Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘verwondering’ Category

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Advertenties

Read Full Post »

Zielsverruiming

 

“Wat verandert er na deze dag?” vroeg een van de rabbijnen en ze keken me alledrie verwachtingsvol aan. Ik wierp nog een keer een blik in mijn ziel, waaruit ik net drie kwartier lang van alles had opgediept, om hen te laten zien hoe ik tot dit moment gekomen was. Toekomstvisioenen zaten daar niet echt bij. Draaide ik niet allang volop mee in het joodse leven? En was dat niet reeds ruim voldoende voor mij? Ja, het zou een officiëler karakter krijgen, dat wel. Verder kwam ik niet. Toen stuurden ze mij de gang op.

Al na twee minuten werd ik teruggeroepen en na wat gescherts over en weer gingen de drie rabbijnen staan en reikten mij een voor een de hand, met de woorden “Achotenoe at!” – “Onze zuster ben jij.” Wat moest ik daarop zeggen? “Toda raba” dan maar: hartelijk dank! En toen was het opeens of ergens diep binnenin mij een deksel van een put werd geschoven en er een bron omhoogwelde, die me tot in alle kieren vulde met een gevoel van volmaakte vervulling. Zij zagen hoe ik vol schoot, en ik dacht even dat ik door mijn tranen heen voldoening in hun blikken waarnam. “Blijkbaar is dit voor jou belangrijk,” zei een van hen nog.

Dat was nog maar het begin. Even later was ook mijn lijf tot in de poriën geraakt door water, al moet ik eerlijk zeggen dat ik het gevoel van opnieuw geboren te worden op dat moment niet echt kon bevatten. Ook toen ik een Tora-rol in mijn armen mocht houden en mijn eigen rabbijn mij de drievoudige priesterzegen gaf, was ik er nog niet helemaal bij. Terwijl de gebruikelijke gastvrouwenstress (er zat een hele bank vol vrienden en vriendinnen voor mij!) zachtjes door mijn aderen ruiste, ving ik nog net op dat de Tora-voorlezing van deze week (“Wanneer je in het land gekomen bent . . .”) wel heel toepasselijk was voor een rite de passage.

Op de eerstvolgende Sjabbat bleek wel hoe ik echt op de andere oever was aangeland: ik werd voor het eerst ‘opgeroepen’ voor de Tora-lezing en daarna las de rabbijn die de dienst leidde een speciale zegenwens voor, waarvan ik de vertaling hier graag weergeef:

Moge Hij die onze voorouders Awraham, Jitschak, Jaäkov, Sara, Riwka, Rachél en Léa zegende, Zijn zegen geven aan Channa bat Awraham, die deze heilige Sjabbat is opgeorepen voor de Tora, nadat zij bij ons is gekomen om te schuilen onder de vleugelen van Gods Aanwezigheid. Zij heeft een lange weg van voorbereiding afgelegd om te worden opgenomen in het joodse volk en te worden gerekend onder hen die behoren tot het volk van de God van Awraham en Sara.
Moge de Heilige, Hij zij geprezen, met haar meegaan en haar voorspoed geven op haar levensweg, haar beschermen en zegenen met voldoening en tevredenheid als zij haar deel van Gods werk in deze wereld verricht. Mogen al haar wensen ten goede in vervulling gaan en moge zij altijd openheid, vriendschap en verbondenheid ondervinden onder haar volk Israël.
Daarop zeggen wij: Amén.

” . . . opgenomen in het joodse volk . . . ” Nooit zou ik hebben geweten hoe dat was, als ik het niet had meegemaakt. Hoe zou het zijn als mijn leven bijna volledig bestond uit de voorstellingen die ik mij ervan maakte? Heel vaak heb ik het bestaan zo overweldigend gevonden, dat ik daar graag genoegen mee had genomen. Vandaag prijs ik me gelukkig om alle momenten waarop ik dat niet heb gedaan.

Een andere reden om aan de veilige kant van alles te blijven, is de angst om te verliezen wat je dierbaar is. Betekent een nieuwe naam krijgen niet het verlies van een oud vertrouwde? Er wordt wel gezegd dat opname in het Jodendom een “biologisch wonder” is: je wordt zozeer werkelijk een nazaat van Awraham, dat oude bloedbanden hun geldigheid verliezen. Wil ik dat dan wel? Gelukkig was ik inmiddels zelf al soepeler geworden in het gebruik van twee voornamen; er blijven plekjes waar ik Janiek genoemd word. Voor het andere probleem vond ik op de valreep een oplossing, ergens op het internet, ik weet niet meer waar. Elke jood die de Sjabbat heiligt, krijgt voor die dag een nesjama jetera: een extra ziel, – of misschien ook wel: een ruimere ziel. Precies hetzelfde geldt voor de joodse ziel die een bekeerling krijgt (of blijkt te bezitten) op het moment van toetreden tot de Natie. Er hoeft niets te worden tenietgedaan. Ik hoef slechts toe te staan dat er een zielsverruiming plaats vindt. Graag!

 

 

 

Read Full Post »

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Read Full Post »

Ziektewinst

 

Wow!! Wat had ik er de laatste maanden lekker de vaart in! Plezier op mijn werk, de regie over mijn roosters, tijd en energie over voor leuke dingen, zelfs om bestuurstaken op me te nemen. Die ik ook leuk vind om te doen. De energie kon niet op. Er kon telkens nog een tandje bij en tijdens de hectische voorbereidingen voor Pesach voelde ik me helemaal on top of the world. Twee dagen nadat de laatste seidergasten vertrokken waren, kwam ik echter zacht suizend naar beneden en knarsend tot stilstand. Dinsdag had ik bij mijn cliënten al verteld dat ik ziek ging worden en alleen het hoogst noodzakelijke kon doen. Ik was doodmoe en er opende zich een kolk van groene walging bij elke gedachte aan eten. Toen ik thuiskwam viel ik in bed en in slaap, niet duidelijk in welke volgorde.

Toen ik wakker werd was het heel stil en donker om mij heen. Telkens vervormende gezichten met priemende oogjes en hoog gebogen wenkbrauwen zweefden zachtjes als ballonnen tussen mij en het plafond. Ik kon mij niet bewegen, maar zag mezelf, ergens ter hoogte van mijn kruis, als baby op de grond zitten, temidden van een boel omgevallen potjes, bakjes en blikjes, waarin ik allerlei vreemde voorwerpen had verzameld. Raadsels van mijn vroegste jeugd. Ik rook de geuren: bitter, scherp, zwaarzoet, muf, teerachtig. Ik zag vormen en kleuren, zo vreemd dat ik ze ook nu nog niet thuis zou kunnen brengen. Een schop van mijn beentje en daar koos een wolkje violetblauwe schimmelsporen kringelend het luchtruim. Zo alleen, die baby, en zo zorgeloos!

Telkens als ik een propje slijm wegslikte, leek het alsof een klein mannetje, dat zich ergens in mijn zachte verhemelte genesteld had, het een e-mail adres meegaf en op een blauwe button SEND klikte. Ook heel gewoon. Het verbaasde mij bijna dat alles zo gewoon leek, terwijl het toch duidelijk ongewoon was. De meest vreugdevolle verbazing gold dat ik totaal geen angst voelde. Ook toen mijn geest aan gruzelementen ging en neerdwarrelde naar de bodem van een kaleidoscoop, om daar rustig verder te malen, bleef mijn overgave aan het moment me dragen als de met koortszweet doordrenkte matras onder mijn roerloze rug. Zelfs de goederentrein zonder einde, die ondersteboven tegen de binnenkant van mijn rechter schedelhelft langsdenderde, volgeladen met stukken herinnering aan een wekelijks door migraine geteisterde puberteit, – ze zagen eruit als brokken puin van een gesloopte asfaltweg – liet ik ongestoord zijn loop’s maken.

Soms sliep ik weer een poos. Dan werd ik weer rillend en badend in het zweet wakker. Een enkele keer slaagde ik erin om uit bed te komen voor een sanitaire stop en om water in te slaan voor de rest van de reis. Het was meestal niet duidelijk of ik wakker was of sliep, het dromen of hallucineren had een eigen constante, die zich daar niets van aantrok. Alles voltrok zich zonder rekening te houden met tijd en ruimte. Nog altijd boezemde niets wat ik zag of voelde mij angst in. Ook toen ik op een gegeven moment dacht “Misschien blijf ik straks wel dood, als ik weer weg glij,” bleef ik volkomen zorgeloos. Een blijkbaar snel aangeleerd instinct zorgde ervoor dat ik nog net het ‘sjema‘ kon zeggen: men weet maar nooit. Maar ik werd gewoon weer wakker, wanneer, dat weet ik niet meer.

Heel, heel langzaam ebden de hallucinaties weg, werd de hoofdpijn minder en zette de walging zich om in vreemde hunkeringen, waaraan ik echter van de ondertussen geraadpleegde huisarts (wel echt) niet mocht voldoen. Op streng dieet en met strikte rust als enige opdracht ben ik voorzichtig op de terugweg naar een normaliteit, die ik bijna vergeten was. Verbazingwekkend vanzelfsprekend dat ook dit weer gewoon buiten mij om plaatsvindt. Ach, ik weet al dat ik die volstrekte, absurde eenzaamheid van de eerste ziektedagen ga missen. Daarom stop ik ze in dit blikje of bakje. Ook neem ik er een besef uit mee: alles waar ik ooit zo bang voor was – desintegreren, alleen zijn, niets kunnen – is die angst niet waard.

Laat ik dat maar meteen als levenseinde verklaring vastleggen: wat me ook ooit zal overkomen, ik wil graag doorleven voorbij het moment dat ik zelf geen beslissing meer kan maken om mijn leven te (laten) beëindigen. Zal wel te duur worden, tegen die tijd, maar daar ga ik me nu geen zorgen over maken.

Read Full Post »

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Read Full Post »

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Read Full Post »

Meekijken

*

Eerst dacht ik dat ik domweg gelukkig was, en dat niet eens in de Dapperstraat. Ik fietste door de Valeriusstraat, de avond viel en ik keek vooruit en naar omhoog, waar de gevels een streep blauwe lucht vrij lieten, waarlangs de wolken zich bewogen. Op weg naar die wolken gleed mijn blik langs een raamkozijn, ooit geschilderd in bentheimer wit, nu grauw en bladderend. Opeens moest ik denken aan net zo’n raamkozijn, dat ik ooit heb geschilderd,  in de Bloedstraat op de Amsterdamse Wallen, in 1996. Ik streek mijn kwast in neerwaartse richting en zag hoe een haar zich losmaakte en wegzonk in de zacht ineenvloeiende hoogglanslak. Ogenblikkelijk was ik vastbesloten: deze haar laat ik zitten. Hij zat op een plek waar hij niemand op zou vallen, dus hij zou daar voor altijd zitten, ingesloten door de verf, als bewijs dat ik daar was, dat ik geleefd heb en heb besloten dat die haar daar zou blijven. Als hij niet weer weggeschuurd en -geschilderd is, dan zit hij er nog.

Nu was het alsof ik in één klap kon zien hoe er op een hele rij raamkozijnen boven mij haren waren ingebed in de verf. Niemand merkte ze op, maar  ik wist heel zeker dat God weet heeft van al die haren. Immers, geen mus zal op de aarde vallen etc. God ziet al die haren, hier en overal, en kent alle omstandigheden waaronder ze daar op die raamkozijnen terechtgekomen zijn. De schilders, Hij kent ze bij naam, de levenden en de doden. Maar hij weet ook alles van de stoffige heesters, die onderaan sommige van deze gevels staan en van het schamele onkruid, dat in hun schaduw schuilt. Ook de hondendrol op de stoeptegel rechts daarvan is Hem bekend. En de man die de riem vasthield in zijn hand en het zweet in zijn handpalm. De hand waarmee . . . .

Hoe lang hield dit aan? Niet eens één seconde, denk ik. Ik fietste gewoon door, was immers aan het werk. Eigenlijk had ik helemaal geen tijd voor “moments of sudden illumination”, voor de wonderen die het leven verborgen houdt, “tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.” Toch kon het me niet ontgaan dat ik, heel even, de wereld zag zoals ik denk dat God haar moet zien. En natuurlijk zag ook ik dat het goed was.

Heeft God dan ogen?

Waarom niet?

Zoude Hij, die het oor geplant heeft, niet hooren?
Die het oog gevormd heeft, niet zien?

Psalm 94:9 (vertaling Samuel Israel Mulder)

En ikzelf heb immers – heel even maar – door Zijn ogen naar de wereld mogen kijken? Misschien gebeurt dat ook andersom: misschien is Hij het Bewustzijn waar alle beelden, die wij allen met elkaar zien, samenkomen. Alle beelden. Dat van J.C.Bloem, domweg gelukkig in de Dapperstraat; dat van mij, plotseling verlicht in de Valeriusstraat; en dat van Gerard Reve, berustend in het leven aan de Jozef Israelskade.

Hij had de huisdeur bereikt. ‘Vrede,’ dacht hij, ‘het is voorbij. Het is vrede. Een verheven blijmoedigheid stijgt op.’ Met voorovergebogen hoofd ging hij naar binnen, klom zacht de trap op en liep langzaam door de gang. In de huiskamer stond zijn vader in ondergoed bij de kachel. ‘Goedenavond,’ zei Frits. ‘Zo, mijn jongen,’ antwoordde de man. ‘Hoe kan iemand zoon uitpuilende buik krijgen?’ dacht Frits. ‘Een zwangere huisknecht.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie dit. Hoe heet zulk ondergoed met hemd en broek uit één stuk? Hansop, geloof ik.’ Hij bekeek de kleding nauwlettend. Aan de achterkant, onderaan de rug, was een lange verticale spleet, die open stond. ‘Ik kan zijn reet zien,’ dacht hij. ‘De klep om te kakken staat open.’ ‘Almachtige God,’ zei hij bij zichzelf, ‘zie toe: zijn reet is te zien. Zie deze man. Het is mijn vader. Behoed hem. Bescherm hem. Leid hem in vrede. Hij is uw kind.’

 

 

 

Read Full Post »

Older Posts »