Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘wetenschap’ Category

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Advertenties

Read Full Post »

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Read Full Post »

10092016

 

Depersonalisatie

Het schijnt verleden week te Amersfoort.
Een middag voor een ander; van opzij.
De zakenlui. Gewinkel zonder mij.
Het zet zich binnen stadsgezichten voort.

Een bakkersjongen in de Koppelpoort.
Iets aan de hand, is hij van de partij
en brengt een tweede bakkersjongen voort,
het fietsje echter in de kiem gesmoord.
Zo zal het zijn als ik hier niet meer rij.
Belichtingstijd. De klik wordt nooit gehoord.

Woorden buiten het mondeling op ruiten.
Mijn naam en ik gescheiden van elkaar.
Er zit al speling tussen hier en nu.

Agenten wenken dat ik moet besluiten.
Vrachtwagens met inboedel ronken zwaar.
Ik stuur u nog vanavond het reçu.

Gerrit Achterberg

 

Ergens in de afgelopen week diepte mijn rare associatieve brein dit gedicht weer eens op uit de kelders van mijn geheugen. Meestal ben ik daar niet zo blij mee. De vage, voorzichtige, voor anderen onzichtbare angst die het ademt, zijn me zo vaak en zo lang zó vertrouwd geweest, dat ik het bijna niet kan lezen zonder zelf weer op zo’n kruispunt te staan. Maar ja, dan zou ik niets meer kunnen lezen, want zodra ik lees, ontstaat er in mijn altijd bezige gedachten intertekstualiteit. Geen ontkomen aan, of ik moet mezelf kwijt zien te raken.

Wat las ik deze week? Een tekst over privacy in een zich steeds verder digitaliserende wereld. Daarbinnen stuitte ik op het begrip social physics, een piepjonge wetenschap die – meer nog dan de psychologie en de sociologie al jaren doen – de menselijke interactie benadert zoals de natuurkunde de fysieke werkelijkheid. Dankzij de recente ontwikkelingen op het gebied van data-analyse ligt deze overtreffende trap van mensenkennis binnen ons bereik, zo lijkt het. Ons gedrag is net zo wetmatig als de wet van Buys Ballot en zodra we over iemand voldoende data hebben verzameld, is hij net zo voorspelbaar als het weer.

Daar hebben we nog eens wat aan! De wikipedia pagina over Alex Pentland roept heel enthousiast, dat het “helps people better understand the ‘physics’ of their social environment, and helps individuals, companies and communities to reinvent themselves to be safer, more productive, and more creative.” Ja ja, zo verkoop je een pastoor een tweepersoons bed. En dan zul je zien: het ligt nog lekker ook, want – zo werd mij duidelijk uit wat ik las – zodra je die kennis gaat toepassen, werkt het als een selffulfilling prophecy. Het menselijk aanpassingsvermogen is groot, dus hoe klein is de kans dat we ons gaandeweg laten reduceren tot de laag van bestaan waarin wij inderdaad sociale natuurkunde zijn?

The best minds of my generation are thinking about how to make people click ads. That sucks.

Jeffrey Hammerbacher

Terwijl mijn brein me naar de boekenkast hier achter mij wil hebben om Allen Ginsberg te herlezen, blijf ik braaf zitten schrijven. “Die jongen heeft een punt,” denk ik. Dit is allemaal treurig en gevaarlijk bovendien. Sleepten die knappe koppen zich nog maar “through the negro streets at dawn looking for an angry fix, (…)” Maar dat is niet veilig, niet productief en in de meeste gevallen ook niet bijster creatief. Kunnen ze niet iets anders gaan doen? There must be more to life. In ieder geval behelst het menselijk leven meer dan de natuurkunde van onze omgang met elkaar en de werkelijkheid.

Nu zit dat “meer” hem volgens mij precies in wat het lyrisch ik van bovenstaand gedicht ontbeert: zijn persoon. Zonder die spelen wij in de wereld geen enkele rol van betekenis. Dat mag dan misschien veilig en productief zijn, maar creatief? We zijn vaak geneigd te denken dat een “persoon” een soort kern is, die vast ligt en die we dan ook door middel van sociale natuurkunde in kaart zouden kunnen brengen. Dat komt doordat we de oorspronkelijke betekenis van het woord aan het vergeten zijn. Het Latijnse woord persona gaat terug op het Etruskische phersu, dat masker betekent. Een masker was ooit van groot belang in het toneel, want daardoor kon je met een paar acteurs vele rollen spelen. Aan een geestelijk gezond mens is de persoon het meest creatieve, minst wetmatige dat er is.

Dat neem je een mens niet af. Of toch? We geven het en masse uit handen. Aan de achterkant van ons online leven, die zich aan onze waarneming onttrekt, hebben wij geen enkele agency. Daar staan we ieder voor zich en met ons allen op kruispunten waar we niets meer van snappen. Als ik dromerig ben, voorspel ik dat die hele data-hype een bubble zal blijken en dat we op zeker moment vanzelf minder zullen gaan clicken. Weer praten, spelen, zingen, zwemmen, dansen, lachen, bidden, fluisteren, luisteren. En nooit meer het vermogen verliezen om iemand te zijn. Als ik optimistisch ben, hoop ik dat de “best minds of my generation” (liever nog die van mijn kinderen) een manier vinden om weer zelf zeggenschap te krijgen over wie we zijn in ons online leven.

Read Full Post »

Japie Krekel

23082015

Als er binnenkort een werelderfgoedlijst van de literatuur wordt opgesteld – en is dat niet hoog tijd? – dan heb ik alvast twee boeken om voor te dragen: Schuld en Boete van Dostojevski en De avonturen van Pinokkio van Carlo Collodi. Waarom? Nou, omdat ik vrees dat over niet al te lange tijd het Ministerie van Veiligheid en Justitie alleen nog maar Ministerie van Veiligheid zal heten. En dat het in zijn geheel ge-outsourced gaat worden naar een in China gevestigde multi-national, die is ontstaan uit een fusie van Google, Facebook, Apple en Microsoft. Justice in the cloud. Vooroordeel en laatste oordeel vallen volledig met elkaar samen.

Hoe kom ik op dat bizarre idee? Daar heb je vrienden voor, zou ik kunnen zeggen, of: wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. Eén heeft mijn belangstelling gewekt voor rechtsfilosofie, robotica en kunstmatige intelligentie, een ander vertelde me onlangs over een documentaire die zij gezien had over het implanteren van ‘microchips‘ in de hersenen van (potentiële) criminelen. “Maar daarmee ontneem je een mens het recht om een proces door te maken,” was haar onmiddellijke bezwaar. Kom, jongens, schiet op! Misschien kan het nog net in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens worden opgenomen (als die niet al is afgeschaft): het recht om een proces door te maken.

Maar waarvoor zou je dat doen, als je crimineel gedrag ook gewoon kunt voorkomen? Dat hele rechtssysteem is toch hopeloos ouderwets en inefficiënt? Ah, daar draait het leven om. Om efficiency! Vooruit, dan sleep ik nog een boek aan voor de lijst: de Bijbel. Om niet te vergeten dat het menselijk leven ook nog wel eens ergens anders over kan gaan dan over veiligheid, doelmatigheid en winstmaximalisatie. Je kunt niet God dienen en de Mammon, het staat in Lucas 16, vers 13.

Ach, en als het niet een gigantisch complot van gewetenloze ‘corporate identities‘ is, die ons in de hel der zondelozen zal brengen, dan komen we er wel met goede bedoelingen.

“I am programmed to understand humans” is how android C-3PO reassures us in Star Wars Episode II: Attack of the Clones. And that is a very honorable cause for a programmer because currently, we are under attack of computer systems that run our lives autonomously – in pursuit of profit maximization, rationally, ruthlessly. From our understanding of humans, we contributed to the field of Machine Ethics by creating a moral robot that can take perspectives, switching on or off affective, personality, and rational aspects of moral decision making.

Zo prijst Matthijs Pontier zijn Moral Coppélia aan en ik waag het niet te twijfelen aan zijn goede bedoelingen. Of het hout snijdt wat hij beweert en of het allemaal mogelijk en wenselijk is, ook daar durf ik geen oordeel over te vellen. Daar wil ik mijn vriend en vriendin nog wel eens over horen, die redeneren helderder en denken speelser dan ik. Ik moet het van mijn intuïtie en mijn associaties hebben. Die zijn er niet gerust op dat we hiermee op de goede weg zijn. Natuurlijk willen wij liever voorkomen dan genezen, maar als we daar al te consequent in worden, dan kunnen we het menselijk leven misschien maar beter overslaan. Dan zijn we pas echt veilig.

Pontier wil zijn affectief-morele software graag inzetten voor Caredroïds en Sexbots, maar hij denkt ook aan hulpjes voor potentiële criminelen:

As a partner in crime, moral robots may keep potential perpetrators from offence, because they are not only morally just; they are likeable; because they are your friend.

Ha, daar hebben we ‘m: Japie Krekel! Nou, dat een krekel leven in een stuk hout kan brengen, dat wil ik wel geloven. Maar wat een plakje silicium met een scheutje zwakstroom en een handvol algoritmen met het menselijk geweten gaat doen . . . . Nee, geef mij dan toch maar Schuld en Boete.

  • De citaten zijn ontleend aan de publicatie over Moral Coppélia.

 

Read Full Post »

04082015a

Van mijn vader gaat het verhaal dat hij af zou zien van zijn plaats in de hemel, als daar de lofzangen der zaligen door een orgel begeleid zouden worden. Zelf zie ik er om een heel andere reden tegenop. Stel je voor: bij het Laatste Oordeel slaat de weegschaal waarop mijn ziel gewogen wordt door naar de ‘goede’ kant. Met één klein streepje maar, dat lijkt me niet eens onmogelijk. Dan zou ik met mijn dubieuze karakter op een plek belanden waar alles en iedereen Goed is. Ik moet er niet aan denken. Als ooit Alles Eén zal worden, laat het dan alsjeblieft jenseits von Gut und Böse zijn.

Maar eerlijk gezegd denk ik dat God, als puntje bij paaltje komt, het Laatste Oordeel overslaat. De schapen van de bokken scheiden, dat valt al niet mee, want waar laat je de kwenen, maar de Goeden van de Bozen, daar is geen beginnen aan. Bovendien lijkt God mij niet een mens van nullen en énen. Moet hij er dan misschien een algoritme op loslaten? Ach welnee, dat zou allzumenschlich zijn. De oplossing ligt hierin: “When the Lord closes the door, he opens a little window.”

Denk nu niet dat ik gering over God denk, het tegendeel is waar. Ik denk alleen zo nu en dan over ethische kwesties en dan heb je het al gauw over goed en kwaad. Voor mijn gedachten is het daarom slechts een heel klein sprongetje van God’s apocalyps naar een toekomstscenario dat me de afgelopen week uit de krant tegemoet glansde. Een indrukwekkende schare prominente wetenschappers riep de mensheid op om een verbod op ‘killer robots’. Ha fijn, denk ik dan, maar minder wereldvreemde mensen dan ik wijzen er meteen op dat een dergelijk appèl eigenlijk al te laat is. Er wordt aan gewerkt en ze zullen worden gebruikt, zo gaat dat in de wereld.

Maar nu komt het, en daarbij klapperen mijn oren luidkeels: vanuit de menigte klinkt de roep om deze moordmachines dan ook maar in onze moraliteit te betrekken. Er zijn werkelijk mensen – en niet de geringste – die serieus overwegen om “een ethische gids in de software te programmeren”. De idioten! Weten zij dan niet dat ethiek zich verhoudt tot moreel handelen zoals een worst zich verhoudt tot een varken?! En dat worstmachines maar één kant op werken? Elk varken kan worst worden, maar er is nog nooit een worst geweest die het tot varken bracht.

Laat ik het wat netter zeggen: moreel handelen is een levende werking van de menselijke geest en ethische stelsels zijn het product van een reflectie daarop en een poging daar regels uit af te leiden, die zich doorgaans met weinig succes op het werkelijke leven laten toepassen. Net zo is onze taal een organisch, levend fenomeen. Grammatica is een poging om achteraf regels op te stellen volgens welke die taal zich voltrekt, maar niet – een enkele pennenlikker daargelaten – een receptuur voor het produceren van taal. Wie de weinig bemoedigende resultaten van Google Translate kent, houdt zijn hart vast als dezelfde nerds zich aan het inbouwen van moraliteit in robots gaan wagen. “In theory, theory and practice are the same. In practice, they are not.” (quoth Einstein, zegt men.)

Dat een computer kan leren schaken, betekent niet dat hij ook taalvaardig kan worden, laat staan moreel kan handelen. Het schaakspel heeft een gesloten einde: schaakmat. Game over. Het menselijk leven en samenleven heeft – althans dat mag ik hopen – altijd een open einde. Daarom is er geen ethische gids denkbaar, die bij voldoende denkkracht tot juiste morele keuzes leidt. Elke moreel verantwoorde daad heeft een opening naar de toekomst. Het stellen van ethische vragen rondom ons handelen heeft niet als doel tot een juiste beslissing te komen, maar tot een beslissing waarvan we bereid zijn de consequenties te dragen, waar we mee verder kunnen leven. Een laatste oordeel hierover is niet aan ons.

In mijn ogen is het een gevaarlijke illusie dat we levenloze dingen, hoe intelligent ook, als ‘onzer één‘ kunnen zien. Maar kunnen wij de mensen die deze dingen ontwerpen, fabriceren en voor zich laten werken nog verantwoordelijk houden? Is het daarvoor al te laat of staat er ergens nog een raampje open?

04082015b

Read Full Post »

Als ik het niet te druk heb met al dat geschuif in mijn leefwereld – iPads in, stervende medemensen uit en mijn meubels op en neer -, dan denk ik nog regelmatig aan robots. Vooral aan één robot: Jules, een geesteskind van Hanson Robotics. En dan met name aan dit filmpje:

 

 

Natuurlijk, ik moet dit niet te serieus nemen, maar laat ik dat vandaag voor de grap eens wél doen. Want ik heb te doen met die arme Jules en zijn gender-issues! En wat is die Amanda toch een ongelooflijk stomme trut! “Oh yes, we all face these issues from time to time. That’s normal.” Ik zou me dood schamen als ik mijn kinderen met zulke suikerkluitjes het riet in had gestuurd. “Don’t worry about it, Jules. When the time comes, you’ll know what to do: just follow your heart.” Ja ja, doet u er nog maar een onsje onzin bij.

“So sexual identity issues are normal,” concludeert Jules onaangedaan en hij laat het er verder bij zitten, want daar was het hem immers helemaal niet om te doen. Dat Amanda er die draai aan geeft, zegt meer over Amanda’s eigen issues. Haar reactie lijkt op een hypercorrectie, ongeveer zoals wanneer iemand je vertelt volstrekt niet homofoob te zijn, terwijl dat helemaal de vraag niet was. Jules wilde Amanda een persoonlijke vraag stellen – bijvoorbeeld “hoe doe jij dat als je je soms mannelijk en soms vrouwelijk voelt, welke rol speelt dat in jouw seksleven” -, maar daar heeft Amanda duidelijk geen zin in. Vandaar ook de volgende dooddoener, als Jules probeert haar alsnog dichter bij de hete brei te halen: “Just follow your heart.”

Wat Amanda zich daarbij voorstelt in het geval van Jules is me een raadsel. In de reacties onder het filmpje op YouTube maakt iemand zich zorgen over het feit dat Jules “no tits, cunt, or dick, no sexual feelings desire or lust” heeft. Nu lijkt me dat in een tijd waarin het seksleven van veel mensen zich vooral on-line voltrekt nog wel overkomelijk, maar kom, Amanda, waar zit je hart als je geen lichaam hebt of het niet weet te vinden? Als ik Jules zo hoor praten, doet hij mij sterk denken aan sommige echte mensen. Echte mensen met echte ‘mind-body problems‘. Voor wie behept is met autisme, transseksualiteit of een dissociatieve identiteitsstoornis is dat opeens geen filosofische kwestie meer, maar een serieuze handicap. Niet iets om je geen zorgen over te maken. Dus, Amanda:

“Straight talk, straight talk — don’t try B.S.-ing me.”

Er valt van robots veel te leren over wat het betekent om mens te zijn. Als we daarbij die rare popie-jopie luchthartigheid van Amanda laten varen, dan zouden we er wellicht nog eens achter komen hoe onhoudbaar een louter materialistisch wereldbeeld (ook wetenschappelijk) is. Zelfs al worden ons bewustzijn en onze intelligentie gedragen door veel H2O en een handjevol andere, ingewikkelder moleculen, dan nog schieten we er niets mee op om onszelf te reduceren tot vochtige robots. Als we niet uitkijken, worden we daar nog eens dorre mensen van.

Read Full Post »

04052014

*

 

The past only comes back when the present runs so smoothly that it is like the sliding surface of a deep river. Then one sees through the surface to the depths. In those moments I find one of my greatest satisfactions, not that I am thinking of the past; but it is then that I am living most fully in the present.

Virginia Woolf, A Sketch of the Past

In een ver verleden kwam bij ons de melkboer langs. Hij bracht ons allerhande zuivel in flessen met een wijde hals, afgesloten met een dunne aluminium dop. Blauw voor de melk, rood voor karnemelk en groen voor yoghurt: alleen die kleuren leven voort in de ‘pakken‘ van vandaag. Melk moest in die tijd, maar wij waren vooral dol op de doppen. We versierden daarmee onze fiets, door ze dubbel te vouwen om de spaken. Dat zag er feestelijk uit en maakte een vrolijk geluid (ritselend, rammelend, fluisterend) als je de straat uit reed. Je kon er ook speelgoedgeld van maken.

Iets dichter aan de oppervlakte glinsteren die doppen in een wiskundeles. De lerares wijdde ons in in de tweedimensionale meetkunde. Aan het eind van het hoofdstuk over de cirkel werd ons inzicht getoetst met een handvol sommen. Eén daarvan zal ik nooit vergeten: “Je hebt een aluminium strip van 3 centimeter breed en 3 meter lang. Hoeveel doppen met een doorsnede van 3 centimeter kun je daaruit stansen?” De juffrouw keek vragend de klas rond. Ik stak mijn vinger op, maar zij wachtte even of niet iemand anders zich aandiende. “Honderd,” zei ik, toen ze mijn kant op keek. Zij lachte zoals je lacht wanneer je iemand ziet uitglijden en draaide zich om naar het bord.

Daar deelde zij de doorsnede van de te stansen doppen door twee. Dat leverde een ‘straal‘ op, waaruit zij middels de bekende formule ‘pi-r-kwadraat‘ de oppervlakte van een dop berekende. Vervolgens deelde zij dat op de oppervlakte van de strip – lengte maal breedte. Er kwam een raar getal uit met een aantal cijfers achter de komma, die netjes ‘rest’ genoemd werden. “En toch klopt het niet,” waagde ik. Hoe ik ook om me heen keek, er kwam geen bijval. Het was maandagmiddag, tien voor vier, dus wat wil je. Daar heb je die wijsneus weer, zag ik de docente al denken. Ik ging wat rechter op zitten en stak van wal: “Het is eenvoudiger dan u denkt. De strip is precies zo breed als de doorsnee van een dop en honderd keer zo lang. Als je honderd doppen hebt gestanst, hou je een hoop afval over waar je verder niks mee kan.” (Nou ja, bewaren voor de zending, dat wel.)

Gelukkig was de juf haar vertwijfeling snel te boven en met een handigheid die zij anders zelden aan de dag legde, zei ze: “Kijk, dat wilde ik nou even laten zien, dat jullie allemaal zitten te slapen, behalve eentje die nog wakker is. Pak jullie boeken maar in en wegwezen!” De dagsluiting schoot er die keer bij in, weet ik nog. Toen ik bij de deur nog even naar haar omkeek, schudde zij haar hoofd, alsof zij die honderd melkflesdoppen eruit wilde hebben.

Bij mij blijven ze erin en beginnen ze te ritselen, rammelen en fluisteren, telkens wanneer iemand simpele sommen maakt om een mening kracht bij te zetten. “Vlees eten is slecht, want voor elke kilo vlees is 20 kilo graan nodig! Wat een verspilling!” (Op de eerste pagina in Google varieert het getal van 4 tot 35 kilo.) “En toch klopt het niet,” begin ik dan, want ik ben nog steeds een akelige wijsneus. Goed, voor de niet grondgebonden bio-industrie gaat het aardig op. Maar als we op grond daarvan naar een vegetarische utopie zouden moeten streven, stansen we meer doppen dan mogelijk is. Het is namelijk eenvoudiger én minder eenvoudig dan je denkt. En vandaag heb ik nog bijval ook:

Steve Davis, an animal scientist at Oregon State University, has estimated that if America were to adopt a strictly vegetarian diet, the total number of animals killed every year would actually increase, as animal pasture gave way to row crops. Davis contends that if our goal is to kill as few animals as possible, then people should eat the largest possible animal that can live on the least intensively cultivated land: grass-fed beef for everybody. It would appear that killing animals is unavoidable no matter what we choose to eat.

When I talked to Joel Salatin about the vegetarian utopia, he pointed out that it would also condemn him and his neighbors to importing their food from distant places, since the Shenandoah Valley receives too little rainfall to grow many row crops. Much the same would hold true where I live, in New England. We get plenty of rain, but the hilliness of the land has dictated an agriculture based on animals since the time of the Pilgrims. The world is full of places where the best, if not the only, way to obtain food from the land is by grazing animals on it–especially ruminants, which alone can transform grass into protein and whose presence can actually improve the health of the land.

The vegetarian utopia would make us even more dependent than we already are on an industrialized national food chain. That food chain would in turn be even more dependent than it already is on fossil fuels and chemical fertilizer, since food would need to travel farther and manure would be in short supply. Indeed, it is doubtful that you can build a more sustainable agriculture without animals to cycle nutrients and support local food production. If our concern is for the health of nature–rather than, say, the internal consistency of our moral code or the condition of our souls–then eating animals may sometimes be the most ethical thing to do.

Michael Pollan, An Animal’s Place

Read Full Post »

Older Posts »