Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for september, 2014

Het bedrog van de reiger

28092014*

voor mijn vader

*

A dog cannot lie, neither can he be sincere.

Wittgenstein

Ik zou hem zo op zijn mooie woorden geloven, ware het niet dat deze zelfde man heeft beweerd dat je een serieus filosofisch werk zou kunnen opbouwen uit louter grappen. Een hond lijkt mij een tamelijk transparant dier, maar voor hetzelfde geld houden ze ons massaal voor de gek. Daar is voldoende evolutionair voordeel bij te halen. Maar: is het bij gebrek aan woorden dat een hond niet zou kunnen liegen? Met kwispelen en droevig kijken kom je ook een heel eind. En hoe zit het met de andere dieren?

De afgelopen week zag ik, elke morgen wanneer ik ging zwemmen, een reiger in een slootje staan. Voorovergebogen tuurde hij naar het kroos dat om zijn poten dreef en van tijd tot tijd liet hij een kraaiachtig gekras horen. Nu was er geen andere reiger in de buurt, dus dat geluid was vermoedelijk niet bedoeld als een “ik ben hier” of “dit is mijn visplek”. Opeens wist ik het: hij sprak een woordje over de grens. Het was ‘kikkers‘, of in ieder geval een poging daartoe. En de eerste de beste kikker die zijn kop boven het kroos uit zou steken om te kijken wie daar in zijn buurt was, zou zijn goedgelovige nieuwsgierigheid met zijn leven moeten bekopen.

Dat dieren de werkelijkheid weliswaar waakzaam, maar toch door een sluier van vooroordelen bekijken, valt me tijdens het zwemmen vaker op. Lopend over het pad naar de oever stuiven de meerkoeten haastig voor mij weg, maar zodra alleen nog mijn hoofd als een bal op het water drijft kan ik ze tot op een paar meter naderen. Zouden ze mij voor een (ietwat vreemde) eend verslijten? De fuut lijkt zich niet zo makkelijk te laten foppen en duikt onder zodra hij mij gewaar wordt. Voor de buizerd boven mij ben ik op mijn beurt bang. Ik zwem rustig naar de oever, waar een paar konijntjes grazen. Ze lijken me niet eens op te merken, zelfs niet als ik nog maar vier armlengten van hen verwijderd ben. Pas als ik mij opricht gaan ze er gauw vandoor. Jammer, want ik lust ze wel – vooral met uien, tijm en citroen.

Een andere morgen, de nevel ligt nog op het water en de zon werkt zich traag vanachter de wilgen omhoog, staat er een (andere?) reiger op de oever te wachten terwijl ik naar de kant zwem. Dit keer sta ik rustig op en zeg hem goedendag. Hij wandelt bedaard voor mij uit naar de andere kant van mijn fiets en baant zich daar een weg de rietkraag in. Ik blijf kijken en de gebaren waarmee ik mij afdroog en aankleed zijn onwillekeurig trager en voorzichtiger dan wanneer ik alleen ben. De reiger stoort zich in het geheel niet aan mij en doet zijn werk als was hij onbespied. Opeens schiet zijn snavel naar beneden en als hij zijn lange nek weer recht, spartelt er een veldmuisje aan de punt van zijn bek. Zou hij de stilte hebben nagedaan, of heeft hij even met zijn grote teen het trippelen van een muizenlief geroffeld? Bijna ontsnapt mij een bewonderend “oooh!” op het moment dat hij het muisje, schijnbaar zonder het los te laten, in één hap naar achter zijn keel ik werkt. Levend en wel. Terwijl ik mij nog verwonder over die merkwaardige verbaasde blik in zijn ogen stapt de reiger alweer op en verdwijnt om de hoek van een elzenbosje, waarachter zich een drassige poel vol kikkers bevindt.

Wat voel ik mij met al mijn woorden onbeholpen. Een enkele keer kom ik wel aan een konijntje, als één van de drie windhonden die daar geregeld uitgelaten worden er een te grazen neemt, maar mijn eigen lompe lijf mist snelheid én bedrog om op dat punt voor mezelf te kunnen zorgen. Dat hoeft gelukkig niet: als ik op de terugweg een hengelaar bij het sluisje twee baarsjes af biets die hij net gevangen heeft, dan voel ik mij weer in mijn element. Mooie woorden kosten me niets en als ik er een beetje lief bij kijk, wordt de vis nog steeds niet duur betaald. Zou de hengelaar zich bedrogen voelen? Kom, laat ik (nog twee weken en De Gedichten zijn weer verkrijgbaar!) Herman de Coninck nog maar eens citeren:

Charme is niet iets wat er is. Charme is een vorm van medeplichtigheid tussen charmeur en gecharmeerde, de afspraak om te doen alsof. Charme is een meerwaarde die de charmeur graag aan de dingen had gegeven bij wijze van cadeau aan een of andere dame, maar die alleen geste blijft. Wat charmeert zijn de mooie woorden, in de wetenschap dat het alleen maar mooie woorden zijn. Als ze ook nog geloofd zouden worden, heb je niet met charme, maar met bedrog te maken. Essentieel voor charme is dat ze doorzien wordt, en desalniettemin graag geaccepteerd.

Uit: Jacques Brel en de dood: mannen onder elkaar

Read Full Post »

Oikos

17092014

Toen mijn moeder in 1955 trouwde, werd in de huwelijksakte aan haar meisjesnaam de aantekening ‘zonder beroep’ toegevoegd. Vijftien jaar later werd zij weduwe en moest ik haar helpen (zij was inmiddels geheel blind) met het invullen van de belastingpapieren. Voor het eerst in haar leven had zij zeggenschap over zichzelf en zij wist wel degelijk iets over zichzelf te zeggen. Dus schreef ik – aandachtig, want het moest heel netjes – ‘huisvrouw‘ op het stippellijntje achter ‘beroep‘. In mijn latere leven heb ik mij op alle mogelijke manieren tot het huishouden verhouden, van verwensen tot verheerlijken. Maar diep daaronder ligt in mij een fundamenteel respect voor de zorgende taken waarvoor dat woord een woning is.

Bijna een halve eeuw na dato laat het zich nog regelmatig gelden, bijvoorbeeld in de argwaan die ik voelde opkomen bij het lezen van het essay Uit liefde voor de wereld in Kairos van Joke J.Hermsen. Het stuk wil de lezer ervan overtuigen dat kunst onlosmakelijk verbonden is met ‘das Politische‘ – een term die Hermsen ontleent aan het gedachtegoed van Hannah Ahrendt. Om dat te onderbouwen haakt zij bovendien aan bij Aristoteles, en wel bij het onderscheid dat hij ziet tussen ‘zoè‘ en ‘bios‘, en in het verlengde daarvan tussen ‘oikos‘ en ‘polis‘. In het vuur van haar betoog lijkt zij dit onderscheid tot een antithese te verheffen, waarbij ze vervolgens het één boven het ander plaatst in een hiërarchie van waarden.

Waar ‘zoè’ het naakte, biologische leven is, dat gericht is op het fysieke overleven, is ‘bios’ de morele, culturele en waardevolle levenswijze, ….

Nu is dat onderscheid – dat een cruciale rol speelt in hoe je mens en dier, privé en publiek ziet – niet zonder waarde. Met het vertroebelen of weg relativeren van dergelijke grenzen verliezen we die waarde gemakkelijk uit het oog. Ze dan maar ver uit elkaar trekken en het een boven het ander plaatsen lijkt me echter ook niet heilzaam. Hermsen doet dat in mijn ogen wel, vooral wanneer zij het leven binnen de muren van de oikos louter in termen van sleur en herhaling beschrijft en het heeft over ‘afstand nemen’ en ‘achter ons laten’. En passant veegt zij twee hedendaagse cultuurcritici van tafel: Roger Scruton en Thierry Baudet. Hoewel ik niet veel van deze twee heren heb gelezen, heeft ‘oikofilie‘ voor mij onmiddellijk een positieve connotatie. Het maakt mij nieuwsgierig naar hoe Scruton daaraan vorm denkt te kunnen geven. Als ik dan zie dat Hermsen daartegenover een zwaar beladen term als xenofobie van stal haalt, dan lijkt ‘oikofobie‘ daar een passend antwoord op. Ergens in de verte klinkt het gekletter van een discussie tussen strijders uit twee kampen, – progressieven en conservatieven, naar het schijnt – waarbij de hang naar allerlei vormen van kosmopolitisme en de behoefte aan grenzen en eigen haard zich tegen elkaar afzetten. Aan die twee bomen gaan geen appels groeien, denk ik dan, bij gebrek aan kruisbestuiving.

Er is nog iets anders: met alle waardering voor Aristoteles als filosoof zou het me niet verbazen als hij instemmend zou knikken bij het betoog van Joke Hermsen. Precies daar waar ik mijn wenkbrauwen voel samentrekken. Het wereldbeeld van Aristoteles mag filosofisch gezien nog zo ruim en groot zijn, hij kon in zijn tijd nog niet voorbij een werkelijkheid kijken waarin de oikos vanzelfsprekend het domein van de vrouw was en de polis dat van de man. Aan die tweedeling kleefde destijds bovendien een vanzelfsprekend verschil in waardering, waar wij nog altijd de povere vruchten van oogsten.

Daar schiet me een ander, zeer lezenswaardig essay te binnen: in de bundel Zij denkt dus zij bestaat (povere vrucht, die titel, of gepaste ironie) schrijft Marli Huijer over het denken over ‘tijd‘. Nieuw en onverwacht! heet het stuk, en ook zij neemt haar uitgangspunt bij Hannah Ahrendt. In veel minder stellige bewoordingen dan Hermsen geeft zij een heel andere interpretatie van de verhouding tussen oikos en polis. Het nieuwe en onverwachte wordt bij haar niet pas buiten het huiselijke gerealiseerd, maar juist daarbinnen:

Benhabib [een andere beschouwer van Hannah Ahrendt, J.] doelt daarmee niet op vrouw-zijn in de zin van kinderen kunnen baren of het huishouden draaiende houden, maar op het opvoeden van kinderen, een activiteit die traditioneel tot het domein van vrouwen behoorde. Het zijn vooral vrouwen die in elk woord en gebaar, met elk geluid en elke handeling een wereld aan het kind overdragen en het daarmee in de publieke sfeer brengen.

Misschien ligt het vooral aan de toon, maar ik hoor een wereld van verschil tussen deze laatste zin van Huijer en onderstaande van Hermsen:

Elke dag opnieuw worden min of meer dezelfde handelingen verricht, dezelfde potjes gekookt, bedden verschoond, flessen gewarmd en luiers gewisseld om het kroost in leven te houden.

Dat verschil ligt volgens mij in de waardering voor al die nederige handelingen en het diep gevoelde besef van het belang daarvan voor het hele menselijke leven. Niet als louter voorwaarde, niet als iets dat ontstegen of achtergelaten kan worden voor ‘hoger honing‘, maar als een hart dat ons brengt waar wij het dragen. Even vanzelfsprekend, even wezenlijk en even kwetsbaar.

De reden dat filosofische tradities, van Plato tot Marx, de sfeer van menselijke aangelegenheden minachten, ligt in de fragiliteit, onvoorspelbaarheid en complexiteit ervan, aldus Ahrendt.

Ik denk dat Marli Huijer met enig recht vermoedt dat de filosofische traditie in het Westen sterk bepaald is door hoe (mannelijke) denkers zich hier door de eeuwen heen tot de huiselijke sfeer hebben verhouden. Voorzichtig formulerend (zij ziet niet over het hoofd dat de positie van opvoedende ouder niet zonder meer ‘universaliseerbaar’ is) spreekt zij de hoop uit dat de toenemende invloed van vrouwelijke denkers en de sterkere betrokkenheid van de mannelijke bij “de alledaagse wereld van het opvoeden van kinderen” de filosofische traditie meer naar het nieuwe en onverwachte zal richten.

Kruisbestuiving. Appels.

Read Full Post »

Martha en Maria

13092014a

De wereld, het leven – of liever: mijn kennis ervan – lijkt wel een legpuzzel, maar dan zonder een voorbeeld op het deksel van de doos. Vandaag zie ik weer eens een paar stukjes die bij elkaar lijken te passen. Vormen zij een stuk van de blauwe lucht, met iets van een torenspits? Het kan ook een kalme zee zijn, waarboven een boegspriet droomt.

De lessen Ivriet die ik volg hebben me in twee weken tijd zover gebracht dat ik een liedje kan lezen, dat ik ook al kon zingen:

13092014b

Leuk, maar eigenlijk vind ik het in de taal van mijn jeugd minstens zo mooi:

Ai, ziet, hoe goed, hoe lief’lijk is ‘t, dat zonen
Van ’t zelfde huis als broeders samen wonen.

Alleen: bijna de hele Bijbel lijkt over broeders en vaderen te gaan. Hoe zit het met de zusters?

Ah, daar krijg ik van een vriendin een mooie kaart. Op de voorkant een foto van een dierbaar strandje tussen het riet, achterop een wijze spreuk:

….. gij maakt u bezorgd
en druk over vele dingen,
maar weinige zijn nodig,
of slechts één …..

Hé, maar wacht, die ken ik ook van vroeger. Het verhaal gaat over twee zusters bij wie Jezus op bezoek komt. Ze lijken elkaar nogal in de weg te zitten, vanwege een incompatibilité d’humeurs. Martha is op haar best zorgzaam, maar in een ander licht een vervelende control-freak. Maria is beschouwelijk van aard, maar anders bezien een vage dromer, waar je weinig aan hebt. Jezus lijkt partij te trekken voor Maria. Tenminste: zo is het verhaal mij altijd verteld. Hoewel ik van nature eerder een Maria ben, heb ik altijd de neiging gehad het voor Martha op te nemen.

Misschien struikelde ik daarom onlangs over de volgende passage in een traktaat van Meister Eckhart:

En, zoals ik vaker heb gezegd, als er sprake is van gelijkheid, wordt niet bedoeld dat alle daden of plaatsen of mensen gelijk gewaardeerd worden. Dat zou volstrekt onterecht zijn, want bidden is een beter werk dan spinnen en de kerk een betere plaats dan de straat.

Deze woorden sprongen eruit, ze leken niet te passen in zijn betoog. Viel hij uit zijn rol? Kent een mysticus wellicht toch ironie? Of stond hij zichzelf heel even een politiek correcte valse noot toe? (De beschuldiging van ketterij lag als een rover in de struiken op hem te wachten.) Hoe dan ook, deze woorden mocht hij houden; ze zouden bij mij geen ingang vinden.

Maar Jezus. Jezus was dan misschien geen meester in ‘soft skills‘, maar Hij was vast wijzer dan men mij als kind heeft voorgehouden. Ik ken Hem ook in andere omstandigheden, in een gedicht van Leopold over “een hond, stroef als een wolf”. Daarom denk ik dat het volgende stukje van de puzzel past – boegspriet of torenspits -: in een ander evangelie is het Maria, die zich tegen Jezus beklaagt over haar zus. Zij meent dat Martha ten onrechte haar houvast zoekt in zorg en materiële dingen. Hoe zonde! Mijmerend staart Jezus langs haar heen en streelt zijn linker mondhoek met zijn tong: “Wat een goddelijke farinata! Pure liefde!”

Read Full Post »