Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2017

Sjalom

30012017

 

Sommige gedachten zijn even troostrijk als beklemmend. Neem de gedachte dat de dood het einde niet zou zijn:

o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.

H.Marsman

Toen mijn broertje zich – op de kop af 32 jaar geleden – het leven benam, sprak iemand hem over de dood heen bemoedigend toe, wenste hem sterkte met al het onafgemaakte dat hij achter zich had willen laten. De voorstelling van zaken die achter deze wens schuil ging, kwam mij destijds als buitengewoon wreed voor. Had ik niet op zijn rouwkaart laten drukken: “Wij hopen dat hij de verlossing vond, die hij zocht”? En anders hoopte ik wel dat ik zelf ooit verlost zou zijn van al het onafgemaakte dat er tussen ons was blijven liggen.

In werkelijkheid heeft het meer dan tien jaar geduurd eer ik enigszins in het reine was met de pijn, die overbleef nadat er met geweld een eind was gemaakt aan onze relatie, die bij zijn leven gedrenkt was in gevoelens van ontoereikendheid en onvermogen. Al die tijd droeg ik – of ik dat nu wilde of niet – ons gedeelde verleden in mij mee. Dat verleden leek langzaam te verstenen, en een deel van mij versteende als het ware mee, terwijl de veranderingen in mijn eigen leven telkens slechts kleine verschuivingen teweegbrachten in mijn verhouding tot het gebeurde. Zelfs toen ik dertig jaar later zijn dagboeken las, bleek dat nog een hele klus.

Zijn – en mijn – moeder heeft hem zeven en een half jaar overleefd, maar die tijd is niet voldoende geweest om de gevoelsmatige verwijdering teniet te doen, die het drama voorafgaand aan zijn dood tussen haar en mij had veroorzaakt. Toen zij stierf, bleef ik achter met een bezwaard gemoed vanwege het besef dat het tussen ons nooit meer helemaal goed was gekomen. De tijd hielp hier niet veel, zeker niet toen ik mij op zeker moment begon te realiseren dat onze relatie ook zonder de dood van mijn broer pijnlijk ingewikkeld was geweest. En nog altijd was, ook al voelde ik mij daar heel alleen mee.

In het afgelopen jaar is daar weer beweging in gekomen, een helende beweging. Die heb ik te danken aan de kracht van de joodse liturgie en het bezig zijn met de woorden van de Tora. Laat ik een voorbeeld noemen. Vorig jaar augustus, tijdens de Pink Shabbat in onze sjoel, stonden wij voor het moment waarop kaddiesj gezegd wordt door de hele gemeente. Het is daarbij de gewoonte om de namen te noemen van degenen die in de elf maanden daarvoor zijn gestorven én van degenen wier sterfdag rond die tijd viel. Ik had mij voorgenomen de naam van mijn moeder te noemen, en voelde daarbij van binnen een zwaarte die raar afstak bij de vrolijke regenboogkleuren om mij heen.

Toen klonk de stem van onze rabbijn: “We are about to say kaddiesj for all the ones we loved, . . .” – en hier aarzelde zij even – “or did not love.” Ik schoot ogenblikkelijk in de lach, en gelukkig was ik niet de enige. De rabbijn bekende me later dat het er bij haar ook zomaar, onbedoeld, uit was gefloept. Maar het had zijn werk gedaan. De zwaarte was van mij af gevallen en ik kon de naam van mijn moeder, met alle gemengde gevoelens jegens haar die daaraan kleefden, hardop uitspreken, om vervolgens met meer dan honderd stemmen tegelijk de Eeuwige én het leven in alle denkbare termen te prijzen. Met aan het einde:

Hij die vrede maakt in Zijn sferen, moge Hij vrede maken voor ons, voor heel Jisraël en voor de hele mensheid. Zegt daarop: Amén.

Dit is slechts één van de vele momenten, waarop de verhouding tot mijn moeder een plek kreeg in mijn godsdienstige leven. Telkens weer maakte dat sterke emoties bij mij los. Alleen de laatste weken gebeurt er iets anders, iets waar ik me vooraf geen voorstelling van gemaakt had. Op volstrekt willekeurige momenten merk ik dat ik niet over of aan mijn moeder denk, maar dat ik met haar lijk te praten, en sterker: zij praat terug. Over de dood heen. Niet dat ik de woorden zou kunnen vangen, maar de klank is er wel. En een warmte, die heel lang weg is geweest.

Read Full Post »

Nieuws

29012017

 

Er is niets nieuws onder de zon.

Kohelet

“De geschiedenis herhaalt zich,” snuift de oude baas naast me schouderophalend. Terwijl hij met een vinger over het schermpje van zijn smartphone veegt, zie ik telkens weer de naam Trump voorbij komen. “Toen hadden ze ook op de verkeerde gegokt. Tja, en opeens was het te laat.” Het is International Holocaust Remembrance Day en de man met wie ik zit te praten is een survivor, dus termen als meme en godwin plakken niet erg.

Hij is ook niet een typische linkse intellectueel, die zich politiek correcte zorgen over het populisme maakt. Hooguit doet hij me denken aan mijn vader, die ik hoorde mopperen op “het wapenkapitaal”, wanneer hij de krant dicht deed en aan tafel kwam. Dat was in de zestiger jaren van de vorige eeuw, maar het had net zo goed nu kunnen zijn, denk ik dan.

Ik weet het niet meer, of weet ik het nog steeds niet? Ik dacht dat ik een nette krant las, maar kreeg onlangs van een academica, die ik nota bene tot mijn eigen bubble rekende, te horen dat ik dan “net zo goed niks kan lezen”. Zelf veegt zij zich in elk onbewaakt ogenblik een weg door de koppen van een handvol kranten en van Breitbart News. Nieuws of nepnieuws, dat is de vraag. Een vraag waar eenvoudige mensen vroeger een eenvoudig antwoord op hadden: “De almanak en de krant . . . .”

Over een poosje moet ik binnen een paar minuten iets zeggen over de Israëlische dichter Yehuda Amichai. Ik overweeg mijn vertaling van een van zijn gedichten voor te lezen, omdat het een van mijn lievelingsgedichten is:

Een mens heeft in zijn leven geen uur om voor alles
een uur te hebben.
En hij heeft geen tijd om tijd te hebben voor alles
wat hij nastreeft.
Kohelet had geen gelijk, toen hij dat zei.

Een mens moet tegelijkertijd haten en liefhebben,
met één paar ogen huilen en lachen,
met één paar handen stenen gooien
en ze met hetzelfde paar handen weer oprapen,
de liefde bedrijven in oorlog
en oorlog voeren in de liefde.

Haten en vergeven, gedenken en vergeten,
rangschikken en verwarren, eten en verteren
wat de langgerekte geschiedenis
over zeer vele jaren uitsmeert.

Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Zodra hij verlaat, zoekt hij weer op,
zodra hij vindt, vergeet hij al,
zodra hij vergeet, heeft hij lief
en zodra hij lief heeft, begint hij te vergeten.

Zijn ziel is geleerd,
zijn ziel is zeer bedreven.
Alleen zijn lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en het faalt,
leert niet, maar raakt verward,
dronken en blind in zijn lust en zijn pijn.

Hij zal sterven als een vijg in de herfst:
gerimpeld, vol van zichzelf en zoet.
Bladeren verdorren op de grond,
kale takken wijzen al naar boven,
naar een plek waar tijd is voor alles.

Gisteren zat ik naast een andere man, een academicus van mijn eigen leeftijd, die vond dat het eigenlijk wel tijd was voor een politieke moord. Hem heb ik altijd gekend als zeer bedachtzaam, dus dit leek heel even nieuw, misschien. De vrouw aan mijn andere kant sprak hoopvol over jonge studenten in de geesteswetenschappen, die als nieuw zo enthousiast zijn over het eeuwige zoeken van de mens naar De Mens en naar diens verhouding tot de wereld. Maar op de vraag of zij zich in het domein van de politiek door iemand vertegenwoordigd voelden, hadden ook zij geen antwoord. Misschien was dat in de geschiedenis die zich lijkt te herhalen ook al zo. Ik weet het niet meer, of nog steeds niet of . . . .

Read Full Post »

Poeze-Mientje

07012017

 

Wat een geluk dat ik geen man ben! Of misschien is het al genoeg dat ik geen vrouw heb. Zo’n vrouw die op een goeie dag een lange blonde haar op d’r mans (of vrouws!) schouder ziet liggen, terwijl zij zelf korte donkere krullen heeft. Ze deinst meteen terug en een draaikolk van destructieve gevoelens woelt op vanuit haar binnenste. Haar hoofd is een klok vol galmende vragen: Van wie is die haar?! Hoe oud is zij? Hoe lang is het al gaande? Wat zijn mijn kansen?

Wacht, lieve vrouw (of man!) die er niet is. Ik kan het allemaal uitleggen. Kijk om te beginnen goed. Doe van mijn part het licht aan. Je zult zien dat die haar niet lang is, maar kort, en niet blond, maar wit, en dat ie daar niet alleen ligt, maar met honderd, wat zeg ik, duizend tegelijk! Jij bent er niet, maar er is ook geen ander. Hou nou toch op! Ik heb gewoon een kat in huis gehaald, dat is alles. Echt.

Terwijl ik mij voorzichtig naar rechts draai, naar de lege stoel waartegen ik net zat te praten, schiet er een lichtflits in mijn ooghoek. Een vallende ster, een geest uit een fles. En daar staat ze al: luid spinnend draait ze zich een paar keer om en springt dan op mijn schoot, op mijn toetsenbo0dsVLK[MV=9djkadjqh-38hnv’an, en vandaar weer op mijn schoot.

Tot straks, ik moet even aaien.

O ja, en nu de vragen. Ze (ja, het is een zij) is ongeveer vier jaar oud en ze leeft sinds 27 december 2016 met mij onder één dak. Op die dag heb ik haar gered uit een hel van blaffende honden, getraumatiseerde katten en door oprukkende digitalisering getergde verzorgsters. Daar was ze beland, toen haar vorige baasje/vrouwtje overleed. Volgens de rapportage op haar hokkaart was zij “een lieve, verlegen dame, die eerst vanuit verstopplekjes de kat uit de boom kijkt, maar na een poosje zal ontdekken dat wij mensen wel meevallen en dan vanzelf om een aai zal komen”.

Thuis aangekomen deed ik het deurtje van de mand open en verwijderde ik mij discreet. Na een afwasje van niks kwam ik de kamer weer in. De mand was leeg en de poes onvindbaar. Uiteindelijk bleek zij achter de piano te zijn gekropen. God, wat een sneu gezicht! Angstig ineengedoken zat zij daar, aan alle kanten ingeklemd als een gebakerde baby. Drie dagen heeft dat geduurd, dat verstoppen. Alleen ’s nachts kwam zij tevoorschijn, getuige het lege schoteltje in de keuken en het drolletje dat ik ’s morgens vroeg in de kattenbak zag liggen. Toen kwam vriendin Renée op bezoek, met een zakje kattenlekkers in haar tas. Knisperend met dat zakje en met een hoog stemmetje pratend benaderde zij het bange diertje in haar donkere schuilhoek.

“Poezemientje!” was haar eerste woord en daarmee was zij peetmoeder geworden en had Poeze-Mientje haar naam. Het ijs tussen kat en mens was bovendien gebroken en een dag later sprong het poezenbeest vrolijk op mijn schoot en zette zij het op een spinnen. Ronkend van hartstocht was ze opeens all over me, met heel haar zachte, witte kattenlijf. Vandaar die haren. Zie je wel, niets aan de hand!

Ik kijk nog eens naar de stoel naast me, die nu weer leeg is. Poeze-Mientje ligt op de bank verder te verharen en nog wat na te spinnen. Het is net alsof ik de nagalm van de overgebleven vraag boven die lege plek hoor brommen: “Wat zijn mijn kansen?” Of die vraag nu gesteld wordt door mijzelf of door die imaginaire afwezige (m/v) in mijn leven: het zijn altijd de kansen die je grijpt. Het komt allemaal goed, als je van katten houdt, niet zeurt over een paar haren hier en daar, en net zo met je Berührungsangst omspringt als dit poezemientje.

Read Full Post »