Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘verwondering’ Category

Een wij

 

Het is goed dat er niemand kijkt, want bijster elegant ziet het er niet uit. Ik hang wat onderuitgezakt in de fauteuil in de erker en Poezemien heeft zich over mij heen gedrapeerd. Dat wil zeggen: haar achterpoten rusten op de leuning, haar kin ligt helemaal hingegeben op mijn buik. Haar voorpoten heeft zij tot ver voorbij haar neusje uitgestrekt, alsof zich ergens links van mij iets bevond, dat absoluut aangeraakt moest worden. Er klinkt muziek en zij spint zachtjes mee. “Wat hebben wij eigenlijk met elkaar?” fluister ik zomaar, zonder dat van tevoren bedacht te hebben. Haar linkeroor tast naar het beetje geluid en opeens weet ik één ding zeker: wat ons tot een wij maakt, is niet de taal die op spraak berust.

Zijn wij dan wel een wij? Hoe wederkerig zijn onze betrekkingen nu helemaal? Goed, zij is (sorry, God) de eerste aan wie ik denk als ik wakker word. Zal ik eerst mijn Euthyrox slikken, of eerst Poezemientje iets lekkers geven? Pas dan denk ik aan God, die heeft gezegd: “Ik geef u gras op uw veld voor uw vee, en u zult eten en verzadigd worden.” Met andere woorden: eerst de beesten eten geven, daarna pas jezelf. De poes komt braaf aan trippelen, opdat ik mijn zegen brengende handeling kan vervullen. Is zij er voor mij of ben ik er voor haar? Of wij voor elkaar?

De bijsluiter zegt dat ik nog een half uur moet wachten, voordat ik mij aan het ontbijt mag zetten. Ik mompel een paar zegenspreuken en ga nog even liggen. Dat weet Poezemien. Met een kort miauwtje kondigt zij zich aan en springt meteen op het bed en vervolgens bovenop mij. Haar volle gewicht op die vier ronde voetzooltjes is me bijna teveel. Wilde ik niet nog even weg wegdoezelen? Ik kreun wat, maar zij weet van geen wijken. Hoe weet zij toch de liefde in mij te wekken, die zorgt dat ik haar wensen boven de mijne laat prevaleren? Ik praat en lach tegen haar, of zij het nou verstaat of niet. En zij, zij spint er keihard tegenin.

Mijn eigen menselijk bewustzijn met al zijn overwegingen ken ik wel zo’n beetje, maar hoe zit het met dat van een kat? Prediker heeft er gelukkig voor gezorgd dat de Bijbel ons voorhoudt, dat wij ons maar beter niet al te zeer op dat bewustzijn moeten laten voorstaan.

Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. (…) Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?

Hoe is het bewustzijn van mijn kat? Soms meen ik iets ervan te merken en dan moet ik meteen erkennen dat zij beslist in het bezit van een zintuig is, dat wij niet hebben en zelfs niet kunnen kennen en meten met onze vernuftige instrumenten. Zij weet altijd op welke plek in huis ik mij bevind, zonder dat zij mij ziet of dat ik geluid maak. Gezien de afstanden tussen de verschillende kamers, is het ook niet waarschijnlijk dat zij mij ruikt of mijn lichaamswarmte voelt. Een dergelijke gevoeligheid in de ons bekende zintuigen zouden haar het leven op andere momenten onmogelijk maken. Golven? Ach kom, ze zou allang ontregeld zijn door alles wat onze apparaten door de ruimte zenden.

Hoe ik dit weet? O ja, dat moet ik nog vertellen. Altijd, zodra ik in de fauteuil in de erker plaats neem, nauwlettend erop toeziend dat ik geen enkel geluid maak, springt Poezemien op van haar dommelplek van het moment – dat kan mijn bed zijn, de bank boven, een stoel op het balkon – en snelt naar waar ik ben, om zich op mijn schoot of buik te installeren. Even een wij te zijn. Terwijl ik probeer mij in te denken wat dat voor haar betekent, merk ik al snel dat ik die vraag voor mezelf niet eens kan beantwoorden. Zachtjes waait ergens een deur open, op een kiertje maar, die me vertelt dat er daarbuiten een wereld zonder woorden is. Betekenis betekent daar niets. Alles is gewoon. Eén groot wij?

 

Advertenties

Read Full Post »

Mindlessness

 

Misschien zwerft het nog ergens, dat psychiatrisch rapport, waarin werd geconstateerd dat ik een “sterke neiging tot intellectualiseren” had. Blijkens het vorige stukje valt dat tegenwoordig wel mee. Inmiddels krijg ik het gedaan om een hele avond lang mindless te genieten. Maar wacht: de mind laat zich niet zomaar ringeloren. Een heel toneelstuk door mijn ogen naar binnen laten stromen, om het daarachter ergens onder luid gelach te laten verdampen, dat is toch net iets teveel van het goeie. Zat er niet toch ergens een inzicht verscholen? Nou vooruit, daar gaat-ie dan.

Daags na dat heerlijk-futiele gebeuren kwam er een citaat boven drijven:

Wie slechts geloof heeft, loopt gevaar een kwezel te worden. Wie slechts humor heeft, dreigt cynisch te worden. Wie geloof en humor heeft, vindt het evenwicht waarmee hij in het leven rechtop kan blijven.

Martin Buber

Meestal schiet dat citaat me te binnen als ik een bewust ongelovige medemens cynisch zie worden. (“Zie je wel.”) Soms ook als ik over mezelf denk: “Oei, nou even oppassen! Straks ben je een kwezel.” (Alle kwezel citaten, wijsheden, quotes en uitspraken vindt u altijd en alleen op citaten.net: 3 gevonden.)

Maar waarom in hemelsnaam associeerde ik deze wijsheid met De Drie Musketiers van De Warme Winkel? Waarschijnlijk juist omdat ze hier niet van toepassing was. Er was geen sprake van een geloof, er was veel om je vrolijk over te maken, maar van cynisme geen spoor. Rara, hoe kan dat? Kunnen we ons dan toch aan ongeloof en humor te buiten gaan, zonder om te vallen? Of bestaat er humor die Buber over het hoofd heeft gezien? Of?

Wat is eigenlijk het verschil tussen geloof en humor, waardoor iemand als Buber op het idee is gekomen om ze als tegenpolen neer te zetten? Ooit heb ik me laten vertellen dat humor een middel is om een zekere afstand te scheppen ten aanzien van een situatie of een ander, misschien zelfs tot het leven an sich. Dan zouden we met geloof proberen een soort hechting teweeg te brengen. Dat klinkt aannemelijk. De volgende stap ligt voor de hand: van alles wat en alles op z’n tijd. Schrijf het op een tegeltje en hang het in de gang.

Natuurlijk zijn er meer manieren om je tot het leven, tot je medemensen en tot de dieren te verhouden. Wreed, gulzig, slordig, krampachtig, onderdanig, trouw, vol mededogen, hartstochtelijk, intellectualiserend en nog veel meer. Mild en teder, zou ook nog kunnen. Met overgave. Zodra de opsomming begint is het einde ervan uit zicht. Ik denk dat er heel veel van die mogelijkheden werden aangeboord in het spel van De Warme Winkel. En bij dat al werd er naar hartenlust gelachen, zonder cynisch te worden. Integendeel, ik heb dat lachen als buitengewoon lebensbejahend ervaren.

Opnieuw een schijnbaar willekeurige associatie. Het wordt herfst hier en ik kijk uit naar het Loofhuttenfeest. Dan wordt bij ons het boek Prediker gelezen, waarin alle zekerheden een voor een vervluchtigen. “Lucht en leegte, zegt Kohelet, lucht en leegte, alles is leegte.” Toch vervalt hij niet in een “nihilistische problematiek”. Hij blijft zijn tanden poetsen en zijn “bibben wassen”, bijna zoals meneer Dil, de waard van het lege hotel in De Tuinen van Dorr van Paul Biegel. Godsdienst hoort bij hem in hetzelfde rijtje thuis: het is niet een kwestie van geloof of van het weg lachen, maar gewoon iets wat je doet. Net als al het andere wat je hand vindt om te doen. Naar theater gaan, bijvoorbeeld.

Read Full Post »

 

Toen ik zes jaar geleden voor het eerst bij haar over de vloer kwam, was zij pas 98. Ze liep nog, zong nog en speelde nog piano. Toch had zij onze ondersteuning bij de “algemene dagelijkse levensverrichtingen” nodig. Ik hielp haar bij het opstaan, wassen en aankleden en maakte in de keuken een bordje Brinta-pap voor haar klaar: niet te heet, niet te koud, niet te dik, niet te dun, wel te zoet en met een heel klein beetje zout. Zo wordt men honderd. Ik bleef bij haar zitten, terwijl zij de blauwe bowl leeg lepelde, gefascineerd door de zorgvuldigheid, waarmee zij het laatste restje uit de rand schraapte. Ach, die sierlijke, korte rukjes van haar broodmagere rechterhand! De lepel was in de loop der jaren scheef afgesleten van dat trouwe geschraap.

Haar lichaamstaal sprak van toewijding, nooit van gulzigheid en misschien zelfs niet van genieten. Ondertussen mopperde ze gestadig op het leven, op de lengte ervan en op de ongemakken, waarmee de ouderdom de mensen komt plagen. Vaak deed ze daar nog een schepje bovenop, een soort meta-gemopper: dan gaf zij zichzelf ervan langs, omdat zij God niet dankbaar was voor het leven. De mensen met wie zij optrok, waren allemaal “in de Heer”. Blij in de Heer, bovendien. Zij niet. Soms wist ze niet eens of ze wel geloof had, genoeg geloof had, het juiste geloof had. Dan probeerde ik haar gerust te stellen: ook dat ziet God met mededogen aan.

Op haar vraag waarom haar leven zo lang moest duren (ze werd uiteindelijk 104) had ik geen antwoord. Het was ook geen vraag, meer een noodkreet. Net als het theatrale “Help! Help!”, of het smekende “Ga niet weg, Janiek. Wat moet ik dan?” Ik zag het altijd weer met mededogen aan, net als God, maar kon haar last niet wegdragen. Heel soms zag ik achter dat tergend langzaam wegterende hoopje mens op dat bed een ander beeld: Job op zijn mestvaalt. Was het ook hier de Tegenstrever, die God op de proef stelde, wetend dat Hij zich niet van Zijn mededogen zou kunnen ontdoen?  Maar deze Job had geen builen, nauwelijks doden te betreuren. Vrienden, die het beter wisten, als het over God ging, die had ze wel.

Telkens wanneer ik over de enveloppen van de goede doelen die zij steunde haar sobere, nog door haar ouders gemeubileerde woning binnenstapte, moest ik wel denken dat dát het was waar haar leven over ging: soberheid en naastenliefde van Hogerhand. Of probeerde zij met haar zuinigheid en hang naar vlekkeloosheid haar leven als een ei op een lepel heelhuids naar de overkant te brengen? Zij was nooit getrouwd geweest, maar had zij dan niet toch misschien, ergens ver weg in het naoorlogse Duistland, waar zij had gewerkt onder vluchtelingen, een tragische, maar grote liefde gekend? Een collega, die tegen alle regels in met haar bevriend was geraakt, had het haar een keer op de vrouw af gevraagd: “Heeft u dan nooit in uw leven seks gehad?” “Nee,” was het antwoord geweest. Onvoorstelbaar, in de ogen van mijn collega.

Ach, ik kon me het wel voorstellen. Zelf was ik meestal ook blij met mijn plekje op het droge, wanneer ik de liefde een keer had toegestaan haar golven om mij heen te slaan. En ik heb niet eens smetvrees, zoals zij. Gelukkig is er taal, waardoor je je kunt laten raken, zonder vies te worden of je botten te breken. Daar konden wij samen dikwijls van genieten. Ik zal nooit vergeten hoe we op een avond dicht bij elkaar stonden in haar achterkamer (de coördinaten zijn door mijn voeten zorgvuldig gearchiveerd) en zij, met zwoele stem en een zeldzame schalksheid in haar blik, een paar dichtregels begon te citeren:

Männer umschwirr’n mich,

Wie Motten um das Licht.

Und wenn sie verbrennen,

Ja dafür kann ich nichts.

Ich bin von Kopf bis Fuß

Auf Liebe eingestellt,

Denn das ist meine Welt,

Und sonst gar nichts.

Marlene Dietrich

De laatste avond van haar leven kwam ik binnen in de kamer waar zij al twee jaar lag. Op een ziekenhuisbed, de rand van de deken omklemd en opgetrokken tot aan haar kin, een zakdoek tussen twee vingers. Dit keer was er iets heel erg anders, dat zag ik meteen: zij had de deken opzij gegooid en lag uitgestrekt op het bed, haar armen slap langszij. Zo ontspannen had ik haar nog nooit gezien. Wel was ik heel vaak bang geweest haar dood te moeten vinden. Ze hijgde snel en zachtjes, de ogen open, met heel wijde pupillen. Toen ik naast haar ging zitten en tegen haar sprak, merkte zij dat niet. Ook toen ik haar handpalm en voetzool aanraakte, kwam er geen enkele reactie. Voorzichtig legde ik een vochtig washandje tegen haar lippen, maar zij was duidelijk ergens anders, ver weg.

Met alle liefde had ik bij haar willen blijven en over haar willen waken, maar ik moest nog twintig andere mensen bezoeken. Ik belde de buurvrouw, die haar mantelzorger en zuster in de Heer was en die ik gelukkig bereid vond om bij haar te gaan zitten. Al had ik nooit eerder zo duidelijk en van zo nabij gezien dat sterven een zaak is tussen de dood en zijn uitverkorene, het is menselijkerwijs niet te doen om een stervende zomaar alleen te laten en de  deur achter je dicht te trekken. Nog twee keer die avond ben ik terug geweest om me ervan te verzekeren dat er altijd iemand zou zijn om deze plicht te vervullen. De volgende morgen pas is zij stilletjes overleden.

Samen met die brutale collega zat ik in het zaaltje op de begraafplaats waar haar geloofsgenoten liederen van Johan de Heer zongen. Bij Daar ruist langs de wolken zag ik mezelf nog heel even in een kleuterschoolbankje zitten. We kropen dicht tegen elkaar aan, toen we tijdens de preek een zacht gebonk hoorden, dat door niemand anders opgemerkt leek te worden. Opeens werd het stil en gingen de deuren achter de kist open. Daar stonden zes wondermooie jonge dames op haar te wachten. Zij namen haar op de schouders en droegen haar het hele eind naar het familiegraf. Toen we bij wijze van laatste groet een blik in de kuil wierpen, zagen we een veldmuis schielijk vanuit een hoek naar onder haar kist vluchten.

Ein rätselhafter Schimmer, . . .

 

Read Full Post »

 

Bijna dagelijks verwonder ik mij over de laatste cliënt die ik ’s avonds bezoek. Hij woont alleen op een bovenverdieping van een groot, bijna leegstaand huis. Hij ziet niets en kan nauwelijks lopen. Medische kunstgrepen houden zijn lichaam aan de praat en onze zorg houdt de praktische kant van zijn leven op de rails. Onlangs is zijn vrouw hem –  in een dubbele salto mortale: eerst in de geest, door Alzheimer, daarna lichamelijk, door een longontsteking – ontvallen. Toch straalt die man, als ik met hem praat, en vertoont hij een verbazingwekkende levendigheid van geest. Hoe krijgt hij dat voor elkaar? Wat is zijn geheim?

Elke dag weer daagt hij zichzelf uit om, in het pikkedonker, een berg van lichamelijke beperkingen te beklimmen, en daar op een eenzame hoogte te gaan ‘lernen‘, zoals hij het graag noemt. Hij wil nog zo graag “iets achterlaten”, misschien voor zijn kinderen (al boeit zijn queeste hen niet werkelijk), of anders voor die paar vrienden die nog niet dood zijn. En voor mij, want in mij ziet hij een verwante ziel. In den blinde zoekt hij zijn weg door taaie teksten in het Hebreeuws, hem toegesproken door een ijzige vrouwenstem, die de software voor hem genereert. “Ténach,” zegt ze. Hij volgt het spoor van aartsvader Abraham, tot diens moment van sterven, waarbij dezelfde woorden terugkomen die ook geschreven staan bij onze verdrijving uit het paradijs.

Ah, het Paradijs! Oorsprong en bestemming. Middelpunt van al onze omzwervingen. Als het niet bestaat, hoe bestaan wij dan nog? We verlangen ernaar met heel onze ziel en vluchten er uit allemacht van weg.

Zo ook mijn bejaarde bijbelvorser. Het document, dat hij na wil laten, omdat het zal getuigen van het geluk dat hij heeft geput uit zijn inzicht in het “Woord ons gegeven”, dat document zal wel nooit af komen. Zijn zoektocht, hoe rationeel en academisch ook, heeft onmiskenbaar mystieke trekken. Hoe dichter hij bij de kern komt, hoe wijder het vergezicht zich opent. De horizon lokt, of duwt hij haar zelf steeds verder weg?

Als het op ‘lernen‘ aankomt, volg ik zelf liever de omgekeerde richting: ik keer die kern de rug toe en verdiep me naar hartelust in al die aangroeisels en aankoeksels van de rabbijnen en in de lotgevallen van Abrahams zaad, talrijk als het zand der zee. Middelpuntvliedend.

Toch hebben wij iets gemeen. Allebei duwen we met onze leergierigheid het niet-Zijn voor ons uit. Zolang wij nog iets te leren hebben, zal de Dood in de wachtkamer moeten blijven zitten. Maar er is nog iets anders: laatst liet hij zich ontvallen dat het voor hem niet meer zou hoeven, wanneer hij niet meer zou kunnen werken aan zijn bescheiden magnum opus, of het nou af is of niet. In een luie stoel zitten en van een luisterboek genieten? Dat is niet genoeg om voor te leven. Begrijpelijk, met al die ongemakken, maar voor mij, gezond en wel, gaat het ook op.

Op dit moment kijk ik in dezelfde spiegel als die, welke mij tijdens de vakantie van vorige herfst een paar keer werd voorgehouden. Ik kan niet niets-doen. Sorry. Hoe aantrekkelijk de haast mystieke visie van mijn rabbijn op de Sjabbat (“laat alles los, je hoeft niets meer, dit is een dag bestemd voor louter Zijn”) me ook voorkomt, ik stel het meestal graag nog even uit. Het helpt (of niet) dat die praktijk breed gedragen wordt, in liberale kringen in ieder geval. De smartphone, die barometer van ons bestaan, blijft bij nagenoeg iedereen die ik ken branden, of in elk geval op de waakvlam staan. En ik vind altijd wel een excuus om toch een paar uur achter mijn grote beeldscherm door te brengen, al is het maar om te ‘lernen‘. Alleen maar Zijn, het lijkt bijna zo eng als niet-Zijn.

Read Full Post »

Nog even leven

 

De eerste werkweek na mijn vakantie was “best pittig”: qua uren ging ik ruim over mijn gebruikelijke bovengrens heen, want de avonden waren lang. Daarbij moest ik mijn weg zien te vinden in een buurt die ik niet kende en uitvinden hoe de hazen liepen bij een dertigtal cliënten, die ik nog nooit gezien had. Zij mij ook niet, maar in de meeste gevallen was het ijs snel gebroken. Terwijl ik de noodzakelijke handelingen verrichtte, opende ik mij als een schaal waar alles in past. Van de weeromstuit ging bij de mensen tegenover mij het lid van de kan en stroomden hun levensverhalen schuimend in die schaal.

Wat een levens! Wat een verhalen!

“Hoe lang bent u al blind?” – “Vanaf mijn negentiende. Mijn man sloeg me een keer op mijn gezicht, terwijl ik een zonnebril op had.” Zijn straf kwam, jaren later, van de kant van een broer van zijn tweede vrouw, die hem aan een zwaard reeg, zodat hij voor de rest van zijn leven halfzijdig verlamd was.

“Een foutje van het AMC!” moppert een levendige oude dame “met rare hobbies”. “Ze hebben mijn schildklier weggehaald, maar daarbij een zenuw geraakt. Toen heb ik zes dagen in coma gelegen en daarna kon ik niet meer praten.” Dankzij een ingenieus systeem met canules, die zij behendig in een gaatje onder haar strottenhoofd schuift, kan zij nu weer praten. Maar als zij per ongeluk in slaap valt met de verkeerde canule erin, dan is ze binnen twee uur dood.

Een op het eerste gezicht heldere mevrouw van 93, die me de tweede avond op het hart drukt dat zij liever “veel ijs en weinig soep” wil, laat zich door mij voor de nacht opsluiten achter drie rollluiken en vier sloten op de voordeur. In de rapportage lees ik dat zij desondanks om 2:00 uur de politie heeft gebeld, omdat er volgens haar mensen door het huis scharrelden.

Ruwe bolster, blanke pit, of in iedere geval een hele stoere man met een klein hartje. Als bouwvakker heeft hij een val van een steiger overleefd, van zeven hoog. Later heeft hij zeven TIA’s meegemaakt. Hij verontschuldigt zich over het feit dat hij zo schreeuwt. “Mijn eigen zoon ook: ik ben een keer met een motorzaag op ‘m afgestapt. Nou gaat je kop eraf, zei ik, en ik trok ‘m aan. De motor liep, zo’n zware motor, en ik stapte op ‘m af. Een blad van een meter zat erop, zo eentje om funderingen te slopen. Ik zeg, je kop gaat eraf! Als je ’t verdomt om te werken, dan gaat je kop eraf!”

Vanaf een laag bedje kijkt een lief gezicht met een wit ringbaardje, gedragen door scoliose schoudertjes, mij aan. Of ik beneden in de keuken de kippensoep, die zijn zoon heeft klaargezet, wil opwarmen. Ik dwaal per ongeluk door het huis, dat helemaal vol staat met klokken. Hoe was er plek voor een vrouw in het leven van deze verzamelaar?

Je zult maar 104 worden, doodmoe zijn en nog een goede eetlust hebben. Het motorische deel van je lijf doet bijna niets meer, maar je spijvertering en je bewustzijn gaan stug door. Dan moet je je met een tillift uit je stoel laten hijsen, door de lucht naar je bed zweven, daar neergelaten worden en al heen en weer rollend door twee vrolijk kwebbelende verzorgsters verschoond en omgekleed worden. Je hoort ze niet meer “welterusten, lieverd!” roepen, terwijl het licht uitgaat, want dan ben je al in slaap.

Of – en dat was voor mij persoonlijk schokkend – je bent pas 65 en je krijgt in juni van dit jaar te horen dat je kanker hebt. Op dinsdagavond lag hij me met wijdopen ogen aan te staren, terwijl ik hem op een nat washandje liet sabbelen. Niet meer in staat om zich te uiten. Ver weg. “Tot ziens,” zei ik beleefd, maar de volgende avond hoefde ik er niet meer naar toe. Hij was er al niet meer.

Ergens middenin een heel beschouwelijk gesprek met een mevrouw die ik nog vanuit een andere wijk kende, begin ik Let it be van de Beatles te zingen. “Mother Mary, weet je wie dat is?” vraagt ze en haalt een doosje met daarop een afbeelding van de Heilige Maagd tevoorschijn. Daarin bevindt zich een rozenkrans. “Die bid ik elke avond helemaal. Dat heb ik aan God beloofd, toen mijn dochter vermist was. Vier jaar lang is ze weg geweest, maar toen kwam ze terug. Mijn gebed was verhoord.” Die avond zal ze haar rozenkrans voor mij bidden, zegt ze bij het afscheid.

In dezelfde aanleunflat woont nog zo’n vrome katholieke vrouw, met net zo’n Brabants accent. Zij was 23 en moeder van drie dochters, toen ze in coma raakte en een bijna-dood ervaring had. “Ik was in een tunnel en alles was wit, heel erg wit. Maar ik kon nog niet gaan, want ik wilde mijn oudste dochter niet alleen laten. Dat was een zenuwenkind en de anderen waren niet lief voor haar.” Nu is haar dochter 71 en woont in Spanje, zelf ook weduwe. Ze bellen elkaar elke dag.

Hij is klein, veel kleiner dan ik – een Indonesische man. Voor hem hoeft het allemaal niet meer: 93 jaar is hij en vanwege een herseninfarct kan hij moeilijk lopen en vaak moeilijk op de juiste woorden komen. Zijn vrouw is schizofreen en sinds kort gedwongen opgenomen. Vanaf de computer zingt Roberta Flack: “. . . telling my whole life with his words . . .” Waar ging zijn leven over? Ik vraag het maar rechtuit, want ik ben nieuwsgierig en merk aan hem dat hij graag wil praten. “Mijn leven is mislukt,” begint hij en ik spartel al in zijn net. “U lacht erbij,” zeg ik, en zie hoe mijn eigen glimlach tegen de zijne in glanst. Onmiddellijk weet ik, dat ik niet gauw genoeg zal krijgen van die Democritus-lach van hem. Wijs? Sluw? Cynisch? Er op uit om te verleiden? Als het halve uur om is, weet ik meer van hem dan hij van mij, maar prijst hij mijn schoonheid én mijn intellect.
Zo wil hij nog wel even . . . .

Ziezo, de schaal was erg vol, de rest ging over de rand. Nu is hij weer leeg.

 

Read Full Post »

Zielsverruiming

 

“Wat verandert er na deze dag?” vroeg een van de rabbijnen en ze keken me alledrie verwachtingsvol aan. Ik wierp nog een keer een blik in mijn ziel, waaruit ik net drie kwartier lang van alles had opgediept, om hen te laten zien hoe ik tot dit moment gekomen was. Toekomstvisioenen zaten daar niet echt bij. Draaide ik niet allang volop mee in het joodse leven? En was dat niet reeds ruim voldoende voor mij? Ja, het zou een officiëler karakter krijgen, dat wel. Verder kwam ik niet. Toen stuurden ze mij de gang op.

Al na twee minuten werd ik teruggeroepen en na wat gescherts over en weer gingen de drie rabbijnen staan en reikten mij een voor een de hand, met de woorden “Achotenoe at!” – “Onze zuster ben jij.” Wat moest ik daarop zeggen? “Toda raba” dan maar: hartelijk dank! En toen was het opeens of ergens diep binnenin mij een deksel van een put werd geschoven en er een bron omhoogwelde, die me tot in alle kieren vulde met een gevoel van volmaakte vervulling. Zij zagen hoe ik vol schoot, en ik dacht even dat ik door mijn tranen heen voldoening in hun blikken waarnam. “Blijkbaar is dit voor jou belangrijk,” zei een van hen nog.

Dat was nog maar het begin. Even later was ook mijn lijf tot in de poriën geraakt door water, al moet ik eerlijk zeggen dat ik het gevoel van opnieuw geboren te worden op dat moment niet echt kon bevatten. Ook toen ik een Tora-rol in mijn armen mocht houden en mijn eigen rabbijn mij de drievoudige priesterzegen gaf, was ik er nog niet helemaal bij. Terwijl de gebruikelijke gastvrouwenstress (er zat een hele bank vol vrienden en vriendinnen voor mij!) zachtjes door mijn aderen ruiste, ving ik nog net op dat de Tora-voorlezing van deze week (“Wanneer je in het land gekomen bent . . .”) wel heel toepasselijk was voor een rite de passage.

Op de eerstvolgende Sjabbat bleek wel hoe ik echt op de andere oever was aangeland: ik werd voor het eerst ‘opgeroepen’ voor de Tora-lezing en daarna las de rabbijn die de dienst leidde een speciale zegenwens voor, waarvan ik de vertaling hier graag weergeef:

Moge Hij die onze voorouders Awraham, Jitschak, Jaäkov, Sara, Riwka, Rachél en Léa zegende, Zijn zegen geven aan Channa bat Awraham, die deze heilige Sjabbat is opgeorepen voor de Tora, nadat zij bij ons is gekomen om te schuilen onder de vleugelen van Gods Aanwezigheid. Zij heeft een lange weg van voorbereiding afgelegd om te worden opgenomen in het joodse volk en te worden gerekend onder hen die behoren tot het volk van de God van Awraham en Sara.
Moge de Heilige, Hij zij geprezen, met haar meegaan en haar voorspoed geven op haar levensweg, haar beschermen en zegenen met voldoening en tevredenheid als zij haar deel van Gods werk in deze wereld verricht. Mogen al haar wensen ten goede in vervulling gaan en moge zij altijd openheid, vriendschap en verbondenheid ondervinden onder haar volk Israël.
Daarop zeggen wij: Amén.

” . . . opgenomen in het joodse volk . . . ” Nooit zou ik hebben geweten hoe dat was, als ik het niet had meegemaakt. Hoe zou het zijn als mijn leven bijna volledig bestond uit de voorstellingen die ik mij ervan maakte? Heel vaak heb ik het bestaan zo overweldigend gevonden, dat ik daar graag genoegen mee had genomen. Vandaag prijs ik me gelukkig om alle momenten waarop ik dat niet heb gedaan.

Een andere reden om aan de veilige kant van alles te blijven, is de angst om te verliezen wat je dierbaar is. Betekent een nieuwe naam krijgen niet het verlies van een oud vertrouwde? Er wordt wel gezegd dat opname in het Jodendom een “biologisch wonder” is: je wordt zozeer werkelijk een nazaat van Awraham, dat oude bloedbanden hun geldigheid verliezen. Wil ik dat dan wel? Gelukkig was ik inmiddels zelf al soepeler geworden in het gebruik van twee voornamen; er blijven plekjes waar ik Janiek genoemd word. Voor het andere probleem vond ik op de valreep een oplossing, ergens op het internet, ik weet niet meer waar. Elke jood die de Sjabbat heiligt, krijgt voor die dag een nesjama jetera: een extra ziel, – of misschien ook wel: een ruimere ziel. Precies hetzelfde geldt voor de joodse ziel die een bekeerling krijgt (of blijkt te bezitten) op het moment van toetreden tot de Natie. Er hoeft niets te worden tenietgedaan. Ik hoef slechts toe te staan dat er een zielsverruiming plaats vindt. Graag!

 

 

 

Read Full Post »

Bloedmaan

 

Natuurlijk had ik op internet genoeg bloedmooie pics van de bloedmaan kunnen vinden. Deze is misschien niet het volmaaktst, maar wel des te echter. Ik kreeg haar van een van mijn allerbeste vriendinnen, met een verhaal erbij:

Gisteren 2 uur lang op zolder gewacht op de bloedmaan. Hij kwam niet. Wel aardige zonsondergangs foto’s over Amsterdam gemaakt.

Op mijn weg naarbeneden kwam ik de buurman tegen. Ik vertelde hem dat ik de eerste en laatste bloedmaan van deze eeuw gemist had. Die klopte later nog eens aan de deur en zei dat hij nu tevoorschijn gekomen was. Maar al met een geel randje.

Ik had geen tijd meer voor mijn statief. Dus vanuit de hand genomen met telelens.

Achteraf heb ik van haar begrepen dat het niet echt haar enige kans op het zien (en fotograferen!) van een bloedmaan was, maar dat maakt deze niet minder uniek.

Het deed me denken aan hoe in deze wereld lichamen zich door ruimte bewegen in patronen die zich lijken te herhalen, terwijl – ondanks het verzet van ons verstand en ons ego – niets en niemand ooit op hetzelfde punt terugkeert. Punt. Toch is er een punt – of zijn er punten? – waar verschillende mensen in verschillende tijden en op verschillende tijdstippen kunnen raken aan wat Altijd Is.

In dezelfde week en in dezelfde buurt als die waarin mijn vriendin haar bloedmaan zag, had ik weer eens zo’n kent-iemand-dat-gevoel-ervaring. Gek genoeg leek die opgeroepen te worden door een zelfde soort blik in een zelfde omstandigheid als de vorige keer. En toch was hetzelfde anders.

Het was alsof ik, zonder mij daarvan bewust te zijn, had gedraaid aan een cijferslot met een ontelbaar aantal cijfers. Zomaar opeens, zonder bombarie, ging de deur van een brandkast open en stond ik in het volle licht. Nee, veeleer was het misschien een vol geluid. Alsof alle ervaringen van mijn leven tegelijk klonken in één overweldigend slotakkoord, zó harmonisch, dat Pythagoras’ harmonie der sferen als een fluitje van een cent verstomde.

En vervolgens fietste ik doodgemoedereerd verder, als twee duiven die opvliegen na hun liefdesdaad. Wat zomaar mijn laatste moment had kunnen zijn, viel als een druppel in een oceaan. Als ik er hier niet over had verteld, was het niet eens een druppel geweest. Niets.

 

Read Full Post »

Older Posts »