Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2014

29102014a

πόλλ’ οἶδ’ ἀλώπηξ, ἐχῖνος δ’ἓν μέγα

De vos kent veel streken, de egel daarentegen één grote.

Archilochus

Het lijkt wel of ook dit stukje weer over de spanning tussen het (of de?) Ene en het Vele zal gaan en misschien is dat ook wel zo. Dan moet het maar gaan over ‘de mens’ en over al die ontelbare mensen die zich aan ons voordoen. Over de ene kant, waar het zo oorverdovend stil is, dat we er beter over kunnen zwijgen en over die andere, waar we door de vele stemmen geen woord meer verstaan. En over de tussenruimte, waarin wij met tweedelingen, kwadranten, en wat niet al proberen wat koude grond onder de voeten te krijgen om daarop samen psychologie te bedrijven. Of onszelf te leren kennen.

Zo delen wij de mensheid op in introverten en extraverten, al naar gelang ieders persoonlijke verhouding tot binnen- en buitenwereld. Naar onze manier van leren onderscheiden we denkers, dromers, doeners en beslissers. In ons werk zoeken we naar veiligheid, status, avontuur of saamhorigheid. Op grond van ons temperament zien wij onszelf als sanguinisch, flegmatisch, cholerisch of melancholisch. Zeven is ook een aardig getal: de antroposoof Julius onderscheidt in de plantenwereld zeven “groeitypen” (die ongetwijfeld met de zeven planeten samenhangen) en koppelt daaraan zeven manieren om als mens in het leven te staan. Doe het in twaalven en de dierenriem schiet je te hulp. Kom je er niet uit, dan voer je ‘ascendanten‘ in en heb je opeens 144 mogelijkheden om jezelf en anderen te typeren.

Een speelser, minder systematische manier van onderscheiden en samenvoegen zie je in de pogingen om mensen te spiegelen aan de dieren. (Waarom hebben we het eigenlijk nooit over ‘het dier’?) Dat doen we bijvoorbeeld in de fabels, maar ook als we iemand willen karikaturiseren. En zo kom ik dan toch bij mijn onderwerp van vandaag: The fox and the hedgehog van Isaiah Berlin. Let op: het gaat hier toch weer om een tweedeling. Die pinguïn komt uit een ander verhaal, maar daarover later.

There is a line among the fragments of the Greek poet Archilochus which says: “The fox knows many things, but the hedgehog knows one big thing.” Scholars have differed about the correct interpretation of these dark words, which may mean no more than that the fox, for all his cunning, is defeated by the hedgehog’s one defence. But, taken figuratively, the words can be made to yield a sense in which they mark one of the deepest differences which divide writers and thinkers, and, it may be, human beings in general. For there exists a great chasm between those, on one side, who relate everything to a single, universal, organizing principle in terms of which alone all that they are and say has significance — and, on the other side, those who pursue many ends, often unrelated and even contradictory… Their thought is scattered or diffused, moving on many levels, seizing upon the essence of a vast variety of experiences and objects for what they are in themselves, without, consciously or unconsciously, seeking to fit them into, or exclude them from any one unchanging, all-embracing, sometimes self-contradictory and incomplete, at times fanatical, unitary inner vision. The first kind of intellectual and artistic personality belongs to the hedgehogs, the second to the foxes; and without insisting on a rigid classification, we may, without too much fear of contradiction, say that, in this sense, Dante belongs to the first category, Shakespeare to the second.

Zo begint Isaiah Berlin zijn memorabele essay over het genie van Tolstoi, waarin hij tot de slotsom komt dat deze een vos is, die vreselijk zijn best doet een egel te zijn. Veel meer dan spel was het niet, als we hemzelf mogen geloven, maar waar vindt men spel zonder ernst? In ieder geval vindt men de ernst bij allen die hem citeren en zichzelf, anderen of de hele mensheid de maat nemen. Wat mij na enig gescharrel op het internet vooral opvalt, is dat men vrijwel unaniem aanneemt dat het beter is om een vos te zijn dan een egel. Terwijl Berlin dat nooit zo bedoeld heeft. Die ziet wel de moeilijkheden in de communicatie tussen deze twee menstypen, met name op het vlak van de politieke filosofie (zijn eigen vakgebied), maar matigt zich geen oordeel aan.

Laat ik dat in deze over mezelf ook maar niet doen. Daar komt sowieso niks van terecht. Heel even kan ik – vergeef mij de hoogmoed! – denken dat ik een omgekeerde Tolstoi zou zijn, maar al gauw moet ik – als altijd – besluiten dat ik van nature beide kanten op neig. Ik zwalk, ik slinger en ik wankel dat het een lieve lust is. Nee, laat ik mijn heil zoeken bij een ander dier: de koe. Geduldig, een herkauwer, gesteld op het gezelschap van vrouwen, dwalend en grazend zonder een ander doel voor ogen. Zie de mens, deze mens. Maar beloof me één ding: schrik niet als een koe een haas vangt.

O ja, die pinguïn! Toen men Isaiah Berlin vroeg wat hij zou willen zijn als hij een dier was, koos hij voor de pinguïn:

Because when the penguin remains alone, he dies.

 29102014b

Advertenties

Read Full Post »

Kwaad!

23102014

Een van mijn leukste cliënten – voor het gemak noem ik hem Pim – is een man van midden zeventig, met een kop vol grijze krullen, een borrelglaasjesbril en gezicht dat bijna altijd lacht, behalve als hij huilt. Hij is erg aanminnig, maar daar is niks ranzigs aan: het is net alsof er een puppy om je benen kwispelt en aan je handen likt. Heeft hij verdriet, dan is hij verdriet en zou je hem het liefst op je schoot nemen, als hij niet ruim tweehonderd pond woog. Pim is eigenlijk net een kind, al praat hij graag over politiek en weet hij beter dan ik wie op dit moment onze ministers zijn. Een achterstand in zijn emotionele ontwikkeling, zeggen de mensen met verstand van zaken, en misschien is dat waar, want hij mist die rare ingewikkelde omgang met gevoelens die de meeste volwassenen zich hebben aangewend. Maar als je goed oplet zie je aan Pim iets anders: veel gevoelsaangelegenheden heeft hij feilloos in de gaten en kan hij bovendien goed benoemen.

“Jij kan niet kwaad worden,” zei hij laatst, triomfantelijk. “Oh,” zei ik, en ik zocht vergeefs naar iets waarmee ik kon bewijzen dat het niet waar was. “Nee, jij kan niet kwaad worden. Als je kwaad wordt dan ga je lachen.” Weer die uitdagende grijns over zijn hele smoel. Ik gaf hem zijn gelijk maar (dat had hij immers toch al), en keek van binnen naar de stoet ongemakkelijke voorvallen waarin ik, vlak voordat iemand mijn irritatiegrens overschreed, onhandig begon te giechelen. Wat dan meestal werd opgevat als een aanmoediging om nog even door te gaan met provoceren. Daarom word ik niet graag kwaad.

Maar soms moet het wel. Bijvoorbeeld als op mijn werk de communicatie- en registratiewensen en -mogelijkheden voortwoekeren als was het zevenblad, terwijl tegelijk de tijd die geld (mijn geld) mag worden tot een minimum beperkt wordt. Dat kwartiertje overleg en dat kwartiertje fietstijd op een dag zijn toch al niet toereikend voor alles wat de daadwerkelijke zorg moet ondersteunen. Alle tijd die wij geacht worden achter een beeldscherm door te brengen moet dus aan de zorgmomenten of aan mijn eigen vrije tijd onttrokken worden. Vandaar dat ik zo langzamerhand al gallisch word als ik de letters ICT zie.

En dat word alleen maar erger de laatste tijd. Vooral toen een paar weken geleden twee nieuws-items mijn aandacht trokken. Dit was het eerste:

Schippers vindt verder dat de vakbonden en oppositiepartijen de gevolgen van de bezuinigingen op de thuiszorg, waar tienduizenden werknemers hun baan kwijtraken, overdrijven. “De zorg is geen werkgelegenheidsproject”, zegt Schippers. “Maar er werken 1,3 miljoen mensen in de zorg. Bij de ontslagen in de thuiszorg gaat het om een heel klein percentage daarvan. We moeten zorgen dat de patiënt krijgt wat hij nodig heeft en de thuiszorgmedewerkster elders haar brood kan verdienen.”

Het andere bericht was dit:

Onder luid tromgeroffel maakte minister van Economische Zaken Henk Kamp dinsdag bekend dat de afgelopen periode in het diepste geheim een deal met technologiebedrijf Google is voorbereid. Google gaat een enorm datacentrum van zo’n 40 hectare groot bouwen in het gebied voor een bedrag van ongeveer een miljard euro. Het centrum moet de kwakkelende economie in de achterstandsregio een oplawaai in de goede richting geven. Volgens het havenbedrijf Groningen Seaports gaat het om een investering die ‘niet alleen voor Noord-Nederland, maar ook nationaal en internationaal gezien van groot belang is’. Het project moet 1.000 banen op korte termijn, het centrum moet immers worden gebouwd, en naar schatting 150 banen op lange termijn gaan opleveren.

Natuurlijk hebben die twee berichten niets met elkaar van doen. Ik vermoed dat geen enkele thuiszorgmedewerkster van die belangrijke investering gaat profiteren. Wie wel, in het diepste geheim? En wat gaat het kosten aan goedkope energie, opwarming van oppervlaktewater in de regio?

Nee, waar de toevallige gelijktijdigheid van deze berichten mij aan doet denken is het volgende: in mijn eenvoudige thuiszorgmedewerkstersogen is er al heel lang iets gaande. Telkens wanneer men roept dat de langdurige zorg te duur wordt, volgt een oplossing. En dat is steevast een zogenaamde ICT-oplossing: robotica, domotica, iPads, data-mining. Onze samenleving, de politiek voorop, geeft haar geld liever uit aan electronica dan aan mensen. Maar wie ben ik? Net terwijl ik dat verzucht, komt me een artikel aanwaaien (dank je wel, Google!). Uit de oude doos, zou ik bijna zeggen. En daarin treft me de volgende observatie:

And the sorrow for the bottom 90 percent of society — what Apple Computer once disingenuously called “the rest of us” — will be that once again we may deceive ourselves. We make goo-goo eyes over the megabucks high-tech generates, but we ignore the price. Just as 19th-century timber and cattle and mining robber barons made their fortunes from public resources, so are technolibertarians creaming the profits from public resources — from the orderly society that has resulted from the wise use of regulation and public spending. And they have neither the wisdom nor the manners nor the mindset to give anything that’s not electronic back.

Paulina Borsook, Cyberselfish

Lees het hele artikel (uit 1996!) en leg het naast de recente media-aandacht voor de toenemende inkomensongelijkheid. En pas verder maar op voor mij: ik kan niet kwaad worden, maar áls ik het word, dan kan ik nog heel goed met een ouderwetse mattenklopper overweg.

Read Full Post »

Zonder zonde

13102014

Wat een geluk dat we niet zonder zonde zijn! En dan denk ik nog niet eens aan de stenen die het, met goedvinden van Jezus, zou gaan regenen. Ook niet aan guilty pleasures of aan degenen die ik de zonde waard zou vinden. Toen ik vanmorgen met deze gedachte wakker werd, dacht ik alleen nog maar aan een rol koekjes, drie koppen koffie verkeerd om ze in te soppen en een vrije dag om deze uitspatting tot stand te brengen. En aan Meister Eckhart, natuurlijk, omdat die mij over de zonde aan het denken had gezet.

Ja waarlijk, zou het een rechtschapen mens gegeven zijn alles te wensen, hij zou niet willen wensen dat hij zijn neiging om te zondigen kwijt raakte, want daarzonder zou hij in alles, in al zijn doen en laten stuurloos zijn en zonder zorg om de dingen, (….)

Een intrigerende gedachte. Of ik er helemaal bij kan, weet ik nog niet. Om te beginnen moet ik mij verzetten tegen een andere gedachte, die ik waarschijnlijk uit mijn gereformeerde opvoeding heb gepeuterd en nu met groot gemak bij Eckhart naar binnen lees. Ik bedoel dat ik denk dat hij bedoelt dat het verzet tegen die neiging tot zondigen ons richting zal geven, de Juiste nog wel. En dat kan niet waar zijn, roept een volgende gedachte, in het voorbijgaan. Immers, in het leven ligt de zonde ter linker- én ter rechterzijde voor ons klaar. Ook rechtvaardigheid kan ontaarden.

Ooit deed ik wekelijks het huishouden voor een man die leed aan het syndroom van Korsakov. Soms sprak hij over zijn drankgebruik, in de verleden tijd. “Ik heb nu de gewoonte om niet te drinken,” zei hij dan altijd, met grote nadruk, en dat klonk bijzonder vreugdeloos. Maar eigenlijk hoef ik alleen maar aan mijn eigen koekjes te denken. Stel dat ik me elke dag aan die koekjes te buiten zou gaan. Het zou niet lang duren voordat het me tegen zou staan. Nooit meer! En dat zou pas echt zonde zijn, want ze zijn zo verleidelijk en zo lekker, vooral als ze dampend uit de koffie komen. Daarom: ik speel gewoon hard-to-get, als het om die koekjes gaat.

Als de sturende werking van de neiging tot zonde niet in ons verzet tegen die neiging ligt, dan zou ze ook nog kunnen bestaan in het zich afzetten tegen de norm, die het negatief van de zonde belichaamt. Of slechts in het afwijken ervan. Ook dat geeft veel houvast in het leven, maar het houdt je ook vast, al gauw meer dan je lief is. Als je niet uitkijkt heb je nergens anders tijd meer voor.

Nee, normen zijn een groot goed en dat brengt me op een andere gedachte: mijn docent Hebreeuws drukt ons voortdurend op het hart om toch vooral fouten te maken. “Zonder fouten kun je niet leren,” meent hij, en ik ben bereid hem te geloven. Maar daar kun je ook nog meer dan één kant mee uit. Lessen in nederigheid opdoen, bijvoorbeeld, of in het vervolg alle fouten die je weet vermijden. Of deze: er de prikkel in voelen om een andere weg te proberen.

Wat Meister Eckhart met die intrigerende zin bedoelde, daar kom ik misschien nog wel eens achter. Voorlopig (en dat is alles, dicht Herman de Coninck) kan ik nog wel vooruit met alles wat hij bij mij opriep. Waaronder de volgende anekdote:

Een interviewer – ik geloof dat het Michael Palin was – bevroeg een imam in Istanbul over het islamitische verbod op het nuttigen van alcoholische dranken. De geestelijke verdedigde dat verbod vol vuur, totdat zijn ondervrager hem herinnerde aan een periode uit de geschiedenis van de Islam, waarin overduidelijk wijn gedronken werd. Veel wijn zelfs, getuige de prachtige drinkliederen die uit die tijd waren overgeleverd. Was alcohol toen soms wél toegestaan, wilde de journalist weten. Hij begon al een beetje te stralen van het besef dat hij de imam nu zou zien wankelen. Die glimlachte echter rustig en zei: “Je moet dat niet zien als iets dat was toegestaan, maar als iets waarvan genoten werd.” En daarmee was de kous (voorlopig) af.

Read Full Post »

Zien

02102014

Afgelopen week is me iets bijzonders gebeurd. Om vijf uur in de morgen werd ik wakker en ik wist meteen dat ik niet meer in zou slapen. Dan kan ik net zo goed voor mijn werk uit nog even gaan zwemmen, besloot ik. Onder een sterrenhemel, dat heeft wel wat, en bovendien zou ik de eerste zijn die noten kwam rapen onder de walnotenboom aan het Anton Schleperspad. Het was schemerdonker toen ik daar aankwam, meer donker dan schemer, en er was geen kunstlicht voorhanden. Terwijl mijn ogen hun best deden zich aan het duister te wennen, schoof ik voorzichtig met mijn schoenen over het asfalt. Ik wilde voor geen goud een walnoot stuk trappen. Zo vond ik er zes. Dat was het dan, dacht ik.

Toen hoorde ik in de ochtendstilte een geluid dat ik bleek te kennen: het vallen van een walnoot. Tot mijn verbazing kon ik goed horen waar hij viel en ook nog dat hij nauwelijks verder rolde. Met meer vertrouwen dan daarnet liep ik naar de plek die mijn oren hadden gezien en raapte de (zevende!) noot feilloos op. Masha’Allah! Precies op dat moment realiseerde ik mij dat ik het vorige blogbericht net zo goed aan mijn moeder had kunnen opdragen. Het gaat namelijk niet alleen over de natuur en over ‘woordkunst’, maar ook over zien. En afgezien van mijn vader, zijn vogels en zijn verrekijker, heb ik dat toch vooral van mijn moeder geleerd.

Mijn moeder was blind en haar kinderen waren haar ogen. Vanaf mijn vroegste herinnering was ik vaak haar geleidehondje. Uit die tijd herinner ik mij het eerste compliment dat mij in de roos trof. Op een dag, in de trein, ergens tussen Hoorn en Wolfheze, zei zij dat ze mij graag bij zich had, omdat ik haar bijna zonder onderbreking vertelde wat ik allemaal zag in het voorbijsnellende landschap achter het raam. Die symbiose bracht mij iets waar ik tot op de dag van vandaag dankbaar voor ben: een heilzame oefening in zien. In zekere zin ben ik namelijk een gebochelde. Mijn blik richt zich van nature hardnekkig naar binnen, waar de stroom van mijn gedachten mij vaak weerloos met zich mee sleurt. Woorden, woorden, woorden! Vanwege een introverte dispositie? Of is het omdat ik zo sensitief ben, dat ik de wereld met zijn gewarrel eigenlijk te ingewikkeld vind om aan te zien?

Aansluitend bij het laatste meen ik iets te begrijpen van mijn fascinatie voor mystiek getinte proza en poëzie, waarin gezocht wordt naar de Ene in al die veelheid. Er gaat vaak een rust van uit die ik als troostrijk ervaar, wanneer ik moe word van alles wat bij mij naar binnen stroomt, of van wat daar al kolkt en wemelt. Als het aan mij alleen had gelegen zou ik in staat zijn geweest genoeg te hebben aan “de geluiden van de eerste dag“. Of te blijven bij de schreeuw om stilte in het volgende gedicht van Vasalis:

De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.
Heer, had het hierbij maar gelaten.

Maar als ik zo dicht bij de ultieme herkenning ben en weldra het Niets in de spiegel zal zien, schrik ik wakker. Het is alsof ik in de trein zit en ben weggedroomd, en of mijn moeder me aanstoot: “Waar zijn we?” Buiten zie ik paarden in de lentewei, koeien, schapen, pinksterbloemen, een roerdomp aan een waterkant, een handvol kauwen in een grijze lucht, rijen populieren, ijler dan je denken kan, en dat alles warrelt door het spiegelbeeld van een mooie dame die ik droomde dat ik was. Die houd ik voor mijzelf, de rest vertel ik aan mijn moeder.

Het Niets mag mij dragen, graag zelfs, maar tegelijk ben ik blij dat ik geleerd heb de andere kant op te kijken. Als ik uiteindelijk alles prijs zal geven, is dit wat overblijft:

En wat ik heb aanschouwd
in heel mijn heerlijk leven
staat in mijn hart van goud
voor eeuwig opgeschreven.

F.L.Bastet

Read Full Post »