Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2015

Oud nieuws

Ergens op mijn innerlijk behang staat een vage indruk van een passage uit Le denier du rêve van Marguerite Yourcenar, die ooit – en dan heb ik het over een jaar of dertig terug – een grote indruk op mij maakte. Als ik het goed heb (wat niet heel waarschijnlijk is) ging het over het efemere karakter van het nieuws, zoals Angiola (een van de personages in de roman) dat beleefde tijdens het kijken van een bioscoopjournaal. Kijk, ik vond een fragmentje terug:

gestes à demi digérés par le Temps, qui, durant quelques semaines, s’éparpillent encore par le monde, détachés de leurs causes, avant de pourrir comme des feuilles mortes

Dat besef van de vergankelijkheid van het wereldgebeuren – en dat is niet in tegenspraak met het vorige blogbericht! – had op mij een sterk geruststellende werking, weet ik nog. Maar ook als onze dagbladen niet zouden vergaan, is er iets troostrijks aan oud nieuws. Zie bijvoorbeeld het volgende berichtje uit de rubriek “Binnenland” in De Wageningsche Courant van 3 Mei 1883:

20102015

De pokken kunnen we niet meer krijgen, maar andere vrijheden hebben we nog wel. Veel vrijheid, veel vrijheden. Dat is een groot goed en een grote twistappel. Troost u: dat is dus altijd zo geweest en zal altijd zo blijven.

Read Full Post »

De wereld en ik

17012015a

Eigenlijk had ik nog willen ‘verwijlen‘ bij dat interview met de denker des vaderlands, maar toen gebeurde er opeens zoveel verontrustends, verderop in de wereld. Vandaag lijkt de Charlie-roes voorbij en is het geroezemoes zo polyfoon geworden dat ik er weer wat geruster op ben. Bovendien zat ik vanmorgen aan het bed van een man die op zijn laatste dagen loopt. Eerst voerde ik hem water met een theelepeltje, daarna nam hij een paar slokjes en toen ik hem wat later vroeg of hij misschien ook iets zou willen eten, antwoordde hij: “Ja, havermoutpap. Als het niet teveel moeite is.” Dat was het niet en even later pakte hij de kom en de lepel (ik wilde hem alweer voeren!) uit mijn handen en begon de pap heel langzaam uit te lepelen. “Dank je. Dat was lekker,” zei hij, wellevend als altijd. En toen viel hij alweer in slaap.

Zal hij er nog zijn, wanneer ik over twee dagen mijn volgende dienst draai? Dat ik er dan nog ben is waarschijnlijk, maar niet meer dan dat. En de wereld?

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ’t huis is overeind gebleven.

Dat constateert Willem Elsschot in de eerste strofe van gedicht Bij het doodsbed van een Kind. Verwonderd, bijna teleurgesteld.

Het trof mij diep, toen René Gude juist daarover begon in dat gesprek met Kefah Allush. Zelf was hij tot tranen toe geroerd en de interviewer hield het ook niet droog. (“Gekke kerel!”) Hij werd er verdrietig van, maar putte er ook kracht uit om zijn eigen dood te kunnen aanvaarden. Misschien is het raar, maar ik denk dat ik met hem mee kan voelen, ook al benut ik datzelfde vertrouwen juist om het dagelijks leven aan te kunnen. Het besef dat alles niet staat of valt met mijn bestaan of mijn bijdrage is een zegen voor iemand zo zwaar op de hand als ik.

Keer het eens om, zoals Housman – voor de grap – doet in dit gedicht:

Good creatures, do you love your lives
And have you ears for sense?
Here is a knife like other knives,
That cost me eighteen pence. 

I need but stick it in my heart  
And down will come the sky,
And earth’s foundations will depart  
And all you folk will die.

Als ik het me goed herinner troost Gude zich vooral met de gedachte aan zijn gezin, dat voort zal leven rondom de lege plek die hij hen laat. Een plek die zich langzaamaan ook weer met leven gaat vullen. Ik heb altijd gedacht dat het ingebed zijn in de loop van de generaties haast onmisbaar is voor een dergelijk levensgevoel, maar zonder meteen aan bloedverwanten of zelfs aan mensen te denken kan het ook:

Wanneer de lente komt
En als ik dan al dood ben
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.
De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde
Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is

Als ik wist dat ik morgen zou sterven
En het was overmorgen lente,
Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.
Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?
Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn;
Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.
Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,
Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.
Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.
Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben
Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa, 1915 (vert. August Willemsen)

Opeens schiet me ook weer dat gedichtje te binnen van Hannah Szenes, dat ik tijdens de Hebreeuwse les leerde:

17012015b

Read Full Post »

15012015

De eerste experimenten met robots in de thuiszorg lijken weinig hoopgevend. Bij een bejaarde bruidstaartenbakster in Huffington, Oregon stuitte een stofzuigende robot op een hoopje fecaliën van haar hondje. Omdat de robot niet beschikte over sensoren die de aard van deze verontreiniging konden herkennen en ook niet over de software die een passend plan van aanpak in werking zou kunnen stellen, deed hij gewoon zijn werk. Als gevolg hiervan raakte de keukenvloer binnen een uur geheel onder de poep, die via de wielen van haar rolstoel uiteindelijk ook de handen van de licht dementerende, alleen wonende oudere dame bereikte. De fabrikant van de robot wees aansprakelijkheid van de hand, waarop de mantelzorgers van Melissa M. een kort geding hebben aangespannen tegen de robot zelf. De rechter oordeelde dat de robot inderdaad schuldig was, maar aangezien het robotrecht nog in zijn kinderschoenen staat, kon hij verder niets voor de eisende partij doen.

Een van de mantelzorgers, een langdurig werkloze thuiszorgmedewerkster, die verder anoniem wil blijven, voorziet reeds vergelijkbare problemen in de persoonlijke verzorging, waar op termijn ook robots ingezet zullen gaan worden. “Tja, ik zag het nog niet helemaal voor me, hoe een robot bedlegerige cliënten, die vaak incontinent zijn van def [thuiszorg jargon voor ontlasting, red.], gaat verschonen, maar nu wel.”

De lokale minister van Ouderdom en Zorg heeft voorlopig voor een andere oplossing gekozen: het hondje is geëuthanaseerd en mevrouw M. heeft ter vervanging een Japans robotzeehondje gekregen. “Wij nemen het probleem van de vereenzaming heel serieus. Vierduizend dollar lijkt een hele investering,” zei de minister, “maar een huisdier dat niet poept heeft grote voordelen voor onze ouderen. Bovendien komt deze maatregel de werkgelegenheid ten goede. De fabrikant van deze zeehondjes heeft beloofd een fabriek op te zetten in een van onze meest vergrijsde regio’s.” De dierenbescherming had vanwege bezuinigingen en interne conflicten geen commentaar, maar hondenvoerfabrikanten hebben woedend gereageerd op dit bericht.

Read Full Post »

Teveel van het goede

13012015

Van de doden niets dan goeds, dat spreekt voor zich. Maar teveel van het goede?

Bij het doen van mijn dagelijkse boodschapjes snel ik altijd even de koppen van de dagbladen in het rek naast de balie van Appie. “Moeten alle moslims zich nu uitspreken?” stond op de voorpagina van De Volkskrant. Tja, daar was ik dus al bang voor. To be Charlie or not to be. “Hoezo gaat de profeet vóór het vrije woord?” kopt NRC op pagina negen. Zal ik eens wat zeggen? Ik kan zo langzamerhand geen vrij woord meer horen. Liefst zou ik mijn eigen mond ook maar houden, maar het zit me behoorlijk dwars, dus laat ik van mijn hart geen moordkuil maken.

Ik denk dat het de meeste moslims geen moeite zal kosten zich uit te spreken tegen de terreurdaden van vorige week. Maar, mijn hemel, gaan we straks eisen dat zij aan de zijde staan van al die schapen die nu allemaal Charlie heten? Dat ze “amen” zeggen als iemand die voor hen heilig is belachelijk wordt gemaakt? Kiezen tussen de profeet en het vrije woord?

Laat me niet lachen/huilen! Dat Vrije Woord is allang niet vrij meer. Het is een regelrechte obsessie aan het worden. Het is nog maar voor één ding geschikt: voor een dwangmatige monoloog. Als de dood zijn we om het hoogste woord te verliezen. “Een tandje erbij, een schepje er bovenop,” zegt minister Opstelten. Wat is er met het vrije luisteren gebeurd?

Het meest ergerlijke wat ik afgelopen week heb gelezen was het voddige stukje van Joyce Roodnat op zaterdag. Kun je erger in de war zijn? Charlie Hebdo en Theo van Gogh als ‘narren’?! Zijn de meiden van Halal dan soms de koning, die weggelachen moet worden? Angstaanjagend, inderdaad. Mij komt overigens een heel andere vergelijking tegemoet: die van het schoolplein, met zijn pestkoppen, pispaaltjes en publiek. Chacqu’un sa rôle.

Voor alle duidelijkheid: een verbod op spotten zou bespottelijk zijn. Dit is geen pleidooi voor censuur. Ook niet voor zelfcensuur. Zelfs niet voor ‘fatsoen’, waar ook menige columnist bang voor is. De ‘martelaren van het vrije woord’ verdienen onze bescherming tegen de jongens die geen andere taal meer kennen dan die van het geweld. Maar die luidkeelse bijval die zij de afgelopen week hebben gekregen doet niets en niemand goed, het vrije woord al helemaal niet. De keuze is niet tussen ons het zwijgen op laten leggen of het recht op beledigen met hand en tand verdedigen. Ik zie de noodzaak niet om onbeschoftheid tot een kernwaarde van onze samenleving te verheffen. Er bestaat ook nog zoiets als wellevendheid, als de moslims in ons land erbij mogen horen. Of gastvrijheid, als wij menen het hier voor het zeggen te hebben. Of, in de laatste woorden van Theo van Gogh:

“We kunnen er toch over praten?”

Read Full Post »

Goede voornemens

11012015

“Jou hebben ze zeker ook verteld dat je wijzer wordt, wanneer je oud wordt, hè?” riep zij vanaf de rand van haar bed en ze keek me daarbij uitdagend aan. Niettemin stak zij haar armen gewillig in het hemd dat ik voor haar open hield, maar toen haar hoofd weer uit het middelste gat opdook, vervolgde zij: “Nou, dat is niet waar, hoor!” En zij kon het weten, want ze was 92 jaar en, naar later bleek, aan het laatste stukje bezig. In die paar maanden dat ik haar gekend heb, begon ik te begrijpen wat zij bedoelde: zij had een tamelijk onbuigzaam karakter en een sterke dwangmatigheid in haar omgang met zo ongeveer alles. Als iets niet ging zoals het moest gaan, riep dat een woede in haar op, waar iedereen ongemakkelijk van werd, zijzelf nog het meest. Dat moet het moeilijk gemaakt hebben voor haar om wat dan ook te leren.

Toch ben ik geneigd te denken dat zij met die wat bitter klinkende constatering blijk gaf van een niet gering voortschrijdend inzicht, in zichzelf met name. En als het ‘ken uzelve‘ inderdaad een van de belangrijkste opdrachten op de weg naar wijsheid is, dan was zij wel degelijk wijzer geworden. Ach, wat had ik haar graag de mildheid gegund, waarvan men ook zegt dat die met de jaren komt. Die kwam niet, zij bleef trouw aan zichzelf als geen ander. Dat was mooi en lelijk tegelijk, net hoe het licht erop viel.

Wanneer ik naar haar keek als in een spiegel, zag ik heel goed dat mijn eigen natuur beslist overeenkomsten vertoonde met de hare. Het zou zomaar kunnen dat ik – deo volente – over 33 jaar ook op de rand van een bed zit en tot dezelfde conclusie kom bij het overzien van mijn leven. There but for the grace of God go I. Daar zeg ik wat: het moet genade zijn die ik ervaar, telkens wanneer ik wat van mijn idealisme kwijt raak, zonder daarbij cynisch te worden. Telkens wanneer ik in de lach schiet, omdat ik mezelf zie uitglijden. Telkens wanneer ik trots ben, omdat ik het van mezelf gedaan krijg de lat wat lager te leggen, zodat ik er ook nog eens overheen kom.

Wat een rare toevalligheden zijn het, die me daarbij helpen. Dit jaar las ik een tip in de krant: stel het nemen van goede voornemens uit tot 5 januari, dan zul je zien dat je ze met meer realiteitszin kiest dan op de eerste dag van het jaar. Nog heuglijker was de dag dat ik voor het eerst hoorde over het Kol Nidre, een gebed dat gezongen wordt aan de vooravond van de joodse Jom Kippoer:

KOL NIDRE

ALLE ONTHOUDINGEN EN VERPLICHTINGEN DIE WIJ TEGENOVER ONSZELF ONDER EDE OF MET EEN UITDRUKKING VAN GELIJKE STREKKING OP ONS ZOUDEN NEMEN VANAF DEZE JOM KIPPOER TOT – BIJ LEVEN EN WEL ZIJN – DE JOM KIPPOER VAN HET VOLGEND JAAR, DAARVAN VERKLAREN WIJ REEDS NU, DAT WIJ DAAR BEROUW VAN HEBBEN. ZIJ WORDEN ALLE NIETIG VERKLAARD, ONTBONDEN, GEANNULEERD EN VAN NUL EN GENER WAARDE, ZONDER RECHTSKRACHT OF RECHTSGROND. DEZE PERSOONLIJKE GELOFTEN ZIJN GEEN GELOFTEN. ALLE ONSZELF OPGELEGDE ONTHOUDINGEN EN ALLE VERPLICHTINGEN DIE WIJ ONSZELF HEBBEN OPGELEGD ONDER EEN OF ANDERE EEDSFORMULE, ZIJN GEEN EED.

Het heeft iets paradoxaals, goede voornemens nemen en tegelijk al een voorschot vragen op de vergevingsgezindheid van de Eeuwige. Iets als op een ongelovige manier toch geloven. Ieder jaar geloof ik er iets heiliger in dat dit de juiste wijze is om aan iets nieuws te beginnen en boven jezelf uit te reiken, ook al weet je van tevoren dat er niet veel van terecht komt. Alles is winst, het kan niet meer mis gaan. Of, zoals Camus het zei: “Il faut imaginer Sisyphe heureux.”

Read Full Post »

09012015

*

voor alle Rien-ques in deze wereld

*

met dank aan Khalid Albaih

*

of kijk hier eens naar:

09012015b

Read Full Post »

Je moet-boeken

01012015b

Iedere vrijdagmiddag loop ik – beroepshalve – een half uur achter de rolstoel van een man, die anders de deur niet meer uit zou komen. Laten de voorvechters van de participatiesamenleving er niet achter komen! Ondertussen leen ik mijn oor aan wat die meneer allemaal vertelt over Het Leven. Meer dan de helft van zijn zinnen begint met “je moet….”. Hij heeft weliswaar nooit meer dan lagere school gehad en heeft zijn brood met eenvoudig handwerk moeten verdienen, maar in zijn vrije tijd heeft hij zich verdiept in “boeken over de levenskunst”. Het genre boeken waarvan sprake was in mijn vorige bericht. Je moet-boeken.

Een goed geplaatst “Ja, ja,…..” of “Zeker…..” of “Natuurlijk….” volstaat om de stroom van wijze woorden op gang te houden en zo kom ik al duwend heel wat aan de weet over wat een mens met het leven aan moet. Of ik er zelf wat mee aan kan vangen, is een andere kwestie, maar dat doet er niet zoveel toe. Deze meneer preekt in eerste instantie voor zichzelf. Maar wacht eens even: eigenlijk doen de beide heren in mijn vorige bericht dat ook. Een leerstoel en een rolstoel, een kookboek of een bijbel, de afstanden en verschillen zijn soms minder groot dan je denkt.

Niettemin verschilt onze verwachting: van wat klinkt vanaf een leerstoel hopen we iets te kunnen leren. Daarom hopen we dat degene op die stoel zich niet te zeer aan Goethe spiegelt en wel de moeite neemt om boeken te lezen. Kookboeken, bijbels, allerlei boeken. We hebben mensen nodig die zich inspannen om de Name te ontdoen van alle Schall und Rauch, en niet te vergeten van de Himmelsglut die haar umnebelt. En dan mogen ze van mij best een ‘je moet-boek‘ schrijven, desnoods een aantal.

Daarbij schiet me opeens iemand te binnen die dat onlangs gedaan heeft. Niet vanuit een leerstoel of een rolstoel, maar staande op één been. Nota bene over de thematiek waar ik nu bij stil probeer te staan: aftakelen, afscheid nemen van het leven en sterven. Ik bedoel het boek Sterven is doodeenvoudig – Iedereen kan het van René Gude en ik moet het nog lezen. Ondertussen ken ik zijn gedachtegang enigszins uit hoe hij zich in interviews en lezingen heeft uitgesproken en ik ben oprecht onder de indruk. Meer dan van de andere heren die ik ter sprake bracht, ja, meer dan van Goethe.

Ik bewonder deze man precies om die wonderlijke combinatie (net spruitjes en lofsla, zou ik nooit doen) van denkend en vooral ook voelend doorgronden van wat er met hem gebeurt, met een gedegen kennis van wat “allerlei moraalfilosofen” hebben geschreven over leven en doodgaan. Vanwege mijn eigen achtergrond als classica ben ik natuurlijk heel blij dat hij met Seneca en Epicurus voor de dag komt, maar juist door zijn persoonlijke inzet is hij overtuigender dan die beide grootheden. Ook hem hoor ik herhaaldelijk “je moet…..” zeggen, maar tegelijk doet hij het voor: alle gevoelens ondergaan en vervolgens zijn “goede humeur bewaren”.

Wat we verder van hem kunnen leren, is dat sterven iets is wat wij als mensen samen doen. Natuurlijk moeten we elkaar op het laatste moment loslaten, maar alsjeblieft niet eerder. Hij doet ons voor hoe je ernst en humor afwisselend kunt inzetten om je tot het hele gebeuren te verhouden. En houdt ons voor dat we de boel ook beslist niet moeten idealiseren. (Amen!) Op zijn sterkst is hij, wanneer hij in het tevee-programma De Kist spreekt over de troost én het verdriet, gelegen in het besef dat Het Leven doorgaat, ook als het zijne ophoudt. Bij verdriet kun je “verwijlen”. Denk daar maar es over na. En dat boek van hem, dat moet ik toch maar eens lezen.

Read Full Post »

Older Posts »