Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2017

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Advertenties

Read Full Post »

Buigen of barsten

*

voor Ilonka

 

Het is goed dat een boom geen ogen en oren heeft. Stel je voor: de houthakker komt eraan, of er steekt een storm op. “Rennen!” denk je, met al je jaarringen. Maar, shit!, je hebt wortels in plaats van voeten! Daar sta je dan, met al je geduld.

Nee, Plonk, het is er niet leuker op geworden in de zorg. Toen we elkaar krap zes jaar geleden voor het eerst zagen, was het allemaal heel anders. Geen iPad, geen TZ-Portaal. Ook voor een verzorgende B was er plek in ons team. We hadden vaste roosters, een hele maand in het vooruit, of langer zelfs. Avondmensen draaiden de avondroosters. De gaten werden opgevuld door flexwerkers. Je had nog de tijd om lief te zijn voor je cliënten. Als je ’s ochtends voor het overleg de wijk in ging, dan kraaide daar geen haan naar. Zorg volgens plan. Geen bijzonderheden.

Maar “de zorg is complexer geworden”. Het “zorglandschap is veranderd”. Oh, ja? Mensen hebben nog steeds twee billen, twee voeten met dikke enkels, ongeveer evenveel krakende gewrichten, wrakke hartkleppen en sleetse longen. Vraag mij niet wat daar ingewikkeld aan is. Het zal wel over de productiviteit gaan, of over de effectiviteit, of de flexibiliteit. Amme hoela!

Van m’n leven heb ik geen mens gezien die flexibeler was dan jij. Al die jaren heb je gratis en voor niks ’s morgens de roosters klaargelegd, instructies en sleutels aan de flexers gegeven, blunders in de planning gesignaleerd. O ja, en koffie gezet, natuurlijk, voor het hele team! Pardon, voor twee teams.

Wat is dat allemaal waard, in de ogen van de managers? Of zelfs in de ogen van het zelf-zorg-organiserende team zelf? Lieve Plonkie, we leven in een tijd van flexibilisering, maar laat je niks wijs maken: alles wordt juist harder. Het onderste moet uit de kan. Uit onze kan. Goudgeld verdienen ze eraan, de managers en directeuren, de beleidsmakers en politici. De ouderen denken langzamerhand: “Ik heb er genoeg van!” De politiek zegt: “Oh, is uw leven voltooid?”

En voor ons is het buigen tot we barsten. Eigenlijk zouden bomen vuisten moeten hebben.

Read Full Post »

Boodschappen

 

De laatste zin van mijn vorige bericht zoemt nog een beetje na in mijn gedachten, terwijl ik de laatste woorden van de roman Herzog van Saul Bellow lees:

At this time he had no messages for anyone. Nothing. Not a single word.

Heel even is het stil en verbaas ik mij over het contrast. Tussen die slotzinnen, bedoel ik: een iets te duidelijke boodschap tegenover het totale ophouden ervan. Daarna verbaas ik me over de overeenkomsten tussen het romanpersonage en mijzelf. Allebei joods, introvert, neurotisch, geneigd om alles te intellectualiseren. Van eenvoudige komaf, een universitaire opleiding achter de rug, gescheiden. En zo zijn er nog wel een aantal gelukkige en ongelukkige toevalligheden die we delen.

Maar misschien vooral dit: allebei zijn we op een zeker moment begonnen met schrijven, in een poging onze geestelijke gezondheid te bewaren. Herzog schrijft brieven, die hij vervolgens niet verstuurt; ik schrijf nu al jarenlang berichtjes op dit blog, een soort flessenpost, gericht aan niemand in ’t bijzonder. Graffiti op een eindeloze blinde muur. Boodschappen, waar soms bij toeval iemand een boodschap aan heeft.

Wie wil er weten dat ik de komende tijd voor mijn dagelijkse boodschappen vaker richting Beethovenstraat zal fietsen, dan naar de AH op het Stadionplein, een stuk dichterbij? Kom, dan krijgt u de beweegredenen er gratis bij: er is een nieuwe editie van ArtZuid in aanbouw. De buurt waarin ik woon verandert voor een paar maanden in een gratis beeldentuin. Onmiddellijk danst mijn hart in huppelpasjes en dartelen mijn ogen grazend door het groen van de plantsoenen. De elementaire kleuren en strakke vormen van de beelden spelen met de stille weelde van bloesem en blad, waartussen zij zijn neergeplant. Wat een verrukking!

Eindelijk, ook voor mijn rusteloze brein: geen boodschappen – niets – geen enkel woord.

 

Read Full Post »

 

De afgelopen weken ben ik druk geweest met activiteiten rond het verschijnen van de bundel Joodse Huizen 3, waarin mijn verhaal was opgenomen over het gezin van Andries van der Hoeden en Annie Blom, dat van 1933 tot 1943 in het huis woonde, waar ik nu woon. Ik zou van alles kunnen vertellen over de gesprekken die daaruit volgden en de vragen die zich daarbij aandienden, maar ik zal me hier tot één daarvan beperken.

Een achterneef van Andries, met wie ik correspondeer, vertelde me naderhand, dat hij de titel van het boek als storend ervoer:

Net als “Joodse zaken kregen een ‘Verwalter’” bij voorbeeld. De Bijenkorf was geen joodse zaak, ook al waren de oprichters en eigenaren joods. Een joodse slager is een slager die koosjer vlees verkoopt, een joodse bakker bakt en verkoopt brood etc. ORT.

Niks tegen de inhoud van die boekenserie, maar een synagoge kun je een joods huis noemen, maar al die andere zogenaamde joodse huizen waren of zijn huizen waarin enige tijd joden hebben gewoond. Hoe meer ik daarover nadenk, des te meer heb ik het idee, dat hier klakkeloos Nazi-termen worden overgenomen. “Jüdische Geschäfte” e.d., dat hoort een fatsoenlijk mens niet te zeggen, laat staan te schrijven!

Al lag deze connotatie bij mijzelf niet direct bovenaan, ik begreep wel meteen wat zij doet en kijk er nu dus ook naar als door een gebarsten brillenglas. Als je de term (in het meervoud) in Google invoert, krijg je meer dan 30.000 resultaten, op het eerste gezicht unaniem verwijzend naar hetzelfde fenomeen. Het is een merknaam geworden, eerst van Open Joodse Huizen, later overgenomen door de initiatiefnemers van de boekenserie. Die barst zal dus niet zomaar weer verdwijnen.

Mijzelf had de term “joodse huizen” op een andere manier te denken gegeven. Ik kende die namelijk wel in het enkelvoud (2000 hits in Google): een joods huis is een huis dat door de joodse bewoner wordt opgenomen in haar of zijn streven het dagelijks leven te heiligen door het doen van de mitswot. Eigenlijk een joods huishouden. Zo beschouwd was het huis van Andries en Annie eerder een “rood huis”. Dat brengt me op de gedachte dat de inhoud van de boekenserie (gelukkig!) veel kleurrijker is dan die ongelukkige titel.

Kijkend langs de barst in mijn bril, en door het waas van gemis, schuldgevoel, nostalgie en exotificatie, dat dikwijls rond het herdenken van de sjoa hangt, zie ik dan een bonte en levendige wereld vol mensen, stuk voor stuk even universeel als uniek. Mijn wens zou zijn dat de verhalen ertoe bijdragen dat wij geoefend blijven dát te zien in onze medemensen, van toen en van nu.

Read Full Post »

 

Aan het begin van dit lange, koude voorjaar overkwam mij iets, pal hier voor mijn deur, dat ik de moeite van het vertellen waard vond. Gelukkig zat mijn dochter boven met haar voeten op de kachelrand een tosti te eten, dus ik had meteen een klankbord.
Nu het voorval:

Precies op het moment dat ik mijn fiets tegen de gevel zette en mijn boodschapjes van het stuur nam, klonk achter mij een nogal ostentatieve zucht. Ik keek om en zag een zwaarlijvige man met twee zware AH-tassen zeulen. Midden over de straat liep hij in mijn richting.

“Tjonge, u zucht ervan,” zei ik, en dat klonk waarschijnlijk wel compassievol.

“Ja,” antwoordde de man, “ik heb heel weinig longcapaciteit.”

“Ah, is dat het,” zei ik, begripvol, of opgelucht, of om niet niets te zeggen.

“Ja, dat is het,” sprak de man en hij draaide zich om, want inmiddels was hij mij gepasseerd, “maar anders was het vanwege uw schoonheid.”

Ik vermoed dat het aan mij te zien was dat ik me zijn compliment liet welgevallen, want hij zette zijn boodschappen tegen zijn benen, nam een theatrale pose aan en waagde verder: “Een zucht geeft lucht aan een hart vol smart. Kwam zij wat nader en hij wat dichter, dan was die zucht gewis wat lichter.”

“En, wat gebeurde er toen?” vroeg mijn dochter.

“Nou, ik zei: ‘Zo, u ként uw klassieken!’ en toen zei hij: ‘Ja, het is van De Schoolmeester, maar de meeste mensen kennen alleen de eerste regel.’ En toen vertelde ik hem over een mevrouw (zaliger gedachtenis) die de tweede regel ook altijd aan haar zuchten toevoegde. En toen waren we allebei blij dat er nog mensen waren die de poëzie van De Schoolmeester in ere hielden.”

“Hè,” verzuchtte mijn dochter, “het is ook altijd hetzelfde met jullie intellectuelen! Jullie werpen een hele berg woorden op tussen jezelf en de directe ervaring en zo gebeurt er nooit wat.”

Tja, wat kon ik daarop antwoorden? Dat de man mijn type niet was en de stoeprand niet mijn favoriete plek voor directe ervaringen?

“Ach,” zei ik dus maar, “wij intellectuelen hebben aan een heel klein beetje ervaring al genoeg.” Of dat waar is, laat ik in het midden. In ieder geval heb ik deze kans op ‘meer’ laten schieten.

De laatste tijd spreek ik af en toe vrouwen – en een enkele man – van mijn leeftijd, of daaromtrent, die me verzekeren dat het voor ons afgelopen is. “Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr,” sprak een vriendin, die ook op poëtische wijze en met kennis van de klassieken het volledige leven tot uitdrukking probeert te brengen. En zo waken wij, en lezen; schrijven geen lange brieven meer, maar korte e-mails, in afwachting van herfstige alleeën, vol van wind en dorre bladeren. “Ach,” troost ik mij nog af en toe, al is dat statistisch gezien natuurlijk onzinnig, “je weet nooit achter welke straathoek de dood of de liefde op je wacht.”

 

Read Full Post »