

Tenslotte vraag ik mij af wat er zou gebeuren als ik morgen opeens weigerde de billen van die gereformeerde oude heer te wassen, die mijn mannelijke collegae niet aan zijn lijf wil hebben omdat hij “geen poot is”. Is zoiets niet simpelweg disfunctioneren? Terecht is het dan in de eerste plaats aan mijn leidinggevende om daar samen met mij een oplossing voor te zoeken. Maar zou het uiteindelijk een kwestie van nationaal belang zijn, als het mij de verlenging van mijn contract zou kosten? Ik verwacht het niet. Daarom krijg ik mijn hoofd er niet omheen dat het disfunctioneren van discriminerende ambtenaren wel een politieke kwestie zou moeten zijn, die de voorpagina van mijn krant haalt.

Gelukkig ben ik zelf zeer gewetenloos: ik was alle billen, gelovige billen en agnostische billen, homofiele billen en homofobe billen, rechtse billen en linkse billen. Zelfs weigerambtenarenbillen.

Read Full Post »

Tragiek

Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically. The cataclysm has happened, we are among the ruins, we start to build up new little habitats, to have new little hopes. It is rather hard work: there is now no smooth road into the future: but we go round, or scramble over the obstacles. We’ve got to live, no matter how many skies have fallen.

Zo begint Lady Chatterley’s Lover van D.H.Lawrence. Meteen de meest oprechte zin van dit even beroemde als groezelige boek. Want Lawrence kon het weten: juist in dit boek vond zijn persoonlijke verzet tegen de tragische inslag van zijn eigen leven een hoogtepunt. In zijn eerste roman, The White Peacock, wordt al duidelijk dat zijn verhouding tot mannelijkheid voor hem een van de belangrijkste thema’s in zijn leven zal zijn. Dat is het zeker in Sons and Lovers en Women in Love, tot zijn worsteling met religiositeit en industrialisatie de overhand krijgt. Toen hij zijn laatste roman schreef, was hij al enige jaren impotent en had hij zijn levenskapitaal vrijwel zonder reserve vergeestelijkt door schrijver te zijn.

Met die kennis van zijn leven en zijn zoektocht blijkt Lady Chatterley’s Lover een bij uitstek tragische roman. In Sir Clifford zien wij hem juist datgene wat hij zelf op dat moment was, iemand die zijn seksuele energie niet meer op een stereotype mannelijke manier in zijn lichaam kon manifesteren, genadeloos ontkrachten. Tegelijk wordt zijn jachtopziener Mellors, een noble savage – in Lawrence’s woorden een good animal -, tot messiaanse proporties geïdealiseerd. In zijn laatste dagen culmineert zijn levensdoel in niets minder dan het streven naar de “regeneration of England” door technologie en intellectualiteit af te wijzen en “phallic tenderness” en “cunt-awareness” te omarmen. En daarover schrijft hij een boek.

Mijn eigen struikelingen over de tragiek van het menselijk leven, ik bedoel mijn leven, hebben een duidelijk waarneembaar spoor achtergelaten in dit weblog. Als om het niet te verliezen komt er dit stukje bij. Afgelopen zomer werd ik namelijk als het ware opgeschrikt door een column die ik las in Ons Soort Mensen van M. Februari. Daarin was sprake van beroepsgroepen “die bij uitstek zijn voorbestemd voor de tragedie”. Militairen en hulpverleners, bijvoorbeeld. Hij schreef bovendien dat mensen in die beroepen “daadwerkelijk worden geschoold in het nemen van tragische beslissingen”. Voor mij een even geruststellende als prikkelende gedachte.

Vanaf dat moment tuurde ik het landschap van mijn leven af naar elementen die ik kon beschouwen als scholing in het omgaan met tragiek. Eerst maar achteraf, want ik had nog altijd het een en ander aan brokstukken liggen. Om te beginnen haalde ik mij de zelfhulpliteratuur voor de geest en stelde mij voor hoe daar op elke bladzij woorden als “acceptatie” en “loslaten” zouden vallen, of “een plekje geven”. Alles even waar, maar vooral gevangen in het gevaar een zaak van het hoofd te blijven, terwijl de tragedie zich in het domein van hart en handen voltrekt.

Zonder dat ik het bewust had opgezocht, merkte ik dat de literatuur die ik toevallig las (van grote vrouwen die ik uit de bakken met pockets voor 50 cent viste), mij door deze woelige wateren leek te willen loodsen. De Verliezers van Anna Blaman bijvoorbeeld, waarin het menselijk tekort een bijna huiselijke treurigheid krijgt en het “talent voor liefde” niettemin als een beschermengel achter alles en iedereen staat. Of De Gebroken Vrouw van Simone de Beauvoir, waarvan zij zelf zegt:

Tevergeefs zal men in deze verhalen een moraal zoeken, een les ter lering. Nee, ik had hiermee een geheel andere bedoeling. Men leeft slechts één leven, maar door begrip voor de ander op te brengen kan men vaak uit zijn eigen huis kruipen. Ik heb op mijn lezers bepaalde ervaringen willen overdragen die ik op deze wijze opdeed. Ik voel me solidair met vrouwen die hun leven hebben aanvaard en vechten om het te doen slagen. Maar het weerhoudt mij niet – integendeel – mij te interesseren voor hen die min of meer gefaald hebben en, in het algemeen gesproken, voor de nederlaag die elk bestaan kent.

Twee keer heb ik het gelezen en als een diepe weldaad ervaren. Niet door de afstand tot die gebroken levens (“mij zal dat niet overkomen”), maar eerder door gevoelens van verbondenheid die het opriep (“nil humanum mihi alienum est”). En door de impuls die ik voelde om deze vrouwen overeind te willen helpen en samen van de brokstukken weer een nieuw verhaal te maken. Hier werd mijn hart geraakt.

En kijk, opeens zie ik dat ik niet ver van huis hoef te gaan om geschoold te worden in het omgaan met tragiek. Die is immers overal en ik sta daarin nooit alleen. Ik geniet zelfs het voorrecht tot een beroepsgroep te behoren die met beide handen en voeten in de tragedie staat. Ver weg van de gedachte dat ik die ook niet zou kunnen aanvaarden.

Read Full Post »