Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2017

Sjeimesbak

 

“Wacht even, moeder!” zegt de man en hij wijst me een stoel tegenover zich aan de keukentafel. “Zij weet nog niet wat een sjeimesbak is.” Terwijl zijn vrouw in haar peignoir geduldig staat te wachten tot ik haar kom helpen met douchen, krijg ik een lesje in orthodoxie. Mijn romantische fantasieën over een zolder als die van de Genizah van Caïro in elke sjoel worden enerzijds ontnuchterd tot beelden van een rolcontainer in een door tl-buizen verlichte bijkeuken, anderzijds dichterbij gebracht door een plastische beschrijving van de uiteindelijke bestemming van de ‘sjeimes‘ uit de ‘sjeimesbak‘. “Als er iemand begraven wordt, gaat er eerst een laag boeken in de kuil, dan een beetje zand erover en daar komt de kist weer bovenop.”

Even later ben ik weer gewoon de verzorgende in de thuiszorg en hanteer ik vakkundig het washandje en de handdoek. Innerlijk geniet ik van het besef dat ik deel ben geworden van een bijzondere liefdesgeschiedenis, de liefde van een volk en een boek. Voor zover ik het kan nagaan begint dat verhaal in hoofdstuk acht van het boek Nehemia:

Aan het begin van de zevende maand, toen de Jisraëlieten [die teruggekeerd waren uit de Babylonische ballingschap] zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mosjee, de wet die de Eeuwige aan Jisraëel had opgelegd. Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het begrijpen kon hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot aan de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.

Nehemia 8:1-3

Op een zeker moment moet Ezra geschrokken zijn, want “heel het volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde.” Was het ontroering? Of verdriet om de afstand tussen dit moment en de dag dat hun voorouders die wet op de Sinaï hadden ontvangen? Ezra en de aanwezige priesters drukken de menigte op het hart dat dit een dag is om feest te vieren:

Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de eeuwige u geeft, is uw kracht.

Nehemia 8:10

Zoals het altijd gaat met liefde, vreugde en kracht, is ook deze eeuwig als het gras. Overal op de wereld waar Joden wonen bloeit zij eenmaal per jaar uitbundig op in het feest van de Vreugde der Wet, maar door het hele jaar, door alle eeuwen heen breidt zij zich uit over alle heilige geschriften. Een Tenach of een gebedenboek leg je niet op de grond en mocht het vallen, dan raap je het op en kus je het. Je laat het niet open liggen, wanneer je de kamer uit gaat. Je leest erin, wanneer je gaat slapen en wanneer je weer opstaat. En als het helemaal stukgelezen is, dan gooi je het niet zomaar weg, maar breng je het naar de sjeimesbak. Misschien kus je het nog één keer.

Deze liefde is zeer aan mij  besteed en soms lijkt mijn huis wel een beetje op een sjeimesbak en ik op dat jochie hierboven. Tegelijk vraag ik me af hoe haar geschiedenis verder zal gaan, tegen de tijd dat mijn gebeente op een laagje boeken ligt te rusten. Naast mij in sjoel zit een jonger iemand, die een smart-phone tevoorschijn haalt, zodra de Tora-rol geopend wordt: je kunt tegenwoordig meelezen in een app. Wat gebeurt er met de heilige letters, met de onuitsprekelijke naam van God, op het moment dat je die app weer weg klikt? Wat valt er nog te kussen of te begraven, als tenslotte ook de liefdesgeschiedenis van Het Boek “digitaal gaat”?

Advertenties

Read Full Post »

Wrede morgenstond

 

In mijn vorige bericht vergeleek Shakespeare de dood met slapen. Lawrence maakte er een mystieke zeereis van, maar op het moment dat zijn “frail soul” weer grond onder de voeten voelt, is er opeens sprake van een dageraad: “the cruel dawn of coming back to life / out of oblivion”. In het ochtendgloren ziet hij de aarde droogvallen en daar ligt zijn lichaam, als een slakkenhuis op het strand, klaar om in terug te kruipen. Het hart krijgt een zetje, als de slinger van een klok. Dan tikt het klokje weer, zoals thuis, en nergens anders.

Ach, hoe doet dit alles mij denken aan joods wakker worden. Gaan niet de eerste woorden die ’s morgens over mijn lippen komen over de thuiskomst van mijn ziel, die ik de avond tevoren in de hand van de Eeuwige had gelegd? Meteen gooit die ziel de ramen open en zodra zij heeft gemerkt dat alles het weer doet, prijst zij de Koning van het heelal om het wonder van haar lichaam. Dan voel ik mij thuis en loof ik de Eeuwige om mijn ziel, die zuiver is, dat wil zeggen: helemaal van mij alleen, ook al is Hij het die alles doet. Scheppen, vormen, inblazen, bewaren, wegnemen, teruggeven.

Dan volgt de eerste ‘bracha‘, waar ik eigenlijk een haan voor bij de hand zou moeten hebben, die het verschil tussen dag en nacht kent. Ik denk dan maar aan Poeze-Mien, die weet daar ook wel raad mee. Tja, en daarna heb ik de keuze tussen drie liberale zegenspreuken of één orthodoxe. Meestal gedraag ik me als een rechtgeaarde feministe en prijs ik de hemel dat ik een (genderneutraal!) mens ben, want naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, een dochter van de vrijheid bovendien en nog joods ook. Een enkele keer warm ik me op aan de oude, rechtzinnige vrouwen-broche: “Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God! Koning van ’t heelal, die mij naar Uw welbehagen geschapen hebt.” Omdat het voor mij geen kwaad kan me af en toe te realiseren dat ik goed ben zoals ik ben.

Tien spreuken verder ben ik zowaar blij dat Iemand mij de slaap uit de ogen gewreven heeft. Eigenlijk is het een beetje raar dat we die lofzeggingen tijdens de sjabbat ochtenddienst in sjoel herhalen. Ze zijn uniek onder de gebeden, doordat ze in de eerste persoon enkelvoud gesteld zijn. Laatst probeerde onze dienstleider daar iets van terug te brengen in de liturgie, door ons uit te nodigen een persoonlijke zegening uit te spreken. Ik had er meteen eentje klaar, maar die heb ik niet hardop gezegd, toen ik merkte dat anderen de toon zetten door allerlei bovenpersoonlijke zaken te berde te brengen, tot aan de wens voor wereldvrede toe.

Hier, in de anonimiteit van het internet, durf ik het wel: ik zou mijn God willen loven, omdat mijn kat ’s morgens vroeg op mijn bed springt en meteen begint te spinnen. Ha ha, denkt God, zo lust Ik er nog wel één! Hij die de haan het vermogen heeft verleend “om tusschen den dag en den nacht te onderscheiden”, schonk Poeze-Mien het talent om bij het krieken van de dag op jacht te gaan. Ik hoor het al aan de klank van haar miauwtje. Daar staat ze weer voor mijn bed, met een vette muis in haar bek. Gelukkig springt ze vandaag niet op me. Ze gooit de muis vlak voor me op de grond. Fijn, het arme diertje leeft al niet meer, dus ik hoef zijn doodstrijd niet te zien. Wat wil de kat eigenlijk? Dat ik de muis samen met haar opeet? Of betekent haar gebaar: zullen we samen spelen?

Terwijl ik ook haar een beetje loof en prijs, pak ik het grauwe lijkje bij de staart, loop naar het toilet en spoel het door. Met enige aarzeling ga ik zitten en geniet van het wonder van mijn lichaam. Alles doet het weer. “Ook goedemorgen, Poeze-Mientje!”

Read Full Post »

 

Terwijl de wereld overal in brand staat, lijkt de Nederlandse kabinetsformatie nog altijd in een aporie te verkeren. En dat allemaal vanwege dat zogenaamde voltooide leven. Is het gek dat ik aan Hamlet moet denken? “To be or not to be, that is the question.” Kom, lees de beroemdste zelfspraak in de wereldliteratuur nog maar eens, hier. Of neem genoegen met de samenvatting die Wikipedia geeft:

De vraag is: is het beter om te leven dan wel dood te zijn? Is het nobeler om geduldig alle onheil te ondergaan die het lot je toewerpt of valt het te verkiezen om de strijd tegen alle zorgen te beëindigen door gewoon jezelf te doden?

Intrigerend, hè, dat “gewoon”?

Misschien moet ik alleen voor mijzelf spreken, maar ik vermoed dat iedereen die ooit de impuls tot suïcide heeft gevoeld, in zichzelf een monoloog als die van Hamlet moet hebben gevoerd. Dagelijks, nee, meer keren per dag. Tot er een antwoord kwam, dat het wikken en wegen – gelukkig meestal voorlopig – overbodig maakte. Maar hoe zit dat met de voorstanders van een zelfgekozen einde aan een “voltooid leven”?

Uit de advertorials van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde komt een beeld naar voren van mensen die nog geen “thousand natural shocks” op de teller hebben, maar wel al op een wonderlijk kalme manier bang zijn voor wat het laatste stuk leven voor hen in petto zou kunnen hebben. Bijna het tegenovergestelde van de geagiteerde depressie van Hamlet. Een ander opvallend verschil: in onze tijd worden de beide alternatieven, leven of sterven, nooit werkelijk tegen elkaar afgewogen.

Van het laatste stuk leven, dat men zou willen ontwijken, wordt nog wel een voorstelling gemaakt. Mijn indruk is dat daarop angsten worden geprojecteerd die in het nu bestaan, maar waarvan de ervaring van anderen laat zien dat die zelden standhouden in een niet geregisseerd naderen tot de dood. Van de dood echter maakt niemand zich een voorstelling, althans er wordt met geen woord over gerept. Terwijl onze onwetendheid daaromtrent ruimschoots mogelijkheden biedt tot angstige projecties. Lees Shakespeare er maar op na:

                                               To die, to sleep;
No more; and by a sleep to say we end
The heart-ache and the thousand natural shocks
That flesh is heir to — ‘tis a consummation
Devoutly to be wish’d. To die, to sleep;
To sleep, perchance to dream. Ay, there’s the rub,
For in that sleep of death what dreams may come,
When we have shuffled off this mortal coil,
Must give us pause.

In dat moment van afwachten treedt bij Hamlet de twijfel in. Opeens is hij er niet meer zo zeker van dat “he himself might his quietus make / With a bare bodkin.”

Een verrukkelijk geval van intertekstualiteit koppelt Hamlet’s alleenspraak aan een andere in de Engelse literatuur. Tegen het eind van zijn leven, terwijl hij aan tuberculose ligt te sterven en openlijk naar de dood – of naar “oblivion” – verlangt, maar er tegelijk bang voor is, schrijft D.H.Lawrence een lang, mijmerend gedicht, The Ship of Death. Hij is er tamelijk zeker van dat de zelfgekozen dood geen rust kan brengen, en voor deze ene keer heb ik heel sterk het gevoel dat hij zichzelf niet overschreeuwt, maar iets te vertellen heeft.

Wat hij vertelt is uiteraard ook een projectie, vol Bijbelse echo’s. Als een eenzame Noach timmert hij prekend aan een ark in woorden:

A little ship, with oars and food
and little dishes, and all accoutrements
fitting and ready for the departed soul.

Now launch the small ship, now as the body dies
and life departs, launch out, the fragile soul
in the fragile ship of courage, the ark of faith
with its store of food and little cooking pans
and change of clothes,
upon the flood’s black waste
upon the waters of the end
upon the sea of death, where still we sail
darkly, for we cannot steer, and have no port.

In zijn eigen geest maakt hij van de naderende dood een mystieke reis, niet naar het Grote Licht, want daar hield hij niet zo van, maar naar “the deepening black darkening still blacker”. Helemaal in die diepte, of die verte, waar “the upper darkness is heavy on the lower”, zwaait de camera 180 º naar het scheppingsverhaal, naar een wedergeboorte:

A flush of rose, and the whole thing starts again.

 

 

 

Read Full Post »

Afstand

09082017

 

Weer wat geleerd: volgens een deskundige behoor ik tot een mensentype (daarvan zijn er negen, dus ik ben beslist niet de enige) dat probeert zijn identiteit te baseren op zijn eigen gevoelens. Soms zelfs op zijn emotionele reacties op wat het leven brengt. Dat is volgens die deskundige een hachelijk avontuur en daar kan ik als ervaringsdeskundige uiteraard over meepraten. Toevallig had ik het er recentelijk nog over, hier op dit weblog. En ongeveer tegelijkertijd las ik een artikel in de krant over de zegeningen van het kwijtraken van jezelf – of je ‘zelf’.

Nu heb ikzelf daarover, zoals over alles, altijd gemengde gevoelens gehad. Zolang ik nog druk doende was met het verkrijgen van zo’n ‘zelf’, moest ik er niet aan denken er alweer afstand van te moeten doen. Tegelijk kon dat hele gedoe me soms zozeer gestolen worden, dat al wat in mij was leek te verlangen naar vergetelheid.

And if tonight my soul may find her peace
in sleep, and sink in good oblivion,
and in the morning wake like a new-opened flower
then I have been dipped again in God, and new-created.

Shadows door D.H. Lawrence

In het hierboven genoemde artikel trof mij een inzicht, dat aan Daniel Dennett werd toegeschreven: “(…) beslissingen worden op verschillende plekken in ons brein genomen en er bestaat geen centraal handelend zelf. Het zelf wordt geconstrueerd door het brein, en niet eens continu, maar af en toe. De rest van de tijd is het afwezig.” Tja, bij nader inzien ben ik dus zo gek nog niet. Niemand ontkomt eraan, aan dat zoeken en kwijtraken van zichzelf. Zouden er dan negen verschillende manieren zijn om die beide extremen te bereiken, of het midden daartussen te bewandelen?

Vervolgens las ik iets in het artikel dat er niet stond. Ik begreep dat we het ‘zelf’ construeren, zoals we een vertrouwd landschap waarnemen: het bestaat uit oneindig veel details en het is altijd aan verandering onderhevig en toch ervaren we het als iets statisch. Er hangt als het ware een schilderij van in onze bovenkamer. Dat ik “werkelijkheid” onbewust verving door “landschap”, zegt iets over de manier waarop ik me tot de wereld om mij heen én tot mijn eigen binnenwereld probeer te verhouden. Weliswaar wandel ik erin, maar voor mijn gevoel doe ik dat altijd bergopwaarts, zodat ik op zeker moment uitzicht heb over een landschap.

Nu zou ik het verder bijvoorbeeld over landschapsarchitectuur kunnen hebben en bij de mystiek van Zuster Bertken en haar “hoofken” uit kunnen komen, maar dat doe ik niet. Vandaag ben ik geboeid door de idee van afstand nemen, aangetrokken door heldere berglucht. Bovendien gonst er een ander inzicht in mijn herinnering. Ergens in zijn boek Über das Wesen der Bienen maakt Rudolf Steiner een opmerking over bijen en individualiteit. Volgens hem is een honingbij op zichzelf eigenlijk geen individu, misschien zelfs niet eens een dier. Buiten haar bijenvolk kan zij immers geen dag leven. En dan stelt hij zich voor dat je een heel bijenvolk onder het omgekeerde van een microscoop zou kunnen leggen. (Uitzoomen, zouden wij nu zeggen.) Dan zou je, volgens hem, op zeker moment een soort aangezicht zien en zou de imme een persoon worden.

In de jaren dat ik bijen hield heb ik mij er geregeld over verwonderd, dat elk volk een eigen karakter leek te bezitten. Een karakter dat bovendien constant bleef zolang de voortdurend wisselende populatie dezelfde moeder had. Ook bleef het mij intrigeren dat een volk altijd een volk bleef, niet alleen wanneer het ’s winters als een bal tussen de rijk gevulde raten samenklonterde, maar ook als het zichzelf verloor in het zomers landschap, verstrooid over een oppervlak met een diameter van wel zes kilometer. Helaas kon ik de bijen niet vragen of zij het zelf ook zo ervoeren, of zij bij zichzelf een ‘zelf’ gewaar werden.

Hoe deed ik dat zelf, toen ik mijzelf een wolkje muggen boven een tuinpad voelde? Hoe doe ik dat nu, terwijl ik mijn verstrooide gedachten samen probeer te brengen in een tekst die anderen kunnen begrijpen? Misschien moet ik hoger en hoger klimmen. Hoger dan de blauwe luchten, tot waar ik het allemaal op grote afstand zie en begrijp. Als een landschap, als een aangezicht.

Read Full Post »