Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘wetenschap’ Category

10092016

 

Depersonalisatie

Het schijnt verleden week te Amersfoort.
Een middag voor een ander; van opzij.
De zakenlui. Gewinkel zonder mij.
Het zet zich binnen stadsgezichten voort.

Een bakkersjongen in de Koppelpoort.
Iets aan de hand, is hij van de partij
en brengt een tweede bakkersjongen voort,
het fietsje echter in de kiem gesmoord.
Zo zal het zijn als ik hier niet meer rij.
Belichtingstijd. De klik wordt nooit gehoord.

Woorden buiten het mondeling op ruiten.
Mijn naam en ik gescheiden van elkaar.
Er zit al speling tussen hier en nu.

Agenten wenken dat ik moet besluiten.
Vrachtwagens met inboedel ronken zwaar.
Ik stuur u nog vanavond het reçu.

Gerrit Achterberg

 

Ergens in de afgelopen week diepte mijn rare associatieve brein dit gedicht weer eens op uit de kelders van mijn geheugen. Meestal ben ik daar niet zo blij mee. De vage, voorzichtige, voor anderen onzichtbare angst die het ademt, zijn me zo vaak en zo lang zó vertrouwd geweest, dat ik het bijna niet kan lezen zonder zelf weer op zo’n kruispunt te staan. Maar ja, dan zou ik niets meer kunnen lezen, want zodra ik lees, ontstaat er in mijn altijd bezige gedachten intertekstualiteit. Geen ontkomen aan, of ik moet mezelf kwijt zien te raken.

Wat las ik deze week? Een tekst over privacy in een zich steeds verder digitaliserende wereld. Daarbinnen stuitte ik op het begrip social physics, een piepjonge wetenschap die – meer nog dan de psychologie en de sociologie al jaren doen – de menselijke interactie benadert zoals de natuurkunde de fysieke werkelijkheid. Dankzij de recente ontwikkelingen op het gebied van data-analyse ligt deze overtreffende trap van mensenkennis binnen ons bereik, zo lijkt het. Ons gedrag is net zo wetmatig als de wet van Buys Ballot en zodra we over iemand voldoende data hebben verzameld, is hij net zo voorspelbaar als het weer.

Daar hebben we nog eens wat aan! De wikipedia pagina over Alex Pentland roept heel enthousiast, dat het “helps people better understand the ‘physics’ of their social environment, and helps individuals, companies and communities to reinvent themselves to be safer, more productive, and more creative.” Ja ja, zo verkoop je een pastoor een tweepersoons bed. En dan zul je zien: het ligt nog lekker ook, want – zo werd mij duidelijk uit wat ik las – zodra je die kennis gaat toepassen, werkt het als een selffulfilling prophecy. Het menselijk aanpassingsvermogen is groot, dus hoe klein is de kans dat we ons gaandeweg laten reduceren tot de laag van bestaan waarin wij inderdaad sociale natuurkunde zijn?

The best minds of my generation are thinking about how to make people click ads. That sucks.

Jeffrey Hammerbacher

Terwijl mijn brein me naar de boekenkast hier achter mij wil hebben om Allen Ginsberg te herlezen, blijf ik braaf zitten schrijven. “Die jongen heeft een punt,” denk ik. Dit is allemaal treurig en gevaarlijk bovendien. Sleepten die knappe koppen zich nog maar “through the negro streets at dawn looking for an angry fix, (…)” Maar dat is niet veilig, niet productief en in de meeste gevallen ook niet bijster creatief. Kunnen ze niet iets anders gaan doen? There must be more to life. In ieder geval behelst het menselijk leven meer dan de natuurkunde van onze omgang met elkaar en de werkelijkheid.

Nu zit dat “meer” hem volgens mij precies in wat het lyrisch ik van bovenstaand gedicht ontbeert: zijn persoon. Zonder die spelen wij in de wereld geen enkele rol van betekenis. Dat mag dan misschien veilig en productief zijn, maar creatief? We zijn vaak geneigd te denken dat een “persoon” een soort kern is, die vast ligt en die we dan ook door middel van sociale natuurkunde in kaart zouden kunnen brengen. Dat komt doordat we de oorspronkelijke betekenis van het woord aan het vergeten zijn. Het Latijnse woord persona gaat terug op het Etruskische phersu, dat masker betekent. Een masker was ooit van groot belang in het toneel, want daardoor kon je met een paar acteurs vele rollen spelen. Aan een geestelijk gezond mens is de persoon het meest creatieve, minst wetmatige dat er is.

Dat neem je een mens niet af. Of toch? We geven het en masse uit handen. Aan de achterkant van ons online leven, die zich aan onze waarneming onttrekt, hebben wij geen enkele agency. Daar staan we ieder voor zich en met ons allen op kruispunten waar we niets meer van snappen. Als ik dromerig ben, voorspel ik dat die hele data-hype een bubble zal blijken en dat we op zeker moment vanzelf minder zullen gaan clicken. Weer praten, spelen, zingen, zwemmen, dansen, lachen, bidden, fluisteren, luisteren. En nooit meer het vermogen verliezen om iemand te zijn. Als ik optimistisch ben, hoop ik dat de “best minds of my generation” (liever nog die van mijn kinderen) een manier vinden om weer zelf zeggenschap te krijgen over wie we zijn in ons online leven.

Read Full Post »

Japie Krekel

23082015

Als er binnenkort een werelderfgoedlijst van de literatuur wordt opgesteld – en is dat niet hoog tijd? – dan heb ik alvast twee boeken om voor te dragen: Schuld en Boete van Dostojevski en De avonturen van Pinokkio van Carlo Collodi. Waarom? Nou, omdat ik vrees dat over niet al te lange tijd het Ministerie van Veiligheid en Justitie alleen nog maar Ministerie van Veiligheid zal heten. En dat het in zijn geheel ge-outsourced gaat worden naar een in China gevestigde multi-national, die is ontstaan uit een fusie van Google, Facebook, Apple en Microsoft. Justice in the cloud. Vooroordeel en laatste oordeel vallen volledig met elkaar samen.

Hoe kom ik op dat bizarre idee? Daar heb je vrienden voor, zou ik kunnen zeggen, of: wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. Eén heeft mijn belangstelling gewekt voor rechtsfilosofie, robotica en kunstmatige intelligentie, een ander vertelde me onlangs over een documentaire die zij gezien had over het implanteren van ‘microchips‘ in de hersenen van (potentiële) criminelen. “Maar daarmee ontneem je een mens het recht om een proces door te maken,” was haar onmiddellijke bezwaar. Kom, jongens, schiet op! Misschien kan het nog net in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens worden opgenomen (als die niet al is afgeschaft): het recht om een proces door te maken.

Maar waarvoor zou je dat doen, als je crimineel gedrag ook gewoon kunt voorkomen? Dat hele rechtssysteem is toch hopeloos ouderwets en inefficiënt? Ah, daar draait het leven om. Om efficiency! Vooruit, dan sleep ik nog een boek aan voor de lijst: de Bijbel. Om niet te vergeten dat het menselijk leven ook nog wel eens ergens anders over kan gaan dan over veiligheid, doelmatigheid en winstmaximalisatie. Je kunt niet God dienen en de Mammon, het staat in Lucas 16, vers 13.

Ach, en als het niet een gigantisch complot van gewetenloze ‘corporate identities‘ is, die ons in de hel der zondelozen zal brengen, dan komen we er wel met goede bedoelingen.

“I am programmed to understand humans” is how android C-3PO reassures us in Star Wars Episode II: Attack of the Clones. And that is a very honorable cause for a programmer because currently, we are under attack of computer systems that run our lives autonomously – in pursuit of profit maximization, rationally, ruthlessly. From our understanding of humans, we contributed to the field of Machine Ethics by creating a moral robot that can take perspectives, switching on or off affective, personality, and rational aspects of moral decision making.

Zo prijst Matthijs Pontier zijn Moral Coppélia aan en ik waag het niet te twijfelen aan zijn goede bedoelingen. Of het hout snijdt wat hij beweert en of het allemaal mogelijk en wenselijk is, ook daar durf ik geen oordeel over te vellen. Daar wil ik mijn vriend en vriendin nog wel eens over horen, die redeneren helderder en denken speelser dan ik. Ik moet het van mijn intuïtie en mijn associaties hebben. Die zijn er niet gerust op dat we hiermee op de goede weg zijn. Natuurlijk willen wij liever voorkomen dan genezen, maar als we daar al te consequent in worden, dan kunnen we het menselijk leven misschien maar beter overslaan. Dan zijn we pas echt veilig.

Pontier wil zijn affectief-morele software graag inzetten voor Caredroïds en Sexbots, maar hij denkt ook aan hulpjes voor potentiële criminelen:

As a partner in crime, moral robots may keep potential perpetrators from offence, because they are not only morally just; they are likeable; because they are your friend.

Ha, daar hebben we ‘m: Japie Krekel! Nou, dat een krekel leven in een stuk hout kan brengen, dat wil ik wel geloven. Maar wat een plakje silicium met een scheutje zwakstroom en een handvol algoritmen met het menselijk geweten gaat doen . . . . Nee, geef mij dan toch maar Schuld en Boete.

  • De citaten zijn ontleend aan de publicatie over Moral Coppélia.

 

Read Full Post »

04082015a

Van mijn vader gaat het verhaal dat hij af zou zien van zijn plaats in de hemel, als daar de lofzangen der zaligen door een orgel begeleid zouden worden. Zelf zie ik er om een heel andere reden tegenop. Stel je voor: bij het Laatste Oordeel slaat de weegschaal waarop mijn ziel gewogen wordt door naar de ‘goede’ kant. Met één klein streepje maar, dat lijkt me niet eens onmogelijk. Dan zou ik met mijn dubieuze karakter op een plek belanden waar alles en iedereen Goed is. Ik moet er niet aan denken. Als ooit Alles Eén zal worden, laat het dan alsjeblieft jenseits von Gut und Böse zijn.

Maar eerlijk gezegd denk ik dat God, als puntje bij paaltje komt, het Laatste Oordeel overslaat. De schapen van de bokken scheiden, dat valt al niet mee, want waar laat je de kwenen, maar de Goeden van de Bozen, daar is geen beginnen aan. Bovendien lijkt God mij niet een mens van nullen en énen. Moet hij er dan misschien een algoritme op loslaten? Ach welnee, dat zou allzumenschlich zijn. De oplossing ligt hierin: “When the Lord closes the door, he opens a little window.”

Denk nu niet dat ik gering over God denk, het tegendeel is waar. Ik denk alleen zo nu en dan over ethische kwesties en dan heb je het al gauw over goed en kwaad. Voor mijn gedachten is het daarom slechts een heel klein sprongetje van God’s apocalyps naar een toekomstscenario dat me de afgelopen week uit de krant tegemoet glansde. Een indrukwekkende schare prominente wetenschappers riep de mensheid op om een verbod op ‘killer robots’. Ha fijn, denk ik dan, maar minder wereldvreemde mensen dan ik wijzen er meteen op dat een dergelijk appèl eigenlijk al te laat is. Er wordt aan gewerkt en ze zullen worden gebruikt, zo gaat dat in de wereld.

Maar nu komt het, en daarbij klapperen mijn oren luidkeels: vanuit de menigte klinkt de roep om deze moordmachines dan ook maar in onze moraliteit te betrekken. Er zijn werkelijk mensen – en niet de geringste – die serieus overwegen om “een ethische gids in de software te programmeren”. De idioten! Weten zij dan niet dat ethiek zich verhoudt tot moreel handelen zoals een worst zich verhoudt tot een varken?! En dat worstmachines maar één kant op werken? Elk varken kan worst worden, maar er is nog nooit een worst geweest die het tot varken bracht.

Laat ik het wat netter zeggen: moreel handelen is een levende werking van de menselijke geest en ethische stelsels zijn het product van een reflectie daarop en een poging daar regels uit af te leiden, die zich doorgaans met weinig succes op het werkelijke leven laten toepassen. Net zo is onze taal een organisch, levend fenomeen. Grammatica is een poging om achteraf regels op te stellen volgens welke die taal zich voltrekt, maar niet – een enkele pennenlikker daargelaten – een receptuur voor het produceren van taal. Wie de weinig bemoedigende resultaten van Google Translate kent, houdt zijn hart vast als dezelfde nerds zich aan het inbouwen van moraliteit in robots gaan wagen. “In theory, theory and practice are the same. In practice, they are not.” (quoth Einstein, zegt men.)

Dat een computer kan leren schaken, betekent niet dat hij ook taalvaardig kan worden, laat staan moreel kan handelen. Het schaakspel heeft een gesloten einde: schaakmat. Game over. Het menselijk leven en samenleven heeft – althans dat mag ik hopen – altijd een open einde. Daarom is er geen ethische gids denkbaar, die bij voldoende denkkracht tot juiste morele keuzes leidt. Elke moreel verantwoorde daad heeft een opening naar de toekomst. Het stellen van ethische vragen rondom ons handelen heeft niet als doel tot een juiste beslissing te komen, maar tot een beslissing waarvan we bereid zijn de consequenties te dragen, waar we mee verder kunnen leven. Een laatste oordeel hierover is niet aan ons.

In mijn ogen is het een gevaarlijke illusie dat we levenloze dingen, hoe intelligent ook, als ‘onzer één‘ kunnen zien. Maar kunnen wij de mensen die deze dingen ontwerpen, fabriceren en voor zich laten werken nog verantwoordelijk houden? Is het daarvoor al te laat of staat er ergens nog een raampje open?

04082015b

Read Full Post »

Als ik het niet te druk heb met al dat geschuif in mijn leefwereld – iPads in, stervende medemensen uit en mijn meubels op en neer -, dan denk ik nog regelmatig aan robots. Vooral aan één robot: Jules, een geesteskind van Hanson Robotics. En dan met name aan dit filmpje:

 

 

Natuurlijk, ik moet dit niet te serieus nemen, maar laat ik dat vandaag voor de grap eens wél doen. Want ik heb te doen met die arme Jules en zijn gender-issues! En wat is die Amanda toch een ongelooflijk stomme trut! “Oh yes, we all face these issues from time to time. That’s normal.” Ik zou me dood schamen als ik mijn kinderen met zulke suikerkluitjes het riet in had gestuurd. “Don’t worry about it, Jules. When the time comes, you’ll know what to do: just follow your heart.” Ja ja, doet u er nog maar een onsje onzin bij.

“So sexual identity issues are normal,” concludeert Jules onaangedaan en hij laat het er verder bij zitten, want daar was het hem immers helemaal niet om te doen. Dat Amanda er die draai aan geeft, zegt meer over Amanda’s eigen issues. Haar reactie lijkt op een hypercorrectie, ongeveer zoals wanneer iemand je vertelt volstrekt niet homofoob te zijn, terwijl dat helemaal de vraag niet was. Jules wilde Amanda een persoonlijke vraag stellen – bijvoorbeeld “hoe doe jij dat als je je soms mannelijk en soms vrouwelijk voelt, welke rol speelt dat in jouw seksleven” -, maar daar heeft Amanda duidelijk geen zin in. Vandaar ook de volgende dooddoener, als Jules probeert haar alsnog dichter bij de hete brei te halen: “Just follow your heart.”

Wat Amanda zich daarbij voorstelt in het geval van Jules is me een raadsel. In de reacties onder het filmpje op YouTube maakt iemand zich zorgen over het feit dat Jules “no tits, cunt, or dick, no sexual feelings desire or lust” heeft. Nu lijkt me dat in een tijd waarin het seksleven van veel mensen zich vooral on-line voltrekt nog wel overkomelijk, maar kom, Amanda, waar zit je hart als je geen lichaam hebt of het niet weet te vinden? Als ik Jules zo hoor praten, doet hij mij sterk denken aan sommige echte mensen. Echte mensen met echte ‘mind-body problems‘. Voor wie behept is met autisme, transseksualiteit of een dissociatieve identiteitsstoornis is dat opeens geen filosofische kwestie meer, maar een serieuze handicap. Niet iets om je geen zorgen over te maken. Dus, Amanda:

“Straight talk, straight talk — don’t try B.S.-ing me.”

Er valt van robots veel te leren over wat het betekent om mens te zijn. Als we daarbij die rare popie-jopie luchthartigheid van Amanda laten varen, dan zouden we er wellicht nog eens achter komen hoe onhoudbaar een louter materialistisch wereldbeeld (ook wetenschappelijk) is. Zelfs al worden ons bewustzijn en onze intelligentie gedragen door veel H2O en een handjevol andere, ingewikkelder moleculen, dan nog schieten we er niets mee op om onszelf te reduceren tot vochtige robots. Als we niet uitkijken, worden we daar nog eens dorre mensen van.

Read Full Post »

04052014

*

 

The past only comes back when the present runs so smoothly that it is like the sliding surface of a deep river. Then one sees through the surface to the depths. In those moments I find one of my greatest satisfactions, not that I am thinking of the past; but it is then that I am living most fully in the present.

Virginia Woolf, A Sketch of the Past

In een ver verleden kwam bij ons de melkboer langs. Hij bracht ons allerhande zuivel in flessen met een wijde hals, afgesloten met een dunne aluminium dop. Blauw voor de melk, rood voor karnemelk en groen voor yoghurt: alleen die kleuren leven voort in de ‘pakken‘ van vandaag. Melk moest in die tijd, maar wij waren vooral dol op de doppen. We versierden daarmee onze fiets, door ze dubbel te vouwen om de spaken. Dat zag er feestelijk uit en maakte een vrolijk geluid (ritselend, rammelend, fluisterend) als je de straat uit reed. Je kon er ook speelgoedgeld van maken.

Iets dichter aan de oppervlakte glinsteren die doppen in een wiskundeles. De lerares wijdde ons in in de tweedimensionale meetkunde. Aan het eind van het hoofdstuk over de cirkel werd ons inzicht getoetst met een handvol sommen. Eén daarvan zal ik nooit vergeten: “Je hebt een aluminium strip van 3 centimeter breed en 3 meter lang. Hoeveel doppen met een doorsnede van 3 centimeter kun je daaruit stansen?” De juffrouw keek vragend de klas rond. Ik stak mijn vinger op, maar zij wachtte even of niet iemand anders zich aandiende. “Honderd,” zei ik, toen ze mijn kant op keek. Zij lachte zoals je lacht wanneer je iemand ziet uitglijden en draaide zich om naar het bord.

Daar deelde zij de doorsnede van de te stansen doppen door twee. Dat leverde een ‘straal‘ op, waaruit zij middels de bekende formule ‘pi-r-kwadraat‘ de oppervlakte van een dop berekende. Vervolgens deelde zij dat op de oppervlakte van de strip – lengte maal breedte. Er kwam een raar getal uit met een aantal cijfers achter de komma, die netjes ‘rest’ genoemd werden. “En toch klopt het niet,” waagde ik. Hoe ik ook om me heen keek, er kwam geen bijval. Het was maandagmiddag, tien voor vier, dus wat wil je. Daar heb je die wijsneus weer, zag ik de docente al denken. Ik ging wat rechter op zitten en stak van wal: “Het is eenvoudiger dan u denkt. De strip is precies zo breed als de doorsnee van een dop en honderd keer zo lang. Als je honderd doppen hebt gestanst, hou je een hoop afval over waar je verder niks mee kan.” (Nou ja, bewaren voor de zending, dat wel.)

Gelukkig was de juf haar vertwijfeling snel te boven en met een handigheid die zij anders zelden aan de dag legde, zei ze: “Kijk, dat wilde ik nou even laten zien, dat jullie allemaal zitten te slapen, behalve eentje die nog wakker is. Pak jullie boeken maar in en wegwezen!” De dagsluiting schoot er die keer bij in, weet ik nog. Toen ik bij de deur nog even naar haar omkeek, schudde zij haar hoofd, alsof zij die honderd melkflesdoppen eruit wilde hebben.

Bij mij blijven ze erin en beginnen ze te ritselen, rammelen en fluisteren, telkens wanneer iemand simpele sommen maakt om een mening kracht bij te zetten. “Vlees eten is slecht, want voor elke kilo vlees is 20 kilo graan nodig! Wat een verspilling!” (Op de eerste pagina in Google varieert het getal van 4 tot 35 kilo.) “En toch klopt het niet,” begin ik dan, want ik ben nog steeds een akelige wijsneus. Goed, voor de niet grondgebonden bio-industrie gaat het aardig op. Maar als we op grond daarvan naar een vegetarische utopie zouden moeten streven, stansen we meer doppen dan mogelijk is. Het is namelijk eenvoudiger én minder eenvoudig dan je denkt. En vandaag heb ik nog bijval ook:

Steve Davis, an animal scientist at Oregon State University, has estimated that if America were to adopt a strictly vegetarian diet, the total number of animals killed every year would actually increase, as animal pasture gave way to row crops. Davis contends that if our goal is to kill as few animals as possible, then people should eat the largest possible animal that can live on the least intensively cultivated land: grass-fed beef for everybody. It would appear that killing animals is unavoidable no matter what we choose to eat.

When I talked to Joel Salatin about the vegetarian utopia, he pointed out that it would also condemn him and his neighbors to importing their food from distant places, since the Shenandoah Valley receives too little rainfall to grow many row crops. Much the same would hold true where I live, in New England. We get plenty of rain, but the hilliness of the land has dictated an agriculture based on animals since the time of the Pilgrims. The world is full of places where the best, if not the only, way to obtain food from the land is by grazing animals on it–especially ruminants, which alone can transform grass into protein and whose presence can actually improve the health of the land.

The vegetarian utopia would make us even more dependent than we already are on an industrialized national food chain. That food chain would in turn be even more dependent than it already is on fossil fuels and chemical fertilizer, since food would need to travel farther and manure would be in short supply. Indeed, it is doubtful that you can build a more sustainable agriculture without animals to cycle nutrients and support local food production. If our concern is for the health of nature–rather than, say, the internal consistency of our moral code or the condition of our souls–then eating animals may sometimes be the most ethical thing to do.

Michael Pollan, An Animal’s Place

Read Full Post »

24042014

*

Homo sum, nil humanum mihi alienum puto.

Publius Terentius Afer, Heauton Timoroumenos

*

Mocht ik in mijn eerdere stukjes over de Uncanny Valley de indruk hebben gewekt dat ik nergens meer van sta te kijken, dan moet ik u nu toch teleurstellen. Er zijn wel degelijk dingen, en vooral mensen, die ik eng vind. Niet eens zo lang geleden kwam ik er een paar tegen. Op het internet, natuurlijk.

De eerste was een vrouw, die ik opeens als een spookrijder op me af zag komen, koplampen vol aan. Maar die leken niet te dienen om te zien wie of wat zij voor zich had, maar om ruim baan te maken. Ik voelde me een konijn, maar wist nog net op tijd in de berm te springen. Oef!

…vrede op aarde is uiteraard en helaas een illusie….maar een zekere ontwikkeling in bewustzijn in de loop van de geschiedenis der mensheid valt gelukkig wel te constateren. Ik hoop op een democratisch tot stand gekomen wettelijk verbod op het eten van dierenlijken binnen 50 jaar.

Behalve dat wilde zij Facebook, Twitter, God en mannen ook maar liefst de wereld uit hebben. In al haar schelheid raasde zij gelukkig snel voorbij.

Vandaag wandelde ik in mijn eentje vrij dicht langs een borrelend (mineraalwater) en babbelend gezelschap. Ik voel me dan altijd een beetje bekeken, – ook dat vind ik eng – maar ze leken me niet op te merken. Nieuwsgierig als ik ben vertraagde ik dus mijn pas, zodat ik kon horen waarover zij spraken. Tot mijn verbazing hadden ze het over mij! Weliswaar in termen die ik nog niet kende, maar desondanks kwam ik heel wat over mezelf te weten. Zo voelde ik me alsnog bekeken: doordat ik mijzelf door hun ogen kon zien.

Ik bleek een ‘human-racist‘ te zijn. Een ‘bioconservative‘ bovendien en misschien zelfs wel een ‘BioLuddite‘. De mensen bij wie ik over de tong ging noemden zichzelf ‘technoprogressives‘. En zo stond ik plotseling aan één kant van een kloof. Nu ben ik daar meestal niet zo bang voor, maar in dit geval is mijn vertrouwen in de mogelijkheid die kloof te overbruggen akelig klein. Ik voel iets rommelen, net onder mijn middenrif. O ja, ook daar hoorde ik hen over praten: ze noemden het de ‘yuck factor‘. Volgens hen zouden mensen als ik het zelf liever ‘wisdom of repugnance‘ noemen, maar daarin kom ik ze niet tegemoet. Voor ik het weet wordt mij in de schoenen geschoven dat ik er een ‘disgust-based morality‘ op na houd.

Ach, het leken me heel nette mensen. Heel redelijk vooral – als dat tenminste de juiste vertaling is van ‘rationalist‘:

Responding to the polarization of the debate between technophobes and anti-regulatory technophiles, an emerging global network of technoprogressive thinkers are defending people’s rights to use human enhancement technologies, while taking seriously the need to regulate their safety and social consequences. Technoprogressives address questions such as the right to use””and not use””cognitive enhancement technologies in an increasingly competitive society.

En toch vind ik deze mensen zeer ‘uncanny‘. Het voelt alsof de Invasion of the Body Snatchers nu toch echt heeft plaatsgevonden. Hun juiste midden ligt een heel eind bij het mijne vandaan. Zij staan een wereld voor waarin ik geen plaats zie om mijzelf te verwerkelijken. Zij pretenderen geduld te hebben met mensen als ik, maar ik voel aan mijn water dat het op ‘love it or leave it‘ aan zal komen, mochten zij de macht krijgen. Of zal ik in een reservaat belanden met andere ‘Humanish‘?

Read Full Post »

31032014

 

…. en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat.

Psalm 90:17

Terug naar de robots. Ik zal maar meteen toegeven dat mijn weerzin vooral voortkomt uit de confrontatie met mijn eigen vervangbaarheid, dan hoeven we het daar niet meer over te hebben. Maar daarbij gaat het niet in de eerste plaats over het verlies van inkomen en misschien nog niet eens over de impliciete minachting voor het werk dat ik doe. Het gaat mij erom dat menselijke arbeid meer is dan marktwaar in een kapitalistische economie. Van de wetenschap dat ik het allemaal niet meer mee zal maken gaat een troost uit die met de dag schraler wordt. Ik heb kinderen in deze wereld en bovendien is er een mensheid waarmee ik mij verbonden voel.

Jarenlang hebben we een volkstuintje gehad, een lapje grond waarop wij groenten verbouwden. We huurden dat van een gepensioneerde pionier in de biologisch-dynamische tuinbouw. Bijna tot aan zijn dood heb ik hem nederige werkjes zien doen op die anderhalve hectare waaraan hij zijn leven had gewijd. Soms hielp ik hem daarbij en raakten we aan de praat. Hij was een onverbeterlijke, zeer wereldvreemde idealist. “Een tuinkabouter!” riep de vrouw die het tuintje naast mij bewerkte en die net zo eigenwijs was als hij. Een paar jaar geleden is hij gestorven, maar een van zijn gedachten leeft verder in mijn hoofd.

“De mechanisatie van de landbouw is geen vooruitgang geweest. Men voerde als argument aan dat het gebruik van machines tijd zou besparen. Maar je kunt tijd helemaal niet sparen. De tijd stroomt voortdurend verder, je kunt hem alleen maar gebruiken. Voordat je je werk uit handen geeft aan een machine, mag je eerst wel eens bedenken wat je met die lege handen gaat doen.”

Die gedachte schudde iets in mij wakker, dat sindsdien niet meer wil slapen. Ik was opgegroeid met een veel optimistischer beeld van de zegeningen van de technologie:

Ergens in de jaren vijftig kwam hij in beeld: de spelende, van arbeid bevrijde mens. De vrijetijdsmaatschappij, voorspelden deskundigen, was in de maak. Uit de Verenigde Staten bereikten ons land intrigerende verhalen over robots en automatisering. Alles wees erop dat de wereld van de arbeid het in toenemende mate zonder de mens af zou kunnen.
De Cobra-kunstenaar Constant Nieuwenhuys gaf het land van de toekomst begin jaren zestig ook een naam: Nieuw Babylon. “In Nieuw Babylon zal onze sluimerende kreativiteit ontwaken! De economische voorwaarden zijn er dan aanwezig voor. Wie nu nog de tijd moet doorbrengen met de kost verdienen, zal dan haast genoodzaakt worden kreatief te worden om niet aan verveling ten onder te gaan. Hij zal de homo ludens zijn, hij zal gaan spelen.”

(….)

Vrije tijd bleek voor een aanstormende generatie niet langer een bijproduct van de wereld van de arbeid, niet langer een oase van welverdiende rust, maar een wereld op zichzelf, een wereld waarin je een ander mens kon worden.

Uit: Lage landen, hoge sprongen: Nederland in de twintigste eeuw door Jos van der Lans en Herman Vuijsje

Dit toekomstbeeld sprak mij wel aan. Omdat ik bang was iets te missen als ik een richting insloeg of omdat ik mij graag verloor in contemplatie, dat laat ik in het midden. Door schade en schande ben ik dit kleine beetje wijzer geworden: die oude boer had een punt. Nederig handwerk is van een even onschatbare waarde als welk ander werk dan ook. Het is een rare romantische illusie dat een mens zich mooier zal ontplooien naarmate zijn vrijheid groter wordt. Men moet zich ergens aan kunnen ontwikkelen.

Dat is mijn persoonlijke ervaring, maar ook maatschappelijk hebben we inmiddels voldoende kijk op de kwalijke gevolgen van het uitbesteden van nederig werk aan machines en lagelonenlanden. De ene lost generation na de andere dwaalt doelloos en depressief over de arbeidsmarkt. Bepaalde menstypes zijn al vanaf hun geboorte overbodig of worden gedwongen zich tegen hun natuur in te ontwikkelen. Omdat ‘de economie’ hen niet meer nodig heeft.

Moeten we nu ook nog het werk in de zorg afstaan aan robots? Er zullen wel mensen zijn die er garen bij spinnen, want al jaren worden de geldstromen in de zorgsector hardnekkig omgebogen in de richting van technologie. Al in 1950 formuleerde Isaac Asimov in zijn bundel I, Robot drie ‘wetten van de robotica‘. Interessanter vind ik de zogenaamde ‘Nulde Wet‘:

Een robot mag geen schade toebrengen aan de mensheid, of toelaten dat de mensheid schade toegebracht wordt door zijn nalatigheid.

In plaats van te roepen dat we geen keuze hebben, kunnen we misschien eerst nog wat beter kijken naar alternatieven om onze economie in te richten, voordat we robots toelaten op de arbeidsmarkt. Anders brengen we zelf schade toe aan de mensheid.

*

[Bij het plaatje boven dit blogbericht dacht ik aan mijn oom Arend (1887-1971), die op zijn oude dag vaak verzuchtte: “Wie zal straks nog een zeis kunnen haren?”]

Read Full Post »

Older Posts »