Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

Ommekeer

 

Wat kan ik erover vertellen? Daar lag ik opeens, met koorts in bed en staarde op doktersbevel naar het plafond en dronk oneindig veel thee met gember en honing. “Het gaat wel weer over voordat je een jongetje wordt,” zouden de oude dames die ik normaal gesproken help met hun verzorging zeggen. Wat kon ik doen? Me realiseren dat machteloosheid niet mijn favoriete pose is? Mijn zonden overdenken?

Vooruit, dat dan maar. Daar was ik in mijn vakantie toch al aan begonnen. De onvrede over mijn werk was eindelijk zo groot geworden, dat ik er verandering in moest gaan brengen. Gelukkig waren de eerste stappen al gezet, dus ik lag daar niet geheel zonder richtinggevoel. Bovendien leefden we in de “ontzagwekkende dagen”, waarin het onze plicht is ons leven eens goed tegen het licht van Het Goede Leven te houden. Ik had al besloten dat ik me dit jaar niet nog eens extra zou bestraffen met schuldbewuste zieleroerselen, maar me op dat licht en de belofte van een goed leven zou richten.

De avonddienst van Rosj HaSjana (het joodse Nieuwjaar) had ik nog meegemaakt en daaruit had ik een welkome waarschuwing van onze rabbijn meegenomen. Zij was zich bewust van het averechtse effect dat al die teksten over “zonde” en “ommekeer” konden hebben op mensen die toevallig vanuit hun jeugd een negatief zelfbeeld met zich mee droegen. “Hen is het idee ingeprent dat ze ‘schuldig’ zijn aan van alles en nog wat, al was het maar omdat ze verantwoordelijk werden gemaakt voor van alles en nog wat en in die verantwoordelijkheid tekort schoten. Hoe kon het ook anders, als kind.” Tat tvam asi.

Een poos lang hield ik een boek omhoog, tussen mijzelf en het plafond. Daarin las ik het levensverhaal van Rabbi Israel Salanter, de grondlegger van de Mussar Beweging, een negentiende-eeuws joods ethisch réveil. Oog in oog met ’s mans eigenzinnige heiligheid en strenge discipline, maar vooral met zijn nadruk op zelfkritiek en het tenietdoen van eigenliefde, voelde ik weer even precies wat mijn rabbijn bedoelde met dat averechtse, verlammende effect. Zou het ook mogelijk zijn om de lat gewoon minder hoog te leggen? Of beter nog, me 180° om te draaien en ‘m heel ergens anders te hangen?

Zat van boek en plafond en van mijn eigen gedachtencirkels, besloot ik het beetje energie dat ik had eens te spenderen aan een kleine zoektocht naar muziek in mijn leven. Er was me namelijk, tijdens diezelfde avonddienst, iets intrigerends opgevallen. Terwijl onze chazzanit het Oenetanè Tokef  (Laat ons spreken over het Ontzagwekkende) voorzong, hoorde ik opeens Leonard Cohen meezingen.

 

 

 

Ja, wie roept hier eigenlijk? Overbekend, en toch altijd weer ontzagwekkend: dat besef van je eigen eindigheid. Door water? Door vuur? Door het zwaard? Door je eigen hand? Wat heb ik weer lopen dromen, lopen dwalen, het afgelopen jaar! Dat moet toch anders kunnen, en – zelfs al weet ik nog niet precies hoe – die gedachte montert me enorm op. Putte mijn rabbijn moed voor het nieuwe jaar uit het engelengeduld van glaskunstenaars Leopold en Rudolph Blaschka, ik haal de benodigde levenslust uit het overal opduiken van het woord “licht” in mijn innerlijk leven.

Zelfs in het negatief doet het zijn werk. YouTube schuift me vakkundig een volgend lied van Leonard Cohen toe: You want it darker. Vlak voor zijn dood uitgekomen, lijkt het haast alsof hijzelf het mij van gene zijde aanreikt.

 

 

Wat is dit eigenlijk? “You want it darker, we kill the flame.” Binnenste buiten gekeerd mystiek verlangen? Zelfhaat? Rebellie? Overgave? Uitdaging? Als een dobbelsteen laat ik alle mogelijkheden voor me uit rollen. Dan weet ik het: ik laat dat licht, dat overal opduikt, door dit negatief schijnen op een blanco jaar. Er verschijnt een soort vrijkaartje voor een goed leven, waarop staat dat ik mij het komende jaar maar eens moet gaan oefenen in gezonde eigenliefde. Leve het vlammetje.

*

 

Kumi ori! – Sta op en schitter!

Hineni! – Tot Uw dienst!

 

Advertenties

Read Full Post »

 

We leven in gemakkelijke tijden. Je hoeft maar te zeggen: “Ja, ik ben een beetje autistisch . . .” en je bent onmiddellijk geëxcuseerd voor al je sociale onhandigheden. En wanneer je geregeld steken laat vallen in de sfeer van afspraken of werk, dan roep je: “Ach ja, m’n ADHD!” en dan weet iedereen meteen waar ie aan toe is. Zelfs hooggevoeligheid kan men zo van een beperkend ongemak tot een comfortabele omhulling omtoveren. Maar daar gaat het mij vandaag niet om, terwijl ik op het punt sta te beweren dat een beetje autisme zo gek niet is.

We leven namelijk in krankzinnige tijden. Innovatie, flexibilisering en zelfregulatie hebben overduidelijk de wind in de rug. Een woord als ‘structuurbehoefte’ kom je alleen nog maar tegen in teksten uit het management over Het Nieuwe Werken, meestal geschreven in 2012 of 2013. Daar kan men dus met goed fatsoen niet meer mee aan komen. Zo ging ik mij vis à vis de planning op mijn werk eerlijk gezegd twee beetjes autistisch voelen, maar besefte ik tevens dat het me niet zou helpen om daarmee te gaan koketteren. Is het misschien tijd voor iets nieuws? Iets autismevriendelijks (ongeveer 29.000 resultaten (0,42 seconden))?

Dromend over een mogelijke rol voor mij in een academisch onderzoek naar het gebruik van gebedenboeken in de joodse eredienst en thuis, begon ik mijn vakantie het afgelopen weekeinde in een verre uithoek van Twente. In de stijve bankjes van een authentiek ‘mediene-sjoeltje’ in Haaksbergen nam ik deel aan de sjabbat ochtenddienst en viel me iets op dat ik wil onthouden, voor mijn werk en voor mijn dromen. Een inzicht, misschien alleen voor mij, maar mogelijk voor iedereen die een beetje autistisch door de wereld van vandaag reist.

De dienst liep als een trein op een onzichtbaar spoor (kedeng kedeng . . . ), volgens een orde van dienst die zich al enige eeuwen onveranderd overeind heeft weten te houden, geleid door een stel vlotte voorzangers en gedragen door een handvol zanglustigen, die duidelijk precies wisten wat van hen verwacht werd. Heel anders dan in het Huis van Vernieuwing, waar ik gewoonlijk mijn religieuze plichten vervul. Paradoxaal anders, althans in mijn beleving: waar alles telkens anders gaat, raak ik het vermogen om iets nieuws mee te maken ongemerkt kwijt. Te druk met het zoeken naar het juiste ritme om op te dansen, wordt ik houteriger in mijn innerlijk bewegen. Ben ik echt een beetje autistisch?

Omdat we inmiddels het moment van het joodse jaar naderen waarop alles opnieuw begint, ben ik geneigd lering te trekken uit mijn ervaringen op het werk en in de synagogen. Dat koketteren met autisme en de onderliggende gêne over mijn natuur is straks zóó 5777. Opgewekt beweeg ik mij naar een beter optimum van vrijheid in gebondenheid.

*

Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Oe oe!

 

Read Full Post »

Sjeimesbak

 

“Wacht even, moeder!” zegt de man en hij wijst me een stoel tegenover zich aan de keukentafel. “Zij weet nog niet wat een sjeimesbak is.” Terwijl zijn vrouw in haar peignoir geduldig staat te wachten tot ik haar kom helpen met douchen, krijg ik een lesje in orthodoxie. Mijn romantische fantasieën over een zolder als die van de Genizah van Caïro in elke sjoel worden enerzijds ontnuchterd tot beelden van een rolcontainer in een door tl-buizen verlichte bijkeuken, anderzijds dichterbij gebracht door een plastische beschrijving van de uiteindelijke bestemming van de ‘sjeimes‘ uit de ‘sjeimesbak‘. “Als er iemand begraven wordt, gaat er eerst een laag boeken in de kuil, dan een beetje zand erover en daar komt de kist weer bovenop.”

Even later ben ik weer gewoon de verzorgende in de thuiszorg en hanteer ik vakkundig het washandje en de handdoek. Innerlijk geniet ik van het besef dat ik deel ben geworden van een bijzondere liefdesgeschiedenis, de liefde van een volk en een boek. Voor zover ik het kan nagaan begint dat verhaal in hoofdstuk acht van het boek Nehemia:

Aan het begin van de zevende maand, toen de Jisraëlieten [die teruggekeerd waren uit de Babylonische ballingschap] zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich op het plein voor de Waterpoort. Men vroeg Ezra, de schrijver, het boek te halen met de wet van Mosjee, de wet die de Eeuwige aan Jisraëel had opgelegd. Ezra, de priester, haalde het wetboek en toonde het aan de aanwezige mannen en vrouwen, en aan iedereen die in staat was het te begrijpen. Dit gebeurde op de eerste dag van de zevende maand. Op het plein voor de Waterpoort las Ezra de mannen en de vrouwen en iedereen die het begrijpen kon hardop uit het boek voor, vanaf het moment dat het licht werd tot aan de middag. Allen luisterden aandachtig naar het boek van de wet.

Nehemia 8:1-3

Op een zeker moment moet Ezra geschrokken zijn, want “heel het volk was in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde.” Was het ontroering? Of verdriet om de afstand tussen dit moment en de dag dat hun voorouders die wet op de Sinaï hadden ontvangen? Ezra en de aanwezige priesters drukken de menigte op het hart dat dit een dag is om feest te vieren:

Maak een feestmaal klaar met lekker eten en drinken, en deel ervan uit aan wie niets heeft, want deze dag is gewijd aan onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde die de eeuwige u geeft, is uw kracht.

Nehemia 8:10

Zoals het altijd gaat met liefde, vreugde en kracht, is ook deze eeuwig als het gras. Overal op de wereld waar Joden wonen bloeit zij eenmaal per jaar uitbundig op in het feest van de Vreugde der Wet, maar door het hele jaar, door alle eeuwen heen breidt zij zich uit over alle heilige geschriften. Een Tenach of een gebedenboek leg je niet op de grond en mocht het vallen, dan raap je het op en kus je het. Je laat het niet open liggen, wanneer je de kamer uit gaat. Je leest erin, wanneer je gaat slapen en wanneer je weer opstaat. En als het helemaal stukgelezen is, dan gooi je het niet zomaar weg, maar breng je het naar de sjeimesbak. Misschien kus je het nog één keer.

Deze liefde is zeer aan mij  besteed en soms lijkt mijn huis wel een beetje op een sjeimesbak en ik op dat jochie hierboven. Tegelijk vraag ik me af hoe haar geschiedenis verder zal gaan, tegen de tijd dat mijn gebeente op een laagje boeken ligt te rusten. Naast mij in sjoel zit een jonger iemand, die een smart-phone tevoorschijn haalt, zodra de Tora-rol geopend wordt: je kunt tegenwoordig meelezen in een app. Wat gebeurt er met de heilige letters, met de onuitsprekelijke naam van God, op het moment dat je die app weer weg klikt? Wat valt er nog te kussen of te begraven, als tenslotte ook de liefdesgeschiedenis van Het Boek “digitaal gaat”?

Read Full Post »

Wrede morgenstond

 

In mijn vorige bericht vergeleek Shakespeare de dood met slapen. Lawrence maakte er een mystieke zeereis van, maar op het moment dat zijn “frail soul” weer grond onder de voeten voelt, is er opeens sprake van een dageraad: “the cruel dawn of coming back to life / out of oblivion”. In het ochtendgloren ziet hij de aarde droogvallen en daar ligt zijn lichaam, als een slakkenhuis op het strand, klaar om in terug te kruipen. Het hart krijgt een zetje, als de slinger van een klok. Dan tikt het klokje weer, zoals thuis, en nergens anders.

Ach, hoe doet dit alles mij denken aan joods wakker worden. Gaan niet de eerste woorden die ’s morgens over mijn lippen komen over de thuiskomst van mijn ziel, die ik de avond tevoren in de hand van de Eeuwige had gelegd? Meteen gooit die ziel de ramen open en zodra zij heeft gemerkt dat alles het weer doet, prijst zij de Koning van het heelal om het wonder van haar lichaam. Dan voel ik mij thuis en loof ik de Eeuwige om mijn ziel, die zuiver is, dat wil zeggen: helemaal van mij alleen, ook al is Hij het die alles doet. Scheppen, vormen, inblazen, bewaren, wegnemen, teruggeven.

Dan volgt de eerste ‘bracha‘, waar ik eigenlijk een haan voor bij de hand zou moeten hebben, die het verschil tussen dag en nacht kent. Ik denk dan maar aan Poeze-Mien, die weet daar ook wel raad mee. Tja, en daarna heb ik de keuze tussen drie liberale zegenspreuken of één orthodoxe. Meestal gedraag ik me als een rechtgeaarde feministe en prijs ik de hemel dat ik een (genderneutraal!) mens ben, want naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, een dochter van de vrijheid bovendien en nog joods ook. Een enkele keer warm ik me op aan de oude, rechtzinnige vrouwen-broche: “Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God! Koning van ’t heelal, die mij naar Uw welbehagen geschapen hebt.” Omdat het voor mij geen kwaad kan me af en toe te realiseren dat ik goed ben zoals ik ben.

Tien spreuken verder ben ik zowaar blij dat Iemand mij de slaap uit de ogen gewreven heeft. Eigenlijk is het een beetje raar dat we die lofzeggingen tijdens de sjabbat ochtenddienst in sjoel herhalen. Ze zijn uniek onder de gebeden, doordat ze in de eerste persoon enkelvoud gesteld zijn. Laatst probeerde onze dienstleider daar iets van terug te brengen in de liturgie, door ons uit te nodigen een persoonlijke zegening uit te spreken. Ik had er meteen eentje klaar, maar die heb ik niet hardop gezegd, toen ik merkte dat anderen de toon zetten door allerlei bovenpersoonlijke zaken te berde te brengen, tot aan de wens voor wereldvrede toe.

Hier, in de anonimiteit van het internet, durf ik het wel: ik zou mijn God willen loven, omdat mijn kat ’s morgens vroeg op mijn bed springt en meteen begint te spinnen. Ha ha, denkt God, zo lust Ik er nog wel één! Hij die de haan het vermogen heeft verleend “om tusschen den dag en den nacht te onderscheiden”, schonk Poeze-Mien het talent om bij het krieken van de dag op jacht te gaan. Ik hoor het al aan de klank van haar miauwtje. Daar staat ze weer voor mijn bed, met een vette muis in haar bek. Gelukkig springt ze vandaag niet op me. Ze gooit de muis vlak voor me op de grond. Fijn, het arme diertje leeft al niet meer, dus ik hoef zijn doodstrijd niet te zien. Wat wil de kat eigenlijk? Dat ik de muis samen met haar opeet? Of betekent haar gebaar: zullen we samen spelen?

Terwijl ik ook haar een beetje loof en prijs, pak ik het grauwe lijkje bij de staart, loop naar het toilet en spoel het door. Met enige aarzeling ga ik zitten en geniet van het wonder van mijn lichaam. Alles doet het weer. “Ook goedemorgen, Poeze-Mientje!”

Read Full Post »

Afstand

09082017

 

Weer wat geleerd: volgens een deskundige behoor ik tot een mensentype (daarvan zijn er negen, dus ik ben beslist niet de enige) dat probeert zijn identiteit te baseren op zijn eigen gevoelens. Soms zelfs op zijn emotionele reacties op wat het leven brengt. Dat is volgens die deskundige een hachelijk avontuur en daar kan ik als ervaringsdeskundige uiteraard over meepraten. Toevallig had ik het er recentelijk nog over, hier op dit weblog. En ongeveer tegelijkertijd las ik een artikel in de krant over de zegeningen van het kwijtraken van jezelf – of je ‘zelf’.

Nu heb ikzelf daarover, zoals over alles, altijd gemengde gevoelens gehad. Zolang ik nog druk doende was met het verkrijgen van zo’n ‘zelf’, moest ik er niet aan denken er alweer afstand van te moeten doen. Tegelijk kon dat hele gedoe me soms zozeer gestolen worden, dat al wat in mij was leek te verlangen naar vergetelheid.

And if tonight my soul may find her peace
in sleep, and sink in good oblivion,
and in the morning wake like a new-opened flower
then I have been dipped again in God, and new-created.

Shadows door D.H. Lawrence

In het hierboven genoemde artikel trof mij een inzicht, dat aan Daniel Dennett werd toegeschreven: “(…) beslissingen worden op verschillende plekken in ons brein genomen en er bestaat geen centraal handelend zelf. Het zelf wordt geconstrueerd door het brein, en niet eens continu, maar af en toe. De rest van de tijd is het afwezig.” Tja, bij nader inzien ben ik dus zo gek nog niet. Niemand ontkomt eraan, aan dat zoeken en kwijtraken van zichzelf. Zouden er dan negen verschillende manieren zijn om die beide extremen te bereiken, of het midden daartussen te bewandelen?

Vervolgens las ik iets in het artikel dat er niet stond. Ik begreep dat we het ‘zelf’ construeren, zoals we een vertrouwd landschap waarnemen: het bestaat uit oneindig veel details en het is altijd aan verandering onderhevig en toch ervaren we het als iets statisch. Er hangt als het ware een schilderij van in onze bovenkamer. Dat ik “werkelijkheid” onbewust verving door “landschap”, zegt iets over de manier waarop ik me tot de wereld om mij heen én tot mijn eigen binnenwereld probeer te verhouden. Weliswaar wandel ik erin, maar voor mijn gevoel doe ik dat altijd bergopwaarts, zodat ik op zeker moment uitzicht heb over een landschap.

Nu zou ik het verder bijvoorbeeld over landschapsarchitectuur kunnen hebben en bij de mystiek van Zuster Bertken en haar “hoofken” uit kunnen komen, maar dat doe ik niet. Vandaag ben ik geboeid door de idee van afstand nemen, aangetrokken door heldere berglucht. Bovendien gonst er een ander inzicht in mijn herinnering. Ergens in zijn boek Über das Wesen der Bienen maakt Rudolf Steiner een opmerking over bijen en individualiteit. Volgens hem is een honingbij op zichzelf eigenlijk geen individu, misschien zelfs niet eens een dier. Buiten haar bijenvolk kan zij immers geen dag leven. En dan stelt hij zich voor dat je een heel bijenvolk onder het omgekeerde van een microscoop zou kunnen leggen. (Uitzoomen, zouden wij nu zeggen.) Dan zou je, volgens hem, op zeker moment een soort aangezicht zien en zou de imme een persoon worden.

In de jaren dat ik bijen hield heb ik mij er geregeld over verwonderd, dat elk volk een eigen karakter leek te bezitten. Een karakter dat bovendien constant bleef zolang de voortdurend wisselende populatie dezelfde moeder had. Ook bleef het mij intrigeren dat een volk altijd een volk bleef, niet alleen wanneer het ’s winters als een bal tussen de rijk gevulde raten samenklonterde, maar ook als het zichzelf verloor in het zomers landschap, verstrooid over een oppervlak met een diameter van wel zes kilometer. Helaas kon ik de bijen niet vragen of zij het zelf ook zo ervoeren, of zij bij zichzelf een ‘zelf’ gewaar werden.

Hoe deed ik dat zelf, toen ik mijzelf een wolkje muggen boven een tuinpad voelde? Hoe doe ik dat nu, terwijl ik mijn verstrooide gedachten samen probeer te brengen in een tekst die anderen kunnen begrijpen? Misschien moet ik hoger en hoger klimmen. Hoger dan de blauwe luchten, tot waar ik het allemaal op grote afstand zie en begrijp. Als een landschap, als een aangezicht.

Read Full Post »

Verwoesting

Over een paar dagen is het de negende van de maand Av. Dan rouwen Joden over de hele wereld om de beide verwoestingen van de Tempel van Jeruzalem, in 587 vóór en in 70 ná de gewone jaartelling. Dit jaar wordt die rouw sterk gekleurd door de interne conflicten rond het recht om te bidden bij de Westelijke Muur en door het recente geweld om de toegang tot de tempelberg zelf. Het is daarom dat ik als toevoeging op het lezen van Eicha (Klaagliederen van Jeremia) en de traditionele kinnot een gedicht van Jehuda Amichai heb gekozen en vertaald:

*

De plek waar wij gelijk hebben

Op de plek waar wij gelijk hebben
zullen nooit bloemen bloeien
in de lente.

De plek waar wij gelijk hebben
is platgetrapt en hard,
als een boerenerf.

Maar twijfels en romances
woelen de wereld tot rulle grond,
als een mol, als een ploeg.

Gefluister zullen we horen
op de plek waar het huis stond,
het huis dat is verwoest.

*

 

Read Full Post »

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Read Full Post »

Older Posts »