Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2015

Kanten

24112015

Bijzondere momenten, soms regenen ze als rijpe pruimen uit de boom van mijn leven. De afgelopen twee weken viel er niet tegenop te rapen. Vandaag een week geleden was ik aanwezig bij de presentatie van de nieuwe biografie over en de bundel Joodse essays van Andreas Burnier. Op een zeker ogenblik werden de volgende woorden van Burnier voorgelezen:

Ongetwijfeld is jodendom niet de enige weg naar een zinvol, vervuld leven. Maar toevallig biedt het voor mij, in de waaier van zijn vele mogelijkheden, de meest passende rituele verpakking, de meest verwante mentaliteit; de meest inspirerende teksten, de vruchtbaarste ideeën.

Nog voordat ik kon bedenken dat deze woorden me uit het hart gegrepen waren, keek mijn vriendin Renée, die naast mij zat, me aan en zei: “Dat had jij precies zo kunnen zeggen!”

Een bijzonder moment, maar misschien nog wel mooier was het punt waarop de (bomvolle!) zaal mocht stemmen over de vraag of de mens van nature goed, slecht of zowel het een als het ander is. Op een paar waaghalzen aan beide zijden na vond iedereen dat wij twee kanten hebben: een lichte en een donkere. Het mooie was dat de schaduwzijde van Burnier beslist niet onbelicht werd gelaten, al heette de bijeenkomst een “hommage” aan de schrijver te zijn. Eerlijkheid maakt het eren zoveel overtuigender, vond ik maar weer eens.

Precies een week eerder bracht ik een middag en avond door met mijn drie tantes. Het was warm en gezellig, de herinnering aan mijn moeder, die al 23 jaar dood is, werd steeds sterker tot leven gewekt. Op een gegeven moment zei één van mijn tantes, dat ik zoveel op mijn moeder leek, dat het net was alsof zij er weer bij zat. Ik was diep ontroerd, maar voelde me tegelijk wat ongemakkelijk met die eer. Zij leken mijn moeder zo anders te hebben gekend dan ik. Opeens kreeg ik de behoefte om hun beeld aan te vullen, en wel met de schaduwkanten die mijn verhouding met haar had gekend. Ik merkte dat mijn woorden bij de anderen geen weerklank vonden, en later vroeg ik de tante die mijn gastvrouw was, wat er mis was gegaan. “Niks,” antwoordde zij, “maar soms wil je niet alles weten wat er binnen het gezin van een ander gebeurt.” Woorden om in mijn hart te bewaren, wist ik meteen.

Afgelopen zaterdag bleek ik ze nodig te hebben. In het huis waarover ik in een eerder bericht schreef, had zich tijdens mijn vakantie het drama voltrokken dat ik aan had zien komen. De zorgende dame was gevallen. De brandweer moest de deur openbreken en de bedlegerige werd op last van de huisarts met spoed opgenomen in een verpleegtehuis. Binnen tien dagen bleek hoe de zorgende zich had uitgeput: vrijdagmiddag kwam ik binnen en zag ik haar op de rand van haar bed zitten, een wat ontredderde mantelzorger stond ernaast. “Ik voel me naar,” zei de oude dame. “Heb je de huisarts al gebeld?” vroeg ik haar nichtje. “Nee? Dan moet je dat nu meteen doen!” Zelf belde ik de wijkverpleging en vroeg of zij ook even wilden komen kijken, want ik vertrouwde de boel voor geen cent. Toen ik een paar uur later nog even ging kijken, was duidelijk dat het stervensproces al in gang was.

Twee dagen heb ik, samen met de nichtjes, lopen rennen van de ene plek naar de andere. Om voor een priester te zorgen, die het heilig oliesel kon toedienen. Om te regelen dat de beide dames elkaar nog één keer konden zien en afscheid konden nemen. Ik mocht er bij zijn. Daar stond ik dan, aan het voeteneinde van het bed, alweer diep ontroerd. Wat een bijzonder moment! Al mijn frustratie en al mijn vertedering van de afgelopen drie jaar stonden als een akkoord van licht in de schemerdonkere kamer. Op een bijna mystieke wijze zag ik in één blik de lichte -, de schaduw- en de binnenkant van de symbiose, die in zestig jaar tijd was gegroeid en waaraan nu binnen twee weken een einde moest komen. En toen hoorde ik woorden, die ik liever niet had gehoord, omdat ik ze onmogelijk kan herhalen, al valt het me nog zo zwaar ze voor mij te houden.

Eén van mijn collega’s had die dag nog gezegd: “Mensen hebben er geen weet van wat wij allemaal meemaken in de thuiszorg. Wat een geheimen wij zien. En toch zou ik het geheim van deze mevrouw wel willen weten. Er is iets . . . .” En ja, er was iets. Nu denk ik aan de woorden van mijn tante: “Soms wil je niet alles weten.” En ja, er is iets verschoven in mijn eigen gevoelen over licht – en schaduwkant, over binnen- en buitenkant. En over mijn eigen drang naar eerlijkheid. Terwijl ik deze woorden neerschrijf, voel ik hoe het ruimer wordt bij mij vanbinnen. Ik kan hun woorden rustig in mijn hart bewaren, ze wegen al haast niets meer. Plof! – alweer een bijzonder moment.

Read Full Post »

Boekhouden

17112015

Tijdens mijn werk praat ik met mensen van verschillende religieuze komaf over ‘het geloof’. In een van die gesprekken liet ik mij positief uit over mijn eerste kennismaking met de Joodse praktijk van het dagelijks gebed. Je begint de dag met dank te zeggen voor het feit dat je wakker bent geworden met een wereld om je heen om in te leven, waarin je bovendien niet alleen staat. Aan het eind van de dag neem je de schade op en haal je daar een spirituele streep door, alweer: niet alleen. “Ik vraag me af of ze daar in de concentratiekampen wat aan gehad zullen hebben.” Het klonk als een retorische vraag uit de mond van de oude man, die ooit een vroom jongetje was, maar die mij meermalen had bezworen dat hij “tot de bittere conclusie was gekomen dat God niet bestaat”. Ik had er dan ook geen weerwoord op. En laten we wel wezen: wie ben ik, dat ik op zo’n vraag ook maar het begin van een antwoord zou weten?

Zoals dat altijd gaat, maakte mijn innerlijke rivier een slinger om dit obstakel heen en raakte aan het ‘meanderen’. Ik liet me mee voeren op de stroom. Zo kwam ik terecht bij een hoop afval van mijn vroegere ervaringen met geloof, dankbaarheid en vergiffenis. Ik herinnerde mij hoe ik, middenin de zoveelste depressie, een boek las van een psychologe – net als ikzelf van calvinistische huize. Hulpeloos maar schuldig heette het en daarin legde Aleid Schilder voor mij heel overtuigend het verband tussen de gereformeerde leer en de spiraal van negatieve gevoelens ten aanzien van mijzelf, waarmee ik mij zo vakkundig de diepte in kon boren. Laat ik het “de boekhouding van het ongeluk” noemen.

 

  • als je iets verkeerd doet, ook al kan je er niets aan doen, dan is dat je eigen schuld, en dat zul je voelen ook
  • als je iets goed doet, dan is dat te danken aan Gods genade, dus waag het niet er trots op te zijn
  • als je iets akeligs overkomt, dan is dat een welverdiende straf van God, dus laat het uit je hoofd er boos om te worden
  • als je iets goeds overkomt, dan krijg je dat van God, dus moet je er dankbaar voor zijn

 

Geen wonder dat je zo steeds verder in de rooie cijfers raakt! Maar zoals dat altijd gaat, nam mijn innerlijke rivier een greep van die troep mee en slingerde vrolijk verder. Nu leg ik even ergens aan en sta ik stil bij de vraag wat er dan zo anders is aan mijn verhouding met God, nu ik uit vrije wil elke dag begin met dank je wel te zeggen en eindig met het vragen (en geven!) van vergiffenis, en daar blij van word? Het antwoord is eenvoudig: het dagelijks gebed zet mij niet aan tot het bijhouden van een boekhouding, maar geeft me – en hier leen ik een mooie uitspraak van mijn vriendin Tamar, weliswaar uit een heel andere context – “een ritme om op te dansen”. Of, zoals Leah Goldberg het zegt:

Leer mij, mijn God, te zegenen en te bidden
Om het geheim van verwelkend blad, om de glans van rijp fruit,
Om deze vrijheid: te zien, te voelen, te ademen,
Te weten, te hopen, te falen.

Leer mijn lippen een zegening en een loflied
Bij het vernieuwen van jouw tijd met ochtend en met nacht,
Opdat mijn dag niet zal zijn als gister en eergisteren.
Opdat mijn dag voor mij geen gewoonte wordt.

Allemaal geleende woorden, net als de gebeden uit de ‘sidur‘. Gebeden die meestal in de wij-vorm zijn gesteld: ik sta er niet alleen voor. De vraag of ‘zij’ daar in de kampen iets aan gehad zullen hebben blijft een rotsblok, maar misschien slijten alle innerlijke rivieren die zich daar omheen moeten slingeren er telkens een heel klein beetje van af. Tussen de geleende woorden die ik iedere avond zeg, bevindt zich een pendant van het “lijd ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze” uit het Onze Vader. Terwijl ik die woorden zeg, spreekt mijn hart de hoop uit, dat ik nooit zo op de proef gesteld zal worden, dat ik zal bezwijken voor de verleiding te denken dat God je in de steek laat, als het er op aan komt.

Read Full Post »

Rottende bladeren

11112015

Op mijn vakantie-adres beschik ik over een grote tuin. Daar hark ik, onder herfstige luchten, het gevallen blad bijeen. Ergens in een hoek maak ik een hoop en geef ik al dat blad aan de verrotting prijs. Ondertussen mijmer ik over de vruchtbaarheid van de aarde. En over de onverteerbaarheden van mijn werk, want ook daar is tijd en ruimte voor. Terwijl voor mijn voeten de vergankelijkheid zich tooit in de prachtigste tinten, denk ik aan de ‘groene blaadjes’. Even uitleggen: in de thuiszorg ligt bij iedere cliënt in huis een logboek, waarin wij de zorg overdragen naar de collega die het volgende moment voor zijn of haar rekening neemt. Op groene A4-tjes met een voorgedrukt formulier noteren wij of de zorg volgens plan is verlopen, (of niet en dan waarom niet) en leggen we observaties en bevindingen vast, die we van belang achten voor de zorg in de komende dagen. Heel zinvol.

Maar nu: die map raakt vol, de informatie op de groene blaadjes verliest haar belang, dus af en toe halen we er een handjevol papier uit. Daarop staat doorgaans vertrouwelijke informatie en daarom gaat dat papier heel officieel in een container met een slot erop, die wordt vernietigd door een gecertificeerd bedrijf voor archiefvernietiging. Heel zorgvuldig.

Maar nu komt het echt: laatst kreeg ik te horen dat die papieren door ons ingescand moeten worden en vijftien jaar lang bewaard. Wat een onzin!

Niettemin werd ik er even stil van. Moet ik hier nou vrolijk of verdrietig van worden? Of misschien boos? Cynisch? Eerst maar verbaasd: wie wil er over vijftien jaar weten dat mevrouw X. op 11 november 2015 diarrhee had? Dan verbijsterd, om het antwoord van een wijkverpleegkundige: wij zijn daartoe verplicht. Er komen een paar Duitse woorden in me op, maar die slik ik gauw weg. Even zoek ik mijn toevlucht in filosofische bespiegelingen. Wat wil men met al die data? Jazeker, het leven moet achteraf begrepen worden, maar ondertussen naar voren geleefd. Welke rol spelen al die onverwerkte gegevens daarbij? Gaan die een rekening aan de toekomst presenteren? Destilleren we daar ooit een orde uit, die we aan het leven kunnen opleggen?

Ik kijk omhoog van mijn arbeid en zie wolken langs een grauwe hemel razen. In het tumult van mijn gedachten hoor ik Jules de Corte en de Bijbel door elkaar praten, met daar overheen als een “om”-klank het woord “cloud“. De magische plek waar alles gebeurt en waarvan wij afhankelijk zijn. Tussen de beelden op mijn innerlijk behang zoek ik naar een berg, waar ik een Mozes naartoe zou kunnen sturen om poolshoogte te nemen, maar die berg is weg. Het bergje in de hoek van de tuin is nog maar klein. Maar het rot al een beetje en ooit is het weg. De berg groene blaadjes in de cloud rot niet weg, die wordt almaar groter. Who cares? Ze nemen geen ruimte in, de kantoren blijven leeg en maken een opgeruimde indruk.

Hé, wacht even! heb ik niet laatst gelezen dat data wel degelijk ruimte innemen? Fysieke ruimte zelfs. Op servers, die niet in de wolken gebouwd zijn, maar bij voorkeur op plaatsen met een electriciteitscentrale vlakbij en voldoende oppervlaktewater om die hele machinerie te koelen. De tijd dat data-opslag duur was en de bits en bites die je binnenhaalde in telefoontikken betaald werden is allang voorbij. We denken dat het allemaal niets kost. En opeens lees ik in de krant dat het internet, met al zijn dataverkeer en dataopslag, ondertussen al meer energie vreet en een grotere belasting voor het milieu vormt dan de luchtvaart.

Ik ben blij dat er mensen zijn die dergelijke feitelijkheden onder onze aandacht brengen, ook al bewaar ik zelf geen rotzooi in de cloud. Heel voorzichtig probeer ik te hopen, dat hierdoor inzicht ontstaat en dat wij weer kritischer gaan kijken naar wat we wel of niet willen bewaren. Die hoop is niet groot, mompel ik en gooi nog een mand vol op de groeiende hoop rottende bladeren in de hoek van de tuin.

Read Full Post »

03112015

1

De weg is toch vreselijk mooi – zo sprak de jongen.
De weg is me haast te moeilijk – zei de puber.
De weg is verschrikkelijk lang – meende de man.
De grijsaard zat langs de weg wat uit te rusten.

 

De ondergaande zon kleurt zijn haar rood en goud,
Het gras aan zijn voeten glinstert van dauw,
De laatste vogel van de dag zingt boven hem:
Weet jij nog hoe mooi, hoe moeilijk, hoe lang de weg was?

 

2
Je zei: de dag snelt de dag achterna, de nacht de nacht.
Zie de dagen komen naar me toe – zei je in je hart.
Je zult de avonden en de ochtenden voor je raam zien staan,
en dan zeg je: er is niets nieuws onder de zon.

 

Zie, nu kom jij naar de dagen toe, je bent oud en grijs,
Je dagen zijn geteld en zevenmaal zo duur geworden,
En je weet het: elke dag is de laatste onder de zon,
En je weet het: elke dag is nieuw onder de zon.

 

3
Leer mij, mijn God, te zegenen en te bidden
Om het geheim van verwelkend blad, om de glans van rijp fruit,
Om deze vrijheid: te zien, te voelen, te ademen,
Te weten, te hopen, te falen.

 

Leer mijn lippen een zegening en een loflied
Bij het vernieuwen van jouw tijd met ochtend en met nacht,
Opdat mijn dag niet zal zijn als gister en eergisteren.
Opdat mijn dag voor mij geen gewoonte wordt.

 

Onder de hebraïsten rondom mij heb ik de naam een ‘fan‘ te zijn van Leah Goldberg. Nou, vooruit dan maar, in alle ernst – de hare en de mijne. Maar eigenlijk houd ik vooral van het Hebreeuws, en van Arik Einstein en Yehudith Ravitz. Daarom hieronder twee vertolkingen van bovenstaand gedicht. De eerste vind ik mooier, maar die laat de religieuze coupletten achterwege. Dat vind ik jammer, want daar wil ik het in mijn volgende blogbericht juist over hebben.

Read Full Post »