Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘kunst’ Category

Nergens over

*

 

Van de muggen hebben we geen last gehad. Van de vliegtuigen ook niet, en na afloop konden we zelfs zonder jas, verkwikt naar lichaam en ziel door een donker geurend bos naar huis fietsen. De geest mag zich vermeien met de indrukken die zijn blijven kleven. Waar gaat dit over?

Afgelopen weekend ben ik met mijn kinderen, hun aanhang en mijn hartsvriendin Renée naar het Bostheater geweest, waar toneelgezelschap De Warme Winkel hun versie van De Drie Musketiers opvoerde. De voorstelling van deze avond was uitverkocht, maar wij hadden goede plaatsen en tijd genoeg om onze traditionele picknick met Prosecco te genieten, terwijl de avondschemering zich langzaam verdichtte. Toen de verlichting het podium in een toverachtige gloed zette, viel het spreeuwengekwetter van het duizendkoppige publiek stil en maakte de alledaagse werkelijkheid plaats voor een illusie vol verrassingen.

Waar ging het eigenlijk over? Ik kende het verhaal van Dumas en de historische omstandigheden waar dat zich in afspeelde niet, maar dat bleek geen probleem. Vermoedelijk had het gezelschap niet veel meer dan de meest simpele plots en verhaallijnen overgenomen en zich verder naar hartenlust uitgeleefd in het maken van een soort paëlla van zeer verschillende scènes. Parodie, pastiche? Misschien wel satire in de Horatiaanse (“satura tota nostra est”) zin. Etymologisch: een schotel met een ratjetoe aan kruidige ingrediënten.

Zonder dat daarbij enige opzet in het spel was, heb ik het spektakel deze keer ondergaan zonder gelijktijdige oordeelsvorming over het stuk of over mijn emotionele respons. Of dit echt nieuw voor mij was, weet ik niet, maar het voelde wel zo. Het leek nog het meest op dromen en weten dat je droomt, maar niet wakker worden. In een scène, waarin een kroegbazin werd verhoord door een kardinaal, kwam ik mezelf tegen in een voor mij volstrekt nieuwe hoedanigheid. Zonder voelbare schrik, maar daarover – gek genoeg! – wel verbaasd, resoneerde ik mee met het genot dat inherent is aan het pijnigen van een ander. De onwillige informant had zes wax-strips op haar gezicht, die er één voor één werden af getrokken, met veel misbaar tot gevolg. Het anticiperen op elke volgende pijniging was een traktatie op zich. De zesde strip, die zich op een lager gelegen niveau bleek te bevinden, was daarbij een overbodige anticlimax.

Vanuit een bepaalde gezichtshoek bekeken hing het hele drama van vunzigheden aan elkaar, vaak op het randje van ranzig, maar dan toch eerder camp. En je kon er gerust “omheen eten”: paëlla zonder de mosselen en gamba’s is nog altijd lekker. Mijn oudste dochter en ik genoten vooral van het herkennen van de knipogen naar Koefnoen, Monty Piton en Little Brittain. En anders wel van de schitterende soundscape, die het stuk zelfs voor een blinde de moeite waard maakte. Momenten waarop het leek alsof we op een filmset achter de camera zaten, zorgden voor een prikkelend vervreemdingseffect. De mooiste vondst wat mij betreft: op het moment dat d’Artagnan en Constance het met elkaar aanlegden, klonken uit de luidsprekers de flirtende stemmen een jong stel dat kennelijk nog ergens op de tribune aan het picknicken was. Alsof men met onzichtbare microfoontjes onze fluisterruimte had gehackt!

Maar waar ging het ook alweer over? Aan het slot lijkt de aap alsnog uit de mouw te komen. Het draaide allemaal over de coming of age van d’Artagnan, die symbool had kunnen staan voor de blanke, mannelijke, heteroseksuele dertiger van vandaag. Uit het oerwoud van de zingeving weet hij tenslotte een Boom der Kennis van Goed en Kwaad te kiezen: het gaat om “aandacht”, “afleiding” is uit den boze. Arme jongen! Onmiddellijk verrijst aan zijn zijde de dood gewaande Constance, die alle tegenstellingen weer opheft in een spiritueel Al-Begrijpen. Zo buitelt de moraal van het verhaal als een schoolmeisje om de hoogste stang van het klimrek. Tijd om de nacht in te gaan, met nog één onschuldig-ondeugende knipoog van een stel blote kabouterbillen, waarvan ik er vast een heleboel over het hoofd heb gezien.

*

 

Read Full Post »

Rachel de Dichteres

 

 

 

Afgelopen dinsdag was ik bij de boekpresentatie van het tweede deel in de serie Hebreeuwse Bibliotheek van Amphora Books. De bedoeling van deze reeks is het onder een breder publiek bekend maken van modern-Hebreeuwse poëzie in vertaling. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van het werk van amateur vertalers, die hebben meegedaan aan de Vertaalwedstrijd Hebreeuws. Een feestelijke bijeenkomst, waarbij ik zelf een eervolle vermelding kreeg voor het gedicht hieronder, dat in de bundel is opgenomen (op blz.36).

Ook heb ik een bijzondere band met het kunstwerk hierboven, dat voor de cover van het boek is gebruikt. Het werd kosteloos beschikbaar gesteld door kunstenaar Yaïr Aa en tijdens de presentatie geveild door Prof.Dr. Irene Zwiep. Ik haalde – klaarwakker! – een rib uit mijn lijf en even later mocht ik – voor een schijntje! – een heus “thing of beauty” mee naar mijn huis nemen.

ZWIJGEN

De zwaarte van dit zwijgen drukt mij ter aarde,
het zwaard van dit zwijgen doorklieft mijn hart.
Ik ben nog hier – nog hier – en wacht,
het bloed van mijn verzen nog rood rondom mij.

De dood legt stil, zeker, wij allen vallen stil,
tenslotte – als de dag zonder omwegen daar is.
Maar het leven heeft een eigen stem en taal, en wij
een zucht naar die taal, een echo, helder en scherp.

Zij bevriest mij. Met haar de vrees voor het graf:
haar verwrongen mond spert zij grenzeloos open.
Ik ben nog hier – nog hier – aan de overkant –
Sla mij met woorden! Maar in ’s hemelsnaam, zwijg niet!

Read Full Post »

Boodschappen

 

De laatste zin van mijn vorige bericht zoemt nog een beetje na in mijn gedachten, terwijl ik de laatste woorden van de roman Herzog van Saul Bellow lees:

At this time he had no messages for anyone. Nothing. Not a single word.

Heel even is het stil en verbaas ik mij over het contrast. Tussen die slotzinnen, bedoel ik: een iets te duidelijke boodschap tegenover het totale ophouden ervan. Daarna verbaas ik me over de overeenkomsten tussen het romanpersonage en mijzelf. Allebei joods, introvert, neurotisch, geneigd om alles te intellectualiseren. Van eenvoudige komaf, een universitaire opleiding achter de rug, gescheiden. En zo zijn er nog wel een aantal gelukkige en ongelukkige toevalligheden die we delen.

Maar misschien vooral dit: allebei zijn we op een zeker moment begonnen met schrijven, in een poging onze geestelijke gezondheid te bewaren. Herzog schrijft brieven, die hij vervolgens niet verstuurt; ik schrijf nu al jarenlang berichtjes op dit blog, een soort flessenpost, gericht aan niemand in ’t bijzonder. Graffiti op een eindeloze blinde muur. Boodschappen, waar soms bij toeval iemand een boodschap aan heeft.

Wie wil er weten dat ik de komende tijd voor mijn dagelijkse boodschappen vaker richting Beethovenstraat zal fietsen, dan naar de AH op het Stadionplein, een stuk dichterbij? Kom, dan krijgt u de beweegredenen er gratis bij: er is een nieuwe editie van ArtZuid in aanbouw. De buurt waarin ik woon verandert voor een paar maanden in een gratis beeldentuin. Onmiddellijk danst mijn hart in huppelpasjes en dartelen mijn ogen grazend door het groen van de plantsoenen. De elementaire kleuren en strakke vormen van de beelden spelen met de stille weelde van bloesem en blad, waartussen zij zijn neergeplant. Wat een verrukking!

Eindelijk, ook voor mijn rusteloze brein: geen boodschappen – niets – geen enkel woord.

 

Read Full Post »

30122015a

Gisteren waren we als voormalig gezin – met aanhang – bij elkaar om de verjaardagen van mijn beide dochters te vieren. Tegelijk vierden we het vertrek van de jongste, die over enkele dagen op het vliegtuig naar India stapt. De oudste wilde het feest wel ‘hosten‘, in haar fraaie huis, waar zij woont met haar vriend. Twee goddelijke taarten had zij gebakken en zij nam ons mee naar het Van Gogh Museum, om De Schreeuw van Munch te gaan zien. “Het is eigenlijk een studie van De Schreeuw,” zei een jongedame van het museum verontschuldigend, “gemaakt met pastelkrijt op karton.” Soit, dacht ik. Er was bovendien meer dan genoeg schoonheid om te aanschouwen.

“Goh, kijk!” zei ik tegen mijn jongste, toen we in het krioelen der kunstkijkers tot vlak voor Het zieke kind waren aangeland, “Dat kind weet dat ze dood gaat, en zij troost haar moeder.” – “Ja, zij weet dat het voor haar moeder erger zal zijn dan voor zichzelf.” – “Moet je zien: het lijkt wel of er licht uit haar gezicht schijnt.” – “Het is als met de dood van Perkamentus in Harry Potter: voor een opgeruimde geest is de dood slechts een deur naar een groter avontuur.” _ “Ha!” lachte ik, “Dat is precies wat ik van plan ben te gaan doen met de tijd die ik nog heb: voor een opgeruimde geest zorgen!” En toen staken we over naar een vitrine met tekeningen en kattebelletjes uit de nalatenschap van Edvard Munch.

Daar viel mijn oog op een tekening in zwarte en rode inkt, met daarnaast een soort dagboekaantekening. Ik herkende onmiddellijk de compositie van De Schreeuw, maar nog zonder de beklemmende sfeer. Die werd erbij geleverd door de tekst van de krabbel. Ik citeer:

30122015b

I was walking along a path with two friends
the sun was setting
I felt a breath of melancholy
Suddenly the sky turned blood-red
I stopped and leant against the railing,
deathly tired
looking out across flaming clouds that hung
like – blood and a sword over the
deep blue fjord and town
My friends walked on –
I stood there trembling with anxiety
And I felt a great, infinite scream pass
through nature.

Daarna leerde ik nog iets over het schilderij zelf. Er bestaan een aantal versies van. Niet omdat Munch er lang over deed eer hij tevreden was met het resultaat, maar omdat hij, telkens als het werk verkocht was, de behoefte had het opnieuw te schilderen. Alsof hij het dicht bij zich wilde houden. Op dat moment herinnerde ik mij een overweging van Reb Zalman Schachter-Shalomi (z.l.) over “spiritueel ouder worden”, waarin hij sprak over het “domesticeren van piek-ervaringen”. Aanstekelijk, vond ik, maar ik voelde ook bedenkingen opkomen. Nu zie ik een kans om over de weinig tot de verbeelding sprekende connotaties van dat domesticeren  heen te stappen, maar dan heb ik wel graag dat de dal-ervaringen ook meegenomen worden. O ja, en ook de afgrond-ervaringen. Opeens begreep ik dat Munch juist dát gedaan had in zijn Livsfrisen!

“Wat een goed idee van je, om ons hier naartoe mee te nemen,” zei ik na afloop tegen mijn dochter. “Ik ben er helemaal van opgeknapt.” – “Was dat dan nodig?” vroeg ze lachend. Nee, bedacht ik me, terwijl ik mijn jas aantrok, niet in het bijzonder. En toch . . .

Op weg naar onze fietsen vroeg ik haar vriend naar zijn bevinding van de tentoonstelling. “Ik kan niet zoveel met die schreeuw,” zei hij, “Ik ken die soort angstbeleving zelf helemaal niet.” Toen zag ik mezelf terug, in het begin van de jaren Tachtig van de vorige eeuw, ongeveer zo oud als de jonge man die naast mij door het donker liep. Ik was naar deze grote stad gekomen om te studeren en voelde me alleen. Ik probeerde een eigen leven te gaan leiden, maar dat speelde zich af in de vaak beklemmende nabijheid van mijn jongere broer, die bezig was aan het leven te lijden, en eraan dood te gaan.

De Schreeuw van Munch was destijds erg populair als ‘poster‘. Je zag hem overal, en overal was het alsof ik in de spiegel keek. Liefst wendde ik mijn gezicht af, maar dan was het juist alsof ik in het schilderij verdween en zélf met mijn rug naar de mensen toe stond, die zich nietsvermoedend van mij verwijderden, de verte in. Dus ja, ik ken die beleving van de wanhoop wel, al kan ik die nu niet meer precies zo in mijzelf oproepen. Heb ik haar misschien ‘gedomesticeerd‘? Of is zij tam geworden, als de vos in Le Petit Prince, doordat we, heel onopvallend, steeds een stukje dichter bij elkaar zijn gaan zitten? Zodat we samen naar de kleur van het korenveld kunnen kijken.

16062012

Read Full Post »

Fietskunst

22062015a

Het is weer een gezellige boel in mijn buurtje, de laatste tijd. Vooral bij mooi weer op zon- en feestdagen zie ik grotere en kleinere groepjes mensen door het groen in de wijk scharrelen. Ze kijken naar kunst, en dat doe je blijkbaar bij voorkeur samen. Van een afstand ziet het er buitengewoon schattig uit, hoe hun blikken heen en weer gaan van het blaadje in hun hand naar het bordje met de naam van kunstwerk en kunstenaar, naar de sculptuur zelf en dan weer naar elkaar. Sommigen maken allerlei ruime armgebaren, doen stappen terug en vooruit, kijken even om zich heen en raken dan toch het kunstwerk aan, om het materiaal te voelen. En ik zie hen druk met elkaar praten. Al die tijd hoor ik niets dan de gewone achtergrondruis, net een stomme film.

Zelf ben ik nog in afwachting van een dergelijke rondgang met vriendinnen, maar voor mijn werk als wijkzuster fiets ik er dagelijks langs. Vanuit dat perspectief ziet veel van het werk dat Rudi Fuchs en Maarten Bertheux voor ArtZuid 2015 hebben geselecteerd er in mijn ogen wat teleurstellend uit, als een verregende zomervakantie. Misschien zal de interactie met mijn vriendinnen en het wandeltempo me binnenkort de ogen openen, maar ik kan wel alvast iets vertellen over twee beelden die eigenlijk iedereen al fietsend zou moeten bekijken. En dagelijks.

22062015b

Toen ik Duna van Jaume Plensa voor het eerst zag, voor het Hilton hotel langs fietsend, ging ik met een geluidloze knal door mijn gevoelsbarrière. Een beetje zoals wanneer je opeens beseft dat jij het niet bent die ademt, maar dat het Leven in jou adem haalt. Er werd iets met mijn zinnen en mijn herinneringen uitgehaald waar ik niet van terug had. Waar had ik haar eerder gezien? Helemaal niet, natuurlijk, maar toch. Even moest ik denken aan de beeldenaar van de jonge Koningin Wilhelmina op een cent van vroeger. Alsof zij zich daarvan had losgemaakt om mij en die hele Apollolaan eens even te laten voelen hoe klein wij zijn. Een andere herinnering: het moment dat ik, een kleuterkind nog, op school tijdens het bidden stiekem mijn ogen opendeed en keek naar het gezicht van het meisje tegenover mij in de kring. De schok waarmee ik voelde dat ik ik was en niet zij.

Ondertussen fietste ik door en ging het bedriegen van mijn ogen verder. Was dit een raar soort foto? Een bas relief? Op het eerste gezicht driedimensionaal, bleek het bij nader inzien zo plat (nou ja, bijna) als een dubbeltje. Vanuit de tegenovergestelde richting fietsend leek het eerst iets minder indrukwekkend, maar juist op het punt waarop mijn blik zich van en profile naar en face verplaatste, werd ik opnieuw totaal begoocheld. Dit kan niet! En toch staat ze er. Zo stil, zo ernstig stil, dat ik bijna doodga van dat kleuterverlangen in die binnenwereld te mogen zijn en te beleven wat daar leeft. Bidt zij? Droomt zij? Telt ze tot twintig alvorens haar verstopte speelkameraadjes te gaan zoeken? Of geniet ze met zo weinig mogelijk gedachten van de zonnewarmte op haar gezicht?

Ik keer om en fiets nog een keer langs de overzijde en dan richting huis. Iets verderop schemert een lijntekening van een kruiwagen, rood tussen het groen. Ook alweer zo bizar groot. En je kunt er doorheen kijken. Of is de werkelijkheid een ansichtkaart en heeft Michael Graig-Martin zijn Wheelbarrow er gewoon op getekend? Terwijl ik fiets kan ik mijn ogen niet van het ding afhouden, en zo zie ik hoe het tweedimensionale beeld volgens het tempo waarin ik mij voortbeweeg verdwijnt in een simpel rood lijntje. Ook dat geeft me een licht prikkelend griezelgevoel, en dat mag ik elke dag meer keren herhalen. Vanaf de overzijde komt daar nog iets extra’s bij: precies op het punt van de kanteling der dimensies verdwijnt het beeld achter de stam van een linde. Zo klutst deze fietskunst een beetje kleutertijd door mijn dagelijks bestaan en zegt me: “Kijk maar, er staat niet wat er staat.” Dat verveelt nooit.

22062015c

Read Full Post »

02062014

 

Het verhaal kende ik al, mijn dochter Laura en haar klas kende ik al, haar schoolgebouw kende ik al. O ja, en mijzelf, natuurlijk ook. Tenminste, dat dacht ik. Toch hadden wij nog nooit zó als een levend planetarium om elkaar heen gewerveld als op die woensdagavond. Heerlijk, hoe die kinderen theater kunnen maken! In de afgelopen weken had klas 11E van het Geert Groote College Amsterdam onder begeleiding van twee bevlogen drama-docentes zelf een toneelbewerking gemaakt van De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Uiteraard mochten wij komen kijken.

En beleven dat een verhaal in het theater iets heel anders doet dan in de beslotenheid van een boek. Op papier is het vlees als het ware woord geworden, op het toneel wordt het woord weer vlees. Je verbeelding krijgt wat minder ruimte, maar je zintuigen moeten opeens veel harder aan het werk. Zeker in de bewerking die onze kinderen van het sprookje hadden gemaakt. Alleen in het begin mochten de toeschouwers blijven zitten, daarna werden we letterlijk bij de hand genomen voor een tocht door het hele schoolgebouw en zelfs daarbuiten. Theater zonder podium, een uitkomst voor iemand als ik die altijd al na een kwartier ongemakkelijk op haar stoel heen en weer begint te schuifelen.

Laura was de roos, waar het verhaal mee begon: “Ik heb moeilijkheden met een bloem,” zei het prinsje immers, en daarom was hij van huis weggegaan. Als ik denk aan de moeilijkheden die zij en de jongen die het prinsje speelde met elkaar hebben gehad, dan was het niet minder dan een wonder om te zien hoe het spel die verhoudingen op een heel ander plan bracht. Hier mochten, nee moesten, zij allebei kwetsbaar zijn. Maar goed, het verhaal is middelpuntvliedend, dus daar bleef het niet bij. Na de openingsscène nodigde het prinsje ons uit om in drie groepen met zijn drie alter ego’s mee te gaan voor een reis langs de planeten.

Hier hadden de leerlingen zich op een zo aanstekelijke manier uitgeleefd in het creëren van de verschillende tonelen, dat ik ze het liefst allemaal zou beschrijven. Met rekwisieten die uit twintig verschillende huishoudens bijeen gescharreld waren (en dus niet op het budget drukten!) waren echte juwelen van decors in elkaar gezet. Less is more. En wat een inventief gebruik van de ruimtelijke gegevenheden! Stel je een slang voor die – arme jongen! – in een toepasselijke ‘onesie‘ op zijn buik door het zand van een nog niet betegeld stukje schoolplein kruipt. Of een jongen met een Febo-baret op, die fastfood verkoopt vanachter de balie in de kantine: hun versie van de “marchand de pilules perfectionnées“.

Op dat moment deelde ons prinsje minuscule broodjes hamburger uit, waarvan we proefondervindelijk vaststelden dat het wine-gums waren.

Het mooiste vond ik de vos, toch al mijn lieveling in het verhaal, die in (alweer) een ‘onesie‘ op een verhoogde vlonder in het handarbeidlokaal zat. Ik kreeg er kippenvel van toen ik die heerlijke dialoog door de ruimte hoorde gaan en het elkaar langzaam naderen voor mijn ogen zag gebeuren. Benevolent besluipen, met wederzijdse instemming. En dan dat afscheid, waarbij wel gehuild mocht worden, maar dat je niet in termen van verlies hoefde te zien. Daarbij kregen ook wij een geheim mee:

Voici mon secret. Il est très simple : on ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. -L’essentiel est invisible pour les yeux, répéta le petit prince, afin de se souvenir. -C’est le temps que tu a perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. -C’est le temps que j’ai perdu pour ma rose… fit le petit prince, afin de se souvenir. -Les hommes on oublié cette vérité, dit le renard. Mais tu ne dois pas l’oublier. Tu deviens responsable pour toujours de ce que tu as apprivoisé. Tu es responsable de ta rose… -Je suis responsable de ma rose… répéta le petit prince, afin de se souvenir.

Daar konden we het mee doen, want in het dagelijks bestaan komen we maar al te vaak wonderlijk dicht bij de karikaturen die Antoine de Saint-Exupéry van ons heeft geschilderd. Het is makkelijk om uit het oog te verliezen wat er werkelijk toe doet in het leven. Moeilijker is het je te herinneren wat er allemaal ‘trop oublié‘ is en dan de weg naar de kern terug te vinden.

 

Read Full Post »

16052014

*

 

Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

Rainer Maria Rilke, Neue Gedichte

 

*

 

Archaïsche Torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ‘t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ‘t midden toe, dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

*

Wat voor “kwaal” je hebt, maakt niet uit.

*

 

Met dank aan Joke Hermsen, die in haar nieuwe boek Kairos een heel hoofdstuk wijdt aan deze ‘diagnose-behandel-combinatie‘.

Read Full Post »

Older Posts »