Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2017

Verwoesting

Over een paar dagen is het de negende van de maand Av. Dan rouwen Joden over de hele wereld om de beide verwoestingen van de Tempel van Jeruzalem, in 587 vóór en in 70 ná de gewone jaartelling. Dit jaar wordt die rouw sterk gekleurd door de interne conflicten rond het recht om te bidden bij de Westelijke Muur en door het recente geweld om de toegang tot de tempelberg zelf. Het is daarom dat ik als toevoeging op het lezen van Eicha (Klaagliederen van Jeremia) en de traditionele kinnot een gedicht van Jehuda Amichai heb gekozen en vertaald:

*

De plek waar wij gelijk hebben

Op de plek waar wij gelijk hebben
zullen nooit bloemen bloeien
in de lente.

De plek waar wij gelijk hebben
is platgetrapt en hard,
als een boerenerf.

Maar twijfels en romances
woelen de wereld tot rulle grond,
als een mol, als een ploeg.

Gefluister zullen we horen
op de plek waar het huis stond,
het huis dat is verwoest.

*

 

Advertenties

Read Full Post »

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Read Full Post »

Oesters en oceanen

 

Op de kop af drie jaar geleden at ik mijn eerste oester. Wat ik toen nog niet wist, is dat het meteen mijn laatste zou zijn. Al word ik honderdtwintig jaar, ik zal van mijn levensdagen geen oester meer eten. Niet omdat oesters niet lekker zijn of niet gezond, nee: oesters zijn treife en ik heb het op mij genomen om geen treife voedsel meer tot mij te nemen. De oester blijft voor mij alleen nog bruikbaar als beeld: van mijzelf, van de buitenwereld en van de mensen tot wie ik mij aangetrokken voel.

Vloek en zegen is die schelp, zegen en vloek. Afwisselend en gelijktijdig. Opgesloten of buitengesloten, kwetsbaar of zo verdomd alleen. Onhandige omhulling.

Jaren geleden heb ik een tijdlang ervaren hoe het is om zo’n omhulling te ontberen. Toen dienden zich andere metaforen aan om mijn zelfgevoel te verbeelden: een ei dat van het aanrecht was gerold, een wolkje eendagsvliegen boven een tuinpad, een vleugelloze vlinder die door onwetende kindervingertjes uit haar pop was gepeuterd. Soms voelde ik mij zo naakt, alsof ik niet alleen zonder kleren, maar zonder huid over straat ging. O, een omhulling!

Opgeschrikt door deze extreme ervaring kwam ik er gaandeweg achter dat het zoeken naar optimale eenzaamheid hoogstwaarschijnlijk mijn persoonlijke levensthema is. Tegelijk lijkt het alsof dat thema welhaast universeel is. Hoeveel mensen heb ik niet horen klagen over hokjes en keurslijven, terwijl ik verlangde naar geborgenheid? Waarom is voor nagenoeg iedereen de geslotene zoveel aantrekkelijker dan wie openlijk hunkert naar verlossing uit zijn of haar eenzaamheid? Waarom wordt onze weerstand sterker, wanneer degene die op intimiteit uit is zich opdringeriger betoont?

Het mooist lijkt het leven – de liefde – mij, als de oester haar schelp op een kiertje zet en de oceaan net doet alsof hij eraan voorbij zal stromen.

Maar er is en blijft die andere kant: één van mijn kinderen is, net als ik, behept met een mystiek verlangen. De laatste tijd heeft zij het niet begrepen “om een ongescepen“, maar zou zij het liefst zo doorlaatbaar zijn dat haar membraan tenslotte de wereld met al wat daarin is kan omvatten. In Oneindige Liefde. Onlangs zat zij tegenover mij, haar benen over de rand van de fauteuil, en wierp ze een citaat als een vlinder in de lucht tussen ons:

You are not a drop in the ocean. You’re the entire ocean in a single drop.

Jalal ad-Din Rumi (1207-1273)

 

*

Evenbeeld. En gelijkenis.

Read Full Post »