Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2018

Kineret

Terwijl het hier op mijn schrijfplek – zonder kachel – alsmaar kouder wordt, lijkt het me een goed plan om op mijn blog weer naar Israël terug te keren. (Au!) Waar waren we ook alweer? O ja, in Tsfat, geen plek om te blijven. Om niet dezelfde weg terug te hoeven rijden, kozen we een route via Tiberias. Door dezelfde dorre bergen als op de heenweg koersten we naar het zuidoosten, langzaam slingerend naar lager regionen. En toen was daar opeens, bij het uitgaan van de zoveelste bocht, onze eerste blik op de Kineret.

Bij het zien van die wondermooie spiegel van het zuiverste aquamarijn ter aarde, probeerde mijn sterke, maar onhandige talent voor ontroering zich dwars door het gebruikelijke gekeuvel heen een weg naar buiten, naar stembanden en traanklieren te banen. Gelukkig volgde onmiddellijk een scherpe bocht, die de betovering doorbrak, zodat Max dit keer tenminste een beetje ruimte overhield, zo vlak bij die heftige zieleroerselen. Het is genoeg dat ik nooit zal vergeten hoe het was alsof ik heel even definitief thuis kwam.

Beneden aan de oever was het een stuk prozaïscher. Ook hier vooral verval en vervuiling. We baanden ons een weg door manshoog riet naar een strand van groezelig zand en scherpe stenen, waar we een rustig plekje vonden om te zwemmen. De wind woei kinderstemmen en opblaasspeelgoed in onze richting en verder, naar de Hermon. Aan het einde van een dromerige middag reden we tegen het fel-oranje licht van de ondergaande zon terug naar Haïfa.

Wat was ik blij met Max’ voorstel om de volgende sjabbat aan de oevers van het meer met de vele namen door te brengen. De ultra-orthodoxe mannen van de woonwijk in Tiberias waar wij met onze auto heel even in verdwaald raakten hadden misschien gelijk dat wij de sjabbat ontheiligden, maar verder was de dag beslist zoals God het bedoeld moet hebben.  We vonden een strand waar een sympathiek slag recreanten waren neergestreken. Zo konden we in volstrekte rust mee resoneren met een scala aan universele strandvermakelijkheden.

Naast ons bivakkeerden een paar jonge stellen met wat kinderen, een bal, een hond en een gitaar. Vanuit hun richting hoorde ik Carlebach-achtige melodieën mijn kant op waaien en op dat moment bedacht ik me dat op één na alle ingrediënten die voor Channa Szenes de wereld de moeite waard maakten, aanwezig waren:

Mijn God, mijn God,
laat deze dingen nooit ophouden te bestaan:
het zand en de zee
het geruis van het water
de donder van de hemel
het gebed van de mens.

Dikwijls verbaas ik mij over haar bescheidenheid, maar op die sjabbat, aan de oever van de Kineret, miste ik niets en had het moment eeuwig mogen duren.

Advertenties

Read Full Post »

Verzwommen

*

 

Die Beobachtungen und Begegnisse des Einsam-Stummen sind zugleich verschwommener und eindringlicher als die des Geselligen, seine Gedanken schwerer, wunderlicher und nie ohne einen Anflug von Traurigkeit.

Thomas Mann, Der Tod in Venedig

[De observaties en de ontmoetingen van iemand die alleen reist en dus niemand heeft om tegen te praten zijn tegelijk “verschwommener” en indringender dan die van degene die in gezelschap verkeert. Zijn gedachten hebben meer gewicht, zijn vatbaarder voor verwondering en hebben altijd iets droefs over zich.]

Hoe komt het dat deze zin me na zoveel jaren zomaar weer te binnen schiet? Het is omdat ik wijs probeer te worden uit een dag van mijn leven, die als een ei zonder schaal door een gewichtsvrije ruimte zweefde. Wat hield dat ei bijeen? Om nog maar te zwijgen van het hoe en waarom de dooier en het wit uit elkaar gehouden werden.

De dag begint om half vier ’s nachts. De avond tevoren heb ik nog gewerkt en vandaag staan er drie dingen op het programma: naar Londen Gatwick vliegen, met de trein naar Brighton reizen en aldaar ’s avonds een eredienst mee vieren in de Brighton and Hove Progressive Synagogue. Houvast genoeg, dacht ik, maar door de moeheid en de stress van de afgelopen weken knapt er iets in mijn hoofd. Geheel onverwacht is alles “verschwommen”, de dag, de wereld, ikzelf.

Onwillekeurig zoek ik de zee op, die vanzelfsprekend zowel de “snotgreen sea” van James Joyce is, als de azuren verte, van waaruit de dood Gustav Aschenbach naar zich toe lokte. Langs het strand slenter ik, ik doezel weg op een bankje in een van de verveloze ‘shelters‘, vlak naast een slapende zwerver. De zilvermeeuw, die woest in zijn spullen staat te pikken, kijkt me nog even heel kwaad aan, voordat hij de vleugels neemt. Kiezels rollen ratelend over elkaar onder het geweld van de golven. Zo ook mijn gedachten, om vervolgens als schuim op te spatten en op de wind te verdwijnen.

Overal grijnst het verval me aan, als een spiegel van mijn innerlijk. Uren lang balanceer ik op het randje van wat misschien wel mijn grootste angst is: te moeten beleven dat ik er nog ben, maar toch niet meer. Bang ben ik niet. Ik blijf rustig watertrappelen, totdat ik grond onder de voeten zal voelen. Bedenken welke kant ik op zou moeten zwemmen lukt mij niet. Ondertussen doe ik iets wat ik anders zelden doe: ik registreer wat ik zie met de camera van mijn mobiele telefoon, die – net als ik – haar verbinding met de vertrouwde wereld kwijt is.

Einsamkeit zeitigt das Originale, das gewagt und befremdend Schöne, das Gedicht.

(als boven)

*

*

*

*

*

*

*

 

Aan het eind van de dag, een paar minuten voor aanvang van de sjabbat, bel ik aan bij het gastgezin dat mij is toebedeeld. Even later zit ik in een lichte keuken, mijn koude handen om een kop thee geklemd, om mij heen de stralende gezichten van een warm gezin. Floep! Schaal om het ei, grond onder mijn voeten, wortels en bladeren aan mijn gedachten en gevoelens.

 

Read Full Post »

Gewoon Els

 

Vrienden kies je, familie niet. Maar hoe zit het met een vriendin, die je niet gekozen hebt, maar die jou koos? Gewoon zo. Zo van: “Wat wil je in je koffie?”, zonder eerst te vragen of je koffie wilt. Want natuurlijk wil je koffie. En natuurlijk wil je haar vriendinnetje zijn. Meestal schrik ik terug van zoveel overwicht, bang dat ik straks op de wip naar boven vlieg en niet meer op de grond kom. Maar ik had al “alleen melk” gezegd. Eigenlijk: “iem chalav, rak chalav“, want ze zou me helpen met mijn Ivriet.

Zo was onze vriendschap er gewoon, zonder te zijn ontstaan of zich te ontwikkelen. Ik bleef, altijd tot haar verbazing, tegenstribbelen tegen haar grenzeloze generositeit, terwijl ik mij warmde aan haar flamboyante persoonlijkheid. Ik genoot van haar aandoenlijke onbevangenheid, al was haar directheid soms wel ‘een uitdaging’ voor mijn tere ziel. Zij genoot er zichtbaar van om mij in haar jiddisjkat te laten delen, al hield ze tot het eind toe vol dat al mijn wensen mochten uitkomen, “alleen jij zelf niet, hoor!”

Zij was en bleef zo vanzelfsprekend zichzelf, dat ik mijn innerlijke aarzeling om me helemaal te geven als een tekortkoming van mijn kant ging zien. Dat bleek onterecht. Toen ik gisteren bij haar begrafenis de vele toespraken aanhoorde, kwam ik alle elementen van mijn ingewikkelde vriendschap met haar in die van de anderen tegen. Het viel me op dat er weinig of geen verschil was tussen de beleving van haar (door de oorlog weinig talrijke) familie en haar (zeer uitgebreide) vriendenschare, van wie velen haar al zestig jaar of langer kenden.

Het trof me dat meer dan één memoreerde dat Els graag kinderen gehad zou hebben en meteen herinnerde ik me de enige keer dat ik deze stoere, door niets en niemand te evenaren vrouw heb zien huilen: dat was toen ik het lied van Toeki Jossie voor haar zong. In stilte zong ik voor haar nog één keer over die arme papegaai, die kinderloos moest sterven. Had zij misschien haar vrienden tot familie gemaakt? Daar zat iets in, wat mij betreft, en misschien zag de verpleegkundige in het hospice, waar zij haar laatste twee weken doorbracht, dat ook wel, toen ze mij voor haar dochter hield.

Alles viel op z’n plek, toen ik de laatste woorden uit de speech van haar nichtje over het zwarte doek op haar kist hoorde rollen: “Je was altijd: gewoon Els!” Dat waren mijn eigen laatste woorden, toen ik haar een week geleden voor het laatst zag. Ik herinner me niets van de inhoud van de vriendschappelijke por tussen de ribben, die Els me gaf, tijdens wat misschien wel haar allerlaatste stoere, overmoedige moment was. Wel dat een vrijwilliger, die ook aan tafel zat, me spontaan in bescherming nam met een: “Nou, nou!” Ik lachte en zei: “Ach, dat is gewoon Els!”

Moge haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

 

Read Full Post »