Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2012

Bible Belt

30112012

In mijn vorige stukje heb ik met een paar anekdotes, een paar literaire verwijzingen en een stukje wiki geprobeerd weer te geven hoe erg het leven was in de Bible Belt, vooral voor mensen met een sensitief karakter. Ook heb ik willen laten zien hoe blij ik ben dat de wrok en het gekwetste rechtvaardigheidsgevoel voor mij niet langer een rotsblok op mijn weg zijn. Toen ik de barmhartige eerlijkheid van Siebelink tegenkwam, had ik die al in mijzelf gevonden. Maar zoals elke oplossing een nieuw probleem in zich draagt, zo ook hier.

Ik heb meer dan één reden om blij te zijn met onze geseculariseerde samenleving. En al zie ik mijzelf als religieus, dat is voor mij een persoonlijke aangelegenheid. In het installeren van Gods wet op aarde zie ik geen heil. Dingen als liefde en genade, die weer wel. Dus ik weet niet zo zeker of het wel verstandig is om de mildheid die het leven mij uiteindelijk gegeven heeft mee te laten spreken in mijn politieke keuzes. Maar kom, ik kan moeilijk buiten mijzelf stappen, dus laat ik doen wat mijn hart me ingeeft. En dan neem ik het zo nu en dan voor mijn zwaar gereformeerde medemensen op.

Niet wanneer het gaat om de weigerambtenaren. Het geweten is ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Zoek een oplossing zonder daar anderen mee lastig te vallen en als je werkgever het ondoenlijk vindt om je op je werkplek te handhaven met de berperkingen die je jezelf oplegt, dan zie ik graag dat je de eer aan jezelf houdt. Dat het ondertussen inzet van een politieke controverse is geworden, is een van die overbodigheden waardoor ik de wereld soms maar een bizarre plek om te leven vind.

Waar het gaat om het vrouwenstandpunt van de SGP sla ik het obligate “natuurlijk ben ik het daar niet mee eens” graag over. Dat is namelijk ook zo’n overbodigheid. Maar zodra ik daar in termen als “achterlijk” over hoor spreken, rijst in mij de argwaan. En als het Clara Wichmannfonds een juridische strijd aanbindt tegen het gedogen van wat de Staatkundig Gereformeerden tot hun eigen kring beperken, dan is het voor mij tijd hen in bescherming te nemen. Ook als ik daarmee mijn andere naasten tegen de haren in strijk. Ik heb dat een keer gedaan toen ik nog in de redactie van het feministische tijdschrift LOVER zat, en schrok achteraf nog het meest van het complete uitblijven van een discussie. Religie is bezig een taboe te worden in onze wereld van vandaag.

Hoe ver de meesten van ons van een godsdienstig leven af staan, merkt ik ook toen het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren om het ritueel slachten te gaan verbieden zomaar een kamermeerderheid achter zich kreeg. Ik was verbijsterd, want gedwongen mij te realiseren dat onze geseculariseerde samenleving, waar ik zo blij mee was, zomaar opeens precies zo genadeloos kan zijn als de zwartste zwartekousenkerk. Moet ik het nog over die hoofddoekjeskolder hebben? Of over vrouwen die een zwemuurtje willen zonder mannen om zich heen, wat dan weer niet mag, omdat in ons land vrouwen en mannen gelijk zijn?

Of het verstandig is, dat weet ik niet zeker, maar ik doe het toch: telkens wanneer in kwesties van religie en samenleving naar juridische middelen wordt gegrepen om de seculiere orde zo volledig mogelijk te laten regeren, zal ik daar van harte tegenin gaan.

Advertenties

Read Full Post »

Toen ik destijds Jan Siebelink’s bestseller Knielen op een bed violen las, was mijn eerste indruk: net echt! Over mijn eindindruk zal ik aan het slot van dit bericht nog iets zeggen. Nu eerst over wat er zo echt aan was. Daarvoor moet ik terug in de geschiedenis en dan vooral naar de verhalen van mijn moeder, want die groeide op in de kringen waar vader Siebelink – met grote schade – zijn heil zocht.

Ik zal u en mijzelf niet verdrieten met een uitvoerige inleiding over alle splitsingen en samensmeltingen die in de afgelopen anderhalve eeuw hebben plaatsgevonden onder al die splintergroeperingen die het gevolg waren van de Afscheiding  van 1834. Ik kan mijn moeder niet meer vragen van welk genootschap zij nu eigenlijk lid was. Belangrijker is dat ik probeer duidelijk te maken wat ‘bevindelijkheid’ inhoudt. Kortweg: het is cruciaal om de gereformeerde geloofswaarheden niet alleen als waarheden te belijden, maar ze als werkelijkheid te beleven. Die ‘bevinding’ bestaat in de droefheid om het zondebesef, de vreugde om verlossing door de genade Gods en de uiteindelijke dankbaarheid.

Kom, ik draai er nog steeds omheen. Hoe moet ik het in ’s hemelsnaam dichterbij brengen? Smijtegelt, laat ik Smijtegelt noemen, wiens prekenbundels ik als kind probeerde te ontcijferen op de vliering van de boerderij van mijn grootouders. Bernardus Smijtegelt was een legendarische Zeeuwsche predikant, een kerkvader bien aprés la lettre, die leefde van 1665 tot 1739.

Het bekendst werd hij door de 145 preken tellende serie Het gekrookte riet waarin hij ca. 300 kenmerken gaf waaraan onzekere gemeenteleden (de “gekrookte rietjes”) konden toetsen of zij werkelijk bekeerd en dus behouden waren. Het eenvoudige taalgebruik en de relatief geringe omvang van zijn preken zorgen ervoor dat deze ook nu nog wel worden voorgelezen in de zondagse eredienst.

Hoewel Smytegelt mild was voor kleingelovigen die zich het heil nog niet durfden toe te eigenen, was hij ook een felle boetprediker die regelmatig in conflict kwam met de overheid. Hij was één van de zeer weinige predikanten die principieel de slavenhandel afwees, wat hem niet geliefd maakte bij de kooplieden in Middelburg, het centrum van de Nederlandse slavenhandel in de achttiende eeuw. (bron: Wikipedia).

Driehonderd kenmerken! Ga er maar aan staan. Een van de broers van mijn opa was zo’n ‘gekrookt rietje’. Mijn moeder vertelde me ooit hoe hij op een middag totaal ontredderd van een bezoek aan de buurman – die reeds ‘bekeerd’ was en dientengevolge zelfs door de week in het zwart liep – terugkwam. Daar was hij geweest om zijn eigen bevinding te toetsen aan die van iemand die zich het heil wel had durven toerekenen. Dat had hij beter niet kunnen doen, want de buurman hield dat heil misschien liever voor zichzelf dan het met zo’n zwakkeling te delen. In ieder geval stuurde hij hem terug naar af. Mijn opa stond juist het paard in te spannen, toen hij zijn broer het erf op zag komen. “Hij spande het rustig weer uit,” zei mijn moeder, “en liep de trap op naar het slaapkamertje van oom G., om hem te troosten.”

Nee, dit was geen geschikt geloof voor gevoelige mensen. Mijn moeder opperde tijdens een catechisatieles dat ze zich niet kon voorstellen dat God onschuldige kinderen naar de hel zou laten gaan. “Ze hebben immers nog geen enkel kwaad gedaan?” “Nee,” zei de ouderling, “maar als jouw vader achter een zak aardappelen een nest jonge ratten vind, roze en kaal nog en met de oogjes dicht, dan trapt hij ze toch dood. Hij weet wat ze gaan doen als hij ze zou laten leven.” Zij heeft nooit begrepen hoe die Veluwse boeren al die donderpreken konden aanhoren om daarna rustig een sigaar op te steken en hun plas te doen achter de steunberen van de kerk.

Mijn kinderlijke verontwaardiging om dit ijdele gebruik van Gods naam was groter dan mijn kleine lijf. Al kende ik Slauerhoff nog niet, ik had dolgraag eens zo’n “plompe boerekop gesneld”. Toen ik opgroeide kreeg mijn eigen existentiële angst niet zelden een religieuze lading die wel in mijn bloed leek te huizen. Er zijn tijden geweest dat ik mij er zo ver mogelijk van probeerde te verwijderen. Maar niets wat ooit geweest is zal verdwijnen, je kunt je er maar beter toe zien te verhouden. In de jaren dat het leven er eindelijk in begon te slagen mij dat te leren, las ik Knielen op een bed violen. En het was net echt, nee, meer dan echt. Door de onvoorwaardelijke, maar tegelijk niets bedekkende liefde waarmee Siebelink het hele gezin en die kwetsbare vader beschreef, voelde ik me meegenomen naar de top van een berg, vanwaar ik het beloofde land kon zien. Het was gewoon mijn eigen leven, wanneer ik het zag met open ogen en met vertrouwen tegemoet trad.

Read Full Post »

Cijfertjes

Waarschijnlijk zal ik nooit ophouden met mij te verbazen over de hypnotiserende werking die cijfers en statistieken op mensen hebben. Maandag j.l. zat ik in de zaal van een wetenschapsjournalistieke avond over ADHD. Een van de wetenschappers, psychiater en duidelijk voorstander van een farmacologische benadering van ‘het probleem’, hoefde maar even een grafiekje in zijn Powerpoint te plakken en alle andere behandelwijzen waren weggezet als onvoldoende ‘kosteneffectief’. En de hele zaal, ikzelf incluis, was stil. Want meten is weten. Mij geeft dit soort kopen van overredingskracht al heel lang het gevoel alsof ik een dikke dot vooroorlogse Reichsmarken in mijn hand geduwd krijg.

Ondertussen geven de cijfers mij te verstaan dat ik oud begin te worden en wel hieraan: ik kan geen getallen meer onthouden, althans niet zoals ik dat van mezelf gewend was. Nu ik probeer om dichter bij de voorouders van mijn moeder te komen, merk ik dat ik een geboortedatum of trouwdag niet eens twintig seconden kan onthouden. Terwijl ik vroeger hele rijen telefoon- en bankrekeningnummers uit het hoofd kende. Tegelijk zijn die getallen – naast hun namen, in de meest onmogelijke spellingsvarianten – het enige wat er nog van hen over is. (Pardon, ik moet  de beroepen en woonplaatsenniet vergeten.) Hoe graag zou ik willen dat ik naar iemand toe kon om hun verhalen te horen!

Na verloop van enige tijd merkte ik dat ik de tijdsaanduidingen anders begon te lezen. Veel minder als abstracte gegevens die helpen om iemand binnen een bepaalde ordening te plaatsen, veel meer als kijkgaatjes op hun leven van alledag. Geboren in december? Brr, hoe koud was het in dat jaar? En belangrijker: in hun huis? Of hoe zat het toch met dat enorme leeftijdsverschil (22 jaar!) tussen mijn oudmoeder Geertje en haar man Dirk? Ze schonk hem één kind, het jaar daarop ging hij dood en zij moest maar zien hoe dat verder moest.

Nooit geweten dat zo ongeveer de helft (natte vinger-werk, dit, laat ik daar maar eerlijk over zijn) van alle zwaar gereformeerde stellen binnen mijn voorgeslacht niet als maagd in het huwelijk trad. De cijfers liegen niet en de buiken destijds ook niet, want vaak zaten er slechts een paar maanden tussen trouwdag en de geboorte van het eerste kind. En niet zelden minder dan een jaar voordat het kind alweer in een overlijdensakte opduikt. Ook mijn eigen opoe heeft nog tien kinderen gehad, waaronder drie Keesjes en twee Truusjes, waarvan er telkens uiteindelijk eentje in leven bleef. In de reeksen namen en jaartallen kom ik dat alom tegen. Er werd zo veelvuldig verloren dat ik mij ga afvragen hoe die mensen het deden met het missen en met verdriet.

Hertrouwd werd er geregeld. Dat maakt nieuwsgierig naar hoe het ging met die man die zijn vrouw meer dan twintig jaar overleefde zonder opnieuw te trouwen. Wie zorgde er voor hem? O ja, ik weet het alweer: ik heb zelf (we hebben het nu even over 1971) immers in de klas gezeten met een meisje dat opeens MAVO-3 ging doen, omdat zij dan eerder klaar was en voor haar verweduwde vader en ongehuwde broers kon gaan zorgen. Ik heb het er al eerder over gehad: de cijfers wijzen ook dikwijls naar zeer diverse gezinssamenstellngen en samenlevingsvormen. Graag zou ik daar meer over weten en heel af en toe schemert er iets door in akten die meer woorden vuil maken aan de levens van mijn voorouders. Waarover later meer.

Read Full Post »

Wellicht ten overvloede: mijn grootouders waren niet rijk. Dat zij zelf het uitschot van hun aardappeloogst aten om de A-kwaliteit te kunnen verkopen, zegt genoeg. Nee, het ging mij echt om het gevoel van overvloed, waarmee ik mijn loflied op de boerderij waar ik een deel van mijn jeugd doorbracht besloot. Daarom sprak ik ook van een idylle, een heuse idylle zelfs: een werkelijkheid die heuser is dan de echte. En als u daarin een zekere ‘nostalgie de la boue’ (zonder de connotatie van liederlijkheid) proeft, dan geef ik dat grif toe. Bijwijlen lijd ik daaraan, net als die man die iets met jachtopzieners had in een eerder blogbericht.

Met zeer warme gevoelens citeer ik hier de mooiste zinnen uit het begin van zijn roman The Rainbow. Let op de mystieke, haast erotische muziek in de woorden:

So the Brangwens came and went without fear of necessity, working hard because of the life that was in them, not for want of the money. Neither were they thriftless. They were aware of the last halfpenny, and instinct made them not waste the peeling of their apple, for it would help to feed the cattle. But heaven and earth was teeming around them, and how should this cease? They felt the rush of the sap in spring, they knew the wave which cannot halt, but every year throws forward the seed to begetting, and, falling back, leaves the young-born on the earth. They knew the intercourse between heaven and earth, sunshine drawn into the breast and bowels, the rain sucked up in the daytime, nakedness that comes under the wind in autumn, showing the birds’ nests no longer worth hiding. Their life and interrelations were such; feeling the pulse and body of the soil, that opened to their furrow for the grain, and became smooth and supple after their ploughing, and clung to their feet with a weight that pulled like desire, lying hard and unresponsive when the crops were to be shorn away. The young corn waved and was silken, and the lustre slid along the limbs of the men who saw it. They took the udder of the cows, the cows yielded milk and pulse against the hands of the men, the pulse of the blood of the teats of the cows beat into the pulse of the hands of the men. They mounted their horses, and held life between the grip of their knees, they harnessed their horses at the wagon, and, with hand on the bridle-rings, drew the heaving of the horses after their will.

Om dronken van heimwee te worden, nietwaar? Heimwee naar iets wat de meesten van ons nooit meegemaakt hebben. Toch denk ik dat dit soort heimwee een sterke onderstroom in onze cultuur vormt; daar heb ik het ook al vaker over gehad.

Niet zo lang geleden las ik een interessant artikel in mijn zaterdagkrant, van de hand van Marijke Verduyn, van wie onlangs ook het boek Het dier is mens geworden / het dier is ding geworden verscheen. Dat artikel drijft op ditzelfde heimwee, zonder daardoor wereldvreemd te worden. Daarvoor is er naar mijn idee ook te zeer sprake van een beweging, een subcultuur. Het werk van de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton stoelt op dit sentiment. De Slow Food beweging komt voort uit dit soort gevoelens. En ik geef maar beter gewoon toe: ook ik kweek ze in een hoekje van mijn leven.

Leonie Breebaart schreef niet zo heel lang geleden over de weerzin die er bestaat tegen het concept varkensflats, dat die meer met onze eigen nostalgie naar het zwijn in de modder van doen heeft dan met reële noties over dierenwelzijn. Terecht, denk ik, en tegelijk zie ik daarin geen reden om dat heimwee te diskwalificeren. Als het de landbouwhuisdieren ten goede komt wanneer onze omgang met hen gemotiveerd wordt door een dergelijke grondhouding, dan is dat mooi meegenomen. Maar het lijkt me vooral goed voor de mensen, om in het domein van landbouw en voeding het belang van aandacht en het toekennen van waarde te cultiveren. Een teer plantje in een wereld waarin modulaire robots 1250 varkens per uur slachten, maar toch.

Deze week keek de klas van mijn dochter tijdens ‘vensteruur‘ naar The Real Dirt on Farmer John:

Read Full Post »

Branding

Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.

Uit: Four Quartets, T.S.Eliot

In mijn dagelijks werk raak ik telkens weer gefascineerd door de verschillende houdingen die mensen aannemen om zich te verstaan met wat wij “de werkelijkheid” plegen te noemen. Niet in de laatste plaats doordat ik het zelf vaak zo’n taaie klus vind. We praten er makkelijk over, maar zijn we het er eigenlijk wel over eens wat de werkelijkheid is en zien we wel waar zij werkelijk begint en waar onze beleving ervan ophoudt? Als ik zeg dat het een branding is waar het leven dat op ons af komt breekt op het leven dat uit ons opwelt, spreek ik dan nog verstaanbare taal?

Wat mij overigens opviel toen ik het citaat hierboven – dat ergens in de spinnenwebben van mijn geheugen hing – via internet probeerde terug te vinden, is dat het heel vaak vrij geciteerd wordt. En dan vooral zo dat men ‘most people’ of ‘lots of people’ in de plaats stelt van de hele ‘human kind’. Net alsof deze hergebruikers van het woord zichzelf hierin een uitzonderingspositie toedichten. Dat lijkt ook handiger als je anderen bij de les wilt houden of zelfs terug wilt brengen in de realiteit.

Zo kwam ik deze week na lange tijd weer bij een mevrouw die ik ken als heel vroom. Met “de nodige afstand” zou je haar godsdienstwaanzinnig kunnen noemen. Ik blijf liever wat dichterbij en dus is zij heel vroom, maar wel zo vroom dat zij daardoor de draad van haar dagelijks bestaan wel eens kwijt lijkt te raken. Zij is verwikkeld in een ingewikkelde strijd tegen het Kwaad en vergeet dan voor zichzelf te zorgen. “Haar hele dag/nachtritme is verstoord geraakt!” Dat is allemaal waar, maar wat moeten wij als verzorgenden, ingeschakeld door bezorgde mantelzorgers, daarmee?

Een jongere collega, die al vaker in mijn blogberichten voorkwam, koos voor ‘benoemen’ en ‘confronteren’. “U moet nu echt aan uzelf gaan denken, uzelf op de eerste plaats stellen. Wat u zich allemaal in het hoofd haalt heeft een negatieve invloed op uw gestel.” Ik las het in de rapportage, nadat mevrouw mij al met haar verbijstering over deze boodschap had geconfronteerd. Er kan veel onrust en verwarring ontstaan in die branding tussen twee werkelijkheden. Zou het schelen, denk ik dan, als de golven die haar levensstroom ontmoeten zich een beetje in konden houden?

Vervolgens denk ik ook dat het misschien niet zo’n gek idee is om de illusie op te geven dat wij daar boven staan, en beseffen dat wij deel uitmaken van die ‘human kind’ die zich voortdurend onder de werkelijkheid uit probeert te wurmen. Wat meer inzicht in de trucjes die wij zelf gebruiken om de scherpte en de hardheid van alles wat het leven ons wil laten meemaken te verzachten, zou wellicht kunnen leiden tot meer begrip voor hoe anderen dat aanpakken. Ik stel mij voor dat werkelijkheden zich met enig beleid, enige mildheid  wel in elkaar laten vlechten. Met als gevolg dat we manieren vinden om wat meer van die werkelijkheid die ons soms zo ondragelijk lijkt op ons te kunnen nemen.

Read Full Post »

Het blijft me intrigeren, hoezeer de genealogie zich richt op het volgen van mannelijke lijnen. Bijna val ik voor de verleiding te denken dat het te maken heeft met de onzekerheid die gegeven is met het vaderschap: een man moet maar aannemen dat het kind dat zijn vrouw baart ook van hem is. Het erkennen van het kind en het toekennen van de eigen achternaam of patroniem zou een vorm van bevestiging kunnen zijn, die het gemis aan directheid van het moederschap een beetje goed maakt. Of gaat het au fond alleen maar om het vaststellen van waar de eigendomsrechten binnen een gemeenschap liggen? Hoe je het wendt of keert, het blijft verbazing wekken.

Als het om de bloedband ging, zou het beslist meer voor de hand liggen om de moederlijke lijnen te volgen. Komt het dan wellicht uit de Bijbel voort, die zo belangrijk was voor onze voorouders? Bezwaarijk, want al in Genesis 2 vers 24 trekt die de conclusie:

Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven.

Uit de trouwbijbel van mijn opoe, die trouwde op 27 april 1900.

Dat zou toch eerder moeten leiden tot het gebruik dat die man dan ook de naam van zijn vrouw zou aannemen in plaats van andersom.

Dat het met de werkelijkheid allemaal niet eens zoveel van doen heeft, merk ik regelmatig aan berichten over gezinssamenstellingen die in oude akten opduiken. De nuclear family was nog geen gesunkenes Kulturgut op het Veluwse platteland. Als Freud bij zijn voedster gebleven was, had het Oedipuscomplex eenvoudigweg nooit bestaan. Maar ik dwaal af.

Eigenlijk wist ik dit uit de verhalen van mijn moeder al. Zij woonde tot haar dertigste op een boerderij, die het bezit was van haar grootmoeder. Die was als weduwe achtergebleven met drie zoons, waarvan mijn opa de jongste was. Oudere kinderen waren allang voor zichzelf begonnen, de twee broers van mijn opa misten de slagvaardigheid voor dat avontuur en als het er op aankwam moest hij vaak het voortouw nemen. De rest van het “gezin” werkte mee, naar eigen vermogen. Maar waaruit bestond zo’n huishouden? En wie stond er aan het hoofd?

Hier bevangt mij de lust tot het tekenen van een heuse idylle. Stel het je eens voor: een grote boerderij, waar ruimte genoeg is voor koeien, schapen, varkens, kippen en katten in getal, plus altijd nog het paard. En daarnaast een wonderlijk gezelschap aan mensen. Grootmoeder, als gezegd, met haar drie zoons; de vrouw van de jongste met haar zes kinderen; een knecht; een oude schaapherder. Allemaal aan één tafel, allemaal met hun eigen plek en hun eigen taken, maar zonder een duidelijke hiërarchie. Geen upstairs, downstairs. Allemaal voordeurdelers, maar dan zonder voordeur.

Want binnenvallen kon altijd, via de deel – waar je uit je klompen schoot – naar de keuken.  Daar stond de tafel, waar gemakkelijk een bordje bij werd gezet. Achter die tafel was een deur naar de kelder, daar hield mijn oma haar weckpotten. Rijk waren ze niet, mijn grootouders, maar door hen weet ik wat een gevoel van overvloed is.

Read Full Post »

Toen ik een jaar of tien was, kwam mijn oom Piet met iets geweldig moois bij ons aan. Hij had zijn stamboom voltooid en prachtig uitgetekend op een immens vel zwaar papier. Een imposante eik was het, met een woud aan kale takken, die galmend in de hemel reikten. Met wat een engelengeduld waren de fijnste details uitgewerkt en ingekleurd met oostindische inkt! Er lag een grafzerk aan de voet van de boom en er stonden voorbeelden van museumwaardig schrijnwerk in een van de hoeken. Prachtig vond ik het. En toch klopte er iets niet aan die boom: er stonden alleen maar mannen op.

Ook nu ik mijzelf ben gaan verdiepen in het voorgeslacht van mijn moeder, valt het me regelmatig op hoezeer we geacht worden in ons denken over familie een patriarchale bril op te zetten. De vaders geven hun achternaam door aan hun kinderen, die van de moeders raakt al snel op de achtergrond. Toen er nog geen achternamen bestonden, onderscheidden Jan, Fiet en Claesje zich van elkaar door een patroniem. Met als gevolg dat rond 1700 iedereen Trijntje Willems of Grietje Alberts lijkt te heten. Gelukkig gebeurden er af en toe onverwachte dingen.

Meer dan eens wurmt zich de achternaam van de moeder tussen voor- en achternaam van een van haar kinderen, die dan heel chique als Geurt van Beynum van Binsbergen door het leven mag. Of een meisje neemt met de voornaam van de tante naar wie zij vernoemd werd ook de achternaam over: Maria de Bruin van den Born. Een man kan zich sieren met voornaam en patroniem van zijn moeders vader, terwijl hij daaraan wel de achternaam van zijn vader toevoegt. Uitzonderlijk is het geval van Jan Teunissen Leuwerik (of Leeuwrik, of Leeuwerck, tegenwoordig Leverink), waarbij drie generaties lang de moedersnaam Leuwerik het wint van de Roerkinks, de Boesinks en de Kenkhuysen.

Dat kom je allemaal tegen als je niet een boom uit de aarde wilt laten oprijzen maar al gravend de lijnen van het wortelgestel blijft volgen. Dan hoef je niet eens terug tot Adem (aarde!) en Eva om te zien dat we allemaal familie van elkaar zijn. Dankzij internet kom je elkaar al wroetend nog tegen ook. Zo stuitte ik gisteren – doordat wij een paar kleine stukjes voorgeslacht met elkaar delen – op een zo verfrissend leuke website, dat ik er nu nog vrolijk van ben. Daar is zomaar eens iemand die een heerlijk vrij spel speelt met de vaak zo nauwgezet gevolgde regels van de sibbekunde! En die al gravend de blik gedurig opricht teneinde om zich heen te kunnen kijken naar de levens van al die dode voorouders. Ik laat haar even zelf aan het woord:

Meestal gebruiken we voor voorouders het beeld van een boom met takken, een stamboom.
Net als de meeste genealogen ben ik eerst op zoek gegaan naar die takken, dat wil zeggen naar namen, data en woonplaatsen van mijn voorouders.
Genealogie wordt echter pas echt interessant wanneer die kale takken tot bloei komen, zodra je wat meer persoonlijke informatie vindt over iemand. Zo kan informatie in notariële of rechterlijke archieven, als testamenten en boedelscheidingen, heel interessant zijn. Vergelijk het maar met de bladeren en bloesem van de boom.
Maar ook de omgeving van de boom, de wind en andere weersinvloeden geven de stamboom meer karakter. Dat vergelijk ik met de cultuur waarin mensen leven. Dat vind je door verder te zoeken op jaartal en woonplaats.

Zij doet echt heel leuke dingen op haar site in aanbouw. Haar domeinnaam is gevormd naar het matroniem “maartjese”. Zij laat zien dat je behalve parentelen ook “moederreeksen” kunt maken, die je helpen anders te kijken naar de geschiedenis. Er staan al een paar verhalen van “voormoeders”, waardoor namen, plaatsen en jaartallen opeens tot leven komen. Genealogie was al boeiend, maar nu wordt het nog interessanter. Ik droom al van De eeuw van mijn betovergrootmoeder door Janiek Frederiekse Leuwericks.

Read Full Post »

Older Posts »