Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘kunst’ Category

Boodschappen

 

De laatste zin van mijn vorige bericht zoemt nog een beetje na in mijn gedachten, terwijl ik de laatste woorden van de roman Herzog van Saul Bellow lees:

At this time he had no messages for anyone. Nothing. Not a single word.

Heel even is het stil en verbaas ik mij over het contrast. Tussen die slotzinnen, bedoel ik: een iets te duidelijke boodschap tegenover het totale ophouden ervan. Daarna verbaas ik me over de overeenkomsten tussen het romanpersonage en mijzelf. Allebei joods, introvert, neurotisch, geneigd om alles te intellectualiseren. Van eenvoudige komaf, een universitaire opleiding achter de rug, gescheiden. En zo zijn er nog wel een aantal gelukkige en ongelukkige toevalligheden die we delen.

Maar misschien vooral dit: allebei zijn we op een zeker moment begonnen met schrijven, in een poging onze geestelijke gezondheid te bewaren. Herzog schrijft brieven, die hij vervolgens niet verstuurt; ik schrijf nu al jarenlang berichtjes op dit blog, een soort flessenpost, gericht aan niemand in ’t bijzonder. Graffiti op een eindeloze blinde muur. Boodschappen, waar soms bij toeval iemand een boodschap aan heeft.

Wie wil er weten dat ik de komende tijd voor mijn dagelijkse boodschappen vaker richting Beethovenstraat zal fietsen, dan naar de AH op het Stadionplein, een stuk dichterbij? Kom, dan krijgt u de beweegredenen er gratis bij: er is een nieuwe editie van ArtZuid in aanbouw. De buurt waarin ik woon verandert voor een paar maanden in een gratis beeldentuin. Onmiddellijk danst mijn hart in huppelpasjes en dartelen mijn ogen grazend door het groen van de plantsoenen. De elementaire kleuren en strakke vormen van de beelden spelen met de stille weelde van bloesem en blad, waartussen zij zijn neergeplant. Wat een verrukking!

Eindelijk, ook voor mijn rusteloze brein: geen boodschappen – niets – geen enkel woord.

 

Read Full Post »

30122015a

Gisteren waren we als voormalig gezin – met aanhang – bij elkaar om de verjaardagen van mijn beide dochters te vieren. Tegelijk vierden we het vertrek van de jongste, die over enkele dagen op het vliegtuig naar India stapt. De oudste wilde het feest wel ‘hosten‘, in haar fraaie huis, waar zij woont met haar vriend. Twee goddelijke taarten had zij gebakken en zij nam ons mee naar het Van Gogh Museum, om De Schreeuw van Munch te gaan zien. “Het is eigenlijk een studie van De Schreeuw,” zei een jongedame van het museum verontschuldigend, “gemaakt met pastelkrijt op karton.” Soit, dacht ik. Er was bovendien meer dan genoeg schoonheid om te aanschouwen.

“Goh, kijk!” zei ik tegen mijn jongste, toen we in het krioelen der kunstkijkers tot vlak voor Het zieke kind waren aangeland, “Dat kind weet dat ze dood gaat, en zij troost haar moeder.” – “Ja, zij weet dat het voor haar moeder erger zal zijn dan voor zichzelf.” – “Moet je zien: het lijkt wel of er licht uit haar gezicht schijnt.” – “Het is als met de dood van Perkamentus in Harry Potter: voor een opgeruimde geest is de dood slechts een deur naar een groter avontuur.” _ “Ha!” lachte ik, “Dat is precies wat ik van plan ben te gaan doen met de tijd die ik nog heb: voor een opgeruimde geest zorgen!” En toen staken we over naar een vitrine met tekeningen en kattebelletjes uit de nalatenschap van Edvard Munch.

Daar viel mijn oog op een tekening in zwarte en rode inkt, met daarnaast een soort dagboekaantekening. Ik herkende onmiddellijk de compositie van De Schreeuw, maar nog zonder de beklemmende sfeer. Die werd erbij geleverd door de tekst van de krabbel. Ik citeer:

30122015b

I was walking along a path with two friends
the sun was setting
I felt a breath of melancholy
Suddenly the sky turned blood-red
I stopped and leant against the railing,
deathly tired
looking out across flaming clouds that hung
like – blood and a sword over the
deep blue fjord and town
My friends walked on –
I stood there trembling with anxiety
And I felt a great, infinite scream pass
through nature.

Daarna leerde ik nog iets over het schilderij zelf. Er bestaan een aantal versies van. Niet omdat Munch er lang over deed eer hij tevreden was met het resultaat, maar omdat hij, telkens als het werk verkocht was, de behoefte had het opnieuw te schilderen. Alsof hij het dicht bij zich wilde houden. Op dat moment herinnerde ik mij een overweging van Reb Zalman Schachter-Shalomi (z.l.) over “spiritueel ouder worden”, waarin hij sprak over het “domesticeren van piek-ervaringen”. Aanstekelijk, vond ik, maar ik voelde ook bedenkingen opkomen. Nu zie ik een kans om over de weinig tot de verbeelding sprekende connotaties van dat domesticeren  heen te stappen, maar dan heb ik wel graag dat de dal-ervaringen ook meegenomen worden. O ja, en ook de afgrond-ervaringen. Opeens begreep ik dat Munch juist dát gedaan had in zijn Livsfrisen!

“Wat een goed idee van je, om ons hier naartoe mee te nemen,” zei ik na afloop tegen mijn dochter. “Ik ben er helemaal van opgeknapt.” – “Was dat dan nodig?” vroeg ze lachend. Nee, bedacht ik me, terwijl ik mijn jas aantrok, niet in het bijzonder. En toch . . .

Op weg naar onze fietsen vroeg ik haar vriend naar zijn bevinding van de tentoonstelling. “Ik kan niet zoveel met die schreeuw,” zei hij, “Ik ken die soort angstbeleving zelf helemaal niet.” Toen zag ik mezelf terug, in het begin van de jaren Tachtig van de vorige eeuw, ongeveer zo oud als de jonge man die naast mij door het donker liep. Ik was naar deze grote stad gekomen om te studeren en voelde me alleen. Ik probeerde een eigen leven te gaan leiden, maar dat speelde zich af in de vaak beklemmende nabijheid van mijn jongere broer, die bezig was aan het leven te lijden, en eraan dood te gaan.

De Schreeuw van Munch was destijds erg populair als ‘poster‘. Je zag hem overal, en overal was het alsof ik in de spiegel keek. Liefst wendde ik mijn gezicht af, maar dan was het juist alsof ik in het schilderij verdween en zélf met mijn rug naar de mensen toe stond, die zich nietsvermoedend van mij verwijderden, de verte in. Dus ja, ik ken die beleving van de wanhoop wel, al kan ik die nu niet meer precies zo in mijzelf oproepen. Heb ik haar misschien ‘gedomesticeerd‘? Of is zij tam geworden, als de vos in Le Petit Prince, doordat we, heel onopvallend, steeds een stukje dichter bij elkaar zijn gaan zitten? Zodat we samen naar de kleur van het korenveld kunnen kijken.

16062012

Read Full Post »

Fietskunst

22062015a

Het is weer een gezellige boel in mijn buurtje, de laatste tijd. Vooral bij mooi weer op zon- en feestdagen zie ik grotere en kleinere groepjes mensen door het groen in de wijk scharrelen. Ze kijken naar kunst, en dat doe je blijkbaar bij voorkeur samen. Van een afstand ziet het er buitengewoon schattig uit, hoe hun blikken heen en weer gaan van het blaadje in hun hand naar het bordje met de naam van kunstwerk en kunstenaar, naar de sculptuur zelf en dan weer naar elkaar. Sommigen maken allerlei ruime armgebaren, doen stappen terug en vooruit, kijken even om zich heen en raken dan toch het kunstwerk aan, om het materiaal te voelen. En ik zie hen druk met elkaar praten. Al die tijd hoor ik niets dan de gewone achtergrondruis, net een stomme film.

Zelf ben ik nog in afwachting van een dergelijke rondgang met vriendinnen, maar voor mijn werk als wijkzuster fiets ik er dagelijks langs. Vanuit dat perspectief ziet veel van het werk dat Rudi Fuchs en Maarten Bertheux voor ArtZuid 2015 hebben geselecteerd er in mijn ogen wat teleurstellend uit, als een verregende zomervakantie. Misschien zal de interactie met mijn vriendinnen en het wandeltempo me binnenkort de ogen openen, maar ik kan wel alvast iets vertellen over twee beelden die eigenlijk iedereen al fietsend zou moeten bekijken. En dagelijks.

22062015b

Toen ik Duna van Jaume Plensa voor het eerst zag, voor het Hilton hotel langs fietsend, ging ik met een geluidloze knal door mijn gevoelsbarrière. Een beetje zoals wanneer je opeens beseft dat jij het niet bent die ademt, maar dat het Leven in jou adem haalt. Er werd iets met mijn zinnen en mijn herinneringen uitgehaald waar ik niet van terug had. Waar had ik haar eerder gezien? Helemaal niet, natuurlijk, maar toch. Even moest ik denken aan de beeldenaar van de jonge Koningin Wilhelmina op een cent van vroeger. Alsof zij zich daarvan had losgemaakt om mij en die hele Apollolaan eens even te laten voelen hoe klein wij zijn. Een andere herinnering: het moment dat ik, een kleuterkind nog, op school tijdens het bidden stiekem mijn ogen opendeed en keek naar het gezicht van het meisje tegenover mij in de kring. De schok waarmee ik voelde dat ik ik was en niet zij.

Ondertussen fietste ik door en ging het bedriegen van mijn ogen verder. Was dit een raar soort foto? Een bas relief? Op het eerste gezicht driedimensionaal, bleek het bij nader inzien zo plat (nou ja, bijna) als een dubbeltje. Vanuit de tegenovergestelde richting fietsend leek het eerst iets minder indrukwekkend, maar juist op het punt waarop mijn blik zich van en profile naar en face verplaatste, werd ik opnieuw totaal begoocheld. Dit kan niet! En toch staat ze er. Zo stil, zo ernstig stil, dat ik bijna doodga van dat kleuterverlangen in die binnenwereld te mogen zijn en te beleven wat daar leeft. Bidt zij? Droomt zij? Telt ze tot twintig alvorens haar verstopte speelkameraadjes te gaan zoeken? Of geniet ze met zo weinig mogelijk gedachten van de zonnewarmte op haar gezicht?

Ik keer om en fiets nog een keer langs de overzijde en dan richting huis. Iets verderop schemert een lijntekening van een kruiwagen, rood tussen het groen. Ook alweer zo bizar groot. En je kunt er doorheen kijken. Of is de werkelijkheid een ansichtkaart en heeft Michael Graig-Martin zijn Wheelbarrow er gewoon op getekend? Terwijl ik fiets kan ik mijn ogen niet van het ding afhouden, en zo zie ik hoe het tweedimensionale beeld volgens het tempo waarin ik mij voortbeweeg verdwijnt in een simpel rood lijntje. Ook dat geeft me een licht prikkelend griezelgevoel, en dat mag ik elke dag meer keren herhalen. Vanaf de overzijde komt daar nog iets extra’s bij: precies op het punt van de kanteling der dimensies verdwijnt het beeld achter de stam van een linde. Zo klutst deze fietskunst een beetje kleutertijd door mijn dagelijks bestaan en zegt me: “Kijk maar, er staat niet wat er staat.” Dat verveelt nooit.

22062015c

Read Full Post »

02062014

 

Het verhaal kende ik al, mijn dochter Laura en haar klas kende ik al, haar schoolgebouw kende ik al. O ja, en mijzelf, natuurlijk ook. Tenminste, dat dacht ik. Toch hadden wij nog nooit zó als een levend planetarium om elkaar heen gewerveld als op die woensdagavond. Heerlijk, hoe die kinderen theater kunnen maken! In de afgelopen weken had klas 11E van het Geert Groote College Amsterdam onder begeleiding van twee bevlogen drama-docentes zelf een toneelbewerking gemaakt van De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Uiteraard mochten wij komen kijken.

En beleven dat een verhaal in het theater iets heel anders doet dan in de beslotenheid van een boek. Op papier is het vlees als het ware woord geworden, op het toneel wordt het woord weer vlees. Je verbeelding krijgt wat minder ruimte, maar je zintuigen moeten opeens veel harder aan het werk. Zeker in de bewerking die onze kinderen van het sprookje hadden gemaakt. Alleen in het begin mochten de toeschouwers blijven zitten, daarna werden we letterlijk bij de hand genomen voor een tocht door het hele schoolgebouw en zelfs daarbuiten. Theater zonder podium, een uitkomst voor iemand als ik die altijd al na een kwartier ongemakkelijk op haar stoel heen en weer begint te schuifelen.

Laura was de roos, waar het verhaal mee begon: “Ik heb moeilijkheden met een bloem,” zei het prinsje immers, en daarom was hij van huis weggegaan. Als ik denk aan de moeilijkheden die zij en de jongen die het prinsje speelde met elkaar hebben gehad, dan was het niet minder dan een wonder om te zien hoe het spel die verhoudingen op een heel ander plan bracht. Hier mochten, nee moesten, zij allebei kwetsbaar zijn. Maar goed, het verhaal is middelpuntvliedend, dus daar bleef het niet bij. Na de openingsscène nodigde het prinsje ons uit om in drie groepen met zijn drie alter ego’s mee te gaan voor een reis langs de planeten.

Hier hadden de leerlingen zich op een zo aanstekelijke manier uitgeleefd in het creëren van de verschillende tonelen, dat ik ze het liefst allemaal zou beschrijven. Met rekwisieten die uit twintig verschillende huishoudens bijeen gescharreld waren (en dus niet op het budget drukten!) waren echte juwelen van decors in elkaar gezet. Less is more. En wat een inventief gebruik van de ruimtelijke gegevenheden! Stel je een slang voor die – arme jongen! – in een toepasselijke ‘onesie‘ op zijn buik door het zand van een nog niet betegeld stukje schoolplein kruipt. Of een jongen met een Febo-baret op, die fastfood verkoopt vanachter de balie in de kantine: hun versie van de “marchand de pilules perfectionnées“.

Op dat moment deelde ons prinsje minuscule broodjes hamburger uit, waarvan we proefondervindelijk vaststelden dat het wine-gums waren.

Het mooiste vond ik de vos, toch al mijn lieveling in het verhaal, die in (alweer) een ‘onesie‘ op een verhoogde vlonder in het handarbeidlokaal zat. Ik kreeg er kippenvel van toen ik die heerlijke dialoog door de ruimte hoorde gaan en het elkaar langzaam naderen voor mijn ogen zag gebeuren. Benevolent besluipen, met wederzijdse instemming. En dan dat afscheid, waarbij wel gehuild mocht worden, maar dat je niet in termen van verlies hoefde te zien. Daarbij kregen ook wij een geheim mee:

Voici mon secret. Il est très simple : on ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. -L’essentiel est invisible pour les yeux, répéta le petit prince, afin de se souvenir. -C’est le temps que tu a perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. -C’est le temps que j’ai perdu pour ma rose… fit le petit prince, afin de se souvenir. -Les hommes on oublié cette vérité, dit le renard. Mais tu ne dois pas l’oublier. Tu deviens responsable pour toujours de ce que tu as apprivoisé. Tu es responsable de ta rose… -Je suis responsable de ma rose… répéta le petit prince, afin de se souvenir.

Daar konden we het mee doen, want in het dagelijks bestaan komen we maar al te vaak wonderlijk dicht bij de karikaturen die Antoine de Saint-Exupéry van ons heeft geschilderd. Het is makkelijk om uit het oog te verliezen wat er werkelijk toe doet in het leven. Moeilijker is het je te herinneren wat er allemaal ‘trop oublié‘ is en dan de weg naar de kern terug te vinden.

 

Read Full Post »

16052014

*

 

Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

Rainer Maria Rilke, Neue Gedichte

 

*

 

Archaïsche Torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ‘t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ‘t midden toe, dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

*

Wat voor “kwaal” je hebt, maakt niet uit.

*

 

Met dank aan Joke Hermsen, die in haar nieuwe boek Kairos een heel hoofdstuk wijdt aan deze ‘diagnose-behandel-combinatie‘.

Read Full Post »

07052014

 

Vorige week viel mij opeens een ticket in de schoot. Een bevriende Shakespeare-kenner kon door een ongeluk niet naar de voorstelling en zo zat ik zomaar in de grote zaal van Tuschinsky, waar op een reusachtig scherm King Lear gebracht werd, live vanuit het Londense National Theatre. Als in een spiegel zag ik hoe ginds de zaal zich vulde: het geroezemoes van hier en daar was nauwelijks uit elkaar te houden. Een presentatrice vertelde enthousiast dat het stuk op dit moment wereldwijd in duizend zalen te zien zou zijn. Daarna doofden de lichten en zette ik mij schrap in mijn stoel. Ik had mij voorgenomen degene die daar had moeten zitten verslag te doen.

Wel, Joris, met dit blog schrijf ik voor mijzelf een brevet van onvermogen. Ik heb genoten, jazeker. Het was in één woord geweldig, beslist. Maar wat kan ik je in hemelsnaam vertellen, zodat je er alsnog een beetje bij bent? Het verhaal ken je ongetwijfeld, en beter dan ik. Het referentiekader dat ik nodig zou hebben om iets zinnigs te zeggen over de merites van dramaturg, regisseur en spelers, heb ik helaas niet. Je zult het moeten doen met een handvol indrukken.

Nu weet ik het weer: een toneelstuk moet je niet lezen, maar zien. Ik las de tekst achteraf en begreep er tegelijk meer én minder van. Een tekst geeft je veel gelegenheid stil te staan en in je eigen gedachtegangen te duiken, in het theater krijg je die kans niet. Zeker niet wanneer Shakespeare in de taal van zijn eigen tijd wordt gespeeld. Bijna amechtig probeerde ik bij te houden wat er gezegd werd, in een taal die sowieso veel minder redundant leek dan het gesprek van alledag. Gelukkig was er veel lichaamstaal, die het boek in mijn kast niet spreekt.

Maar wat een wereld werd ik binnen gesleurd! Beschaving stelde ik mij voor, zowel bij Shakespeare als bij de aristocratie. Rauwheid en ruwheid, hartstocht en wreedheid kreeg ik te zien. Gelachen werd er niet op het toneel, in de zaal aarzelend, op de gekste momenten, als je het mij vraagt. Vraag het mij maar niet: in die wereld zou ik gekker zijn dan de ‘fool’ en Tom of Bedlam bij elkaar. Misschien was waanzin wel de enige wijkplaats, als je niet verbannen werd. Heftig, zegt men vandaag. Hoor eens hoe men kon schelden en dreigen:

A knave, a rascal, an eater of broken meats; a base, proud, shallow, beggarly, three-suited, hundred-pound, filthy, worsted-stocking knave; a lily-livered, action-taking knave; a whoreson, glass-gazing, super-serviceable finical rogue; one-trunk-inheriting slave; one that wouldst be a bawd in way of good service; and art nothing but the composition of a knave, beggar, coward, pander, and the son and heir of a mongrel bitch; one whom I will beat into clamorous whining if thou deniest the least syllable of thy addition.

En dan de thematiek: als ik het filmpje, dat tijdens de pauze werd vertoond, mag geloven, dan gaat het stuk over de relatie tussen ouders en kinderen. Over demente ouders, bovendien. Ja ja, er is niets nieuws onder de zon. Zo had het ook over de vrijheid van meningsuiting kunnen gaan. Hoor de nar:

They’ll have me whipped for speaking true,
thou’lt have me whipped for lying,
and sometimes I am whipped for holding my peace.
I had rather be any kind o’ thing than a fool.

Of het enigmatische slot:

The weight of this sad time we must obey.
Speak what we feel, not what we ought to say.
The oldest hath borne most. We that are young
Shall never see so much, nor live so long.

Tja, denk ik dan, Fokke en Sukke hadden wel een punt, op 5 mei jongstleden, toen een ‘orakel‘ op de Dam zou zeggen wat wij voelen, in ons virtuele bestaan. “Vrijheid is….. dat iedereen mag roepen wat ‘ie wil…. omdat het toch niemand een fuck kan schelen.”

King Lear, dat waren nog eens andere tijden. Zweepslagen leken me zo kwaad nog niet, toen ik tegen het einde van het stuk een podium vol lijken zag. Hé, waar deed dat me opeens aan denken? Aan een vergeten stukje wijsheid, dat thuis op me lag te wachten:

The Israeli-Palestinian conflict has been a tragedy, a clash between one very powerful, very convincing, very painful claim over this land and another no less powerful, no less convincing claim. Now such a clash between right claims can be resolved in one of two manners. There’s the Shakespeare tradition of resolving a tragedy with the stage hewed with dead bodies and justice of sorts prevails. But there is also the Chekhov tradition. In the conclusion of the tragedy by Chekhov, everyone is disappointed, disillusioned, embittered, heartbroken, but alive. And my colleagues and I have been working, trying…not to find the sentimental happy ending, a brotherly love, a sudden honeymoon to the Israeli-Palestinian tragedy, but a Chekhovian ending, which means clenched teeth compromise.

Amos Oz (in een interview met de PBS)

Read Full Post »

12122013

Terwijl ik in gedachten nog bezig was met de gelijkenis van de talenten, – en natuurlijk ook met de werken der barmhartigheid, die er in het evangelie op volgen – viel mij iets bijzonders in de schoot. Vriend Peter nodigde mij uit voor een avond theater. Toneelgroep Maastricht speelde in Amstelveen De goede mens van Sezuan van Bertolt Brecht. Uiteraard vielen mij meteen de overeenkomsten met bijbelse thema’s op.

Zo is de goede mens in het stuk als vanzelfsprekend iemand zonder aanzien. Precies zoals het hoort vinden de goden (een wat wereldvreemde, ongeduldige Driëeenheid) na veel vruchteloos zoeken onderdak bij een hoertje. Na enig gesteggel in de goddelijke binnenwereld besluiten zij haar wankele bestaan te schragen met een aardig bedragje, waarvan Shen Te een tabakswinkeltje koopt, zodat haar leven zich ten goede kan keren. Een wending neemt haar leven wel, maar of het er beter op wordt is zeer de vraag.

Een andere vraag, die het stuk misschien niet zo duidelijk stelde, maar die mij wel bleef achtervolgen, is deze: wat behelst die goedheid van Shen Te eigenlijk? Is het wel goedheid? Zij leek mij eerder gedreven door een tomeloze barmhartigheid, die – paradoxaal! – feilloos het slechtste in haar medemensen naar boven bracht. Haar goede fortuin trok een groeiende schare profiteurs aan, waardoor zij zich gemakkelijk liet overweldigen. Om niet ten onder te gaan aan haar eigen goede hart, riep zij een alter ego in het leven: haar koele, zakelijke neef Shui Ta. (Let op de genderstereotype rolverdeling!)

De interventies van Shui Ta maken het er uiteindelijk alleen maar ingewikkelder op, want hij en Shen Te werken zorgvuldig langs elkaar heen. Iets dergelijks vond – waarschijnlijk dank zij Brecht’s betoverende vervreeemdingseffecten – binnen mijzelf plaats: mee bewegend met wat op toneel gebeurde, werd ik heen en weer geslingerd tussen gevoel en verstand. Hijgend rende ik van empathie naar afstand en weer terug, met armen vol dilemma’s. Het kostte me twee weken om met mezelf in het reine te komen en eindelijk weer in de comfortabele fauteuil van mijn eigen overtuigingen plaats te nemen. Die fauteuil voelde nieuw en vertrouwd tegelijk.

Natuurlijk was ik vele gedachten, misschien zelfs inzichten, rijker geworden. Ik had afstand genomen van de vanzelfsprekende sympathie voor Shen Te, die ook bij Brecht voor de hand leek te liggen. In mijn ogen begon zij te delen in het karikaturale van haar zogenaamde neef. Terecht had zij zich afgevraagd, vond ik, of haar goedheid niet veeleer een verslaving was aan de blijde blik van wie zij maar voor zich had, een verslaving die zij met jojo-en tussen zichzelf en haar alter probeerde onder controle te houden. Ongelijk krijgt ze van mij als zij de wereld er de schuld van geeft dat haar goedheid niet blijkt te werken. En de goden mogen hun goede raad (liever één keer in de maand Shui Ta te hulp roepen dan eens per week) mee naar huis nemen. Misschien kunnen neef en nicht maar beter met elkaar in het huwelijk treden en meer mens worden van de corrigerende dynamiek die dat (idealiter) met zich meebrengt.

Read Full Post »

Older Posts »