Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2015

26032015a

Had ik het hier laatst niet over de spiegel en de raadselen van 1 Cor.13:12? De afgelopen dagen bedacht ik mij dat wat voor God geldt, ook opgaat voor de werkelijkheid die ons omringt. Alleen zou ik dan liever een ander beeld kiezen: de sluier. Of wij nu man zijn of vrouw, uit het Westen komen of uit het Oosten, hoog- of laagopgeleid zijn, wij wandelen allen door de wereld onder een boerka. Niet omdat de werkelijkheid van streek zou raken bij de aanblik van onze naakte huid, maar omdat wij het zelf niet zouden verdragen de werkelijkheid met het blote oog te aanschouwen. Zonder zo’n getralied venstertje, ons liefdevol aangereikt door hen die ons voorgaan, zouden wij geheel en al opgaan in die werkelijkheid en de werkelijkheid in ons. (Dat komt nog, maar zolang wij leven is het daarvoor te vroeg.)

Als ik zou zeggen dat godsdienstigheid en vooroordelen onze blik vertroebelen als een boerka, dan verwacht ik niet heel veel tegenspraak. Zodra ik echter ga beweren dat ook de wetenschap ons een versluierde kijk op de wereld biedt, zie ik hier en daar de nekharen overeind komen. Laat ik daar nu maar niet tegenin gaan strijken, door te beginnen over hoe wij ons blikveld hebben versmald door een eenzijdig materialistisch wereldbeeld te omarmen en onze eigen waarneming in te ruilen voor die van steeds ingewikkelder meetinstrumenten. Neen, ik wil vandaag de hand in eigen boezem steken, onder mijn eigen boerka.

Hoe het zo is gekomen, weet ik niet, maar ik ben behept met een onuitroeibaar verlangen naar een wereld die er nooit geweest is, naar een thuis zoals ik dat nooit echt heb gehad, kortom: met een nostalgie die altijd zal blijven wat ze geweest is. Van dat verlangen zijn de draden van mijn heel eigen sluier gesponnen. Ik kan het niet laten om alles wat ik zie te romantiseren en te idealiseren. Als ik mijn – ook heel eigen – nieuwsgierige blik niet had, dan riskeerde ik als een blinde door het leven te gaan en te sterven zonder ook maar iets van de wereld gezien te hebben. Wat God verhoede!

Ach, ik hoef niet te vrezen: zijn Geest is als de wind, die waait waarheen hij wil en Hij doet mijn boerka wapperen. Het venstertje vlak voor mijn neus beweegt voorzichtig mee, precies zo dat niet meteen alles wazig wordt, maar dat wat ik te zien krijg voortdurend wisselt. Tijd om voor de dag te komen met het voorval, dat mij tot dit blogbericht bracht.

Toen ik een paar jaar geleden begon aan mijn genealogische zoektochten naar de familie van mijn moeder, koesterde ik niet de wat gebruikelijker hoop van gevluchte Franse adel of hugenoten af te stammen. Ik was dolgelukkig toen ik boeren en boerinnen vond, spinsters en schaapherders, die roken naar melk en mest en vette schapenwol. Onlangs richtte mijn speurende blik zich op de boerderijen, waar zij hebben gewoond. Als ik in Wageningen bovenop de ‘sterflat‘ in de Nude zou gaan staan, dan kon ik ze zo allemaal zien liggen, ontdekte ik. De Papenkamp, Schoneveldt, de Spijkerkamp, de Lauwik, Bruxvoort, de Harn en natuurlijk de boerderij aan de Haarweg, waar ik mijn eigen klompjes nog hoor klepperen op de deel.

Het idee alleen al dat mijn voorouders die grond bezeten, bewoond en bewerkt hadden, maakte mij deelgenoot van een gevoel van verbondenheid en veiligheid. Hoe zou ik nu nog “bang en verongelijkt doodgaan”, zoals de Stadgenoot van Jan G.Elburg? In cyberspace wroette ik ijverig verder in de archieven die ik daar tegenkwam: het kadaster van 1832, de ‘leggeratlas‘ van de ‘dijkstoel‘ uit 1752, met prachtige gekleurde kaarten, waar zelfs de satellietfoto’s van Google maps bij verbleken. Maar wat bleek? Mijn voorouders hebben die tot de verbeelding sprekende oude boerderijen nooit in hun bezit gehad! Zij waren slechts arme pachters en hun heren de Franse adel uit de stad…….

Wie een illusie armer wordt, wordt vaak een inzicht rijker. Ik was al snel geboeid door de fascinerende wereld van het land- en waterbeheer in de Gelderse Vallei. Het is ons niet gegeven om als God een hof te planten in Eden of waar dan ook, zonder de handen ineen te slaan, taken te verdelen, rechten en plichten te bespreken. Dat gold destijds in het klein, vandaag de dag in het groot. Mijn jongste dochter overweegt serieus om in Wageningen te gaan studeren: internationaal land- en waterbeheer. En ik, als ik weer even door het venstertje van mijn boerka naar de wereld der ideeën kijk, dan ziet dat verleidelijke gedachtegoed van Roger Scruton er toch net weer ietsje anders uit dan gisteren.

 26032015b

… waar ik mijn eigen klompjes nog hoor klepperen op de deel …

Read Full Post »

Ich und Du

15032015

Ik ben ik, wanneer ik ik ben, omdat ik ik ben en jij bent jij, wanneer je jij bent, omdat je jij bent. Maar wanneer ik ik ben, omdat jij jij bent en jij jij bent, omdat ik ik ben, dan ben jij niet jij en ik niet ik.

Dit tekstje staat in mijn leer- en werkboek Ivriet. Daar wordt het toegeschreven aan Martin Buber, maar die heeft het hoogstwaarschijnlijk weer van iemand anders en die heeft het weer van Rabbi Menachem Mendel von Kotzk en die heeft het weer van….. Ja, van wie ook weer? Uiteindelijk zal het wel komen van de Enige, die-is-wie-die-is, want een dergelijke volmaaktheid is niet van deze wereld. In ieder geval niet van de mijne.

Tijdens mijn dagelijks werk moet ik vaak denken aan een paar versregels van Hans Lodeizen, die ik al zo’n dertig jaar uit mijn hoofd ken:

ik heb mij met moeite alleen gemaakt.

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
het zoveel moeite kost alleen te zijn als
een zon rollende over het grasveld

Het gedicht eindigt met de verzuchting “o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte.” Tegelijkertijd sta ik in een wereld die wel degelijk – of ook – de echte is, in ieder geval de mijne. Met blauwe plastic sloffen over mijn schoenen en alle opgewektheid die in mij is als een aureool om mijn hele gestalte, sta ik in een dampende doucheruimte. Tegenover mij op een douchestoel zit een bevende bejaarde te genieten – of te jammeren – onder de warme stralen, waarmee ik hem of haar besproei. Voor zover ik ik ben omdat ik ik ben, doe ik mijn best dit moment tot een prettig moment te maken, voor mij en voor de jij tegenover mij. Of doe ik dat juist, omdat die jij een ik is zoals ik een ik ben?

De hogere wiskunde van de spiritualiteit helpt me niet echt veel op een dag, waarop ik voor de één een tweede moeder ben en in de ogen van een ander de kamp-overste van Buchenwald. Soms sta ik te duizelen als in een labyrint van spiegels. Buiten op de fiets kijk ik dan even omhoog naar de zon, die langzaam over een lichtblauw grasveld rolt. Misschien kan ik van hem iets leren? Hij is er tenslotte voor ons allemaal en toch is-t-ie-wie-die-is en dat blijft hij. Ik probeer heel even hoe het is om zo hoog boven het gewemel op aarde te hangen en dan weet ik het weer: de kunst is om naast de empathie ook de afstand te beoefenen.

Hier beneden ontvouwt de wereld zich met een ongelooflijke complexiteit. Onze levens zijn van het begin tot het einde met elkaar vervlochten. Zonder elkaar bestaan wij niet. Echt niet. Als ik goed oplet, merk ik dat het punt waarop ik-ben-die-ik-ben – en waarop ik me  senang! voel – nooit helemaal stil ligt. Het rolt, als de zon langs de hemel. En als de zon kan het ondergaan en weer rijzen. Soms lijkt het onder de horizon te verdwijnen, bijvoorbeeld wanneer mijn welbevinden te zeer afhangt van wie ik ben in het oog van de wereld, of wanneer het al dan niet welbevinden van de wereld in mijn handen lijkt te liggen. Gelukkig staat het niet stil en ik ook niet en zo vinden we elkaar altijd weer terug. Dan straalt het plots om mij heen, terwijl ik met mijn blauwe plastic slofjes aan door het water op een badkamervloer waad. Plets! Plats! Plets

Read Full Post »

12032015

Vanaf het moment dat ik op een zolderkamertje in de Pijp, met uitzicht op de kanten kantelen van het Rijksmuseum, heimwee zat te hebben naar de horizon van West-Friesland, ben ik gefascineerd door de tegenstelling stad-platteland. Mijn studie klassieken bood gedegen houvast en voldoende voeding voor mijn nostalgische gevoelens: de fabel van Aesopus over de stadsmuis en de veldmuis had immers via Horatius’ satiren zijn weg gevonden naar Snorrebaardje en Oom Dikbuik, over wie mijn moeder me vertelde voor het slapengaan. Als ik had willen promoveren, dan lag onderzoek naar de omzwervingen van deze literaire gemeenplaats als onderwerp zeer voor de hand.

Maar ach, ik raakte in die stad geworteld en liet er mijn kinderen opgroeien. Natuurlijk met het aloude verhaal van de muizen, waarbij ik dan altijd even mijn eigen heimwee aaide, als een oud litteken. Nu de kinderen groot zijn en ik mijn honger naar horizon eenvoudig weet te stillen aan de oevers van De Nieuwe Meer, – waar Snorrebaardje niet de huiskat, maar de reiger vreest – laat die oude wond zich nog maar zelden voelen. Zelden, dat wil zeggen: soms. De laatste tijd opeens weer, om een heel onverwachte aanleiding.

Een poosje geleden verwees ik in mijn gemopper op de politiek wenselijke participatiesamenleving naar een paar reportages in de krant, die zich bijna als een ‘advertorial‘ voor het huidige beleid lieten lezen. Zeer onherkenbaar vond ik die verhalen. Inmiddels zijn mijn gedachten hierover een andere kant op gestuurd, en wel door het verhaal van een collega, die overwoog dichter bij huis te gaan werken, ergens in de provincie. Het werd niks, na een dag meelopen was hij van het idee genezen. Klaagde hij hier in de wijk over de zwaarte van onze cliënten, in het dorp waar hij had gesolliciteerd miste hij de nodige uitdaging. Alles verliep er precies zo gladjes als in die stukjes krant.

Nu ik met dit gegeven in mijn achterhoofd naar mijn cliënten kijk, valt mij iets op, dat mij terugbrengt bij die kloof tussen stad en land. Terwijl ik zachtjes zuchtend ploeter tegen hun nukken en grillen in, bedenk ik me steeds vaker dat er een reden is voor die oververtegenwoordiging van psychiatrische patiënten in de stad. Vroeger had ik Paulinus van Nola erbij gehaald: “Nam quis in urbe qui non extra se rapitur….” En daar werd mijn eigen nostalgie dan opeens een stuk deftiger van. Vandaag ziet dat er anders uit.

Vanwege het verhaal van mijn collega en vanwege het mooie weer. Daardoor herinner ik mij namelijk een middag op een terras aan de Weesperzijde. Ik zat alleen aan een tafeltje en een iets jongere vrouw, met een biertje in haar hand, vroeg of de andere stoel nog vrij was. Dat was-ie en we raakten aan de praat. Zij was psychiater en werkte met daklozen. Onder daklozen is het aantal psychiatrisch patiënten onevenredig groot, vertelde zij. Net als onder mijn cliënten, denk ik nu. Zij legde mij toen de samenhang uit tussen psychiatrische aandoeningen en het voorkomen van daklozen in de grote stad. De mensen die ermee behept zijn, houden het in een dorp domweg niet uit, vanwege de sociale controle, die daar van nature heerst. De stad biedt de anonimiteit die zij nodig hebben om het met zichzelf en het leven te blijven rooien.

Tot zij hulpbehoevend worden. Dan zijn zij – geheel onafhankelijk van wat voor overheidsbeleid dan ook – mensen die liever thuis blijven wonen dan dat ze naar een verzorgings- of verpleegtehuis gaan. Eigenlijk willen zij ook geen thuiszorg, maar meestal trekt iemand anders aan de bel. Een overbelaste mantelzorger, of een buur die overlast ervaart. Zo werkt de participatiesamenleving hier in de grote stad.

Voetnoot: de titel voor dit stukje heb ik ontleend aan een gedicht van Guido Gezelle en de geciteerde dichtregel in het Latijn luidt – vrij vertaald: “Wie raakt in de stad niet van zichzelf vervreemd….”

Read Full Post »