Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘religie’ Category

Nog even en we vieren weer onze nationale Bevrijdingsdag. In de media en op scholen doen wij dan  een poging ons voor te stellen wat vrijheid voor ons betekent. Dat valt doorgaans niet mee, wanneer je die vrijheid dagelijks geniet en het wordt moeilijker, naarmate de dag van bevrijding verder in het verleden wegzinkt. Stel je voor hoe dat op 5 mei 5279 (ik doe maar een gooi) zal zijn. Ons landje weggezakt in de Atlantische Oceaan, Mokum nog slechts een mythe en een handjevol Hollanders in de diaspora. Er zullen tulpen bloeien in Siberië.

Ik vier vandaag de laatste dag van het acht dagen durende bevrijdingsfeest van die andere natie waartoe ik begin te behoren. Op de eerste twee avonden nam ik op twee plaatsen deel aan de seder, het traditionele pesachmaal. Dat wordt in ieder geval al meer dan tweeduizend jaar gevierd. (Jezus deed het ook al.) Het draaiboek voor dat samenzijn, de haggada, bestaat zeker meer dan duizend jaar en is in al die jaren niet wezenlijk veranderd. Is dat niet star? Nee, want de essentie van het feest is dat het verhaal verteld wordt als waren wij er zelf bij toen het gebeurde.

Er zijn verschillende manieren om het verhaal van onze bevrijding uit Egypte te verbinden met wat er nu in en om ons gebeurt. Zo kun je naast de traditionele seder schotel een aantal voorwerpen tonen, die verwijzen naar groepen mensen in onze wereld die ook nu nog onderdrukt worden. Of je kunt je afvragen in hoeverre je zelf vrij in het leven staat. Dat heeft in mijn beleving al gauw iets AA-igs: het antwoord blijft hangen in de nevelen tussen sociaal wenselijke bekentenissen en dat wat we zelf niet eens weten.

Eerlijk gezegd was ik blij dat ik mij, na de wisseling van baan in de afgelopen maanden, op een betrekkelijk luw stukje van mijn levensweg bevond. Toen ik dat hardop zei, meende ik een kritische vonk te zien glimmen in de ogen van de rabbijn. Of was het mijn eigen innerlijke stemmetje, dat altijd roept dat het nooit goed genoeg zal zijn? Voor ik kon zeggen dat ik dáár wel eens van bevrijd zou willen worden, was de seder alweer een eind voort gerold. Vier glazen verder was ik mijn benauwenis alweer vergeten en anders aan het eind van de volgende avond wel.

Op de derde dag stond ik op, om te werken. Niet eens brak, ondanks al die glazen. De zon scheen en al ging ik, net als alle andere mensen, gewoon aan het werk, het was alsof ik vakantie had. Roze wolken van bloeiende prunus dreven langs mijn weg en in alle huizen waar ik kwam, knisperden de matzekruimels onder mijn voeten. Het voelde alsof ik na een heerlijke liefdesnacht in de armen van mijn geliefde wakker werd. Had ik dan mijn bevrijding zomaar kado gekregen? ” – Hij geeft het Zijn lieveling in de slaap.” (Psalm 127:2)

Dat gevoel hield de hele week aan, ook al werkte ik meetbaar meer dan anders. Zelfs het gebruikelijke gevoel voor een dilemma te staan, toen de planner mij vroeg om voor een zieke collega in te vallen, terwijl ik daar eigenlijk geen zin in had, was afwezig. Alleen de verbazing daarover herinnerde mij aan de vertrouwde druk. Ik was iets kwijt, maar ging er niet naar zoeken. Zonder te zoeken vond ik iets anders: een inspirerend pesach-verhaal van een andere blogger. En dit is volgens haar de crux van Pesach:

De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen.”

Exodus 9:1

Dat klinkt paradoxaal: bevrijd worden om te gaan dienen. Esther Weissman-Erwteman legt in haar blog uit hoe dat dienen bestaat in het doen van Gods opdrachten (mitswot). Als je die doet, alleen om God te dienen, voor geen enkel ander doel, dan zijn het beperkingen die een ongekende vrijheid schenken. Misschien was dat wat ik de afgelopen week heb ervaren.

Read Full Post »

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Read Full Post »

Terwijl ik mijn nachtmerrie over de zorg langzaam maar (wat God verhoede!) zeker waarheid zie worden, schrok ik alsnog van het verhaal over iGod in NRC van 11 maart jongstleden. Natuurlijk heb ook ik niets te verbergen en ben ik misschien wel het braafste meisje van de klas. Toch ga ik me ongemakkelijk voelen van dat Alziende Oog overal om mij heen. Steeds angstvalliger houd ik mijn eigen activiteit op het internet in de gaten. Hoe houd ik mijn gezicht in de plooi, oog in oog met Iets dat mijn gedachten leest, nog voordat ikzelf er inzage in heb gehad?

Steeds vaker bekruipt mij de volgende angst: wat zijn op den duur de gevolgen, als het mij lukt om Big Data voor mijn persoontje zo klein mogelijk te houden? Waar ben ik nog, als op een zeker moment ook alles wat ik niet doe mij zal worden aangerekend? Dat is immers de uiterste consequentie van een concept als de social citizen score, waarmee in China al druk geëxperimenteerd wordt? Ik word er alvast een beetje claustrofobisch van.

Wat ik niettemin fascinerend vind, is hoe God in dit verhaal terecht is gekomen. Misschien heeft zij (Nog een interessante vraag: is uit politiek correcte overwegingen voor dit gender gekozen?) zich losgemaakt van de wand van een katholieke kinderkamer. Of heeft zij de Almachtige Schepper des hemels en der aarde uit de christelijke geloofsbelijdenis als rolmodel gekozen? Maar kom, ik ga u en mijzelf niet vermoeien met gespit en gegraaf in dikke lagen theologisch stof. De Eeuwig Levende groeit daar vanzelf bovenuit, net als de krokussen op de rotonde bij mij om de hoek.

Vandaag kwam ik Hem tegen in een midrasj over de schepping van de wereld, te vinden in Beresjiet Rabba 12:15:

Er is een verhaal over een koning, die bekers had laten maken van zeer fijn glas. De koning zei: „Als ik er heet water in doe, dan zetten ze uit en barsten ze. Doe ik er koud water in, dan krimpen ze en breken ze ook.” Wat deed hij toen? De koning mengde heet en koud water, goot dat in de glazen bekers en ze bleven heel.

Evenzo, toen Hij het plan opvatte om de wereld te scheppen, zei de Heilige-gezegend-zij-Hij: „Als ik de wereld maak met rachamiem (=barmhartigheid) alleen, dan wordt het kwaad te groot; als ik haar maak met alleen maar din (=rechtvaardigheid), hoe lang houdt die wereld het dan uit? Daarom zal ik de wereld maken met din én met rachamiem, zodat zij lang zal blijven bestaan.

Kijk, als iGod er ook zo uit zag, dan kreeg ik het nu niet zo benauwd. Van Psalm 139: „u doorziet van verre mijn gedachten” krijg ik die kriebels namelijk niet. Maar ja, wij zijn bezig in de handen van mensen te vallen. Wanneer wij in ons streven naar veiligheid, doelmatigheid en eerlijkheid Big Brother Data in de arm nemen, dan lijkt dat misschien rechtvaardig (al is ook daar op af te dingen), maar erg barmhartig is het niet. Of houdt iGod er ook een Jom Kipoer op na? Eens per jaar worden al onze data gewist en beginnen we met een frisse social citizen score, misschien zelfs met frisse criteria. O ja, en laat hij er dan meteen maar een iTora bij doen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Read Full Post »

Perenhout

26022017

*

Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Sjemot/Exodus 20:4

 

Er was eens een Jood, die in een klooster ondergedoken zat. Toen de oorlog voorbij was, was hij de kloosterlingen zeer dankbaar. “Hoe kan ik jullie danken? Is er iets dat ik voor jullie kan doen?” vroeg hij.

De monniken wisten dat hij houtsnijder van beroep was, dus ze vroegen hem: “Zou je voor ons een beeld willen maken uit die oude perenboom daar? Die moet toch omgehakt worden.”

Met al zijn liefde maakte de beeldhouwer een manshoog Christusbeeld, zo mooi als nog nooit iemand gezien had. Het kreeg een prominente plaats in de kloosterkerk en iedereen die oog in oog met het beeld kwam te staan, werd door devotie gegrepen. Sommigen vielen plat op de grond, anderen knielden langdurig, niemand bleef onverschillig.

Alleen de maker zelf leek niet gevoelig voor de bijzondere werking die van het beeld uitging. “Hoe kan het dat jij er zo aan voorbij loopt?” vroegen de monniken hem.

 

“Ach,” zei de man, “ik heb Hem nog als perenboom gekend.”

 

(deze witz hoorde ik vandaag van een cliënt)

Het beeld op de afbeelding is van Mark van Eygen.

Read Full Post »

Niks

17022017

*

Dit is het 500-ste bericht op mijn weblog en het gaat over … nou ja, … over niks.

*

Het dorp waar ik ben geboren was een zogeheten lintdorp: tien kilometer lang en op z’n meest één kilometer breed strekte het zich uit langs een dijk. Behalve op een lint – of een vis – leek het ook een beetje op een breikous. Een kous, gebreid van restjes wol in allerlei kleuren. Van west naar oost had je eerst een stukje waar katholieken woonden, die kerkten in het naburige dorp. Dan kwam een buurt die overwegend rood was en die zonder al te scherpe scheiding overliep in een Nederlands Hervormd dorpsdeel. Het middenstuk, dat heel groot was, werd gedomineerd door de dertig meter hoge toren van de Gereformeerde Kerk en door haar leden, die minstens de helft van het inwonertal uitmaakten. Aan de oostkant woonden nog wat Hervormden en een heel klein groepje zondagszwarte tuinders, dat tot de Gereformeerde Gemeente behoorde.

In verkiezingstijd zag je deze verkleuring terug in de raambiljetten van de bijbehorende politieke partijen: KVP, PvdA/CPN, CHU, ARP, weer CHU en SGP. Toen ik nog kind was, had elke groepering zijn eigen slager, zijn eigen bakker en zijn eigen kruidenier. Pas met de komst van de 4=6, op een plek waar voordien koeien graasden en kikkers sprongen, verwaterde dat allemaal. In die tijd groeide er een soort gezwel aan de buik van de vis, Plan Zuid, dat zich bevolkte met import (=Amsterdammers), van wie het niet altijd even duidelijk was, bij welke gezindte zij hoorden. Het was toen dat ik op de vraag “Wat ben jij?” voor het eerst het antwoord “ik ben niks” hoorde.

Tegen de tijd dat ik zelf Amsterdammer werd, was ik niet langer gereformeerd, maar, al hoorde ik destijds nergens thuis, dat “ik ben niks” kon ik niet uit mijn keel krijgen. Dat was ook niet nodig, want de vraag naar wat ik was, was inmiddels ook al verstomd. Nu ik na een lange, lange sluimertoestand wakker geworden ben en mij tot het Jodendom beken, ben ik dus opnieuw iets. Gek genoeg wordt daardoor mijn gevoel iemand te zijn ook sterker. Nu denk ik af en toe dat die veel geprezen – en verguisde – individualisering een mens niet tot individu maakt, maar tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Je zou het ook om kunnen keren en zeggen dat mijn secularisatie blijkbaar mislukt is. Mijn benen waren niet sterk genoeg om de weelde van vrijheid en individualiteit te dragen. Ik val terug. Soit, denk ik dan. Mijn vleugels zijn niet sterk genoeg om zo hoog te vliegen dat ik kan overzien of het echt zo is, maar voorzichtig fladderend zie ik eerlijk gezegd grenzen aan de slagingskansen van secularisatie überhaupt. Of ligt dat alleen maar aan wat we hier in het Westen tot nu toe gemaakt hebben van een ideaal, dat een eind moest maken aan de verwoestende werking van godsdienst?

Tijdens mijn LOVER-dagen hoorde ik Ceylan Pektas-Weber zeggen dat het mislukken van de multiculturele samenleving terug te voeren is op onze eigen onafgemaakte en onbegrepen secularisatie in de zestiger jaren. Toen in de decennia daarna de immigranten kwamen met hun eigen keukens en hun eigen kerken, keken we daar eerst vol vertedering naar. Pas een jaar of dertig later werden we wakker om te ontdekken dat wij die dingen zelf niet meer hadden. We wilden dat die anderen zouden inburgeren, maar wisten eerlijk gezegd niet goed waarin dan wel. Ja, we lieten ons luidruchtig voorstaan op de gelijkheid van vrouwen en homo’s in onze samenleving, maar als het er op aankwam waren we daarin zelf niet eens echt thuisgekomen. We waren zelf nog maar net vrij van, maar waartoe waren we eigenlijk vrij? Tot . . . , nou ja, . . . tot niks dus.

Het gaat misschien te ver om te wijzen op de Syrië-gangers en dan meteen te concluderen dat die jonge mensen blijkbaar voor de verwoestende werking van godsdienst kiezen, omdat onze westerse waarden hen niets te bieden hebben. En als dat al waar is, dan is het volgens mij teveel gevraagd van een seculiere staat om een waardegemeenschap te zijn. Een rechtsstaat moet mooi genoeg zijn. Daarom: is het ook teveel gevraagd, wanneer ik van de politiek verlang dat zij een tegenwicht vormt tegen de verwoestende werking van de markt? En dan graag vanuit een gelijkheidsstreven dat verder gaat dan “Doe normaal” en “Wij wensen elkaar hier Prettige Kerstdagen”?

 

Read Full Post »

Sjalom

30012017

 

Sommige gedachten zijn even troostrijk als beklemmend. Neem de gedachte dat de dood het einde niet zou zijn:

o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.

H.Marsman

Toen mijn broertje zich – op de kop af 32 jaar geleden – het leven benam, sprak iemand hem over de dood heen bemoedigend toe, wenste hem sterkte met al het onafgemaakte dat hij achter zich had willen laten. De voorstelling van zaken die achter deze wens schuil ging, kwam mij destijds als buitengewoon wreed voor. Had ik niet op zijn rouwkaart laten drukken: “Wij hopen dat hij de verlossing vond, die hij zocht”? En anders hoopte ik wel dat ik zelf ooit verlost zou zijn van al het onafgemaakte dat er tussen ons was blijven liggen.

In werkelijkheid heeft het meer dan tien jaar geduurd eer ik enigszins in het reine was met de pijn, die overbleef nadat er met geweld een eind was gemaakt aan onze relatie, die bij zijn leven gedrenkt was in gevoelens van ontoereikendheid en onvermogen. Al die tijd droeg ik – of ik dat nu wilde of niet – ons gedeelde verleden in mij mee. Dat verleden leek langzaam te verstenen, en een deel van mij versteende als het ware mee, terwijl de veranderingen in mijn eigen leven telkens slechts kleine verschuivingen teweegbrachten in mijn verhouding tot het gebeurde. Zelfs toen ik dertig jaar later zijn dagboeken las, bleek dat nog een hele klus.

Zijn – en mijn – moeder heeft hem zeven en een half jaar overleefd, maar die tijd is niet voldoende geweest om de gevoelsmatige verwijdering teniet te doen, die het drama voorafgaand aan zijn dood tussen haar en mij had veroorzaakt. Toen zij stierf, bleef ik achter met een bezwaard gemoed vanwege het besef dat het tussen ons nooit meer helemaal goed was gekomen. De tijd hielp hier niet veel, zeker niet toen ik mij op zeker moment begon te realiseren dat onze relatie ook zonder de dood van mijn broer pijnlijk ingewikkeld was geweest. En nog altijd was, ook al voelde ik mij daar heel alleen mee.

In het afgelopen jaar is daar weer beweging in gekomen, een helende beweging. Die heb ik te danken aan de kracht van de joodse liturgie en het bezig zijn met de woorden van de Tora. Laat ik een voorbeeld noemen. Vorig jaar augustus, tijdens de Pink Shabbat in onze sjoel, stonden wij voor het moment waarop kaddiesj gezegd wordt door de hele gemeente. Het is daarbij de gewoonte om de namen te noemen van degenen die in de elf maanden daarvoor zijn gestorven én van degenen wier sterfdag rond die tijd viel. Ik had mij voorgenomen de naam van mijn moeder te noemen, en voelde daarbij van binnen een zwaarte die raar afstak bij de vrolijke regenboogkleuren om mij heen.

Toen klonk de stem van onze rabbijn: “We are about to say kaddiesj for all the ones we loved, . . .” – en hier aarzelde zij even – “or did not love.” Ik schoot ogenblikkelijk in de lach, en gelukkig was ik niet de enige. De rabbijn bekende me later dat het er bij haar ook zomaar, onbedoeld, uit was gefloept. Maar het had zijn werk gedaan. De zwaarte was van mij af gevallen en ik kon de naam van mijn moeder, met alle gemengde gevoelens jegens haar die daaraan kleefden, hardop uitspreken, om vervolgens met meer dan honderd stemmen tegelijk de Eeuwige én het leven in alle denkbare termen te prijzen. Met aan het einde:

Hij die vrede maakt in Zijn sferen, moge Hij vrede maken voor ons, voor heel Jisraël en voor de hele mensheid. Zegt daarop: Amén.

Dit is slechts één van de vele momenten, waarop de verhouding tot mijn moeder een plek kreeg in mijn godsdienstige leven. Telkens weer maakte dat sterke emoties bij mij los. Alleen de laatste weken gebeurt er iets anders, iets waar ik me vooraf geen voorstelling van gemaakt had. Op volstrekt willekeurige momenten merk ik dat ik niet over of aan mijn moeder denk, maar dat ik met haar lijk te praten, en sterker: zij praat terug. Over de dood heen. Niet dat ik de woorden zou kunnen vangen, maar de klank is er wel. En een warmte, die heel lang weg is geweest.

Read Full Post »

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

Older Posts »