Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2018

 

*

 

De antennes op de daken van de huizen leken toen
op de masten van het schip van Columbus,
en elke kraai die stond op hun spitsen
kondigde een ander continent aan.

 

Beneden in de straten liepen plunjezakken van reizigers
en de taal van een onbekend land
hakte in op de schroeiende middaghitte
als het koude lemmet van een mes.

 

Hoe kon de lucht van die kleine stad
zoveel jeugdherinneringen in zich opnemen,
zoveel verlepte liefdes,
zoveel kamers, leeggeruimd, ergens ver weg?

 

Als beelden, die de film in een camera zwart kleuren,
maakten heldere winternachten een negatief
van regenachtige zomeravonden, ver weg, over zee,
van mistige morgens in metropolen, ver weg.

 

De kadans van de voetstappen achter je rug:
marsliederen van een vijandelijk leger –
en het was net alsof je je hoofd maar om hoefde draaien,
en daar op zee dreef de kerk van de stad waar je thuis was.

(vertaling: Channa Kistemaker)

Advertenties

Read Full Post »

Ziektewinst

 

Wow!! Wat had ik er de laatste maanden lekker de vaart in! Plezier op mijn werk, de regie over mijn roosters, tijd en energie over voor leuke dingen, zelfs om bestuurstaken op me te nemen. Die ik ook leuk vind om te doen. De energie kon niet op. Er kon telkens nog een tandje bij en tijdens de hectische voorbereidingen voor Pesach voelde ik me helemaal on top of the world. Twee dagen nadat de laatste seidergasten vertrokken waren, kwam ik echter zacht suizend naar beneden en knarsend tot stilstand. Dinsdag had ik bij mijn cliënten al verteld dat ik ziek ging worden en alleen het hoogst noodzakelijke kon doen. Ik was doodmoe en er opende zich een kolk van groene walging bij elke gedachte aan eten. Toen ik thuiskwam viel ik in bed en in slaap, niet duidelijk in welke volgorde.

Toen ik wakker werd was het heel stil en donker om mij heen. Telkens vervormende gezichten met priemende oogjes en hoog gebogen wenkbrauwen zweefden zachtjes als ballonnen tussen mij en het plafond. Ik kon mij niet bewegen, maar zag mezelf, ergens ter hoogte van mijn kruis, als baby op de grond zitten, temidden van een boel omgevallen potjes, bakjes en blikjes, waarin ik allerlei vreemde voorwerpen had verzameld. Raadsels van mijn vroegste jeugd. Ik rook de geuren: bitter, scherp, zwaarzoet, muf, teerachtig. Ik zag vormen en kleuren, zo vreemd dat ik ze ook nu nog niet thuis zou kunnen brengen. Een schop van mijn beentje en daar koos een wolkje violetblauwe schimmelsporen kringelend het luchtruim. Zo alleen, die baby, en zo zorgeloos!

Telkens als ik een propje slijm wegslikte, leek het alsof een klein mannetje, dat zich ergens in mijn zachte verhemelte genesteld had, het een e-mail adres meegaf en op een blauwe button SEND klikte. Ook heel gewoon. Het verbaasde mij bijna dat alles zo gewoon leek, terwijl het toch duidelijk ongewoon was. De meest vreugdevolle verbazing gold dat ik totaal geen angst voelde. Ook toen mijn geest aan gruzelementen ging en neerdwarrelde naar de bodem van een kaleidoscoop, om daar rustig verder te malen, bleef mijn overgave aan het moment me dragen als de met koortszweet doordrenkte matras onder mijn roerloze rug. Zelfs de goederentrein zonder einde, die ondersteboven tegen de binnenkant van mijn rechter schedelhelft langsdenderde, volgeladen met stukken herinnering aan een wekelijks door migraine geteisterde puberteit, – ze zagen eruit als brokken puin van een gesloopte asfaltweg – liet ik ongestoord zijn loop’s maken.

Soms sliep ik weer een poos. Dan werd ik weer rillend en badend in het zweet wakker. Een enkele keer slaagde ik erin om uit bed te komen voor een sanitaire stop en om water in te slaan voor de rest van de reis. Het was meestal niet duidelijk of ik wakker was of sliep, het dromen of hallucineren had een eigen constante, die zich daar niets van aantrok. Alles voltrok zich zonder rekening te houden met tijd en ruimte. Nog altijd boezemde niets wat ik zag of voelde mij angst in. Ook toen ik op een gegeven moment dacht “Misschien blijf ik straks wel dood, als ik weer weg glij,” bleef ik volkomen zorgeloos. Een blijkbaar snel aangeleerd instinct zorgde ervoor dat ik nog net het ‘sjema‘ kon zeggen: men weet maar nooit. Maar ik werd gewoon weer wakker, wanneer, dat weet ik niet meer.

Heel, heel langzaam ebden de hallucinaties weg, werd de hoofdpijn minder en zette de walging zich om in vreemde hunkeringen, waaraan ik echter van de ondertussen geraadpleegde huisarts (wel echt) niet mocht voldoen. Op streng dieet en met strikte rust als enige opdracht ben ik voorzichtig op de terugweg naar een normaliteit, die ik bijna vergeten was. Verbazingwekkend vanzelfsprekend dat ook dit weer gewoon buiten mij om plaatsvindt. Ach, ik weet al dat ik die volstrekte, absurde eenzaamheid van de eerste ziektedagen ga missen. Daarom stop ik ze in dit blikje of bakje. Ook neem ik er een besef uit mee: alles waar ik ooit zo bang voor was – desintegreren, alleen zijn, niets kunnen – is die angst niet waard.

Laat ik dat maar meteen als levenseinde verklaring vastleggen: wat me ook ooit zal overkomen, ik wil graag doorleven voorbij het moment dat ik zelf geen beslissing meer kan maken om mijn leven te (laten) beëindigen. Zal wel te duur worden, tegen die tijd, maar daar ga ik me nu geen zorgen over maken.

Read Full Post »