Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2012

*

O fortunatos nimium, sua si bona norint, agricolas!

Publius Vergilius Maro

Over een paar dagen is het driehonderd jaar geleden dat de grote filosoof van de Romantiek, Jean-Jacques Rousseau, geboren werd. Dit heuglijke feit leidt er toe dat we er in allerlei artikelen maar weer eens aan herinnerd worden hoezeer wij nog altijd onder de ‘invloed’ van deze denker leven. Een mooie aanleiding voor mij om maar eens te betogen dat dat allemaal grote onzin is. Rousseau is geen denker, maar een ‘voeler’. Zijn sentimenten zijn al zo oud als de wereld en die hele verheerlijking van oer en natuur is nooit iets anders dan pure nep geweest.

Hiertoe hoef ik niet eens de hele westerse geestesgeschiedenis overhoop te halen. Waarom zou ik Prediker noemen, die in zijn zoektocht naar echtheid slechts vond dat alles (!) ijdelheid was? Moet ik ons nog herinneren aan de tegenstelling ‘nomos/phusis‘, die aan de basis ligt van Plato’s Gorgias? Wie kent niet de tirades van Plinius Maior tegen de pogingen van de ‘foodies‘ onder zijn tijdgenoten om landbouwgewassen te veredelen, alsof de Natuur niet goed genoeg is? En hoe vaak komt dat woordje ‘natuur’ niet voor in de schrijfsels van Seneca, wiens wat modieuzere  geestverwanten zich op gezette tijden terugtrokken in hun ‘cella pauperum’ om even uit de klauwen van de luxe bevrijd te zijn!

Ja ja, ik kom straks ter zake, maar gun me nog even één zij-stapje. Dat begint bij een citaat uit een artikel over Rousseau dat Sebastien Valkenberg onlangs voor Trouw  schreef:

Schokkend hedendaags klinkt Rousseau ook als hij het volgende gedachte-experiment optekent in ‘Emile’. Stel dat mensen hun leven doorbrengen in de woestijn. Dit complete isolement verlost hen van alle verleidingen die horen bij het maatschappelijk verkeer. De afwezigheid van seksuele prikkels zou ertoe leiden dat iedereen ‘als maagd zou sterven, welke leeftijd hij ook zou bereiken’. Biograaf Damrosch ontwaart hier de kiem voor wat tegenwoordig de seksualisering of pornoficatie van de samenleving heet.

Hoezo hedendaags? Hoezo een gedachte-experiment? Is dit niet gewoon wat de anachoreten in Egypte gedurende de eerste eeuwen na Christus praktiseerden? Overigens om er – net als Jezus – achter te komen dat de duivel slim genoeg is om je precies die verleidingen waaraan je je tracht te onttrekken levensecht voor ogen te toveren.

Dit alles terzijde, het was voor het maken van mijn punt genoeg geweest om het over Vergilius en Horatius te hebben, de wat meer hedonistische voelers die zo prachtig gedicht hebben over het benijdenswaardige lot van de Romeinse boeren. Of moet ik ook maar zeggen ‘schokkend hedendaags’? Want welbeschouwd waren zij net als sommigen van ons: gefortuneerd genoeg om er een hobby-boerderijtje op na te houden, waar zij dat vermaledijde stadsleven met zijn knellende sociale conventies konden ontvluchten. Zonder ook maar iets van het comfort waaraan zij gewend waren te hoeven inleveren, geheel en al verzorgd door mensen die zij zo weinig kenden dat zij er ongestoord hun idyllische beeld van een leven dicht bij de natuur op konden projecteren. Als die boeren eens wisten hoe gelukkig zij waren ….

Wat ik zeggen wilde: er is zelden iets nieuws onder de zon en voor dat wonderlijke verlangen naar echtheid (mits net nep genoeg om te kunnen verdragen) hebben we Rousseau helemaal niet nodig. Dat zit gewoon in ons authentieke zelf. Of is het een oud vertrouwde bijwerking van de westerse cultuur? Wie het weet mag het zeggen.

Read Full Post »

Vandaag vraag ik mij zomaar eens af of ik humor wel leuk vind. De vraag van vandaag is het antwoord van morgen, zegt men wel eens. Nee, dus. Ik vind humor helemaal niet leuk. Om misverstanden te voorkomen: de opluchting van de lach ken ik wel. Liefst om de akeligste dingen. Maar leuk? Nee, humor is onmisbaar, maar niet ‘leuk’.

Het ergste is wel: nichtenhumor. Die krast als een krijtje op een schoolbord, in mijn oren, telkens weer. Vrijwel iedere nicht die mijn pad kruist daagt mij uit. Heel lang heb ik gedacht: dat komt doordat ik te serieus ben. Ik heb te weinig gevoel voor humor. Of ik kan niet tegen zelfspot. Maar vandaag denk ik voor de verandering eens precies de andere kant op. Nichten nemen hun humor veel te serieus, en dan is humor niet leuk meer.

Of mijn eigen humor dan wel leuk is? Ach welnee! Broodnodig, dat wel, maar leuk? Doe liever een stap opzij als mijn humor uithaalt. Ik weet nog precies waar ik stond toen mijn collega F. mij – op een ietwat uitdagende toon – vroeg: “En, leeft mevrouw V. nog?” (Ik kwam net bij haar vandaan.) “Nee,” zei ik, “ik heb haar dood gemept.” We schoten allebei in de lach, een onbedaarlijke grimlach. Op het moment dat er tussen ons oogcontact was, bliksemde het. En we voelden ons even onbeschrijflijk opgelucht.

Want we wisten allebei wat een verschrikkelijk vals kreng die mevrouw V. vaak was. Hoe ongelooflijk bot zij kon zijn, en hoe onontkoombaar het voor ons was om haar toch te verzorgen. Haar als het moest uit haar eigen stront redden, terwijl zij ons naar hartenlust bleef koeioneren. En ik voor mij weet dat ik op een onzegbare manier van haar gehouden heb, ook al kon ik haar zo nu en dan wel de nek om wringen. Goddank is er op zo’n moment humor. Ik zou niet zonder kunnen.

Dat hoeft ook niet, want mijn werk brengt veel humor met zich mee. Vaak is dat galgenhumor. De meeste van mijn zorgvragers hebben niet zo veel meer om vrolijk over te zijn en sommigen hebben alleen hun eigen einde om naar uit te zien. En desondanks – of juist daarom – wordt er tussen ons gelachen. Om niks, meestal. Maar wij weten wel waarom. Tegen de tijd dat het menens wordt, maar het moment van overgave nog niet daar is, wensen we soms een beetje afstand tussen onszelf en onze gevoelens. En dan is er humor. Gelukkig , maar leuk? Nee, ik vind humor niet bepaald ‘leuk’.

Read Full Post »

Mijn werk in de thuiszorg is een aaneenschakeling van bijzondere ontmoetingen. Zo had ik afgelopen week het voorrecht kennis te maken met een negentigjarige machinebankwerker in ruste, die toevallig van hetzelfde stukje Hollands platteland afkomstig was als ik. Dat schept een band. Het duurde al met al nog geen uur aan zorgmomenten eer ik een belangrijke handvol aan bouwstenen van zijn leven en persoon door mijn vingers had zien gaan. Wat me het meest trof was het volgende:

Ik heb nooit kinderen gewild. Mijn eerste vrouw had al kinderen, maar die wilde ook nog kinderen van mij. Ik zei: “Stel je tevreden met wat je hebt, want ik wil het niet.” Toen is ze bij mij weggegaan. Tegen de tijd dat ik mijn tweede vrouw ontmoette, had die al volwassen kinderen en dus ging het goed. Weet je, ik heb teveel gezien van hoe kinderen elkaar pesten en het leven zuur maken. Ik was niet goed met mijn hoofd, was meer iemand voor handwerk. Nee, ik wil dat niet zien herhalen.

Zoals gezegd, de man was negentig en al tien jaar weduwnaar. Tot op het moment dat hij – na een zware operatie – hulpbehoevend werd, had hij zich nog zelf kunnen redden. Zelf zijn boodschappen gedaan. Geen huishoudelijke hulp nodig gehad. Kortom: hij gaf blijk van een buitengewone en bewonderenswaardige zelfredzaamheid. Zeldzaam onder mannen van zijn generatie.

Toen ik afgelopen week hoorde dat een van mijn docenten een presentatie zou houden over pestgedrag in verzorgingstehuizen, ging mij een licht op. Zij had het onderzoek op dat terrein samengevat voor een cursus die zij volgde en de conclusie was dat in een bejaardenhuis de kindertijd zich stilletjes herhaalt. Zelfs zo sterk dat je kunt stellen dat zij die op het schoolplein de pestkop waren, dat ook in het ouwemensenhuis zullen zijn. Kras!

Opeens snapte ik de toewijding waarmee die wat stugge, maar toch gevoelige oude man zijn autonomie in stand had gehouden. Tegelijkertijd voelde ik tot op het bot waarom ik in de thuiszorg zo op mijn plek ben: ik doe aan pestpreventie. Ik draag bij aan een tegenwicht tegen die onbedwingbare neiging van mensen om individuen met dezelfde kenmerken tot een groep samen te voegen. Plant vier hectare spruitkool en je hebt een rupsenplaag. Een dennenbos valt ten prooi aan de dennenscheerder. Stop kleuters, pubers, militairen of bejaarden bij elkaar in een school of een instelling en ze krijgen luizen. En: er wordt gepest.

Met deze gedachten sta ik morgen op en ga ik bijna dansend van vreugde aan het werk.

Read Full Post »

Xenofobie

Ik voel me altijd wat ongemakkelijk als ik iemand een moreel oordeel hoor vellen over de ‘xenofobie’ van anderen. Niet omdat ik mezelf aangesproken zou moeten voelen, nee, meer omdat ik me moeilijk kan identificeren met de oordelende persoon, terwijl die meestal tot dezelfde bevoorrechte groep behoort als ik. Hoezo bevoorrecht? Wel, hierom met name: de buurt waarin ik woon is misschien niet echt een begijnhofje, maar het zou mij niets verbazen als alleenstaande blanke vrouwen van 55 jaar en ouder er in de meederheid bleken te zijn. Als ik vanuit die positie zou gaan praten over de xenofobie van anderen, zou ik me toch wel een beetje schijnheilig gaan voelen.

Ik kan me namelijk veel te goed voorstellen dat ik wel anders zou piepen als ik in zo’n wijk woonde waar alle tuinen vol oranje vlaggetjes hingen, waar bij elke misser en iedere goal de ruiten in hun sponningen trilden. Of als de meeste van mijn buren op Sterretje en Barbie leken. Of als de stoep voor mijn huis ’s avonds vol stond met jongens op scooters met niets om handen. Kijk, mijn verbeelding  is rijk genoeg aan voorbeelden. Maar er is één moment waarop ik zeker weet dat ik tot heuse xenofobie in staat ben: dat is wanneer ik halsbandparkieten in mijn binnentuin hoor.

Die lelijke gifgroene exoten! Die in troepen de Amsterdamse parken en plantsoenen terroriseren met hun schrille geschreeuw. Die ervoor gezorgd hebben dat de eekhoorntjes verdwenen zijn uit het Vondelpark. Die de spreeuwen van hun nestgelegenheid beroven. Die de Anna Paulownaboom van een lieve oude dame die ik ken in één middag hebben geruïneerd door alle knoppen op te eten. Die …, nou ja, ik heb mijn punt al gemaakt.

De eerste de beste politieke partij die ze op de lijst van schadelijk wild zou willen plaatsen, maakt een goede kans op mijn stem. Ik zou ze graag stuk voor stuk uit die stomme conifeer schieten. En dan oprapen, plukken, ontweien en in mijn koelkast een nachtje laten besterven. Apicius heeft een recept voor flamingo, waarvan hij zegt dat je het ook voor halsbandparkieten kunt gebruiken. Idem facies et in psittaco. Ik ben er klaar voor.

Wat ik eigenlijk zou willen zeggen: volgens mij zijn dit soort gevoelens heel gewoon. Wie ze niet kent moet wel zeer onthecht zijn of echt in een prachtige ‘bubble’ leven. Ze vragen niet zozeer om een moreel oordeel, als wel om een groot diplomatiek vernuft bij degenen die ervoor moeten zorgen dat in een land of buurt de gemoederen niet te hoog oplopen. En een heleboel creativiteit en humor, als het er op aankomt van ons allemaal, om te voorkomen dat die gevoelens zich verharden tot meningen of ideologieën. En vooral: de tijd om aan elkaar te wennen.

“Je kent alleen de dingen die je getemd hebt”, zei de vos. “De mensen hebben geen tijd meer om ook maar iets te leren kennen. Ze kopen kant-en-klare dingen bij kooplieden. Maar omdat er geen kooplieden bestaan die vrienden verkopen, hebben de mensen geen vrienden meer. Als je een vriend wilt, tem mij dan!” “Wat moet ik doen?”, vroeg de kleine prins. “Je moet erg veel geduld hebben”, antwoordde de vos. “Je gaat eerst een beetje bij mij vandaan zitten in het gras, zoals nu. Dan bekijk ik je uit een ooghoek en jij zegt niets. Taal is alleen een bron van misverstanden. Maar elke dag kun je een beetje dichterbij komen zitten…”

Uit: Le petit prince van Antoine de Saint-Exupéry

Read Full Post »

Laat het verleden los

Een van de steeds terugkerende thema’s van dit blog is de rol die het verleden speelt in een mensenleven. Meestal neem ik daarvoor mijn eigen omgang met wat voorbij is als uitgangspunt. Vandaag wil ik proberen te starten vanuit het verhaal van een ex-verslaafde, dat ik de afgelopen week op school te horen kreeg. Teneinde ons inzicht in verschillende vormen van psychische problematiek te vergroten was er een ervaringsdeskundige uitgenodigd, die ons zijn levensverhaal uit de doeken deed.

Het was een vrij klassiek relaas, dat begon met de emotionele ballast die de ouders meebrachten in het nieuw te vormen gezin. Hij sprak over een zekere gevoeligheid en teruggetrokkenheid in zijn vroege kinderjaren. Over een sfeer van onveiligheid en verstoorde hechting, zowel thuis als op school. Voortdurende verhuizingen als gevolg van persoonlijke onvrede van de ouders met hun leven vormden een rode draad in het verhaal. De eerste ‘foute’ keuze in zijn pogingen toch ergens bij te horen was duidelijk gemarkeerd en leek de toon te hebben gezet voor een neiging tot emotionele afhankelijkheid, die hem telkens weer in de handen van verkeerde vrienden bracht.

Heel helder beschreef hij hoe de pijn die de opeenstapeling van verwaarlozing, vernederingen en misbruik hem bezorgde, hem vatbaar maakte voor de verleiding van de roes. Alcohol, in overmaat, maar later ook heroïne, cocaïne en ‘crack’ beheersten zijn leven vanaf zijn adolescentie, tot hij, na veel vruchteloze pogingen, een manier vond om zich van zijn verslaving te ontdoen. Geloof, hulpverlening en een zoektocht naar zingeving boden hem, kort voor zijn vijftigste, een nieuwe start in zijn leven.

Het lijdt geen twijfel dat een dergelijk verhaal ons allen raakte. Voor enkelen van ons was het patroon – niet de intensiteit – van zijn verhaal  herkenbaar in onze eigen levens. Toen we daar achteraf over van gedachten wisselden, viel ons op dat het verschil in proportie tussen de achtereenvolgende levensfasen in zijn verhaal heel groot was. Alsof alleen zijn kindertijd er werkelijk toe deed en die hem nog wel had overgedragen aan zijn puberteit, maar verder? Dertig jaar ronddobberen in machteloosheid leveren geen verhaal meer op. Dat begon pas toen hij de weg naar het land der levenden weer terug begon te vinden.

Ik heb nooit goed begrepen wat mensen bedoelen met de vermaning: “Laat het verleden toch los!” Of het moet zijn dat het vaak té moeilijk is om aan te zien hoe iemand anders vruchteloos spartelend in de greep van dat verleden verkeert. Wat ik wel heel goed snap – ook al is het bij mijzelf inmiddels niet meer zo – is het enorme belang dat bepaalde ervaringen in zijn vroege jeugd voor deze man blijven houden. Het is voor hem niet mogelijk het verleden los te laten, voordat hij er mee in het reine is. Voordat een ander, beter houvast voor handen is. En daar is hij pas vijf jaar mee bezig.

Read Full Post »

Alleen

*

Het is goed om niet-alleen te zijn.

vrij naar God

Ik zit alleen op mijn Amsterdamse veranda te eten. En ik zie dat het goed is om alleen te zijn. Op zo’n moment voel ik duidelijk dat mijn ogen twee kanten tegelijk op kunnen kijken: naar buiten en naar binnen. Buiten zie ik hoe het mooie weer van deze dag zich omwentelt naar een onweer. Leigrijs kleurt de lucht, de iepen laten zich hardhandig strelen door de wind. Eén voor één verdwijnen de gierzwaluwen uit het stukje hemel dat ik van hieruit kan overzien. En dan vallen de eerste regendroppels. Ze ruiken als altijd heerlijk muf. Ik sluit mijn ogen om te zien of ik het reliëf van de tuin onder mij kan horen. Het lukt niet, ik hoor slechts een gestadig ruisen.

Als ik mijn ogen weer open, zie ik dat ruisen als een sluier tussen mij en de andere huizen van het blok in hangen. Tegelijk wandelt mijn blik naar binnen, langs de stroom van mijn gedachten, die door een schitterend landschap van wisselende gemoedsbewegingen ritselt. Om mij heen stijgt de ‘lyrische meerwaarde van het bestaan’ *), langzaam als de vloed. Ik loop een paar stappen achteruit door de branding, want ik hoef even niet kopje onder. Gelukkig ben ik, en alleen.

Alsof zoiets vanzelf spreekt loop ik stroomopwaarts langs mijn innerlijke rivier. De gedachten blijken herinneringen. Ze buitelen als ontelbare golfjes over de keien. Zie ze eens schitteren! Het is net een stroom van zilveren rijksdaalders die mij uit het verleden tegemoet schiet. Scheppen geld. Ik til dat water op en het is licht als lucht: puur Geest. De wind steekt op; ik voel druppels, ondanks het veilige dak boven mij en mijn handen zetten een leeg glas wijn op tafel.

Eergisteren zat ik samen met mijn jongste dochter op deze veranda te eten. We hadden het over de vraag waarom mensen kinderen willen. Ik zei dat ik lang had geaarzeld, net zo lang tot ik het wist. “Ik wilde jullie om dezelfde reden als waarom ik de liefde wilde: de schoonheid van deze wereld is té groot om voor jezelf alleen te houden. Het was voor mij een drang zo sterk als het leven zelf om die te willen delen.”

Meteen stonden er een heleboel mensen op mijn balkon, licht als geest. Mijn vader, die me meenam op de fiets om naar de vogels te kijken. Mijn opoe, die de zondagse soes die zij kreeg in het bejaardencentrum voor mij bewaarde. Opa, die de volle emmer melk (zo van de koe!) voor mij vasthield en kantelde, net zo lang tot ik mij zat had gedronken en met een snor van schuim achteruit stapte. Francofiele Elsa, die mij leerde tafelen – drie gangen met goedkope rooie wijn erbij – en mij naar huis liet gaan met een arm vol wereldliteratuur. Ik zie het, mijn hele balkon staat vol. Ergens achteraan in een hoekje de anonieme bezoeker, die later op die avond een mooi, lebensbejahend lied onder mijn vorige blogpost plakte.

Maar al die tijd – vanaf dat ik het motto typte – speelt er een ander liedje door mijn hoofd. The Dancing Bear van The Mamas and the Papas, dat vriend Peter mij leerde kennen. Het gaat vooral om de laatste woorden: someone to share these things with me. Daarachter zingt zich een heel lang lied, dat overal is waar ik ben: Het Lied van Alle Dingen zou het kunnen heten. Alle dingen die ik samen gedaan heb, met mijn lief en met mijn kinderen en met al die anderen. Dingen die ik nooit gedaan zou hebben als ik ze voor mijzelf alleen had moeten doen. Dingen die ik nog zal doen, alleen en niet-alleen.

*

*) deze woorden zijn van Cornelis Verhoeven, bij wie ik ooit een werkcollege antieke filosofie volgde

Read Full Post »

Poppenkast

*

Poppenkast der poppenkasten,
alles is poppenkast.

vrij naar Prediker

*

We zaten gedrieën aan tafel en ik vertelde dat ik had meegemaakt hoe een zeer wellevende emeritus hoogleraar door een veel gebruikte pijnstiller uit de groep der opiaten werd getransformeerd tot een ongemanierde lomperik, die schaamteloos aan zijn kruis krabde en luide boeren liet. “Zo zie je maar dat het allemaal poppenkast was,” concludeerde een vriendin, rap en – naar het mij toescheen – met een zekere voldoening. Ik reageerde al even rap, maar eerder geschokt of zelfs verontwaardigd. Want hoe voor de hand liggend het misschien lijkt, ik vond het een overhaaste en vooral weinig respectvolle conclusie. Je veegt ook niet het hele oeuvre van een begenadigd componist in de vuilnisbak, zodra hij of zij begint te dementeren.

Er is beslist iets jammers aan een verontwaardigde reactie: je ontzegt jezelf een open blik op de gevoels- en gedachtenwereld van die ander. Misschien krijg ik nog eens een herkansing in deze, maar nu moet ik het doen met wat ik er zelf over denk en voel. Opgegroeid met een loodzwaar besef van het menselijk tekort (goed, laat ik het maar gewoon zondebesef noemen), heb ik mij heel lang erg slecht op mijn gemak gevoeld met het gegeven dat mensen de neiging hebben naar ‘het hogere’ te streven. En daarin telkens te falen. Oh, die akelige vergeefsheid ervan!

IJdelheid der ijdelheden! Opeens leek dat een zucht van verlichting: ik hoef het allemaal niet zo serieus te nemen. Sterker nog, misschien kan ik alle streven maar beter terzijde schuiven. Liever dat dan in valse pretenties te vervallen die ik toch niet waar kan maken. Als het er op aan komt stelt het allemaal niks voor. Een dergelijke opluchting duurt echter niet lang, want die neiging boven zichzelf uit te willen stijgen hoort nu eenmaal bij de aard van ’t beessie. “Sysiphus was een gelukkig mens,” schrijft Nelleke Noordervliet (in Millemorti).

In de huidige bocht van mijn leven ben ik het hier zomaar opeens mee eens. (Nou ja, opeens.) En het gekke is, dat ik nu allerlei zaken in een ander licht zie. Ik zie de zin van de thematiek waaromheen de vertelstof zich ontspon die mijn kinderen in de eerste klas van de Vrije School kregen aangeboden: door de fabels herkennen wij onze eigen zwakheden in dieren en in heiligenlevens houden wij onszelf voor waartoe een mens in staat is. In het verlengde daarvan begrijp ik de beeldentaal van de sjamanen, die magische kracht zoeken in het dierenrijk, dat zij zich ‘beneden’ voorstellen. Wijsheid zoeken zij ‘hogerop’. Zelf is een mens bij uitstek een tussenwezen.

Tenslotte krijgen zelfs begrippen als ‘zondaar’ en ‘genade’ opnieuw glans en inhoud. In plaats van de eeuwig falende wordt die zondaar de eeuwig strevende. En is genade niet etymologisch verwant aan het jiddische ‘gein’? Door het allemaal niet te serieus nemen is die neiging om je boven jezelf uit te tillen niet langer zwaarwichtig en ontmoedigend.  Het mooie van mens-zijn ligt dan in het vermogen waarden te stellen zonder oordelen te vellen. De inzet is waar het om gaat, niet de afrekening.

Read Full Post »

Older Posts »