Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2019

Verstandig?

 

Mijn verstand stond niet op nul. Integendeel, bijna had ik te lang de voors en tegens overwogen. Men kan ook té bedachtzaam zijn. Vrijdagmiddag om drie uur dacht ik: “Kom op, wees niet zo kinderachtig! Je wilt het toch?” Snel liep ik naar de overkant, naar kantoor, om zijn sleutel op te halen. “Stel je voor, straks bedenk je je nog!” Mijn collega’s keken even op van hun beeldschermen en ik zei: “Ik ga even kijken of meneer L. zin heeft in een ommetje. Het is zulk mooi weer.” Daar had je het weer: ik oogstte al bewondering voordat ik überhaupt iets had gedaan. Misschien zou ik hier over vijf minuten alweer staan, omdat ik die ouwe brompot niet had kunnen overhalen even samen naar de jonge futen te gaan kijken.

Waarom had ik zo lang geaarzeld? Waar gingen mijn bedenkingen eigenlijk over? Was ik vooral bang dat men mij onprofessioneel zou vinden? Of overdreven? Vreesde ik misschien dat ze zouden denken dat er meer achter zat dan alleen maar een altruïstische geste? Misschien was dat wel zo, want ik voelde duidelijk vanuit mijzelf de behoefte om het eens gezellig met hem te hebben, in een domein dat de intimiteit die de zorg al bood zou overstijgen. Was ik dan bang voor afwijzing van zijn kant? Hij was tenslotte, alle flirterige grapjes ten spijt, niet iemand waar je makkelijk dichtbij komt. Eigenlijk precies zoals ik ze wil hebben.

Wat was het dan? Waarschijnlijk was ik vooral, en niet geheel ten onrechte, bang dat mijn gebaar zijn verwachtingen van mij en van de thuiszorg zou ontregelen. Wat haalde ik me op mijn hals, als hij me zou gaan claimen voor van alles waar binnen de reguliere zorg geen tijd en geen geld voor is? Zou ik hem dan toch al gauw weer teleurstellen, waarna hij weer in zijn verongelijkte zelf zou terugkruipen? Mokkende ouwe man. Mijn mokkende ouwe man.

Hij zat te somberen in zijn achterkamer, toen ik (niet te vrolijk, daar houdt-ie niet van) binnenstapte. Terwijl ik mijn voorstel deed en hij het overwoog, meende ik te merken dat wij ons allebei heel even gelijkelijk kwetsbaar voelden. Even speelde hij nog hard to get, of zag hij er eigenlijk gewoon tegenop? Somberen ging hem beter af dan iets gezelligs gaan doen. Alweer, heel even: waar begon ik in godsnaam aan? Bijna had ik het opgegeven, toen hij – zonder me aan te kijken – aanwijzingen begon te geven: de voetsteunen voor zijn rolstoel lagen daar, en hij wilde het rooie jack aan, want de wind was misschien toch wat koud.

Vanaf dat moment zat ik een uur lang in mijn groove. Hij in zijn rolstoel voor me uit, zodat we elkaar niet aan hoefden kijken, wel zo makkelijk. “Kijk! Ziet u ze, de jonge futen?” “Nee, die kant langs, blijf toch maar een beetje in de zon.” “En nou naar rechts.” “Naar het Stadionplein?” “Ja, misschien kunnen we daar wel een ijsje eten.” Na het ijsje reden we nog helemaal om het Olympisch Stadion heen. Hij verwonderde zich over de huizen aan de Afroditekade en vlak voordat we de weg naar zijn huis overstaken, keek hij genietend naar een oude iep, waar zon en wind naar hartelust mee stoeiden. “Wat een prachtige boom!”

Toen ik hem uit zijn jack begon te helpen, gaf hij nog een aanwijzing. “Ach, zo,” zei ik, “dan weet ik dat voor de volgende keer.”

Die volgende keer komt niet, nooit. In de nacht van de afgelopen sjabbat is hij zomaar opeens doodgegaan. Voor het eerst sinds tijden ben ik echt verdrietig. Samen met mijn vaste collega van de avond zei ik – op zijn verzoek – “een gebedje” voor het raam van het lege huis. De collega’s van de dag waren ook geschrokken, neem ik aan, want ze “vroegen zich af, was dat wel zo verstandig, een cliënt meenemen om te wandelen in je eigen vrije tijd?” Het duurde meer dan een dag, voordat het tot me doordrong wat zij daar misschien wel mee bedoelden.

Advertenties

Read Full Post »

12052019

 

Door mijn werk heb ik een vertekend beeld van de ouderdom, ik weet het. Talloze tachtigers leiden een zorgeloos zwitserleven, zonder dat ik het in de gaten heb. Overal waar ik kom sijpelt urine langs enkels, alsof het aan mij, aan mij alleen te wijten is. In mijn wijk vol hoogopgeleiden is bovendien het merendeel van de bejaarden min of meer stevig aan de drank. Een even troostrijk als troosteloos vooruitzicht. En toch vind ik mijn werk leuk. Pappen en nat houden, met een sprankje zwarte humor. Grimlachend leef ik met mijn oudjes in hun verleden en hun hier en nu, op een heel eigen manier onbekommerd.

Door mijn eigen leven heb ik ook een vertekend beeld van het ouder worden. Mijn ouders stierven beiden jong. De goden zullen hen liefgehad hebben. Misschien hadden ze het met mij ook goed voor, want anders dan veel van mijn generatiegenoten ga ik niet gebukt onder de last van mantelzorg. Ik weet nog net wat het is om kinderen groot te brengen en uit te laten vliegen, sidderend van vreugdevolle verwachting en van vrees. Je moet er maar op vertrouwen dat zij het leven aan zullen kunnen, met al zijn klippen en kuilen. Als jij dat niet doet, hoe moeten zij dat dan voor elkaar krijgen?

Wellicht is het met de laatste levensfase van je ouders ook zo: je moet er maar op vertrouwen dat ze het kunnen, aftakelen, tot ze klein genoeg zijn om door het oog van de naald naar de andere wereld te reizen. Maar hoe moeten mijn leeftijdgenoten dat doen, in de wereld van vandaag?

Er is iets met de wereld gebeurd, waardoor vertrouwen een schaarse grondstof is geworden. Heel even heeft Jan Terlouw ons opgeschrikt, toen hij twee jaar geleden begon over het touwtje uit de brievenbus, maar het knallen van de zweep van de vooruitgang heeft hem alweer overstemd. De maakbaarheidsgedachte hangt als een half afgemaakte zin in de lucht en we zijn – heel innovatief – alweer met een volgend project gestart. Beheersbaarheid. Als dat lukt, is het opraken van het vertrouwen immers opgelost.

Met verbijstering sla ik ons gade, maar dat komt waarschijnlijk doordat ik een vertekend beeld heb van het leven. Een hoofd vol gedichten, geschiedenis en gebeden is te zwaar om de vaart der volkeren bij te houden. Of ben ik misschien toch een heel klein beetje wijzer geworden in de jaren die ik achter me heb gelaten? Wijzer en weemoediger dan.

De innovatie op mijn werkterrein is zeer oplossingsgericht en uiteraard veelbelovend. Het groeiend leger van dementerende thuiswoners wordt ingesponnen in een cocon van digitale systemen. Medido. Domotica. CarenZorgt. Uiteindelijk zal er niets meer mis gaan. Een kleine ongelovige in mij fluistert: “Niets? Wacht maar, er gaan andere dingen mis.” En heel eerlijk gezegd had dat stemmetje niets hoeven zeggen, want ik zie het al om me heen. Het is net alsof door ons streven naar beheersbaarheid het vertrouwen in onszelf, elkaar en het Leven nog sneller opraakt.

Nu wil ik niet gaan zeuren over iedere keer dat ik mijn werk moet onderbreken, omdat de centrale waarop de Medido’s zijn aangesloten me belt met de mededeling dat ik even moet gaan kijken bij mevrouw Plasmeijer, omdat haar Medido een foutmelding geeft. Liever was ik gewoon elke avond bij haar langs gegaan, dan had ze ook even aanspraak gehad en had ik even een oogje in de andere zeilen bij haar thuis kunnen houden. Ik zal het ook niet hebben over de toename in onrust door de koppeling tussen onze overdracht en de mantelzorg-app van CarenZorgt. Hoe verder de kinderen uit de buurt wonen, hoe angstvalliger ze alles via de app volgen en iedereen weet inmiddels wel dat digitale berichtjes steeds sneller en onzorgvuldiger gelezen worden, zodat de misverstanden over elkaar heen tuimelen. Voor mijn voeten.

Nee, het kwalijkste gevolg van het beheersbaarheidsdenken komt niet eens van al die digitale systemen. Het zit in de vanzelfsprekendheid waarmee verondersteld wordt dat het goed is om te allen tijde de regie over je leven te hebben. Daarvoor schijnt het belangrijk te zijn om alle mogelijke scenario’s rond het levenseinde rationeel te doordenken en alvast beslissingen te nemen voor alle mogelijke wendingen die de loop van het leven zal nemen. Ergens heb ik het idee dat de ouderen van vandaag daar niet eens zelf om vragen. De tijdgeest dringt het hen op, vaak via hun kinderen of de zorgverleners die er over de vloer komen.

Nebbisj, wat heb ik te doen met die oude geleerde op het hellend vlak van verminderende cognitieve vaardigheden, die men regelmatig lastig valt met vragen waar zijn onpraktische brein misschien wel nooit echt raad mee heeft geweten. Terwijl hij eigenlijk aan zijn memoires zou moeten werken, breekt hij zijn hoofd over dilemma’s die zich mogelijk voor zullen doen (of misschien ook niet!) op een moment dat hij zelf geen beslissing meer kan nemen. En waarom? Bij hem hangt het touwtje nog gewoon uit de brievenbus. Gelukkig mag ik nog even gewoon ouderwets zijn zelfzorg aanvullen waar nodig en ondertussen genieten van zijn hoofd vol gedichten en geschiedenis. Bidden doet hij niet – ik wel voor hem.

Read Full Post »