Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2012

Twee weken geleden zat ik in het Kenniscafé in de Amsterdamse Balie en het ging over zin en onzin van het verzamelen van natuurhistorische objecten. Over de onzin ervan heb ik van de zomer al iets gezegd in een ander blogbericht. In een kort gesprekje met een andere geïnteresseerde uitte ik de gedachte achter dat blog nog eens: hoe onzinnig het is om te denken dat we door het opstellen van allerlei criteria wijzer zullen worden over onze identiteit als mens. Zij deelde mijn zorg absoluut niet.

“Eigenlijk is er maar één criterium nodig om soorten van elkaar te onderscheiden: dieren paren alleen met hun eigen soortgenoten.” Daarmee was voor haar de kous af. Helaas was ik niet zo ad rem om te zeggen dat de mens zich op dat punt wel zeer duidelijk onderscheidt van de dieren. Mensen paren immers met diverse daarvoor geschikte en beschikbare huisdieren en als je denkt aan wat er in de etalages van ouderwetse sexshops te kijk ligt, dan doen we het ook nog op grote schaal met inanimate objects. Zelfs in het huwelijk treden met de Eiffeltoren of de muur van Berlijn behoort tot de menselijke mogelijkheden.

In de tussenliggende tijd heb ik gemerkt dat je over die levenloze materie en wat mensen daar allemaal aan toeschrijven een boeiende discussie kunt voeren. Er is voldoende ruimte voor minstens twee tegengestelde standpunten. Het ene staat zichzelf – met name in de poëzie – een verregaande wederzijdse identificatie tussen mens en materie toe, terwijl het andere zich – zelfs in de poëzie – liefst zo categorisch mogelijk van de onbezielde natuur distantieert. Als altijd kan ik een zekere voorkeur niet ontveinzen, maar verder hoef ik gelukkig niet te kiezen, want alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel heeft zijn eigen tijd.

Er was een tijd dat ik, wrijvend over mijn zere knie,  op de “stoute stoel” mopperde of hem zelfs een bestraffende klap gaf. Die tijd is voorbij en ook de tijd dat ik hoopte dat het mij gegeven zou zijn om met bomen te praten is voorbij. Maar het menselijk vermogen om magisch te denken of te voelen raak ik gelukkig nooit helemaal kwijt. Ik kan me niet voorstellen dat ik met Caeiro zou zeggen: “God zij dank dat stenen slechts stenen zijn.” Eerder voel ik met Rutger Kopland mee in zijn verbazing:

“de tuin kijkt mij recht in mijn gezicht
het is vreemd te bedenken dat zij mij
niet kent, zich mij niet herinnert”

Wanneer ik terugdenk aan de vijfentwintig jaren waarin ik met onze HY ben opgetrokken, dan zie ik helder voor me hoe zij van een ingewikkelde machinerie, waar ik eigenlijk een beetje bang voor was, is gegroeid tot een vertrouwde aanwezigheid, een beestje met een karakter. En als ik achter het stuur zat, dan voelde haar omvang als mijn eigen lichaam en haar kracht als mijn eigen kracht. Elk ongewoon geluidje in de motor of de wielen voelde als een gewaarwording van eigen lichamelijke processen. Ik geloof niet dat ik daarin uniek ben: centaurs en zeemeerminnen bestaan nog steeds.

Daarom denk ik er niet graag min over dat ons vermogen tot liefhebben zich uitstrekt tot de inanimate objects. Al is “de planeet” mij op dat punt net iets te groot of te abstract, door Roger Scruton’s oikofilie voel ik me – mij bewegend tussen laksheid en liefde – wel aangesproken. En anders denk ik nog maar eens aan Roos en haar Chackeliene.

Read Full Post »

Zou het komen doordat mijn oudste dochter het nest gaat verlaten of is het gewoon omdat ik (’t is immers herfstvakantie) heerlijk doelloos kan gaan lopen zoeken naar ikweetnietwat? In ieder geval ben ik opeens gegrepen door een spoor dat in precies de tegenovergestelde richting loopt als die welke Roos nu inslaat. Misschien ben ik nog net op tijd voor het eten thuis, maar het zou zomaar kunnen dat ze mij tegen donker moeten gaan zoeken. Verdwaald in het verleden.

De aanleiding lijkt geheel toevallig: in een oude statenbijbel, die ik als 11-jarige van mijn “Opoe Kist” erfde, vond ik een lijstje terug. Een lijstje met geboortedata van de ouders en grootouders van mijn moeder, zoals zij zich die rond 1967 herinnerde. Ik was dol op de verhalen van mijn moeder. Meestal gingen die over armoe en eenvoudige lieden. Over een schaapherder die in een zomernacht op de Ginkelse heide bezoek kreeg van een lichtekooi en zo van zijn spaarcentjes afkwam, een kapitaaltje dat met elke vertelling groter werd. Of over die keuterboer die met een kruiwagen konijnenmest over zijn akker liep en hoopvol (of humorvol) riep: “Land ruuk! Land ruuk!”

Als elk meisje dat in werkelijkheid een prinsesje is (ze was tenslotte een “motje”, dus je wist maar nooit….), geloofde zij dat ze van Franse Hugenoten stamde, die in een grijs verleden naar het tolerante Nederland gevlucht waren. Nou mama, ik geloof dat ik je verste voorouder nu wel gevonden heb, dankzij de zegeningen van het internet en mijn prettige omgang met Google, maar het is geen Hugenoot. Goed, hij heeft een familiewapen en geld zal hij ook wel gehad hebben, want zes of zeven jaar na zijn dood was hij reeds als voorouder in trek:

1559: Dinsdag post epiphania Egbert van Weijenborch en Wijnand Willemsz als mans en mombers van hun vrouwen verklaren, dat oer beider echte huysfr. moeder, die ongeverlich waell xx jaere doet gewest sy, eyn dochter sy gewest van za Arndt Vermeer en Fuelsz syner echte huysfr., und dat Arndt Vermeer vur sess off soeven jaere in Godt verstorven sy, und dat sy die vurg. Fuelsz. oire huysfr. beste moeder in alle de guedere hadden laten sitten, und dat nu die selve Fuelsz. vurs. oik in den verleden somer gestorven sij, alsoe dat oere beider echte huysfr. als in plaats oere moeder vurs., soe waell alss or ohme ende moeyen met de goederen van Arndt Vermeer en Fuelss beërfd syn (wordt gevorderd boedelscheiding) [Gerichtssignaat Elst nr.82, fol.115v].

Zijn nageslacht is inmiddels talrijk als het zand der zee en via de vrouwelijke lijn valt toch al niet veel te erven, dus moge hij rusten in vrede, in de Betuwse klei.

Voor de rest is het armoe troef, want mijn moeders voorouders woonden doorgaans op het Veluwse zand. Daar waren zij schaapherders, dagloners, heetmaaiers, spinsters, oppassers van de jacht en op z’n best zelf landbouwer. Ambachtslieden kom je in een enkele tak tegen: een doodkistenmaker te Bennekom en een papierschepper op de Dijkgraafsmolen aan de Wenumse beek bij Apeldoorn. (Wat deed die Tijsje van de Brink, die “tapster” was,  eigenlijk precies?) Van de vrouwen wordt meestal geen beroep vermeld, maar uit de doopboeken kun je gemakkelijk opmaken dat zij het vooral druk hadden met het baren van kinderen, tien of meer is niet eens uitzonderlijk. Veel daarvan stierven binnen het eerste levensjaar en als ze de tien haalden, dan duikt hun moeders naam meestal weer op in de huwelijksakten.

Overigens sta ik versteld van wat men allemaal de moeite waard vond om vast te leggen:

16-1-1677 Hermen Jansen Visscher approbatie voor de tuchtiging van zijn vrouw Aeltjen Sarris [Bron:Archief Rekenkamer inv.nr. 1535 fol.101].

Fraaie voorouders! Het wordt tijd dat ik mijzelf tot de orde roep en een paar uurtjes aan het werk ga in het nieuwe huis van mijn dochter. Want in onze familie moeten we het nog altijd van de arbeid hebben, die adelt. Het werk onzer handen, wel te verstaan.

Read Full Post »

Knipperen

In de loop van mijn leven heb ik meer dan eens mijn best gedaan om te geloven, en het betreurd dat ik het niet kon. Even vaak heb ik geprobeerd om niet religieus te zijn, maar ook dat bleek me niet te lukken. Nu zat ik laatst op een avond alleen in mijn huis, heel gewoon, met “muziek, stil lamplicht en gepeinzen”, verder niets. En opeens, of nee: zomaar, alsof ik bedacht dat de kachel wel een ietsje hoger mocht, merkte ik op dat ik gelovig was. Verbonden, zij het losjes, met de joods-christelijke traditie, ook dat nog.

De volgende dag kwam ik bij een 96-jarige dame, voor “sociale controle”, zoals dat met een vies woord heet. Zij is op een degelijke en leuke manier katholiek en had net naar een kerkdienst gekeken op tevee. Op mijn vraag waar het die dag om draaide, antwoordde zij dat het ging over de onmogelijkheid om op grond van een wilsbesluit te geloven. “Het is iets wat je gegeven wordt,” besloten we een kwartiertje later eensgezind. In gedachten zag ik mijn geloof als een kamerplant op mijn vensterbank staan. Gekregen, maar van wie?

Zoals met zoveel dingen in mijn leven heb ik geen flauw idee hoe lang het er al is en hoe ik er precies aan gekomen ben. Dat mij die kamerplant inviel, betekent wel dat het hier kennelijk om iets levends gaat. Iets dat zo nu en dan water behoeft. Hoe ga ik dat aanleggen? Naar een kerk zie ik mezelf niet zo eentweedrie gaan, hoewel ik erg van zingen houd. Mediteren dan maar, mij voeden met wat anderen gedacht en opgeschreven hebben?

Dan heb ik opeens ergens spijt van: ooit – 35 jaar geleden  – had ik een prettige uitgave van de werken van Jan van Ruusbroec in mijn boekenkastje staan. Ooit, nu al lang niet meer, want weggedaan. Gelukkig herinner ik mij een bepaalde passage heel goed. Hij schreef aan een congregatie van zusters en waarschuwde hen voor de verlokkingen van het ‘quietisme’. Nu was dat iets waar die zusters toch geen tijd voor hadden, want zij moesten voor hun zieken zorgen. Maar hoe konden zij dan op een mystieke manier geloven? Daar had Ruusbroec iets prachtigs op gevonden: met wat oefening zou het mogelijk zijn om heel snel en herhaaldelijk “in en uit God te gaan”, ongeveer zoals je met je ogen knippert, zonder dat het zicht waarneembaar onderbroken wordt. Daarbij zouden ze merken dat zij hun aandacht niet hoefden te verdelen, want die verdubbelde zich juist.

Destijds vond ik het een weinig aanlokkelijke manier van geloven. Liever was ik gevallen voor de verleiding van een volledig contemplatieve levenswijze, al was ik daar tegelijkertijd heel bang voor. En dat knipperen, dat kwam me erg ongeloofwaardig voor. Maar vanochtend, terwijl ik een vrouw op hoge leeftijd hielp met het poederen van haar ouderdomsplooien en ondertussen met haar over de gewone dingen des levens praatte, knipperde ik zomaar met mijn ogen. Zij trouwens ook, toen wij elkaar aankeken. Zou het toch nog goed komen allemaal?

In ieder geval heb ik vanavond aan tafel een “hé-moment” te melden.

Read Full Post »

*

Met tijd en stro meuken de mispels.

Oud-Hollands gezegde

*

Vanmorgen mispels geplukt, twee tassen vol. Bij gebrek aan stro leg ik ze op ouwe kranten.

Read Full Post »

*

Voor mijn kinderen

Een leeservaring, een ontmoeting en een herinnering. Dat is precies het soort samenloop van omstandigheden waardoor ik weer bij een van mijn fascinaties terecht kom en een blogbericht ga schrijven.

De leeservaring: in een soort virtuele kroeg, waar ik nogal eens kom voor inspirerende woorden, raadde iemand mij aan de parabel Vor dem Gesetz van Kafka te lezen. In dat verhaal zoekt een ‘Mann vom Lande’ toegang tot ‘de wet’, maar voor de deur staat een wachter die hem ontraadt naar binnen te gaan, omdat hij daar slechts nog strenger en machtiger wachters zal aantreffen. De man installeert zich naast de deur, in een vage verwachting dat het tij wellicht ooit zal keren, en brengt daar de rest van zijn leven door in het gezelschap van de wachter. Vlak voor zijn dood pas komt bij hem de vraag op waarom zich nooit iemand anders aan de deur van ‘de wet’ gemeld heeft. “Hier konnte niemand sonst Einlaß erhalten, denn dieser Eingang war nur für dich bestimmt. Ich gehe jetzt und schließe ihn,” zegt de wachter.

Een beklemmende leeservaring, niet in de laatste plaats doordat het weinig heeft gescheeld of dit was mijn levensverhaal geweest. There but for the grace of ….?

De ontmoeting: afgelopen week kwam ik voor het eerst in het huis van een (nog niet eens zo oude) vrouw die binnenkort zal sterven aan kanker. De uitzaaïingen zijn zo talrijk en de kwaadaardigheid zo ernstig, dat zij is ‘uitbehandeld’. Zij heeft veel pijn en geen enkel uitzicht op beter. Wat mij trof aan deze vrouw is dat zij zich aan het begin van elk zorgmoment steevast in een huilbui ontlaadt, waarin zij alle beschadigingen die zij in haar leven heeft ondervonden opsomt. Iedere keer in exact dezelfde bewoordingen. Het eerste trauma vond bijna zeventig jaar geleden plaats, maar het gevoel van verongelijktheid dat die ervaring haar bracht lijkt al die jaren volledig intact te zijn gebleven. In haar heeft nooit enige heling of herstel plaatsgevonden.

Ook hier sta ik oog in oog met iets waaraan ik zelf maar net ontsnapt ben. For the grace of …?

De herinnering: op een zomeravond in Bazel, een jaar of zes geleden, las ik mijn kinderen voor uit een boek met verhalen van Toon Tellegen (titel vergeten, en dat is jammer). Op zeker moment zei één dier tegen een ander: “Ik heb bij jou een gevoel van onbereikbaarheid.” “Ha!” zeiden mijn kinderen, met milde spot, “dat hebben wij bij jou ook wel eens!” Ik wist precies wat zij bedoelden, want ondanks mijn voor het oog normale – of zelf ‘open’ – omgang met mijn medemensen, was ik voor een belangrijk deel onbereikbaar. Ook voor mijzelf was ik ontoegankelijk. Dikwijls voelde ik mij daar schuldig om, of diep ongelukkig, maar ik was niet bij machte daar iets aan te veranderen. Het plaatje van de wazige glazen stolp boven dit bericht illustreert heel aardig hoe dat voelde. Maar die avond in Bazel was het tij zich al aan het keren. In de tijd erna werden de woorden van het dier van Toon Tellegen nog vaak – steeds met diezelfde milde spot – geciteerd, met een wonderlijk heilzaam effect. Nu heb ik ze al een paar jaar niet meer gehoord.

Terugkijkend op het verloop van mijn leven blijf ik het mij afvragen: “Vanwaar toch komt die genade, waardoor ik toegang tot het leven heb gekregen?” Ik zou bijna zeggen, met een volkomen tegendeel van verongelijktheid: “Waarom ik?”

Read Full Post »

Gastronomie

Komende week is het wetenschapsweek, lees ik net in de krant. Daar wil ik ook eens iets aan bijdragen. Nu eens geen gemopper over alle humbug die wij voor een kompas in deze duistere wereld aanzien of over alle gemanipuleer (“onderzoek heeft uitgewezen dat”) waarmee we tegenover elkaar ons gelijk proberen te halen. Nee, het mag een keertje gaan over iets wat er werkelijk toe doet, in mijn ogen althans. Het thema van de wetenschapsweek is “voeding” en laat dat nou net een van mijn passies zijn.

Ervaringsdeskundigheid telt niet zwaar mee als we het over wetenschap hebben, maar toevallig ben ik deskundige op het gebied(je) van de Romeinse gastronomie. In de afgelopen kwart eeuw heb ik mij meer en minder intensief beziggehouden met de Romeinse eetcultuur. Daarbij heb ik de ervaringsdeskundigheid graag een woordje mee laten spreken in mijn pogingen de smaak van wat de Romeinen aten in mijn eigen keuken opnieuw tot leven te roepen. Verder is mijn deskundigheid eerder een grabbelton dan een geordend systeem. Voor deze gelegenheid til ik het deksel op en reik voorzichtig met mijn arm in de diepte.

Zelfs op het gebied van de tuinbouw probeert men zich te onderscheiden door groenten te kweken die de gewone man zich niet kan veroorloven. Kolen worden vetgemest als kapoenen, te groot voor de tafels der armen. Asperges waren door de natuur bedoeld om in het wild te groeien, zodat iedereen ze zelf kon plukken. Nu worden in de buurt van Ravenna exemplaren gekweekt die wel een pond per stuk wegen. God allemachtig, wat een monstruositeiten van de eetlust!

Dit citaat komt uit een andere grabbelton, de Naturalis Historia van Plinius de Oudere. Maar wat een mooi aanknopingspunt! Nu kan ik u vertellen wat hier allemaal mee samenhangt, want trouw aan mijn eigen wetenschapsopvatting leg ik liever verbanden dan dat ik de boel ontleed. Deze opmerking van Plinius staat namelijk niet op zichzelf. Niet in Plinius’ eigen werk en evenmin daarbuiten. Zij past volkomen in een (moraal)filosofische traditie die aan De Natuur een geweldig gezag toekent. Lees Seneca er maar op na, bij Macrobius kom je haar nog tegen en ook in onze tijd is de weerklank ervan nog lang niet verstomd.

Ik heb het altijd jammer gevonden dat we de wereld van de oudheid vooral kennen vanuit de beleving van dit soort moralisten, hoe aanstekelijk die ook kan zijn. De uitvinders op het gebied van de lekkerbekkerij hebben ons geen werken nagelaten. Alleen een handvol titels zijn bewaard gebleven, als fossielen ingebed in de klei van het gemopper van hun tijdgenoten. Wie wordt daar niet verschrikkelijk nieuwsgierig naar? Gelukkig kun je als wetenschapper al die negatieve oordelen ook als glasplaten zien, die je mee kunt nemen naar de donkere kamer van je verbeelding (wat is wetenschap zonder verbeelding?!), waar je ze onder het vergrotingsapparaat legt en tenslotte het oorspronkelijke beeld uit de ontwikkelbaden boven water haalt.

Als ik nog genoeg tijd van leven heb, hoop ik ooit het resultaat van die vorm van wetenschap aan mijn medemensen te kunnen tonen. Misschien als een serie portretten: de pioniers van de Westerse gastronomie, grondleggers van een nog altijd ondergewaardeerde wetenschap. Vroeger omdat die zich richtte op ‘het lagere’, nu omdat de menselijke zintuigen en beleving als meetinstrumenten eigenlijk niet meer in tel zijn. Of hooguit als we er statistiek op los kunnen laten en met percentages kunnen gaan schermen.

Nee, ik zou willen streven naar een vrolijk soort wetenschap. Eten is een ambacht, zegt onze Johannes van Dam, maar daaromheen bestaat een wetenschap. Een wetenschap waarin het niet draait om onderzoek, waarheidsvinding of falsifieerbaarheid. Voorop staan verbeelding, passie en genot, en de meeste van deze is de liefde. In de kookkunst kan de liefde bij uitstek tot uiting komen. Percenten en indelingen schuiven wij terzijde, om het gemopper van overernstige oude lieden geven ook wij geen rooie cent. Wij wijden ons geheel en al aan de smaak, waarover misschien heel veel valt te twisten, maar die – misschien wel als enige – bij machte is om ons boven onze twisten uit te tillen.

Na de maaltijd kijken we, een glas port in de hand, naar Babettes gaestebud.

Read Full Post »