Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2013

27042013

Toen de mensen om mij heen maar bleven vragen wat ik vond van de commotie rond het Kroningslied, legde ik uiteindelijk zuchtend mijn boek opzij en stapte ik uit mijn wereldvreemdheid om me eerst maar eens van de feiten te vergewissen. Goed, ik had al wel gehoord dat het in de virtuele ruimte, waar zoveel mensen dagelijks hun verbale scheten laten, een dag lang niet te harden was geweest, toen de tekst van het lied bekendgemaakt werd. Maar die tekst kende ik helemaal niet. Even spieken bij mijn dochter.

Die begon meteen heel hard te lachen en zei: “Dit moet je zien!” Op haar laptop toverde zij een – door mij uiteraard gemiste – uitzending van Pauw en Witteman tevoorschijn, waarin juist de laatste maten van het gewraakte lied weerklonken. “Als je nog geen republikein was, dan werd je het nu wel,” probeerde de eerste grappenmaker. Toen kwam de echte hofnar aan het woord. Men had een soort schoolmeester opgeduikeld, die met zijn wijsvinger langs de regels van de tekst ging en deze woord voor woord begon te corrigeren.

Kennelijk was dat heel leuk, want het gelach klonk luid en diep vanuit de hoogopgeleide onderbuiken. Mij ontging de lol van meet af aan en toen ik de schoolmeester, die merkte dat hij de lachers massaal op z’n hand had, helemaal los zag gaan, vond  ik dat eigenlijk een onsmakelijk gezicht. Iemand of iets belachelijk maken vanwege een gebrek aan grammaticale correctheid veronderstelt dat je meent een streepje voor te hebben op anderen die jouw taal niet op gelijke wijze machtig zijn als jijzelf. Dat kan niet de bedoeling zijn van beschaving.

Wie het gezegd heeft, weet ik niet, maar het is zeker waar dat taal evenzeer (zo niet meer) bedoeld is om mensen op afstand te zetten als (dan) om ze met elkaar te verbinden. Taal heeft de macht emoties op te roepen en daar een spel mee te spelen waardoor emotionele gemeenschappen ontstaan. Wie de lachlust weet te wekken, krijgt de schapen moeiteloos achter zich. Zo ook hier. Niet altijd even aantrekkelijk om te zien, maar door het te intellectualiseren lijkt het boeiend.

De enige keer dat ik heb gelachen tijdens die kritische race door de tekst van het kroningslied, was toen de schoolmeester zijn toehoorders erop wees dat ‘stamppot’ niet met een W begint:

De W van Willem

De W van wakker, stamppot eten
Miljoenen coaches die beter weten

Natuurlijk klopt dit niet. Je zou het een soort zeugma kunnen noemen en dan snap je het opeens heel goed, net zo goed als ‘hier zet men koffie, thee en over de Zaan’. En wat een juweel van een taalfout is het dan, in deze context! Alles draait hier immers om verbinding:

De W van Willem is de W van wij

Die W van Willem is in z’n eentje een Alpha én Omega! Genoeg om een heel alfabet aan mythische verbindende elementen te omvademen. In mijn hoofd dartelt de taal vrolijk verder.

De W van water, nou, geef mij maar wijn

Vanavond eten we voorjaarsstamppot, met de W van worst. Daarbij hebben we het wellicht nog even over de vraag of de grammatica beschrijvend dan wel voorschrijvend zou moeten zijn. En heffen wij het glas op Willem, met de W van stamppot eten.

Advertenties

Read Full Post »

Geloven

24042013

Wat kunnen kinderen je toch kansen geven. Laatst vroeg mijn jongste dochter me wat “gelovig zijn” voor mij inhield. Zo zouden geloofsbelijdenissen geboren moeten worden, niet als poging tot een soort politieke consensus over wat mensen samen durven te geloven. Maar aan de andere kant: hoe vertel je een kind van zestien, zelfs zo een kind als zij, wat geloven of misschien zelfs christelijk geloven voor jou inhoudt.

Laat ik het doen zoals een mystica betaamt: vanuit de ontkenning.

Mijn geloof heeft geen inhoud, in mijn geloof staat een begrip als ‘ruimte’ centraal. Ruimte om tot stand te brengen en ruimte om te ontdekken.

Geloofswaarheden spelen niet echt een rol. God, vooruit, maar ‘God de Vader’, daar glij ik al uit.

Een verzoeningsleer, zoals die soms in welhaast juridische termen kan worden uiteengezet? Ik haal mijn schouders op.

Gek genoeg: met de oer-calvinistische begrippen Ellende, Verlossing en Dankbaarheid kan ik weer wel uit de voeten. Niet omdat ik mij zo ‘zondig’ voel, maar wel omdat de pijnlijke ervaring in een ‘gebroken’ wereld te leven of ‘afgesneden’ te zijn mij niet vreemd is. Het menselijk tekort kan ik niet zomaar weg relativeren. Hoe ermee te leven is iets waar ik niet omheen kan.

Ervan verlost worden? Ach, paradijsverlangens ken ik natuurlijk ook. Maar voor mij betekent ‘verlossing’ niet dat ik daar zal komen, in ieder geval niet ‘heden’, zoals de rover op Golgotha. Verlossing betekent wel iets dat ook ‘genade’ heet. Die hele last van het kwaad ligt niet op mijn schouders, dankzij Jezus, zou ik bijna zeggen.

Nu heb ik het woord al gezegd: dank. Het besef dat ik vrij ben om van mijn leven iets te maken, zonder eerst een schuld te moeten delgen, stemt dankbaar. En dankbaarheid kan zomaar leiden tot het verlangen om ‘goed te doen’, zoals verongelijktheid destructieve gevoelens wakker kan roepen. Maar wat is dan ‘goed’?

Dan ben ik weer terug bij af: het gaat niet om de inhoud, maar om de ruimte, en het verlangen.

Von deinen Sinnen hinausgesandt,
geh bis an deiner Sehnsucht Rand;
gib mir Gewand.

Rainer Maria Rilke

Read Full Post »

135_C

Toen ik afgelopen winter de kleine serie blogberichten over vrijheid schreef, klonken in mijn achterhoofd natuurlijk reeds die andere grote woorden: gelijkheid en broederschap. Wellicht moet ik dat laatste maar aan de mannen overlaten, maar aan die gelijkheid wil ik mij wel wagen. Niet in de laatste plaats omdat het streven naar gelijkheid zulke verschillende gezichten heeft.

Als ik dicht bij de politieke leuze blijf, dan gaat het natuurlijk in de eerste plaats om het principe dat voor de staat alle burgers gelijk behoren te zijn. U weet wel: artikel 1 van onze grondwet, het gelijkheidsbeginsel. En dan denk ik meteen aan de belangrijke verdienste van Maxim Februari om daarbij te spreken van het ‘on-gelijkheidsbeginsel’: het geeft ons de ruimte om van elkaar te verschillen. Daarmee zou de angst voor gelijkheid, die sommige mensen drijft om anderen hun grondrechten te willen ontzeggen, eigenlijk weggenomen moeten zijn.

Dat er iets bedreigends zit in de gedachte dat alle mensen gelijk zouden (moeten) zijn, komt me overigens zeer logisch voor. Mensen zijn niet in principe (van hun begin af) gelijk, maar het is juist de dood die alle mensen gelijk maakt. Carry van Bruggen zit er wat mij betreft niet naast als zij het verlangen naar gelijkheid en eenheid – even diep geworteld als de angst ervoor – filosofisch gelijk stelt aan het doodsverlangen. Daar zal ik zo nu en dan wel op terug komen.

Gezien het tijdsgewricht waarin ik ben geboren, geniet ik het voorrecht een boeiende Auseinandersetzung van de mensheid met haar gelijkheidsverlangen te mogen meemaken. Het streven naar inkomensnivellering van de jaren zeventig, gelijke kansen voor iedereen, het hippie-tijdperk, de Tweede Feministische Golf, globalisering, maar ook het échec van het communistisch experiment in Oost-Europa, ik mocht het allemaal zien gebeuren.

Ik herinner me vooral veel verwarring: is de samenleving nu gefeminiseerd, sinds de meesters uit het lager onderwijs zijn verdwenen? Of zijn vrouwen juist gemasculiniseerd? En dat allemaal door ‘het feminisme’. Laat ik ook de multiculturele samenleving, of het mislukken ervan, niet vergeten. We mogen medeburgers niet anders bejegenen omdat ze niet ons soort mensen zijn, en zij moeten liefst zonder slag of stoot hun opvattingen, voor zover die niet met de onze overeenkomen, afzweren. Je voelt de wrijving en het wringen.

Mijn voorkeur tekent zich al een klein beetje af: ondanks mijn wortels in het hippiedom en een met hartstocht beleden, mystiek beleefd doodsverlangen, hang ik toch graag het ongelijkheidsbeginsel aan. Verschil moet er zijn. Al zou ik nog zo graag alle mensen een gelijke materiële welstand gunnen, ik ben niet bereid daarvoor de zegeningen van het kapitalisme op te geven. Al brengen competitie en de ongelijkheid  die daarbij hoort ons de pijn van het verliezen, de gelegenheid en het vermogen te bewonderen horen er ook bij en die zou ik niet graag missen. Tenslotte is het een zegen om zelfs niet aan jezelf gelijk te zijn: je kunt het altijd weer van jezelf winnen en een beter mens worden.

Klein commentaar: Mezelf herlezend realiseer ik me dat ik met die laatste zin misschien een misverstand in het leven heb geroepen. Daarom: het gaat mij niet om de discrepantie tussen wie je bent en een ideaal dat je (door wie ook) voor ogen gesteld is. Wel om het verschil tussen wie je bent en wie je zou kunnen zijn. Daarbij staat op geen enkel moment vast hoe beide (zijn het er maar twee of veel meer?) zelven er uit zien en wie wie laat winnen. En het gaat om het spel, niet om de knikkers.

Read Full Post »

Kauwen

13032013

Afgelopen dinsdag stond ik een kwartier lang te wachten in de J.M.Coenenstraat, geleund tegen een prullenbak, met op mijn gezicht het lentezonnetje, lang verbeid. Met een half oog keek ik opzij, waar een kauwenpaartje doende was met het bij elkaar scharrelen van nestmateriaal. De een scheurde stukken papier van een aanplakzuil, terwijl de ander ze kundig oppikte, vlak voordat de wind ermee vandoor zou gaan. Toen de zwarte snavel vol was, verdwenen de twee kauwen, net toen degene op wie ik wachtte naar buiten kwam.

Vanmiddag, in Woerden, zag ik weer zoiets. Nu stond ik bij een bushalte, die Hertenkamp heette. De gemeente had er zowaar voor gezorgd dat zich daarneven een weitje met damherten bevond, die lagen te soezen in datzelfde lentezonnetje van dinsdag. Pas toen ik wat beter keek zag ik een tiental kauwen in de weer, balancerend op de geduldige ruggen van de herten. Met de punt van hun snavel kamden zij de dode haren uit de bruine vacht en verzamelden die in hun mondhoeken. Stevig vastgeklemd, want de wind lag ook weer op de loer.

Ik was vertederd, maar nog meer dan dat. Inzichten bestormden mij: Frans de Waal en zijn trawanten hebben het helemaal mis! De mens stamt in de verste verte niet van de apen af, veeleer van de kauwen. Ik keek nog eens goed en voelde een warme verwantschap, warm genoeg om mij de voorjaarskou te doen vergeten. Als ik de kat niet had, dan nam ik een paar kauwen in huis, dacht ik meteen. Twee seconden later zag ik een kleine kolonie in de lege kamer van Roos. God, wat gezellig!

Kauwen zijn net mensen: ze leven in een kolonie, maar wel in paartjes. Niks apenrots, niks kudde, waarin mannetjesputters elkaar het recht bevechten om hun genen met zoveel mogelijk vrouwtjes te delen. Welnee, elk koppel vervult mijn eigen romantische levensideaal: tweezaam, maar in niets van elkaar te onderscheiden, als Philemon en Baucis. De een niet kleurrijker dan de ander, maar allebei van het mooiste zwart dat je je kunt bedenken, met een prachtige grijze gloed. Als antraciet, je voelt de warmte al. Bovendien, de jongens die naast de boerderij van mijn grootouders woonden, wisten zeker dat je ze kon leren praten. Ik geloof het maar al te graag, nog altijd.

En opeens zie ik mezelf terug, in 1968, toen golven van protest de wereld overspoelden. Ik zat op mijn knietjes en haalde het onkruid tussen de tegels van het tuinpad weg, zoals mijn vader wilde. Opeens schrok ik op van een geluid dat ik nog bijna dagelijks hoor (toen op de vuilnisbak, nu op het kapje van mijn schoorsteen): de poten van een kauw, landend op zink. De kauw en ik keken naar elkaar, nee, wij maakten oogcontact. Het was een blik van herkenning, want in die tijd maakte ik eens in de twee weken de volières van de vrouw van de dominee schoon. In één daarvan bevond zich een gezelschap ‘daklozen’, verdwaalde postduiven, een ekster met een lamme vleugel en deze kauw, als jonkie uit het nest gevallen en door een kinderloos predikantenpaartje grootgebracht.

Ik ging de keuken binnen en alsof het afgesproken was, kwam de kauw mij achterna. Een telefoontje naar de pastorie en een half uur later stonden de dominee en zijn vrouw elk op een aanrecht om de kauw te vangen, die per ongeluk aan de zwerf was geraakt en niet de vrijheid zocht, maar het gezelschap van zijn soortgenoten. Hoe keek hij me ook alweer aan, toen ik een week later het logement waar hij van kindsbeen af woonde kwam schoonmaken?

Read Full Post »

04042013

Vorige week las ik bij toeval een heel bijzonder boekje: een kom water | een test vuur, van Hella Haasse. Het is geschreven in 1959, – dus bijna 10 jaar voor Het onbehagen bij de vrouw van Joke Smit! En bedoeld als een zoektocht naar het wezen van de vrouw en haar taak in het wereldgebeuren. Let wel, dit is geschreven lang voordat er zoiets als genderstudies bestond en ‘essentialisme’ een negatieve connotatie kreeg. Toen konden dit soort zoektochten nog.

Dat het niet meevalt om zoiets als het wezen van de vrouw of zelfs maar het vrouwelijke in de mens aan te wijzen en te omschrijven is nu misschien vanzelfsprekend, maar Haasse was nog in de positie om het te zien als een overgangssituatie. Haar wens wijst daaruit ook al een weg: de humaniteit, het integreren van ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ in alle mensen. Een ideaal dat wat mij betreft nog wel een poosje mee kan. En waarvoor de Nederlandse volksaard (die had je toen ook nog!) in haar ogen van zichzelf al redelijk geschikt is. Zij zag ons toen al polderen.

Maar wat mij opvalt in haar verhaal, is dat zij telkens weer teruggrijpt naar nogal stereotype beelden van vrouwelijkheid. Bijna alsof zij die voor archetypen houdt. Natuurlijk komt dan dat cliché van de man die zich in intellectuele of technische ontdekkingstochten ver van het gewone leven waagt en door ‘de vrouw’ bij de les gehouden moet worden ook aan bod. Want de vrouw staat vanouds dichter bij de werkelijk belangrijke, aardse levensverrichtingen. Ja, ja.

Als de mens de akkerbouw ontdekt heeft en het koren kent, bakt de vrouw brood, een gewijde handeling die in hoge mate door de eeuwen heen bij talloze volkeren haar prestige zal bepalen. In de oven wordt het deeg veranderd in voedend brood, zoals in de moederschoot het kind ‘gaar’ wordt. Oeroud en universeel is de samenhang tussen brood bakken en de vrouwelijke functie. (….) “Een cake bakken is symbool voor een kind baren” zegt een expert op het gebied van de heimelijke drijfveren van kopers. “Vrouwen ervaren het bakken van cake of taart of brood als het wegschenken van zichzelf aan hun gezin.”

Ik realiseer me dat ik met een dergelijk citaat de kans loop Haasse’s betoog te ridiculiseren. Laat ik me daarom haasten om te zeggen dat ik – al is het met een zekere ironie – toch beslist aan haar kant sta. Als ik moest kiezen tussen een taart bakken of het higgs-deeltje ontdekken, dan wist ik het wel. Maar voordat dit een feministische discussie wordt, wil ik erop wijzen dat het levensgevoel dat ik met Hella Haasse meen te delen eigenlijk een heel gewoon ‘menselijk’ gevoel is. Wat niet wil zeggen dat iedereen er in gelijke mate mee behept is en al helemaal niet dat daaraan waarde-oordelen verbonden zouden moeten worden.

Het gaat in wezen om het verlangen naar zingeving, naar het toekennen van waarde en betekenis. Het gaat om de strijd tegen gevoelens van vervreemding, waarbij de geur van zelfgebakken cake een beproefd wapen is. Terug naar de natuur helpt ook, mits niet al te rigoureus toegepast. De mens moet weer meer scharrelmens worden, meende Sietz Leeflang van De Kleine Aarde en ook hem geef ik graag gelijk. Dus heb ik mijn eigen wijn gemaakt, zuurkool van zelf geteelde Roem van Enkhuizen, alles ingemaakt wat in een weckpot past en de haas die tegen de bumper van onze auto het leven liet eigenhandig geslacht en gebraden. Good for me!

Maar wat ik in een dergelijke context altijd een beetje jammer vindt, is dat wij zoekers naar de zin in het leven het soms niet kunnen laten te wijzen naar de leegheid, de versnipperdheid, de oppervlakkigheid van de levens van anderen. Als ik goed naar ze kijk, zie ik eigenlijk alleen maar mensen die er op hun eigen manier gewoon op los leven. Zonder al die betekenissen en zoektochten. Die lijken ze niet te missen, bovendien. Ik zou er bijna jaloers op worden, maar ook weer nét niet helemaal.

Read Full Post »