Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

 

Maar wat als je toevallig een minder fijn zelf hebt en dat toch moet zijn? Ik was beslist de enige niet, die zich af en toe het hoofd brak over de hardnekkige ontevredenheid van mevrouw D., een alleenstaande dame van rond de honderd, die na een lang en zeer zelfstandig leven uiteindelijk hulpbehoevend was geworden. Met onze hulp werd zij elke morgen uit bed gehaald, opgefrist, van een ontbijt voorzien en naar de zitkamer begeleid, alwaar zij de dag liggend op de bank doorbracht. Kort na twaalven maakte één van ons voor haar een lunch klaar, tegen zessen kwam iemand een halve kant-en-klaar-maaltijd voor haar opwarmen en voor de nacht werd zij weer in haar pyjama gehesen en in haar eigen bed te ruste gelegd.

Steevast werden deze “algemene dagelijkse levensverrichtingen” door haar van commentaar voorzien. Niets was naar haar zin en nergens had zij zin in, maar omdat zij een buitengewoon plichtsgetrouw karakter bezat, moest alles niettemin zeer zorgvuldig worden uitgevoerd. In mijn ogen klopte daar iets niet: de liefdevolle gebaren, waarmee zij het kommetje Brinta leeg schraapte (haar lepel was aan één kant scheef afgesleten!), staken af tegen het schaamteloze misprijzen waarmee zij de pap in ontvangst had genomen. Eigenlijk verwachtte ik haar te zien likkebaarden als een poes, na het laatste hapje. Maar nee, al snel was er wel iets anders om op te mopperen.

Vaak trad op een zeker moment een soort meta-onvrede in werking. Mevrouw was namelijk op latere leeftijd “tot de Heer gekomen” en werd er door haar geloofsgenoten trouw op gewezen dat zij dankbaar moest zijn. Maar zij was nu eenmaal niet blij. Nergens mee, waarschijnlijk ook niet met zoiets abstracts als het zoenoffer op Golgotha, waardoor haar zonden waren uitgewist. Die ondankbaarheid nam zij zichzelf zeer kwalijk en daarmee richtte het misnoegen over Alles zich tenslotte op haar eigen zelf. Zij was zoals ze was en dat was niet goed. Zelfs de dood van Christus leek daar niets aan te kunnen veranderen en dat was erg, erger, allerergst. Deze zelfkastijding, waarvan ik regelmatig getuige moest zijn, vond ik het moeilijkste moment van de verzorging. Ik ben dan wel een stuk tastbaarder aanwezig dan haar Jezus, maar als die haar al geen vrede met zichzelf kon geven, wie dan wel?

Sommige van mijn collega’s meenden wel te weten waar die onvrede vandaan kwam. “Dat is toch onvoorstelbaar: dat je honderd wordt en in je hele leven nooit één keer seks hebt gehad?” zei A., die zelf overduidelijk niet tekort gekomen was en tegelijkertijd onbevangen genoeg om mevrouw D. daarnaar te vragen. Ook I. vroeg zich af of niet alles anders geweest zou zijn, als mevrouw op zeker moment een leuke man zou zijn tegengekomen. “Of een leuke vrouw,” opperde ik. “Ach ja, natuurlijk! Sorry!” verontschuldigde zij zich nog. Maar eigenlijk deed ook dat er niet toe: mevrouw had een milde vorm van smetvrees, en dat is meestal een contra-indicatie voor seks als remedie.

In de dagen vlak voor haar 102-de verjaardag dacht ik nog maar eens na over het onbehagen van mevrouw D., en ik verdwaalde in een pakhuis vol herinneringen aan ontmoetingen met mensen die niet blij waren met het leven en het ook met zichzelf niet getroffen hadden. Daar kwam ik ook prachtige verhalen tegen, zoals De vijf zinnen van Karel van de Woestijne, waarin boer Nand op zijn sterfbed ligt, terwijl het in hem weent en drenst: “Ik zal toch wel nooit mijnen wél hebben.” In zijn eenzaamheid komt een breugheliaanse processie van zintuiglijke herinneringen hem het medicijn indruppelen, waardoor hij toch niet bang en verongelijkt zal hoeven doodgaan, zoals de stadgenoot in het gedicht van Jan Elburg.

Ook al hoort mevrouw D. voor mij inmiddels bij “mijn oude werk”, toch ging ze mij voldoende aan ’t hart om haar even een bezoekje te brengen aan de vooravond van haar verjaardag. Met een eenvoudig bosje duizendschoon heb ik een uurtje bij haar gezeten. Ik las haar de verjaarkaarten voor, die ik van de mat geraapt had, en we hebben een paar oude liedjes gezongen, die we allebei kenden. Echt praten was te lastig vanwege haar te ruim zittende gehoorapparaatje. De stiltes waren bijna vredig en ze sprak het woord “duizendschoon” uit met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee ze altijd het laatste restje pap uit haar kommetje schraapte. Niks bang, niks verongelijkt.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Nog even en we vieren weer onze nationale Bevrijdingsdag. In de media en op scholen doen wij dan  een poging ons voor te stellen wat vrijheid voor ons betekent. Dat valt doorgaans niet mee, wanneer je die vrijheid dagelijks geniet en het wordt moeilijker, naarmate de dag van bevrijding verder in het verleden wegzinkt. Stel je voor hoe dat op 5 mei 5279 (ik doe maar een gooi) zal zijn. Ons landje weggezakt in de Atlantische Oceaan, Mokum nog slechts een mythe en een handjevol Hollanders in de diaspora. Er zullen tulpen bloeien in Siberië.

Ik vier vandaag de laatste dag van het acht dagen durende bevrijdingsfeest van die andere natie waartoe ik begin te behoren. Op de eerste twee avonden nam ik op twee plaatsen deel aan de seder, het traditionele pesachmaal. Dat wordt in ieder geval al meer dan tweeduizend jaar gevierd. (Jezus deed het ook al.) Het draaiboek voor dat samenzijn, de haggada, bestaat zeker meer dan duizend jaar en is in al die jaren niet wezenlijk veranderd. Is dat niet star? Nee, want de essentie van het feest is dat het verhaal verteld wordt als waren wij er zelf bij toen het gebeurde.

Er zijn verschillende manieren om het verhaal van onze bevrijding uit Egypte te verbinden met wat er nu in en om ons gebeurt. Zo kun je naast de traditionele seder schotel een aantal voorwerpen tonen, die verwijzen naar groepen mensen in onze wereld die ook nu nog onderdrukt worden. Of je kunt je afvragen in hoeverre je zelf vrij in het leven staat. Dat heeft in mijn beleving al gauw iets AA-igs: het antwoord blijft hangen in de nevelen tussen sociaal wenselijke bekentenissen en dat wat we zelf niet eens weten.

Eerlijk gezegd was ik blij dat ik mij, na de wisseling van baan in de afgelopen maanden, op een betrekkelijk luw stukje van mijn levensweg bevond. Toen ik dat hardop zei, meende ik een kritische vonk te zien glimmen in de ogen van de rabbijn. Of was het mijn eigen innerlijke stemmetje, dat altijd roept dat het nooit goed genoeg zal zijn? Voor ik kon zeggen dat ik dáár wel eens van bevrijd zou willen worden, was de seder alweer een eind voort gerold. Vier glazen verder was ik mijn benauwenis alweer vergeten en anders aan het eind van de volgende avond wel.

Op de derde dag stond ik op, om te werken. Niet eens brak, ondanks al die glazen. De zon scheen en al ging ik, net als alle andere mensen, gewoon aan het werk, het was alsof ik vakantie had. Roze wolken van bloeiende prunus dreven langs mijn weg en in alle huizen waar ik kwam, knisperden de matzekruimels onder mijn voeten. Het voelde alsof ik na een heerlijke liefdesnacht in de armen van mijn geliefde wakker werd. Had ik dan mijn bevrijding zomaar kado gekregen? ” – Hij geeft het Zijn lieveling in de slaap.” (Psalm 127:2)

Dat gevoel hield de hele week aan, ook al werkte ik meetbaar meer dan anders. Zelfs het gebruikelijke gevoel voor een dilemma te staan, toen de planner mij vroeg om voor een zieke collega in te vallen, terwijl ik daar eigenlijk geen zin in had, was afwezig. Alleen de verbazing daarover herinnerde mij aan de vertrouwde druk. Ik was iets kwijt, maar ging er niet naar zoeken. Zonder te zoeken vond ik iets anders: een inspirerend pesach-verhaal van een andere blogger. En dit is volgens haar de crux van Pesach:

De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen.”

Exodus 9:1

Dat klinkt paradoxaal: bevrijd worden om te gaan dienen. Esther Weissman-Erwteman legt in haar blog uit hoe dat dienen bestaat in het doen van Gods opdrachten (mitswot). Als je die doet, alleen om God te dienen, voor geen enkel ander doel, dan zijn het beperkingen die een ongekende vrijheid schenken. Misschien was dat wat ik de afgelopen week heb ervaren.

Read Full Post »

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Read Full Post »

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Read Full Post »

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.

Read Full Post »

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

Read Full Post »

Older Posts »