Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

Afstand

09082017

 

Weer wat geleerd: volgens een deskundige behoor ik tot een mensentype (daarvan zijn er negen, dus ik ben beslist niet de enige) dat probeert zijn identiteit te baseren op zijn eigen gevoelens. Soms zelfs op zijn emotionele reacties op wat het leven brengt. Dat is volgens die deskundige een hachelijk avontuur en daar kan ik als ervaringsdeskundige uiteraard over meepraten. Toevallig had ik het er recentelijk nog over, hier op dit weblog. En ongeveer tegelijkertijd las ik een artikel in de krant over de zegeningen van het kwijtraken van jezelf – of je ‘zelf’.

Nu heb ikzelf daarover, zoals over alles, altijd gemengde gevoelens gehad. Zolang ik nog druk doende was met het verkrijgen van zo’n ‘zelf’, moest ik er niet aan denken er alweer afstand van te moeten doen. Tegelijk kon dat hele gedoe me soms zozeer gestolen worden, dat al wat in mij was leek te verlangen naar vergetelheid.

And if tonight my soul may find her peace
in sleep, and sink in good oblivion,
and in the morning wake like a new-opened flower
then I have been dipped again in God, and new-created.

Shadows door D.H. Lawrence

In het hierboven genoemde artikel trof mij een inzicht, dat aan Daniel Dennett werd toegeschreven: “(…) beslissingen worden op verschillende plekken in ons brein genomen en er bestaat geen centraal handelend zelf. Het zelf wordt geconstrueerd door het brein, en niet eens continu, maar af en toe. De rest van de tijd is het afwezig.” Tja, bij nader inzien ben ik dus zo gek nog niet. Niemand ontkomt eraan, aan dat zoeken en kwijtraken van zichzelf. Zouden er dan negen verschillende manieren zijn om die beide extremen te bereiken, of het midden daartussen te bewandelen?

Vervolgens las ik iets in het artikel dat er niet stond. Ik begreep dat we het ‘zelf’ construeren, zoals we een vertrouwd landschap waarnemen: het bestaat uit oneindig veel details en het is altijd aan verandering onderhevig en toch ervaren we het als iets statisch. Er hangt als het ware een schilderij van in onze bovenkamer. Dat ik “werkelijkheid” onbewust verving door “landschap”, zegt iets over de manier waarop ik me tot de wereld om mij heen én tot mijn eigen binnenwereld probeer te verhouden. Weliswaar wandel ik erin, maar voor mijn gevoel doe ik dat altijd bergopwaarts, zodat ik op zeker moment uitzicht heb over een landschap.

Nu zou ik het verder bijvoorbeeld over landschapsarchitectuur kunnen hebben en bij de mystiek van Zuster Bertken en haar “hoofken” uit kunnen komen, maar dat doe ik niet. Vandaag ben ik geboeid door de idee van afstand nemen, aangetrokken door heldere berglucht. Bovendien gonst er een ander inzicht in mijn herinnering. Ergens in zijn boek Über das Wesen der Bienen maakt Rudolf Steiner een opmerking over bijen en individualiteit. Volgens hem is een honingbij op zichzelf eigenlijk geen individu, misschien zelfs niet eens een dier. Buiten haar bijenvolk kan zij immers geen dag leven. En dan stelt hij zich voor dat je een heel bijenvolk onder het omgekeerde van een microscoop zou kunnen leggen. (Uitzoomen, zouden wij nu zeggen.) Dan zou je, volgens hem, op zeker moment een soort aangezicht zien en zou de imme een persoon worden.

In de jaren dat ik bijen hield heb ik mij er geregeld over verwonderd, dat elk volk een eigen karakter leek te bezitten. Een karakter dat bovendien constant bleef zolang de voortdurend wisselende populatie dezelfde moeder had. Ook bleef het mij intrigeren dat een volk altijd een volk bleef, niet alleen wanneer het ’s winters als een bal tussen de rijk gevulde raten samenklonterde, maar ook als het zichzelf verloor in het zomers landschap, verstrooid over een oppervlak met een diameter van wel zes kilometer. Helaas kon ik de bijen niet vragen of zij het zelf ook zo ervoeren, of zij bij zichzelf een ‘zelf’ gewaar werden.

Hoe deed ik dat zelf, toen ik mijzelf een wolkje muggen boven een tuinpad voelde? Hoe doe ik dat nu, terwijl ik mijn verstrooide gedachten samen probeer te brengen in een tekst die anderen kunnen begrijpen? Misschien moet ik hoger en hoger klimmen. Hoger dan de blauwe luchten, tot waar ik het allemaal op grote afstand zie en begrijp. Als een landschap, als een aangezicht.

Read Full Post »

Verwoesting

Over een paar dagen is het de negende van de maand Av. Dan rouwen Joden over de hele wereld om de beide verwoestingen van de Tempel van Jeruzalem, in 587 vóór en in 70 ná de gewone jaartelling. Dit jaar wordt die rouw sterk gekleurd door de interne conflicten rond het recht om te bidden bij de Westelijke Muur en door het recente geweld om de toegang tot de tempelberg zelf. Het is daarom dat ik als toevoeging op het lezen van Eicha (Klaagliederen van Jeremia) en de traditionele kinnot een gedicht van Jehuda Amichai heb gekozen en vertaald:

*

De plek waar wij gelijk hebben

Op de plek waar wij gelijk hebben
zullen nooit bloemen bloeien
in de lente.

De plek waar wij gelijk hebben
is platgetrapt en hard,
als een boerenerf.

Maar twijfels en romances
woelen de wereld tot rulle grond,
als een mol, als een ploeg.

Gefluister zullen we horen
op de plek waar het huis stond,
het huis dat is verwoest.

*

 

Read Full Post »

 

Het rommelt in de zorg. Overal is het een rommeltje. Ik wilde zo graag een beetje rust in mijn werk, maar inmiddels weet ik niet meer waar ik die moet zoeken. Merkwaardig misschien, maar dat geeft, behalve een gevoel van verlies, ook een gevoel van vrijheid. Afwisselend en gelijktijdig. Werk zal er altijd zijn, opties voor de nabije toekomst te over en er is nergens haast bij, want deze toestand zal nog wel even voortduren. Tot aan mijn pensionering wellicht. Vrij van keuzestress kijk ik daarom rustig naar het onrustige heen en weer schieten van mijn kompasnaald. Met een gevoel van speelsheid schud ik mijn kaarten en rol ik de dobbelstenen in de holte van mijn hand. Of misschien ga ik mijn neus wel achterna.

Ach, dan weet ik wel “hoe ek dit het en waar ek hoort”! Gisterochtend vroeg trad ik een flatje in Amstelveen binnen, waar ik een keurige oude dame met een nogal ondeugend gevoel voor humor ging helpen met wassen en aankleden. “Hmm, wat ruikt het hier lekker!” riep ik. “Ja, ik was vanmorgen al om half zeven op,” zei mevrouw. “Dus ik zei tegen die kip: jij vindt het vast niet erg dat ik nog in mijn pyjama ben. En hij zei niks terug, dus toen zei ik: je hebt er ook wel geen bezwaar tegen dat je de pan in gaat, toch? En daar ligt-ie dan, al een uur, met nog twee uur te gaan.”

Toen ze mij zag lachen, smaakte dat naar meer en ze vervolgde: “Die kip, die lacht niet meer.” Heel even keek ik door het glazen deksel van haar soeppan en terwijl ik mij aan die heerlijke vette geur in haar keuken te goed deed, constateerde ik: “Hij ligt lekker in zichzelf te pruttelen.” “Ja, die redt zich wel,” sprak de oude dame tevreden en zij draaide zich om naar de badkamer.

Ook in het volgende huis waar ik kwam werd de Eeuwige gediend. Dat kon je ruiken, zodra de voordeur openging. Hier trof ik een oma met een huis vol kleinkinderen, van wie de ouders vandaag terug zouden komen van een korte vakantie. “Die zijn erg vroom,” fluisterde de vrouw, “dus ik moet zorgen dat alles voor sjabbat helemaal in orde is.” De haringsalade was al klaar en de aardappels voor de viskoekjes stonden naast de kippensoep op het gasstel. Mevrouw was erg spraakzaam tijdens het douchen, dus de aardappels waarschuwden nog maar net op tijd via mijn neus dat ze stonden droog te koken.

Vroom of ‘klokvrij‘, het heiligdom in de tijd (zoals Abraham Joshua Heschel de sjabbat noemt) ruikt niet naar kaarsen of wierook, maar naar kippensoep. De Eeuwige, die ons heeft verordonneerd op de zevende dag te rusten van al ons werk, wil dat wij die dag apart zetten en ‘heel’ houden. We mogen wel iets van die heiligheid over het alledaagse heen morsen, maar niet andersom.

Het zijn vooral de geuren, die zich buiten de grenzen van de sjabbat begeven en deze aldus markeren – of verzachten. Aan het einde, vlak voor het moment dat wij de havdala-kaars in de wijn doven, laten we de besamiem-houder rondgaan, om de herinnering aan het voorproefje van de Vrede olfactorisch te bevestigen met de geur van specerijen. Dat mogen we op z’n laatst dinsdag doen. En, zoals je ziet, donderdagmorgen komt de volgende sjabbat ons alweer tegemoet, drijvend op de geur van feestelijk eten.

Shlep mikh, ikh gey gern!

 

Read Full Post »

 

Maar wat als je toevallig een minder fijn zelf hebt en dat toch moet zijn? Ik was beslist de enige niet, die zich af en toe het hoofd brak over de hardnekkige ontevredenheid van mevrouw D., een alleenstaande dame van rond de honderd, die na een lang en zeer zelfstandig leven uiteindelijk hulpbehoevend was geworden. Met onze hulp werd zij elke morgen uit bed gehaald, opgefrist, van een ontbijt voorzien en naar de zitkamer begeleid, alwaar zij de dag liggend op de bank doorbracht. Kort na twaalven maakte één van ons voor haar een lunch klaar, tegen zessen kwam iemand een halve kant-en-klaar-maaltijd voor haar opwarmen en voor de nacht werd zij weer in haar pyjama gehesen en in haar eigen bed te ruste gelegd.

Steevast werden deze “algemene dagelijkse levensverrichtingen” door haar van commentaar voorzien. Niets was naar haar zin en nergens had zij zin in, maar omdat zij een buitengewoon plichtsgetrouw karakter bezat, moest alles niettemin zeer zorgvuldig worden uitgevoerd. In mijn ogen klopte daar iets niet: de liefdevolle gebaren, waarmee zij het kommetje Brinta leeg schraapte (haar lepel was aan één kant scheef afgesleten!), staken af tegen het schaamteloze misprijzen waarmee zij de pap in ontvangst had genomen. Eigenlijk verwachtte ik haar te zien likkebaarden als een poes, na het laatste hapje. Maar nee, al snel was er wel iets anders om op te mopperen.

Vaak trad op een zeker moment een soort meta-onvrede in werking. Mevrouw was namelijk op latere leeftijd “tot de Heer gekomen” en werd er door haar geloofsgenoten trouw op gewezen dat zij dankbaar moest zijn. Maar zij was nu eenmaal niet blij. Nergens mee, waarschijnlijk ook niet met zoiets abstracts als het zoenoffer op Golgotha, waardoor haar zonden waren uitgewist. Die ondankbaarheid nam zij zichzelf zeer kwalijk en daarmee richtte het misnoegen over Alles zich tenslotte op haar eigen zelf. Zij was zoals ze was en dat was niet goed. Zelfs de dood van Christus leek daar niets aan te kunnen veranderen en dat was erg, erger, allerergst. Deze zelfkastijding, waarvan ik regelmatig getuige moest zijn, vond ik het moeilijkste moment van de verzorging. Ik ben dan wel een stuk tastbaarder aanwezig dan haar Jezus, maar als die haar al geen vrede met zichzelf kon geven, wie dan wel?

Sommige van mijn collega’s meenden wel te weten waar die onvrede vandaan kwam. “Dat is toch onvoorstelbaar: dat je honderd wordt en in je hele leven nooit één keer seks hebt gehad?” zei A., die zelf overduidelijk niet tekort gekomen was en tegelijkertijd onbevangen genoeg om mevrouw D. daarnaar te vragen. Ook I. vroeg zich af of niet alles anders geweest zou zijn, als mevrouw op zeker moment een leuke man zou zijn tegengekomen. “Of een leuke vrouw,” opperde ik. “Ach ja, natuurlijk! Sorry!” verontschuldigde zij zich nog. Maar eigenlijk deed ook dat er niet toe: mevrouw had een milde vorm van smetvrees, en dat is meestal een contra-indicatie voor seks als remedie.

In de dagen vlak voor haar 102-de verjaardag dacht ik nog maar eens na over het onbehagen van mevrouw D., en ik verdwaalde in een pakhuis vol herinneringen aan ontmoetingen met mensen die niet blij waren met het leven en het ook met zichzelf niet getroffen hadden. Daar kwam ik ook prachtige verhalen tegen, zoals De vijf zinnen van Karel van de Woestijne, waarin boer Nand op zijn sterfbed ligt, terwijl het in hem weent en drenst: “Ik zal toch wel nooit mijnen wél hebben.” In zijn eenzaamheid komt een breugheliaanse processie van zintuiglijke herinneringen hem het medicijn indruppelen, waardoor hij toch niet bang en verongelijkt zal hoeven doodgaan, zoals de stadgenoot in het gedicht van Jan Elburg.

Ook al hoort mevrouw D. voor mij inmiddels bij “mijn oude werk”, toch ging ze mij voldoende aan ’t hart om haar even een bezoekje te brengen aan de vooravond van haar verjaardag. Met een eenvoudig bosje duizendschoon heb ik een uurtje bij haar gezeten. Ik las haar de verjaarkaarten voor, die ik van de mat geraapt had, en we hebben een paar oude liedjes gezongen, die we allebei kenden. Echt praten was te lastig vanwege haar te ruim zittende gehoorapparaatje. De stiltes waren bijna vredig en ze sprak het woord “duizendschoon” uit met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee ze altijd het laatste restje pap uit haar kommetje schraapte. Niks bang, niks verongelijkt.

Read Full Post »

Ontzag

 

Op de kop af een jaar geleden werd me, voor een soort sollicitatie, gevraagd in het kort mijn levensloop te vertellen. Toen ik klaar was met het benoemen van alles dankzij – of ondanks – hetwelk ik was waar ik nu was, kwam de vraag: “Wat heeft jou zo lang op de been gehouden?” Toch nog wat overrompeld mompelde ik iets klunzigs over een “religieus verlangen”, maar eigenlijk had ik moeten zeggen: “Ontzag voor het Leven.” En dat ontzag is oorspronkelijk helemaal niet zo religieus gefundeerd.

Wel is het onlosmakelijk verbonden met de zelfmoord van mijn broertje, in 1985. In de aanloop daarnaartoe schoof hij steeds consequenter de mensen uit zijn leven, die – zo zei hij het echt – “niet depressief genoeg waren”. Blijkbaar was ik dat wel, want ik ben er tot het laatst toe bij gebleven en voor mijn gevoel zelfs een stuk met hem mee gereisd over de grens tussen leven en dood. In dat grensgebied was het alsof de omgang met hem een soort solidariteit van mij vroeg, die tegelijk een verzet in mij opriep, dat ik niet durfde uiten. Zelfs nauwelijks durfde voelen, want het voelde als Verraad.

Op een heel andere plek kwam het er wel uit, in de woorden van een ander, die zegt ze ook maar van horen zeggen te hebben.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wìl ik niet.

Hendrik Marsman

De vriend, aan wie ik dit gedicht stuurde (we wisselden gedichten uit en wisselden daarover per brief van gedachten), was negatief getroffen door de toon en de inhoud ervan. Het was bijna alsof hij op zijn beurt bang was mij kwijt te raken, want hij riep mij vermanend terug uit de wereld der barbaren.

In de week die achter me ligt las ik de biografie van Andreas Burnier. Daar kan ik wel meer over vertellen, maar één ding sprong er uit, waarschijnlijk vanwege de synchroniciteit met de berichten over het vastlopen van de kabinetsformatie op het D66-dogma van het Voltooide Leven. Nu valt er genoeg af te dingen op de soms bizarre hang naar dogmatiek en systematiek in het werk van Andreas Burnier, maar op dit punt heb ik haar/hem uit die biografie leren kennen als volstrekt authentiek. Het fundament onder dat verzet tegen het D66-wetsvoorstel voor het legaliseren van medische hulp bij zelfmoord bestond uit ontzag voor het Leven. En dat had ook Andreas hard nodig om zich op de been te houden.

Middenin diezelfde week kwam ik bij een cliënt om haar “nachtklaar te maken”. Zij is een lieve, plagerige oude dame van bijna 98 jaar, die als één van de weinigen van haar familie de sjoa heeft overleefd. Haar opgeruimde karakter zorgt ervoor dat zij niet zo gauw naar ontzag hoeeft te grijpen als het erop aankomt zich staande te houden in het leven. Telkens wanneer zij zichzelf langzaam recht overeind zet, zodat ik haar pyjamabroek tot over die ontzaglijke billen kan hijsen, zucht ze: “Ach, moedertje, moedertje!” Maar het volgende moment lacht ze weer en grapt: “’t Is om te vloeken, achter al die rooie doeken, Jongens en meisjes van de AJC.”

Omdat ik er mee in mijn hoofd rondliep, vroeg ik haar wat zij vond van dat streven van D66 naar een steeds gemakkelijker uitweg uit het leven. Toen werd ze ernstig. Zonder enige opwinding zei ze: “Nee, dat vind ik niet goed. Kijk, moet je horen, wij hebben zo moeten vechten om in leven te blijven; dan is het heel raar om te horen dat mensen daar nu op zo’n manier over praten.”

Read Full Post »

Nog even en we vieren weer onze nationale Bevrijdingsdag. In de media en op scholen doen wij dan  een poging ons voor te stellen wat vrijheid voor ons betekent. Dat valt doorgaans niet mee, wanneer je die vrijheid dagelijks geniet en het wordt moeilijker, naarmate de dag van bevrijding verder in het verleden wegzinkt. Stel je voor hoe dat op 5 mei 5279 (ik doe maar een gooi) zal zijn. Ons landje weggezakt in de Atlantische Oceaan, Mokum nog slechts een mythe en een handjevol Hollanders in de diaspora. Er zullen tulpen bloeien in Siberië.

Ik vier vandaag de laatste dag van het acht dagen durende bevrijdingsfeest van die andere natie waartoe ik begin te behoren. Op de eerste twee avonden nam ik op twee plaatsen deel aan de seder, het traditionele pesachmaal. Dat wordt in ieder geval al meer dan tweeduizend jaar gevierd. (Jezus deed het ook al.) Het draaiboek voor dat samenzijn, de haggada, bestaat zeker meer dan duizend jaar en is in al die jaren niet wezenlijk veranderd. Is dat niet star? Nee, want de essentie van het feest is dat het verhaal verteld wordt als waren wij er zelf bij toen het gebeurde.

Er zijn verschillende manieren om het verhaal van onze bevrijding uit Egypte te verbinden met wat er nu in en om ons gebeurt. Zo kun je naast de traditionele seder schotel een aantal voorwerpen tonen, die verwijzen naar groepen mensen in onze wereld die ook nu nog onderdrukt worden. Of je kunt je afvragen in hoeverre je zelf vrij in het leven staat. Dat heeft in mijn beleving al gauw iets AA-igs: het antwoord blijft hangen in de nevelen tussen sociaal wenselijke bekentenissen en dat wat we zelf niet eens weten.

Eerlijk gezegd was ik blij dat ik mij, na de wisseling van baan in de afgelopen maanden, op een betrekkelijk luw stukje van mijn levensweg bevond. Toen ik dat hardop zei, meende ik een kritische vonk te zien glimmen in de ogen van de rabbijn. Of was het mijn eigen innerlijke stemmetje, dat altijd roept dat het nooit goed genoeg zal zijn? Voor ik kon zeggen dat ik dáár wel eens van bevrijd zou willen worden, was de seder alweer een eind voort gerold. Vier glazen verder was ik mijn benauwenis alweer vergeten en anders aan het eind van de volgende avond wel.

Op de derde dag stond ik op, om te werken. Niet eens brak, ondanks al die glazen. De zon scheen en al ging ik, net als alle andere mensen, gewoon aan het werk, het was alsof ik vakantie had. Roze wolken van bloeiende prunus dreven langs mijn weg en in alle huizen waar ik kwam, knisperden de matzekruimels onder mijn voeten. Het voelde alsof ik na een heerlijke liefdesnacht in de armen van mijn geliefde wakker werd. Had ik dan mijn bevrijding zomaar kado gekregen? ” – Hij geeft het Zijn lieveling in de slaap.” (Psalm 127:2)

Dat gevoel hield de hele week aan, ook al werkte ik meetbaar meer dan anders. Zelfs het gebruikelijke gevoel voor een dilemma te staan, toen de planner mij vroeg om voor een zieke collega in te vallen, terwijl ik daar eigenlijk geen zin in had, was afwezig. Alleen de verbazing daarover herinnerde mij aan de vertrouwde druk. Ik was iets kwijt, maar ging er niet naar zoeken. Zonder te zoeken vond ik iets anders: een inspirerend pesach-verhaal van een andere blogger. En dit is volgens haar de crux van Pesach:

De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen.”

Exodus 9:1

Dat klinkt paradoxaal: bevrijd worden om te gaan dienen. Esther Weissman-Erwteman legt in haar blog uit hoe dat dienen bestaat in het doen van Gods opdrachten (mitswot). Als je die doet, alleen om God te dienen, voor geen enkel ander doel, dan zijn het beperkingen die een ongekende vrijheid schenken. Misschien was dat wat ik de afgelopen week heb ervaren.

Read Full Post »

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Read Full Post »

Older Posts »