Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

Erop of eronder

 

Misschien moet ik mijn ‘grapje’ in het vorige bericht toch maar even uitleggen. Dan kan ik meteen iedereen geruststellen door te zeggen dat ik natuurlijk ook wel weet dat het allemaal niet zo simpel is met die genialiteit van mij en mijn rabbijnen. De aarde is rond: so what? Het is nodig dat te weten en er rekening mee te houden als je een raket in een baan om de aarde wilt brengen, maar volstrekt irrelevant als je je op de fiets verplaatst van Geuzenveld naar de Molukkenstraat. En zo is het ook met die microscoop: die heb je niet nodig om het bloed uit dat vlees te zien sijpelen. Godsdienst is geen wetenschap, en zolang je ze uit elkaar houdt, bijten ze elkaar niet.

In mijn ogen is alles wat wetenschap en religie ons aanbieden eigenlijk niets anders dan een scherm tussen onszelf en de oneindig complexe werkelijkheid, om ons te beschermen tegen de duizelingwekkende onmetelijkheden van onze eigen onwetendheid. Om te kunnen leven moet onze verbijstering worden getemperd tot verwondering en nieuwsgierigheid. Meestal zit daar een zekere mate van vrijblijvendheid in: zolang wij elkaar min of meer begrijpen, zitten we goed. De soms felle strijd tussen aanhangers van de evolutietheorie en hen die aan het scheppingsverhaal een groter waarachtigheid toekennen, lijkt dan ook een beetje overdreven. God schiep de mens: so what?

Maar wat als de opvattingen die we aan onze ‘schermen’ ontlenen een rol gaan spelen in de discussie over wat er allemaal mag of moet in een samenleving? Dan is het opeens niet meer zo simpel. Laten we dicht bij huis blijven: een paar jaar geleden woedde er een heftig debat door de hele samenleving, tot de Eerste Kamer er een domper op zette, door het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren tot een verbod op ritueel slachten nietig te verklaren. Dat het hierbij niet ging om een uitnodiging tot een gesprek om te komen tot een consensus over onze omgang met het welzijn van de dieren in dit land, bleek al snel. Religieuze groeperingen, ook degenen die niet direct nadeel zouden ondervinden van het verbod, voelden zich aangevallen. Terecht, denk ik, want al gauw ging het bij de voorstanders van het verbod allang niet meer om de dieren, maar om de achterlijkheid van hen die de rituele slacht praktizeren.

“Jaarlijks worden in ons land miljoenen dieren op middeleeuwse wijze geslacht,” riep Marianne Thieme.

“In een moderne democratische samenleving horen hoe dan ook praktijken niet thuis die tegen de goede zeden indruisen, wreed zijn en de mens onteren,” meende theoloog en jurist Uwe Arnhold.

Die “praktijken” worden door Arnhold in één klap uitgebreid naar eerwraak en besnijdenis. Anderen nemen de executie door steniging maar meteen mee in de discussie:

“Tientallen seconden tot minuten lijden voor een beest is middeleeuws en totaal overbodig. (…) Joden stenigen overspeligen niet meer en moslims begraven homo’s ook niet meer levend. Toch moet dat van de Thora en Koran. Dus of we gaan weer lekker stenigen en slachten met z’n allen, of we kappen met alle middeleeuwse gebruiken uit gedateerde boeken!” aldus Jorg van de Mierde in het Brabants Dagblad van 14 april 2011.

Daarom hangen we tegenwoordig onze kippen heel beschaafd ondersteboven aan een lopende band en halen ze door een waterbad, dat we stevig onder stroom hebben gezet, zodat ze tenminste verdoofd zijn, als ze in een tempo van 100 per minuut machinaal onthoofd worden.

Deze citaten heb ik geplukt uit een interessant artikel van historicus Bart Wallet, waarin hij enerzijds de invloed van ‘9/11’ en ‘de Fortuyn-revolte’ schetst, en anderzijds de rol van de wetenschap benoemt en ananlyseert. Laat ik hem wat uitgebreider citeren:

Het laatste, vierde argument – en niet het minste – vormde de wetenschap. Die vervulde in het debat een zelfstandige rol en werd door veel voor- en tegen- standers als een neutrale factor beschouwd (Gieskes 2011; Bouwmeester 2011; Goudsmit 2011). Zo werd uitgebreid gedebatteerd over hoe het lijden van dieren is te meten, hoeveel seconden of minuten eventueel lijden zou mogen duren en in hoeverre verdoofde slacht nu werkelijk beter was voor het dier dan onverdoofde slacht. De wetenschap kreeg steeds meer een beslissende rol toebedeeld, niet alleen omdat de Partij voor de Dieren in het wetsvoorstel uitgebreid naar evident geachte wetenschappelijke feiten wees, maar ook omdat de voorstanders van ritueel slachten met alternatieve wetenschappers kwamen en de resultaten van de PvdD probeerden te falsificeren [sic]. Thieme sprak over ‘harde bewijzen’ die de wetenschap leverde, terwijl de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdD, Karen Soeters, verwees naar ‘gezaghebbende wetenschappers’ (Soeters 2011a; Soeters 2011b). Een van die wetenschappers overigens, Jan A. Schulp, ergerde zich nogal aan het simplificerende gebruik dat er van de wetenschap werd gemaakt en concludeerde: ‘dat wetenschappelijke bewijsvoering niet eenvoudig is en zich niet gemakkelijk leent voor een in oneliners vervat beleid’ (Schulp 2011).

In dit debat was het net alsof de schermen voor onze ogen verkruimelden en we ons gingen gedragen als ruziënde kinderen, die in een huis zonder ouders zijn achtergelaten. We vochten, erop of eronder. Blijkbaar zijn we er nog niet aan toe om samen om de tafel te gaan zitten en het over dierenwelzijn te hebben. Als je het mij vraagt heeft de Eeuwige met zijn Tora ooit een heel bruikbare aanzet gegeven en zou het interessant zijn om eens met die bril naar het leven van onze plofkippen, kiloknallers en legbatterij hennen te kijken. Waar het erop aankomt wat wij ieder voor zich bereid zijn te betalen voor dierenwelzijn, staan we allemaal op de aarde en onder de zon, met een klont boter op ons hoofd.

 

Advertenties

Read Full Post »

 

In je eentje kun je geen Jood zijn, want met wie moet je het oneens zijn? Mij stelt dat niettemin voor een uitdaging: naast mijn op harmonie gerichte eerste natuur, moet ik een tweede natuur ontwikkelen, die lust beleeft aan pittige discussies. Nog niet zo lang geleden, tijdens een les over kasjroet (de joodse spijswetten), leek me dat aardig te lukken. Op een zeker moment raakten de gemoederen – het mijne incluis – zozeer verhit, dat ik de rabbijn bijna zag denken: “Mooi zo, ze worden al aardig joods!” Stemverheffing, ook in de lichaamstaal, en lekker door elkaar praten:  net als vroeger thuis bij ons aan tafel.

We keken gezamenlijk naar een aantal korte documentaires, met als titel De Koosjere Hamvraag,  die Jigal Krant een paar jaar geleden had gemaakt voor de Joodse Omroep. De grootste opwinding ontstond rond de kwestie van het zich “onthouden van bloed en het verstikte”. Over het wurgen of verdrinken van dieren hoefden we het niet te hebben, want dat doet tegenwoordig niemand meer. Het bloed, dáár ging het om. Over “de ziel van het vlees, die in het bloed is”, waren we het merkwaardig snel eens: dat paste in het wereldbeeld van onze voorouders en konden we veilig daar laten. Maar het bloed, dat in het (koosjere) vlees is, dát steeg ons naar het hoofd.

Kwispelend als een jonge hond sprong Jigal rond op de rijk gedekte tafel van het orthodoxe kasjroet, vertederend genoeg om een potje te kunnen breken. We zagen de praktijk van het poorsjen, weken en zouten van vlees bij slagerij Marcus en volgden Jigal naar het veterinair instituut van de Universiteit van Utrecht, waar een paar stukjes vlees op de proef gesteld zouden worden: was het bloed er écht uit? De microscoop kwam eraan te pas en een witgejaste deskundige wees ons netjes de rode bloedlichaampjes aan, die waren achtergebleven tussen de dwarsgestreepte spiercellen. Er was bovendien geen verschil te zien tussen koosjere en niet-koosjere plakjes vlees. Vervolgens kreeg de zwartgejaste Rabbijn Evers (ja, de zoon van Bloeme Evers uit het eervorige bericht) de glanzend afgedrukte foto’s van dit beeld voorgelegd. Wat nu?

Heel even zag ik de cognitieve dissonantie als de schaduw van een wolk over het beminnelijke gezicht van de rabbijn trekken. Hij mompelde zelfs iets over dat dit voor hem “moeilijk te accepteren” was en hij meende nog dat men het bloed (waar is de ziel?) er toch echt uit ziet sijpelen bij het zouten, maar alles wees erop dat hij zou moeten toegeven dat die jongeman hem te slim af was geweest. Maar wacht! Toen herpakte hij zich en zei, doelend op het volgens de rite behandelde vlees: “Maar volgens onze joodse traditie is het zo koosjer.” Wie heeft er gelijk?

Toen begon het te rommelen in onze gelederen. “Merkwaardig toch,” meende iemand ver weg rechts van mij, “dat die rabbijn zo’n nietszeggend en ontwijkend antwoord moet geven.” “Ik vond het juist een geniaal antwoord,” riposteerde ik. “Nou ja, hoezo?!” kaatste het van de andere kant, op verontwaardigde toon. “Hij praat als iemand die niet eens wil accepteren dat de aarde rond is.” Aah, een Galileï-Godwin! “Goed dat je die vergelijking maakt,” vond ik, en inmiddels had ik de smaak te pakken. “Tuurlijk is de aarde rond, maar dat betekent nog niet dat ze aan de andere kant van de wereld op hun kop staan.” (Waarom moet ik het er altijd bij zeggen, wanneer ik probeer een grapje te maken?)

Je kunt als mens uit één stuk heel goed in meerdere parallelle universa tegelijk leven en vanmorgen kwam ik er toevallig achter dat je niet eens een orthodoxe rabbijn hoeft te zijn om je van die doodsimpele genialiteit te bedienen. In een filmpje van het Levisson Instituut hoorde ik (de liberale) Rabbijn David Lilienthal de vraag of de Tora ons door God op de Sinaï is gegeven als volgt beantwoorden: “Het speelt zich af op verschillende niveau’s: als het een academische vraag is, kan je die vraag bevestigen noch ontkennen, maar als we tijdens Sjavoeot in sjoel staan, dan is het wél ons Verhaal.” Kortom: kijk even welke jas je aanhebt en zet een bijpassende bril op.

 

Read Full Post »

Zitten als een kat

Met enige on-regelmaat kom ik bij hem over de vloer, om voor hem te zorgen. Alleen: hij laat niet graag voor zich zorgen. Onder de douche krijg ik hem niet, want hij is bang voor water. Soms mag ik zijn (droge) ogen druppelen, maar meestal niet: hij is bang om zijn ogen te openen. Hij is ook bang dat hij ze op een dag niet meer zal kunnen openen en dus de facto blind zal worden.  Doodstil zit hij op de rand van zijn bank, als een ei op een lepel in de hand van een kind: bang om te vallen. Maar hij is ook bang dat hij straks niet meer van die bank op zal kunnen staan. “Channa,” zegt hij, “ik ben zo bang.”

Als ik vraag waar hij nú bang voor is, is het De Dood. In de stilte die valt begint in mijn hoofd Jim Croce te zingen: “. . . ‘cause I’m tired of living, but I’m scared of dying . . .” Ik heb niet nog een vraag voor hem. Ik zit heel stil in mijn stoel, schuin tegenover hem en kijk naar hem. Hij niet naar mij. Na een poosje zegt hij: “Channa, ik ben blij dat u er bent. Ik word rustig als u er bent. Maar straks gaat u weg, en dan ben ik weer alleen.” Op dat moment begint een van ons een liedje te zingen en de ander zingt mee. Of, als hij hoofdpijn heeft, leg ik mijn hand op zijn hoofd en zwijg, totdat hij zegt: “Dank u wel, Channa.”

Wanneer ik ga krijg ik een handkus en toon ik mij vereerd. In al zijn ingehouden radeloosheid neemt hij de moeite om niet alleen maar op zichzelf en zijn eigen lijden betrokken te zijn. Zo is hij heel soms, heel even een charmeur: “U heeft de schoonheid van een kat.” Ik ga, en neem iets van hem mee, al weet ik niet of hij daardoor lichter is geworden, wat ik graag zou willen.

In de loop van de week krijg ik bezoek van mijn op één na jongste broer en heb ik met hem een bijzonder gesprek over de broer die tussen ons in stond, over wie ik het vaker heb gehad in mijn blogberichten. “Je kunt iemand die niet wil leven de wil om te leven niet geven,” zegt hij op zeker moment. In mijn gedachten zit ik, vijfendertig jaar geleden, op de vaste dinsdagavonden stil tegenover die andere broer, die daar zit, als een handgranaat in de hand van een kind: verlangend om te exploderen. Ik zit stil als een kat en kan niets doen, hoe graag ik het ook zou willen.

Op vrijdag, tijdens het lernen in sjoel,  stap ik in een ander verhaal. Mozes hoedt de kudde van zijn schoonvader achterin de woestijn en ziet opeens het brandende braambos. Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem om dichterbij te komen, maar op zeker moment doet de Eeuwige hem in zijn schreden stilstaan: té dichtbij is niet wijs. Ik leer uit de midrasj dat het beeld van de brandende struik iets zegt over Gods aanwezigheid in het lijden van Zijn volk: het lijden verdwijnt niet, maar Hij is er wel. “Gaat dat ook op voor het lijden van mijn broer en van meneer M.?” vraag ik Hem in stilte.

Als dat zo is, dan is het ook goed dat ik daar zat – en zit – als een kat. Mijn oplossingsgerichtheid zit als een vlo op het puntje van mijn linkeroor: klaar om te kriebelen. Maar ik zit stil, zo mooi als ik kan.

Read Full Post »

Wonderen

 

Waarom zetten we de chanoekia bij voorkeur (maar: safety first!) in de vensterbank? Omdat de wereld mag weten dat “daar een groot wonder is geschied”, zoals de vier Hebreeuwse letters op de dreidl verkondigen. Voor wie het nog niet weet: in het jaar 164 v.C. hadden de Maccabeeën de Tempel in Jerusalem heroverd op de Seleucidische Grieken. Die hadden het heiligdom ontwijd door een varken op het altaar te offeren en daarna de boel kort en klein te slaan. De zevenarmige kandelaar lag op de grond en tussen het puin werd slechts één kruikje kosjere olie gevonden. Desondanks zette men de menora rechtop en stak haar aan. Ze bleef branden tot er weer nieuwe olie geperst was, acht dagen lang.

Zo ver weg in tijd en ruimte, en toch wist de warmte van dit wonder me feilloos te bereiken! Dat is op zich al een wonder. Van dichter bij kwam een ander Chanoeka- verhaal op mij af. Rabbijn Hugo Gryn herinnert zich Chanoeka 1944 in een “miserable little concentration camp in German Silesia”:

My father took me and some friends to a corner in the barracks. He announced that it was the eve of Hanukkah and produced a small clay bowl. Then he began to light a wick immersed in his precious but now melted margarine ration. Before he could recite the blessing, I protested at this waste of food. He looked at me, then at the lamp, and finally said, “You and I have seen that it is possible to live up to three weeks without food. We once lived almost three days without water. But you cannot live properly for three minutes without hope!

Ook dit is een wonder. Er is een bijzonder verband tussen wonderen en hoop. Ik kom daarop terug.

Mijn eigen rabbijn had dit jaar een heel andere benadering van het wonder: als je goed kijkt is alles een wonder. Zij heeft haar keuze gemaakt uit het dilemma van Albert Einstein:

There are only two ways to live your life. One is as though nothing is a miracle. The other is as though everything is a miracle.

Dat zal ook wel de bedoeling zijn geweest, en anders wel die van Abraham Joshua Heschel:

Our goal should be to live life in radical amazement. ….get up in the morning and look at the world in a way that takes nothing for granted. Everything is phenomenal; everything is incredible; never treat life casually. To be spiritual is to be amazed.

Het is goed met de existentialistische heren: ik houd de snaren van mijn ziel liever wat minder strak gespannen, dan gaan ze wat langer mee. Ik heb er – in ieder geval statistisch gezien – goede hoop op dat ik daar dan ook nog lang van mag genieten. In verwondering schuilt genot, maar soms draagt juist statistiek de hoop aan, bijna alsof het zekerheid is.

Is het misschien daarom dat wij gewoon zijn in alles om ons heen eerder de vaste patronen te herkennen dan het eenmalige? Zouden we het aan kunnen als we écht konden zien hoe God de wereld even vaak opnieuw schept – en vernietigt – als uw computerscherm zich ververst? Waar ligt de gulden middenweg tussen voorspelbaarheid en verrassing? Vermoedelijk voor ieder van ons op een andere, steeds verschuivende lijn. Na een jaar waarin dit voor mij persoonlijk een van de belangrijkste thema’s is geweest, vrees ik dat wij als mensheid nogal van het padje beginnen te raken. Dronken door het succes van de voorspellende kracht van de kunstmatige intelligentie die wij in het leven hebben geroepen, laten we onszelf net iets te graag opsluiten in een droom van voorspelbaarheid. Tijd voor weer wat wonderen. Daar heb ik overigens goede hoop op.

Read Full Post »

Axis mundi (mei)

 

De aarde draait om haar as. Er zijn geleerden die beweren dat die as niet voor de volle honderd procent stabiel is. Maar de noordpool zal zich nooit op een soort salontafel in een kamertje vlak naast het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam vestigen. Toch is er een axis, waarom het leven – misschien beter: mijn leven – draait, en dat merk ik doordat ik telkens weer terugkom bij bepaalde thema’s, bij bepalende momenten. Ook als ik dat niet wil, omdat het pijn doet.

Kom, laat ik het eens hebben over een van de pijnlijkste momenten in mijn leven. Daarin zitten vier mensen om die salontafel. Recht tegenover mij zit mijn jongere broer, die na een mislukte zelfmoordpoging is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Rechts van mij, links van hem,  zit mijn moeder, zijn moeder. Aan mijn linkerhand een psychiater, die tot taak heeft ons te begeleiden in een eerste (tevens laatste) poging tot familietherapie. Wat lijkt die man, 35 jaar na dato, wonderlijk onaangedaan door de wurgende spanning, die ons drieën met elkaar verbindt!

De volgende dag al was het hele gesprek uit mijn geheugen verdwenen, behalve drie heel korte zinnen, die met gemak de hele ruimte van deze herinnering konden vullen.

Mijn broer zei, zich richtend tot mijn moeder, die hem niet kon zien, zij was immers blind: “Ik haat je.”

Mijn moeder, ik zag hoe haar onderlip trilde (van woede, van verdriet?): “Dat is niet waar. Dat kan ik niet geloven.”

De man zei: “Maar hij zegt het wel.”

Er kwam geen oplossing. Toen niet en nooit niet.

Nooit van mijn leven heb ik mij zozeer een nutteloze toeschouwer gevoeld, zonder te willen weten dat ik dat ook werkelijk was. Waarom in ’s hemelsnaam dacht – of voelde –  ik, dat ik een verantwoordelijkheid had in dit minuscule drama, dat tegelijk zo’n kosmische omvang leek te hebben? Misschien omdat ik van hen allebei hield. En omdat ik hen allebei gehaat heb. Waarschijnlijk zijn er geen twee andere personen op deze wereld geweest, met wier innerlijk leven ik zo ongecontroleerd heb meebewogen als met dat van mijn moeder en deze broer. Het is bijna alsof het me nooit helemaal gelukt is om die twee en mijzelf als van elkaar te onderscheiden personen te beleven. Alsof ik niet met hen verbonden, maar met hen vergroeid was.

Turn, turn, turn.

Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten.

Er is een tijd om te scheuren en een tijd om te herstellen.

Het leven – misschien beter: mijn leven – draait om een as. Dus vooruit maar weer, laten we scheuren, en herstellen. Weer scheuren, en opnieuw herstellen. Zelden is dat moeilijker dan in dit geval, al is het alleen maar omdat ik de enige nog levende speler in het spel ben.

It is a human thing, love,
a holy thing, to love
what death has touched.

Jehuda ha-Levi

Read Full Post »

Ommekeer

 

Wat kan ik erover vertellen? Daar lag ik opeens, met koorts in bed en staarde op doktersbevel naar het plafond en dronk oneindig veel thee met gember en honing. “Het gaat wel weer over voordat je een jongetje wordt,” zouden de oude dames die ik normaal gesproken help met hun verzorging zeggen. Wat kon ik doen? Me realiseren dat machteloosheid niet mijn favoriete pose is? Mijn zonden overdenken?

Vooruit, dat dan maar. Daar was ik in mijn vakantie toch al aan begonnen. De onvrede over mijn werk was eindelijk zo groot geworden, dat ik er verandering in moest gaan brengen. Gelukkig waren de eerste stappen al gezet, dus ik lag daar niet geheel zonder richtinggevoel. Bovendien leefden we in de “ontzagwekkende dagen”, waarin het onze plicht is ons leven eens goed tegen het licht van Het Goede Leven te houden. Ik had al besloten dat ik me dit jaar niet nog eens extra zou bestraffen met schuldbewuste zieleroerselen, maar me op dat licht en de belofte van een goed leven zou richten.

De avonddienst van Rosj HaSjana (het joodse Nieuwjaar) had ik nog meegemaakt en daaruit had ik een welkome waarschuwing van onze rabbijn meegenomen. Zij was zich bewust van het averechtse effect dat al die teksten over “zonde” en “ommekeer” konden hebben op mensen die toevallig vanuit hun jeugd een negatief zelfbeeld met zich mee droegen. “Hen is het idee ingeprent dat ze ‘schuldig’ zijn aan van alles en nog wat, al was het maar omdat ze verantwoordelijk werden gemaakt voor van alles en nog wat en in die verantwoordelijkheid tekort schoten. Hoe kon het ook anders, als kind.” Tat tvam asi.

Een poos lang hield ik een boek omhoog, tussen mijzelf en het plafond. Daarin las ik het levensverhaal van Rabbi Israel Salanter, de grondlegger van de Mussar Beweging, een negentiende-eeuws joods ethisch réveil. Oog in oog met ’s mans eigenzinnige heiligheid en strenge discipline, maar vooral met zijn nadruk op zelfkritiek en het tenietdoen van eigenliefde, voelde ik weer even precies wat mijn rabbijn bedoelde met dat averechtse, verlammende effect. Zou het ook mogelijk zijn om de lat gewoon minder hoog te leggen? Of beter nog, me 180° om te draaien en ‘m heel ergens anders te hangen?

Zat van boek en plafond en van mijn eigen gedachtencirkels, besloot ik het beetje energie dat ik had eens te spenderen aan een kleine zoektocht naar muziek in mijn leven. Er was me namelijk, tijdens diezelfde avonddienst, iets intrigerends opgevallen. Terwijl onze chazzanit het Oenetanè Tokef  (Laat ons spreken over het Ontzagwekkende) voorzong, hoorde ik opeens Leonard Cohen meezingen.

 

 

 

Ja, wie roept hier eigenlijk? Overbekend, en toch altijd weer ontzagwekkend: dat besef van je eigen eindigheid. Door water? Door vuur? Door het zwaard? Door je eigen hand? Wat heb ik weer lopen dromen, lopen dwalen, het afgelopen jaar! Dat moet toch anders kunnen, en – zelfs al weet ik nog niet precies hoe – die gedachte montert me enorm op. Putte mijn rabbijn moed voor het nieuwe jaar uit het engelengeduld van glaskunstenaars Leopold en Rudolph Blaschka, ik haal de benodigde levenslust uit het overal opduiken van het woord “licht” in mijn innerlijk leven.

Zelfs in het negatief doet het zijn werk. YouTube schuift me vakkundig een volgend lied van Leonard Cohen toe: You want it darker. Vlak voor zijn dood uitgekomen, lijkt het haast alsof hijzelf het mij van gene zijde aanreikt.

 

 

Wat is dit eigenlijk? “You want it darker, we kill the flame.” Binnenste buiten gekeerd mystiek verlangen? Zelfhaat? Rebellie? Overgave? Uitdaging? Als een dobbelsteen laat ik alle mogelijkheden voor me uit rollen. Dan weet ik het: ik laat dat licht, dat overal opduikt, door dit negatief schijnen op een blanco jaar. Er verschijnt een soort vrijkaartje voor een goed leven, waarop staat dat ik mij het komende jaar maar eens moet gaan oefenen in gezonde eigenliefde. Leve het vlammetje.

*

 

Kumi ori! – Sta op en schitter!

Hineni! – Tot Uw dienst!

 

Read Full Post »

 

We leven in gemakkelijke tijden. Je hoeft maar te zeggen: “Ja, ik ben een beetje autistisch . . .” en je bent onmiddellijk geëxcuseerd voor al je sociale onhandigheden. En wanneer je geregeld steken laat vallen in de sfeer van afspraken of werk, dan roep je: “Ach ja, m’n ADHD!” en dan weet iedereen meteen waar ie aan toe is. Zelfs hooggevoeligheid kan men zo van een beperkend ongemak tot een comfortabele omhulling omtoveren. Maar daar gaat het mij vandaag niet om, terwijl ik op het punt sta te beweren dat een beetje autisme zo gek niet is.

We leven namelijk in krankzinnige tijden. Innovatie, flexibilisering en zelfregulatie hebben overduidelijk de wind in de rug. Een woord als ‘structuurbehoefte’ kom je alleen nog maar tegen in teksten uit het management over Het Nieuwe Werken, meestal geschreven in 2012 of 2013. Daar kan men dus met goed fatsoen niet meer mee aan komen. Zo ging ik mij vis à vis de planning op mijn werk eerlijk gezegd twee beetjes autistisch voelen, maar besefte ik tevens dat het me niet zou helpen om daarmee te gaan koketteren. Is het misschien tijd voor iets nieuws? Iets autismevriendelijks (ongeveer 29.000 resultaten (0,42 seconden))?

Dromend over een mogelijke rol voor mij in een academisch onderzoek naar het gebruik van gebedenboeken in de joodse eredienst en thuis, begon ik mijn vakantie het afgelopen weekeinde in een verre uithoek van Twente. In de stijve bankjes van een authentiek ‘mediene-sjoeltje’ in Haaksbergen nam ik deel aan de sjabbat ochtenddienst en viel me iets op dat ik wil onthouden, voor mijn werk en voor mijn dromen. Een inzicht, misschien alleen voor mij, maar mogelijk voor iedereen die een beetje autistisch door de wereld van vandaag reist.

De dienst liep als een trein op een onzichtbaar spoor (kedeng kedeng . . . ), volgens een orde van dienst die zich al enige eeuwen onveranderd overeind heeft weten te houden, geleid door een stel vlotte voorzangers en gedragen door een handvol zanglustigen, die duidelijk precies wisten wat van hen verwacht werd. Heel anders dan in het Huis van Vernieuwing, waar ik gewoonlijk mijn religieuze plichten vervul. Paradoxaal anders, althans in mijn beleving: waar alles telkens anders gaat, raak ik het vermogen om iets nieuws mee te maken ongemerkt kwijt. Te druk met het zoeken naar het juiste ritme om op te dansen, wordt ik houteriger in mijn innerlijk bewegen. Ben ik echt een beetje autistisch?

Omdat we inmiddels het moment van het joodse jaar naderen waarop alles opnieuw begint, ben ik geneigd lering te trekken uit mijn ervaringen op het werk en in de synagogen. Dat koketteren met autisme en de onderliggende gêne over mijn natuur is straks zóó 5777. Opgewekt beweeg ik mij naar een beter optimum van vrijheid in gebondenheid.

*

Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Kedeng kedeng, kedeng kedeng. Oe oe!

 

Read Full Post »

Older Posts »