Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for september, 2015

Slichoot

*

Vergiffenis

Jij kwam naar mij om mijn ogen te openen,
en jouw lijf was mijn uitzicht, een spiegel, een raam;
je kwam als de nacht, die de uil op komt zoeken
en hem alles laat zien waar zijn duisternis schijnt.

En ik leerde: benoem elke wimper en nagel
en elk haartje dat groeide op blootgelegd vlees,
een geur uit mijn jeugd, geur van lijm en van boomhars
was het nacht’lijk parfum van ons lijf, van ons lijf.

Als er pijn is gedaan – die kwam naar jou toe gevaren,
met mijn zeilen zo wit in jouw inktzwarte nacht.
Laat me nu weggaan, ja, laat me nu weggaan,
dat ik kniel op het strand, waar vergiffenis wacht.

Het gedicht is van Leah Goldberg en de melodie van Oded Lerer. Mijn vertaling is niet helemaal letterlijk en beslist voor verbetering vatbaar, maar als je even je best doet, kun je met Yehudit Ravitz meezingen. Luisteren alleen is ook goed: “Genuine poetry can communicate before it is understood.” – T. S. Eliot

Read Full Post »

Yom Kippur

29092015a

Het voelde bijna als een rechtvaardiging van al die jaren dat ik geleefd heb tussen deze twee momenten. Zelfs als een beloning voor alles wat ik in die tijd heb gedaan en meegemaakt. Vergeef me alvast mijn grote woorden, maar heus, het was alsof ik in mijn binnenste zag hoe het Leven zelf zichzelf in de spiegel bekeek. Met afstand, een afstand van een jaar of dertig.

We schrijven 1985 of daaromtrent. In die tijd las ik poëzie met mijn vriend Peter. We hadden het plan opgevat om samen Baudelaire te lezen, Les Fleurs du Mal. Ik weet nog goed hoe zwaar me dat viel, meteen al bij het eerste gedicht. Niet omdat de taal mijn begrip te boven ging, maar vanwege de gevoelens die het bij mij opriep. “Een vrij adequate beschrijving van de condition humaine,” relativeerde Peter behulpzaam, althans in mijn herinnering. Het hielp niet. Als mens-zijn dat betekende, dan hoefde het voor mij niet. In die tijd dacht ik nog in termen van voorwaarden die ik aan het leven kon stellen.

Voor wie nieuwsgierig genoeg is, volgt nu een leespauze. Er staat een redelijk leesbare vertaling online: hier. Het origineel vind je hier.

Klaar met lezen? En, wat vind je ervan, “— Hypocrite lecteur, — mon semblable, — mon frère!”

Ach kom, denk je wellicht, ik herken me in het geheel niet in die ziekelijke hang naar vernietiging. Dat had ik destijds gerust kunnen beweren en waarschijnlijk had ik zelfs geloof gevonden bij degenen die me hoorden en zagen. Leidde ik niet een braaf leventje, rustig studerend, niemand kwaad berokkenend? Van binnen wist ik wel beter: ik stond stijf van angst voor de drempel van mijn volwassen leven. Eén stap vooruit en ik zou “sola sul cuor della terra” staan, alwaar het edele metaal van mijn goede wil vast en zeker zou verdampen door de kunst van “Satan Trismégiste“. Was het niet juist door die verstening, dat ik zo vatbaar was voor de “plus laid, plus méchant” van alle zonden: “l’Ennui“?

Pas veel en veel later, of eerder stukje bij beetje, kwam ik er achter dat precies dit onvermogen om zich met het mens-zijn te verbinden mijn broer destijds het leven had gekost. Nu, dertig jaar later, heb ik veel begrip voor mijn angst van toen, de angst om op mijn broer te lijken. Heel lang heb ik me daar schuldig over gevoeld, want juist daardoor kon ik hem niet helpen, hoe graag ik dat ook wilde. Het lezen van zijn dagboeken – een uitgestelde erfenis, die ik ruim een jaar geleden plotseling in huis kreeg – heeft me tot op de drempel gebracht, waar ik die angst en die schuld achter zou kunnen laten. Ik bleek veel meer op hem te lijken dan ik wilde, maar was ook dichter dan ik wist genaderd tot het punt waarop ik hem had kunnen helpen.

We schrijven 2015, om precies te zijn 23 september. Op die dag ben ik over die drempel gestapt, één stap vooruit. Daar sta ik dan, maar niet “sola sul cuor della terra“. Ook het dappere “il faut imaginer Sysiphe heureux” ligt ergens achter me. Natuurlijk is ook dit weer stukje bij beetje tot stand gekomen, maar toch is het net alsof het allemaal gebeurde op Yom Kippur (Grote Verzoendag) van dit jaar. Daar had ik zorgvuldig naartoe geleefd, door de dagen na Rosh Hashannah (Joods Nieuwjaar) werkelijk te benutten voor bezinning. Niet ijverig denkend, of tellend en wegend, maar met een open blik kijkend naar wat zich van binnenuit aandiende. Je zou ook kunnen zeggen dat ik God die open blik in mijn binnenste gunde, zonder zelf alles te benoemen of te analyseren, zoals ik dat gewend ben.

In de gesteldheid die zo ontstond heb ik de Ma’ariv van Yom Kippur in de Portugees-Joodse Synagoge hier in Amsterdam meegemaakt. Dáár spiegelde zich het gedicht van Baudelaire, dat immers in de eerste twee strofen handelt over zonde en berouw. Maar hoe anders was dit spiegelbeeld! Vanachter een hek van latwerk keken wij vrouwen toe hoe beneden ons, in het midden van de synagoge, de mannen zich door een drie uur durende dienst van gebed heen werkten. Alles in het Hebreeuws. Met veel moeite kon ik het volgen, gebedenboek in de hand.

Wat op mij de meeste indruk maakte, was niet het Kol Nidrei, maar het Al Chet-gebed. Dat is een litanie, waarin vierenveertig zonden worden beleden.

En voor dit alles, God van vergiffenis, schenk ons vergiffenis, scheld het ons kwijt, verschaf ons verzoening.

Blu Greenberg schreef hierover (in How to run a traditonal Jewish household):

The framers of the liturgy considered human sensibilities and used the plural form instead of the singular for the Al Chet. (….) By reciting the sins in plural form, the sinner does not feel isolated; the righteous person need apply directly to himself/herself only those sins that are appropriate; and the community recognizes that the group must assume some responsability for the acts of individuals.

Daar staat mijn leven voor de spiegel, met een afstand van dertig jaar. Het gaat over mens-zijn, – dat ging het altijd al -, maar wat maakt het een verschil of je daar eenzaam binnen jezelf voor terugdeinst of dat je ervaart wat geloof en gemeenschap kunnen betekenen.

29092015b

Read Full Post »

Het derde gebod

20092015

Een poosje geleden heb ik een paar vriendinnen uitgedaagd om samen, maar los van elkaar, een schrijfoefening te doen. Het zou tegelijk een oefening in denken zijn, en een manier om jezelf en elkaar beter te leren kennen. Dat alles heel beheerst, want het zou ook een beetje lijken op natekenen. Mijn idee was om een paar van die prachtige interviews van Arjan Visser in Trouw te lezen, waarin hij bekende Nederlanders bevraagt naar hun gedachten en gevoelens aan de hand van De Tien Geboden. Daarna zouden we ieder voor zich ons afvragen wat Arjan Visser uit ons zou krijgen om in diezelfde stijl een portret van ons te maken en dat met elkaar delen. Het zaad komt wat onregelmatig op, net als in de tuin. Op dit blog zal ik dat wat in mijn eigen rijtje boven de aarde komt beetje bij beetje tonen. Ik vind het zelf leuk om te doen en zou het mooi vinden als het ook op anderen aanstekelijk werkt.

 

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

 

Uiteraard heb ik eerst geleerd dat dit betekende dat men niet mag vloeken. Wat resulteerde in zouteloze ‘NCRV-vloekjes’ als ‘potjandroppie’. Sodeknetter!!! Vervolgens kwam ik er al snel achter dat Gods naam ongeveer overal goed voor was. Ik heb veel van mijn vertrouwen in mijn medemensen verloren, toen ik van nabij zag hoe mensen elkaar probeerden te manipuleren door de wil van God bij de arm te nemen. En als de mensen om mij heen niet gewoon wisten wat de wil van God was, dan hielden ze me wel voor dat die vooral contrarie moest zijn aan mijn eigen gevoelens en verlangens. Het heeft een halve mensenleeftijd geduurd voordat ik Rilke tegenkwam, die God op een bijna diametraal tegenovergestelde toon liet spreken:

geh biß an deiner Sehnsucht Rand;
gib mir Gewand.

Ik raak het nooit meer helemaal kwijt, die calvinistische neiging om tegen mezelf in te leven, maar ik zal het voortaan uit mijn hoofd laten om God daarvan de schuld te geven.

Een ander struikelblok op mijn weg naar God werd gevormd door de “christenen voor het socialisme”, waarvan ik er in de jaren ’70 nota bene zelf één was. Tot ik voelde hoe ik daarmee de ontmoeting met God terzijde schoof. Onlangs zei een oude man, die zegt dat hij ongelovig is, maar met wie ik veel over het geloof praat (let wel: nooit over God): “De kerk zou een plek moeten zijn om God te ontmoeten. Die politiek hoort in een andere vergadering.”

Als het goed is heb ik de naam van God in dit stukje een keer of tien genoemd, maar niets over Hem gezegd. Ik zou blij zijn als dat mijn manier is om aan dit gebod gevolg te geven.

Read Full Post »

Sterk als de dood

14092015

Als ik in het vakje hiernaast het woord ‘dood‘ invul en vervolgens op ‘zoeken‘ klik, dan rollen er elf bladzijden uit met titels van blogberichten, waarin dat woord blijkbaar minstens één keer voorkomt. Dat betekent dat een kwart van de ruim vierhonderd stukjes die ik heb geschreven direct of zijdelings over de dood gaan. Daar kan er dan nog wel eentje bij, nietwaar? Sterker, het is er al. Je leest het en het woord staat er al drie keer in, terwijl het nog nergens over gaat. Het wordt een persoonlijk verslag van een bijzondere avond.

Onlangs hoorde ik een lezing over “Sterven en rouw vanuit Joods perspectief”, die werd gegeven door Sasja Martel, de oprichtster van het Joods Hospice Immanuel. Het werd georganiseerd door Studievereniging Sechel, voor wie kol ha-kawod! Hoewel het niets te maken had met het plotselinge verscheiden van onze hoogleraar Jiddisj Shlomo Berger, geloof ik niet dat de lezing zo’n indruk op mij gemaakt zou hebben als deze toevalligheid er niet was geweest. En als ik niet een paar keer die avond het woord ‘eye-opener‘ had horen vallen, dan had ik nu een ander woord of een ander beeld moeten zoeken. Nu dus: mij werden die avond de ogen geopend, maar op welk perspectief?

Na een korte introductie over zichzelf, haar boek Sterk als de dood en het Joods Hospice Immanuel, begon Sasja Martel over de Joodse visie op leven en dood. Kort samengevat: zolang je leeft houd je je bezig met leven, de dood zal zich om jou bekommeren, wanneer de tijd daar is. “Je hoeft de engel des doods niet uit te nodigen,” zei ze en memoreerde de plotselinge zelfgekozen dood van Joost Zwagerman, die net de dag daarvoor had plaatsgevonden. Meteen brak de zon door. Dit alles was zo on-Janieks, en het viel ook nog eens in één keer door al mijn zeer-Janiekse gedachten heen naar beneden, tot het landde op de plek waarvan men zegt dat daar de wijsheid ontkiemt. Zoiets mag best een godsgeschenk heten.

Nu kan ik hierop ‘amen‘ zeggen en overgaan tot de orde van de dag en eerbiedig wachten tot het plantje groeit, maar waarom zou ik niet wat uitgebreider verslag doen van deze memorabele lezing? Er was meer waar ik wijzer van zou kunnen worden. Nog een keer kort samengevat: de Joodse rituelen rond sterven en rouw bieden steun bij het ontwikkelen van een fijnzinnige houding van respect tegenover de betrokkenen. “Vóór het overlijden staat de stervende centraal,” heette het en dat betekent binnen de Joodse gemeenschap dat een ieder de plicht heeft om een stervende niet alleen te laten. “Je gaat er binnen en houd je mond,” was het devies en naderhand werd duidelijk waarom: met al onze goede bedoelingen lopen we de kans om de stervende zijn proces te ontnemen en het in te zetten voor onze eigen worstelingen met het leven en met God. Het boek Job nog maar eens overdoen is heel gemakkelijk.

Verder zijn alle rituelen rond het eigenlijke overlijden en het begraven van de dode erop gericht de scheidslijn tussen leven en dood helder te houden. De dode wordt niet meer aangeraakt door de familie, maar – afgedekt met een wit laken – door vrijwilligers gewassen met lauw water en klaargemaakt om begraven te worden. Opbaren is er ook niet bij. Misschien zou je alleen het bidden van het Sjeimes-gebed als een brug over deze scheiding kunnen opvatten. Sasja Martel schrijft hierover:

Als alles erop wijst dat het leven ten einde loopt zegt men de ‘joodse geloofsbelijdenis’, Sjeimes genoemd: ‘Hoor Israel de Heer is onze God de Heer is één’. Men probeert het uitspreken van het woord ‘één’ (echad) te laten samenvallen met het moment van sterven omdat de eenwording van Gods Naam in deze wereld de uiteindelijke opdracht en bestemming is van deze schepping.

Als de dode dan begraven is, liefst in het bijzijn van de hele gemeenschap, dan gaat de aandacht naar de rouwende(n). De deur van diens huis staat een week lang op een kier. Binnen zit de rouwende op een krukje zo laag mogelijk bij de grond, met een gescheurd bovenkleed aan. Gedurende die week zal hij of zij niet werken, zich niet wassen, voor zichzelf geen eten klaarmaken. Alles maakt plaats voor het rouwen. Anderen nemen de zorgen voor het leven zolang over en weer heeft iedereen van de gemeenschap de plicht om dat huis binnen te gaan, teneinde de rouwende niet alleen te laten met zijn of haar verdriet. “Je gaat er binnen en houd je mond,” klinkt het opnieuw. Het initiatief voor en de regie over elk gesprek moet ondubbelzinnig bij de rouwende zelf liggen, om dezelfde reden als hierboven.

Denkend aan die 107 andere stukjes op dit blog, waarin de dood ter sprake komt, is dit zó anders dan ik gewend ben, dat ik er voorlopig niet van terug heb. Ik zie een pad de verte in lopen en natuurlijk komt onmiddellijk het Hebreeuwse woord ‘halacha‘ in me op. En een psalmvers:

Wend mijn oog af van al wat geen zin heeft;
geef, langs ùw weg, mij werkelijk leven.

(Ps.119:37, vert. Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

Read Full Post »