Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘verwondering’ Category

Nog even en we vieren weer onze nationale Bevrijdingsdag. In de media en op scholen doen wij dan  een poging ons voor te stellen wat vrijheid voor ons betekent. Dat valt doorgaans niet mee, wanneer je die vrijheid dagelijks geniet en het wordt moeilijker, naarmate de dag van bevrijding verder in het verleden wegzinkt. Stel je voor hoe dat op 5 mei 5279 (ik doe maar een gooi) zal zijn. Ons landje weggezakt in de Atlantische Oceaan, Mokum nog slechts een mythe en een handjevol Hollanders in de diaspora. Er zullen tulpen bloeien in Siberië.

Ik vier vandaag de laatste dag van het acht dagen durende bevrijdingsfeest van die andere natie waartoe ik begin te behoren. Op de eerste twee avonden nam ik op twee plaatsen deel aan de seder, het traditionele pesachmaal. Dat wordt in ieder geval al meer dan tweeduizend jaar gevierd. (Jezus deed het ook al.) Het draaiboek voor dat samenzijn, de haggada, bestaat zeker meer dan duizend jaar en is in al die jaren niet wezenlijk veranderd. Is dat niet star? Nee, want de essentie van het feest is dat het verhaal verteld wordt als waren wij er zelf bij toen het gebeurde.

Er zijn verschillende manieren om het verhaal van onze bevrijding uit Egypte te verbinden met wat er nu in en om ons gebeurt. Zo kun je naast de traditionele seder schotel een aantal voorwerpen tonen, die verwijzen naar groepen mensen in onze wereld die ook nu nog onderdrukt worden. Of je kunt je afvragen in hoeverre je zelf vrij in het leven staat. Dat heeft in mijn beleving al gauw iets AA-igs: het antwoord blijft hangen in de nevelen tussen sociaal wenselijke bekentenissen en dat wat we zelf niet eens weten.

Eerlijk gezegd was ik blij dat ik mij, na de wisseling van baan in de afgelopen maanden, op een betrekkelijk luw stukje van mijn levensweg bevond. Toen ik dat hardop zei, meende ik een kritische vonk te zien glimmen in de ogen van de rabbijn. Of was het mijn eigen innerlijke stemmetje, dat altijd roept dat het nooit goed genoeg zal zijn? Voor ik kon zeggen dat ik dáár wel eens van bevrijd zou willen worden, was de seder alweer een eind voort gerold. Vier glazen verder was ik mijn benauwenis alweer vergeten en anders aan het eind van de volgende avond wel.

Op de derde dag stond ik op, om te werken. Niet eens brak, ondanks al die glazen. De zon scheen en al ging ik, net als alle andere mensen, gewoon aan het werk, het was alsof ik vakantie had. Roze wolken van bloeiende prunus dreven langs mijn weg en in alle huizen waar ik kwam, knisperden de matzekruimels onder mijn voeten. Het voelde alsof ik na een heerlijke liefdesnacht in de armen van mijn geliefde wakker werd. Had ik dan mijn bevrijding zomaar kado gekregen? ” – Hij geeft het Zijn lieveling in de slaap.” (Psalm 127:2)

Dat gevoel hield de hele week aan, ook al werkte ik meetbaar meer dan anders. Zelfs het gebruikelijke gevoel voor een dilemma te staan, toen de planner mij vroeg om voor een zieke collega in te vallen, terwijl ik daar eigenlijk geen zin in had, was afwezig. Alleen de verbazing daarover herinnerde mij aan de vertrouwde druk. Ik was iets kwijt, maar ging er niet naar zoeken. Zonder te zoeken vond ik iets anders: een inspirerend pesach-verhaal van een andere blogger. En dit is volgens haar de crux van Pesach:

De Eeuwige zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de Eeuwige, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen.”

Exodus 9:1

Dat klinkt paradoxaal: bevrijd worden om te gaan dienen. Esther Weissman-Erwteman legt in haar blog uit hoe dat dienen bestaat in het doen van Gods opdrachten (mitswot). Als je die doet, alleen om God te dienen, voor geen enkel ander doel, dan zijn het beperkingen die een ongekende vrijheid schenken. Misschien was dat wat ik de afgelopen week heb ervaren.

Read Full Post »

Lang geleden, vóór de digitalisering van de marketing, toen verkooptijgers nog met een headset en een telefoonboek opgesloten zaten in een call-center, werd ik een keer opgebeld door een energiek klinkende jongedame, die mij van energieleverancier wilde doen veranderen. Het kan ook ten behoeve van een obscure telecomprovider zijn geweest. Hoewel ik natuurlijk een dief van mijn eigen portemonnee was, zei ik haar dat ik helemaal niet van leverancier wilde veranderen. “Heeft u daar een goede reden voor?” klonk het dreigend aan de andere kant van de lijn. Tja, en daar stond ik dus met mijn mond vol tanden.

How convenient does it prove to be a rational animal, that knows how to find or invent a plausible pretext for whatever it has an inclination so to do.

Benjamin Franklin

Hiermee had Franklin beslist een ander soort mensen op het oog dan mij. Dromerig als ik was, moest ik het zonder sterke neigingen stellen en, geloof me of niet, dan leggen de redenen die je erbij verzint het meestal af tegen die van een ander. Voor je het weet heb je iets gekocht, gegeven, gesteund of beaamd, omdat een ander daar goede redenen voor had. Terwijl die ander er alweer vandoor is, kijk je dromerig naar je lege handen. Keer op keer. Dat ik me die jongedame in haar call-center blijf herinneren, is omdat zij de eerste was tegen wie ik zomaar zei: “Nee hoor, maar u wens ik nog een prettige dag!” Sputterend als een kaarsje ging zij uit, toen ik er nog een schepje “Succes verder!” bovenop deed. Ziezo!

Met de jaren ben ik gelukkig wat sterker geworden in mijn neigingen én in de bijbehorende redeneringen, en laat ik me niet meer zomaar elke bewijslast op de schouders laden. In mijn werk daarentegen heb ik zelf vaak een professioneel belang bij het achterhalen van de beweegredenen van mijn cliënten voor hun gedrag. Toch heb ik geleerd het stellen van waarom-vragen te vermijden. Je komt daarmee namelijk zelden iets te weten. Er ontstaat hooguit een gevoel van gedrang en daar komt niemand verder mee. Wanneer je echter persoonlijke belangstelling weet te tonen, of een belangeloze nieuwsgierigheid aan de dag legt, komt belangrijke informatie vaak vanzelf naar buiten.

Bestaat zoiets eigenlijk wel: belangeloze nieuwsgierigheid? De woorden lijken elkaar in tegenspraak het zwijgen op te leggen. Maar, eh, ik zou wel eens willen weten: waarom vragen wij naar het waarom van alles? En waarom wil ik dat weten? Als ik een staart had, dan rende ik er nu achteraan. Totdat? Tja, totdat de wind gaat liggen. En weer opsteekt. “Lama? Kacha!” heet het in het Ivriet en dat betekent niet “Waarom? Daarom!”, maar “Waarom? Zo!” Of: “’t Is zoals ’t is.” Dáárom gaan de wolken zo snel.

Een paar weken geleden waren we aan het lernen over het gebed. Op zeker moment vroeg één van ons aan de rabbijn: “Heeft het gebed ook een doel?” De rabbijn gaf een antwoord, waaruit bleek dat gebed weliswaar tot iets kan leiden, je ergens kan brengen, maar niet als je datgene als een doel ziet. Ik moest denken aan het slot van Rilke’s gedicht Du mußt nicht bangen, Gott:

Falle nicht, Gott, aus deinem Gleichgewicht.
Auch der dich liebt und der dein Angesicht
erkennt im Dunkel, wenn er wie ein Licht
in deinem Atem schwankt, – besitzt dich nicht.
Und wenn dich einer in der Nacht erfasst,
so dass du kommen musst in sein Gebet:
             Du bist der Gast,
       der wieder weiter geht.

Wer kann dich halten, Gott? Denn du bist dein,
von keines Eigentümers Hand gestört,
so wie der noch nicht ausgereifte Wein,
der immer süßer wird, sich selbst gehört.

Zelf vraag ik mij nooit af, waarom ik godsdienstig ben. Anderen, die dat niet zijn, weten het meestal wel: ik zoek een houvast, omdat ik zo mijn leven beter bij elkaar kan houden, of het bevredigt blijkbaar een behoefte. Mooi, dan hoef ik tenminste geen “plausible pretext” meer te verzinnen. Dat zou me in dit geval slecht af gaan.

Waarom? Waasjviel!

Read Full Post »

De dood beleven

Ik weet nog precies het moment waarop ik voor het eerst merkte dat er een wezenlijk verschil bestond tussen de wereld van mijn verbeelding en de “werkelijkheid”. Tot die tijd kon ik waarschijnlijk net als ieder kind totaal opgaan in mijn spel. Als ik speelde dat ik een koe was, dan was ik die koe. Op een avond viel dat gelukkige vermogen met een klap aan diggelen op de harde bodem van de realiteit. Misschien had ik het te hoog opgetild en wilde ik stiekem dat mijn spel nog echter dan echt zou zijn. Vier of vijf jaar zal ik zijn geweest, meer niet.

Het verhaal begint eerder: op zekere dag was ik met mijn buurmeisje en mijn jongere broertjes ver van huis gedwaald, langs de dijk waaraan wij woonden. Het was zomer en toen we langs de slagerij liepen, stond daar de deur van de schuur waarin geslacht werd wagenwijd open. Een koe, meer zwart dan wit, liep gewillig achter een touw aan naar binnen. Terwijl wij in de deuropening stonden toe te kijken, hield de slager een donker ding tegen de kop van het beest, er klonk een gedempt metaalachtig geluid en de koe zakte in één keer door alle vier haar knieën. Daar lag zij, stuiptrekkend nog, op de vochtige betonnen vloer. De slager nam rustig een lang mes en sneed haar de keel af, waarop het bloed als een brede rivier naar een putje in de hoek stroomde.

Vanaf dat moment verdwijnen mijn vriendinnetje en mijn broertjes uit mijn herinnering en wat vervolgens gebeurde heb ik helemaal alleen beleefd, of liever: meebeleefd. Niets deed ertoe dan de koe en ik, ik, die als vanzelfsprekend probeerde te zijn wat ik zag. De koe werd op haar rug gelegd en van haar kop en poten ontdaan, terwijl haar vel vochtig en bloederig van haar flanken gleed en als een kleed onder haar bleef liggen. Haar uier werd weggenomen (melk mengde zich met haar bloed) en zorgvuldig gewassen naast kop en poten aan de muur gehangen. Uit haar buik kwam een indrukwekkende hoeveelheid ingewanden tevoorschijn, die in een grote zwarte kuip verdwenen.

Toen werd zij aan haar achterbenen opgehesen en aan de nokbalk gehangen. Een vlugge snede van het lange mes en haar huid viel op de grond, een gevoel van naaktheid deed mij rillen. Met eerbiedige wreedheid hakte de slager de koe overlangs in twee gelijke helften, daarna overdwars in kwarten. In mijn herinnering is er al die tijd geen geluid meer en geen bekende emotie. Alleen het overweldigende gevoel van heel dicht bij iets heiligs te zijn. Daar houdt de herinnering op en wordt het stil om mij heen.

Tot op die avond dat ik mijn broertje vroeg om deze gebeurtenis met mij na te spelen. De rollen had ik al verdeeld: hij moest de slager zijn, want natuurlijk was ik de koe. Ergens midden in het vuur van het spel kwam er een vraag aan suizen, uit het donkere niets. Een meteoor sloeg een gat in de grond van mijn ziel: “Als ik dood ben, merk ik dan eigenlijk wel wat er met mij gebeurt?” Hardop herhaalde ik die vraag en opeens stonden de inzichten die ik inmiddels al had aangehoord (maar niet had willen weten) hoofdschuddend om mij heen en ik verloor al mijn warmte in een gevoel van diepe teleurstelling. Ik had hartstochtelijk gewild dat het kon: de dood beleven.

Von deinen Sinnen hinausgesandt,
geh bis an deiner Sehnsucht Rand;

Rainer Maria Rilke

Voetnoot: deze tekst heb ik geschreven in juli 2012, hij is gepubliceerd 4 september 2016 in de bundel  Langszij de tijd – opgaan in vergetelheid –, door Simon Buschman en 87 medeauteurs.

12092016

Read Full Post »

Treurspieren

13082016

Ik zie nog zo voor me waar we liepen, toen het gebeurde. De eerste huizen van Bagnac-sur-Célé waren in zicht, aan onze linkerhand stroomde een wat onfris beekje, boven ons ruiste het loof van de abelen. In het hoge gras waar we liepen was het onkruid juist uitgebloeid, maar de appels aan de knoestige boompjes kregen nog geen kleur. Grijs-groen-grauw leek alles om ons heen. Onze wandeling was een beetje uit de hand gelopen, dus we waren moe en hongerig. Gelukkig werd er in de boerenkeuken aan de rue du Couvent doorgaans vrij laat gedineerd, want anders zouden we nog de hond in de pot vinden. Om stil van te worden, al met al, en dat waren we ook. Tot ik opeens onze kleine meid zachtjes hoorde snikken, een paar passen voor mij.

Ik tilde haar op, hield haar tegen me aan en vroeg naar de oorzaak van haar verdriet. “Ik mis Jezus!” sprak zij en keek me met ingehouden wanhoop aan. Meteen daarop welden dikke tranen uit die grote bruine ogen van haar en zette zij het op een huilen. Ik verbeeldde me dat het geklik van de lepels op de borden in de huizen aan de andere kant van de beek van ritme veranderde en verwachtte ieder moment een verschrikt hoofd boven een blauwe schort of boezeroen uit elk raam te zien steken. Wat een hartstocht kan er huizen in zo’n klein kinderlijfje! “Ik mis Jezus! Ik mis hem zo! En hij komt nóóit meer teru-hug!” bleef zij herhalen. Ik meende te zien hoe ook Tonton Rini wat ongemakkelijk begon te worden onder dit wonderlijke, maar luidruchtige verdriet en mijn vruchteloze pogingen om het te sussen. Maar ja, hoe troost je iemand als je zelf niets van haar verdriet begrijpt?

Later heb ik nog vaak nagedacht over wat er in dat kleine hoofdje of hartje is omgegaan, vlak voordat het in een voor mij onnavolgbaar snikken en schreien naar buiten brak. Natuurlijk was ook zij gewoon moe en hongerig van die te lange ochtendwandeling. Bloedsuiker. Natuurlijk wist zij niet goed waar ze aan toe was, toen ze merkte dat wij het hadden opgegeven om de stemming erin te houden door levendig te converseren. Spiegelneuronen. Natuurlijk zijn zulke gevoelens te groot voor zo’n klein mensenlichaam. Zo ontstaat Weltschmerz toch? Maar misschien was het vooral dit: de jonge ziel is nog niet voldoende geoefend om elke smart ‘een plekje te geven’. Mijn dochter trainde haar treurspieren, en dan moet je je ergens aan vast kunnen houden of tegen af kunnen zetten. Daarbij kwam Jezus kennelijk goed van pas.

Wat waren onze chachamiem wijs, bedenk ik me nu, dat zij voor ons gelegenheden hebben geschapen om die treurspieren in conditie te houden. Vandaag is het Tisha b’Av en treuren wij om een hele rij rampen die stuk voor stuk plaatsvonden op de negende van de maand Av. In 1312 v.C. keerden de verspieders terug uit het land Kanaän, met de boodschap dat het mooi maar onbereikbaar was. Het volk morde en koos voor nog veertig jaar in de woestijn. In 586 v.C. wordt de tempel van Koning Salomo verwoest. In 70 n.C. ligt de Tweede Tempel in puin. In het jaar 133 maken de Romeinen een einde aan de opstand van Bar Kochba en daarmee een begin aan de eeuwenlange ballingschap van het joodse volk. In 1290 zet koning Edward I de Joden zijn land uit. In 1492 worden we door Ferdinand en Isabella uit Spanje verdreven. Op Tisha b’Av 1942 begonnen de Duitsers met het deporteren van de Joden uit het ghetto van Warschau naar Treblinka, met 6000 per dag.

Genoeg om over te treuren, nietwaar? Ik mag dubbel treuren, want ik ben te verkouden om bij het gemeenschappelijke treuren aanwezig te zijn. Wat ik wel kan doen: thuis op de grond gaan zitten en Echa (Klaagliederen van Jeremia) lezen. Zo kan ik me alsnog verbonden voelen met een verdriet zo groot, dat mijn persoonlijke verliezen erin verdwijnen als tranen in de zee. Minstens zo onredelijk – ook voor mijzelf, hoor! – als dat verdriet van mijn kind om een Jezus die zij nog nooit gezien had. Maar gek genoeg: het werkt. Alleen maar doordat ik een man verloren heb die ik niet eens had en met een schoonmoeder ben meegegaan, die ik dus ook niet had. Tegen haar beter weten in heb ik besloten dat haar volk mijn volk was en haar God mijn God. (Lees maar na in het boek Ruth.) Die God en dat volk zijn er nog altijd en ze komen vanavond overal samen om de val van de Tempel te betreuren. Dat ik daar niet bij kan zijn, dát zal ik missen.

Read Full Post »

Mijn ei

04082016

Tegenwoordig heb ik dat niet meer, maar vroeger was ik af en toe bang dat ik nog eens gek zou worden. Met die zorg in mijn hart zat ik een keer tegenover een psychologe, die – vergeefs – probeerde mij gerust te stellen. “Er is niet zoveel mis met jou, hoor,” sprak zij, “Alleen: je accepteert je machteloosheid niet.” Het klonk uit haar mond alsof ik in één klap van al mijn neuroses verlost zou zijn, als ik dat ene, kleine dingetje maar als een ei van Columbus op het tafelblad zou weten te zetten. Pats, boem! en ik zou van mijn geluk verzekerd zijn. Misschien was ik te bang dat het een ongekookt ei was, want ik deed het niet.

Zo komt het waarschijnlijk, dat ik dertig jaar na dato nog steeds met dat ei rondloop. Niet meer op een lepel, wees gerust, het past gewoon in mijn handpalm, waar het een bescheiden hinder bij mijn handelen vormt. Ik weet nog steeds niet of het al dan niet gekookt is, dus ik sluit mijn hand er altijd voorzichtig omheen en als ik het even kwijt moet, zoek ik een veilig plekje voor mijn ei. Zie je: mijn ei.

Mijn ei. Misschien is dit wel een teken dat ik mijn machteloosheid heb geaccepteerd: ik verzet me er niet meer tegen dat ik het er zo nu en dan moeilijk mee heb. In mijn werk draag ik haar voortdurend met mij mee. Zoals laatst, toen ik aan de zijlijn stond toe te kijken hoe een verwarde oude dame mijn goede naam en eer dagelijks door het slijk haalde tegenover mijn collega’s. Zoals vorige week, toen een cliënt met psychiatrische problemen ons hele team zo gek wist te maken, dat wij haar niet in zorg konden houden. Zoals straks, wanneer er alweer iemand op wie ik erg gesteld ben gaat sterven. Het komt allemaal goed, maar uiteindelijk gaat alles teloor. Alleen: m’n ei blijft heel.

Tegenwoordig troost het mij, dat ik juist hierin de gelijkenis zie met Hem, die ik elke morgen zegen, omdat hij mij “naar zijn beeld geschapen heeft”. Ook Hij moet Zijn ei maar heel zien te houden, niet alleen in deze moeilijke tijden, maar Altijd. En natuurlijk is Hij Almachtig, maar Hij heeft ervoor gekozen ons de vrijheid te laten mens te zijn. In ruil daarvoor kreeg hij een stuk machteloosheid terug, dat als een ei in zijn hand ligt. Ik ben ervan overtuigd dat de Eeuwige het daar minstens net zo moeilijk mee heeft als ik. Betrokken blijven zonder door ingrijpen de goede afloop naar je hand te zetten, daar heb je heel veel liefde bij nodig.

Zo helpt mijn geworstel met mijn eigen kleine machteloosheid me om in deze wereld vol geweld een gaaf ei te zien. En als ik me soms afvraag waarom God het niet met een klap op tafel zet, dan bedenk ik me dat Hij wellicht ook bang is dat het een ongekookt ei is. Dat er misschien nog een kuiken in zit, dat uitgebroed wil zijn.

Read Full Post »

12122015

Er is een tijd geweest dat wij ’s avonds aan tafel aan elkaar vroegen: “En, heb jij nog een hé-moment gehad, vandaag?” Een van de kinderen was door een – duidelijk bevlogen – docent geïnspireerd om zich die vraag regelmatig te stellen, aan het einde van de dag. Om dan niet al te vaak met een mond vol tanden te staan, kweek je vanzelf de oplettendheid en de openheid aan, die je nodig hebt om zulke momenten te kunnen ervaren. Wat een hé-moment precies is, kan ik je niet vertellen. Misschien gaat het er vooral om dat jij zelf vindt dat een belevenis die naam verdient. Hier is een voorbeeld:

Zat ik in mijn vorige bericht nog aan het sterfbed van één van mijn “dames”, krap een week later woonde ik haar begrafenis bij. Haar laatste woorden aan mij gericht zullen me nog lang heugen: “Sjaniek, ga ik nu dood? Ik wil nog niet dood. Jij weet toch overal een middeltje op?” Ze hield mijn hand vast, alsof ze zich daardoor aan het leven zelf vast kon houden. De tijd van middeltjes was voorbij. Het was op, maar het blijft wonderlijk om te zien hoe moeilijk lijf en leven elkaar loslaten, zelfs als de geest al grote sprongen buiten de tijdruimte maakt. Wat kan men doen?

Gelukkig kon ik er nog wel voor zorgen dat haar vriendin en huisgenote in staat werd gesteld haar de laatste eer te bewijzen. Dat was, gezien haar lichamelijke conditie, geen vanzelfsprekendheid. Uiteindelijk was de wensenambulance bereid de klus te klaren en dan zie je weer eens waartoe mensen in staat zijn. Met een paar mailtjes en telefoontjes over een weer was alles geregeld en op de dag zelf stonden er voor dag en dauw twee vrijwilligers (gepensioneerde ambulanceverpleegkundigen) klaar met een speciale (anti-decubitus) brancard en een ambulance met uitzicht voor de zieke achterin. Vroem! Daar gingen we, stad uit, land in, naar het geboortedorp van de overledene.

Het daadwerkelijke afscheid herinner ik me vooral als een logistiek gebeuren. Vier sterke vrouwen, waarvan ik er één was, schoven en sjorden aan de open doodkist en de brancard, tot de overledene en de overlevende op gelijke hoogte lagen. “Ze waren eigenlijk een soort echtpaar,” in de woorden van een familielid. Voor het overige zijn woorden niet gauw rauw genoeg. Daarna moest de kist dicht, definitief.

Even later stond die, overdekt met bloemstukken, in het midden van de kerk, met de voeten naar het altaar. Haar vriendin lag op haar brancard voor de voorste bank en ik zat er op een stoel naast, om haar niet al te alleen te laten in die grote ruimte. Er werd een ouderwetse requiem-mis opgedragen, met een koor, dat Latijnse gezangen zong. Er waren echte misdienaartjes, joggingschoenen onder hun blanke kleed. Het oude gereedschap voor de rituelen was van stal gehaald: wijwatervat met kwast, belletjes voor de consecratie, een wierookhouder en een crucifix op een lange steel. Ik was diep getroffen door de liefde en de eerbied waarmee het lichaam van de overledene werd omringd en bejegend.

Net toen ik me dat bedacht, zag ik een misdienaartje met dat kruisbeeld op die stok voorzichtig van de verhoging van het altaar af stappen. Ik trok mijn voeten in, bang dat hij erover zou struikelen. Hij liep langs ons heen in de richting van de kist en ik keek hem na. Toen, precies op dat moment, lichtte de hemel buiten op en dat licht viel door het quasi-gotische kerkraam op het kruis. Een wonderlijke tinteling ging heel even door mijn lijf, toen ik zag hoe de spinragen, die heel sierlijk tussen de vier punten van het kruis hingen, oplichtten in de zachte stralen van de zon. Alsof God naar me knipoogde: “Zie jij wat Ik zie?”

“De Rooms-Katholieke kerk bezit een grote schat, in haar liturgie en in haar rituelen,” zei de oude heer aan wie ik dit vertelde. Toch lijkt ook die rijkdom vergankelijk. Ik moet opeens denken aan woorden uit een interview met Erik Borgman in Trouw:

De kerk blijft sacrament, net zoals God blijft, ook als mensen niet meer in hem geloven. Of zoals je nog steeds ziek wordt, ook als je denkt dat bacteriën niet bestaan. God gaat aan ons vooraf en is niet afhankelijk van ons geloof. Ziet de kerk dit niet, dan is ze eigenlijk niet te redden. Als wij de werkelijkheid betekenis moeten geven, dan hebben we ons vonnis getekend. Want wij geloven niet, of niet voortdurend, of niet hard genoeg, en bovendien gaan wij uiteindelijk dood.

Read Full Post »

Kanten

24112015

Bijzondere momenten, soms regenen ze als rijpe pruimen uit de boom van mijn leven. De afgelopen twee weken viel er niet tegenop te rapen. Vandaag een week geleden was ik aanwezig bij de presentatie van de nieuwe biografie over en de bundel Joodse essays van Andreas Burnier. Op een zeker ogenblik werden de volgende woorden van Burnier voorgelezen:

Ongetwijfeld is jodendom niet de enige weg naar een zinvol, vervuld leven. Maar toevallig biedt het voor mij, in de waaier van zijn vele mogelijkheden, de meest passende rituele verpakking, de meest verwante mentaliteit; de meest inspirerende teksten, de vruchtbaarste ideeën.

Nog voordat ik kon bedenken dat deze woorden me uit het hart gegrepen waren, keek mijn vriendin Renée, die naast mij zat, me aan en zei: “Dat had jij precies zo kunnen zeggen!”

Een bijzonder moment, maar misschien nog wel mooier was het punt waarop de (bomvolle!) zaal mocht stemmen over de vraag of de mens van nature goed, slecht of zowel het een als het ander is. Op een paar waaghalzen aan beide zijden na vond iedereen dat wij twee kanten hebben: een lichte en een donkere. Het mooie was dat de schaduwzijde van Burnier beslist niet onbelicht werd gelaten, al heette de bijeenkomst een “hommage” aan de schrijver te zijn. Eerlijkheid maakt het eren zoveel overtuigender, vond ik maar weer eens.

Precies een week eerder bracht ik een middag en avond door met mijn drie tantes. Het was warm en gezellig, de herinnering aan mijn moeder, die al 23 jaar dood is, werd steeds sterker tot leven gewekt. Op een gegeven moment zei één van mijn tantes, dat ik zoveel op mijn moeder leek, dat het net was alsof zij er weer bij zat. Ik was diep ontroerd, maar voelde me tegelijk wat ongemakkelijk met die eer. Zij leken mijn moeder zo anders te hebben gekend dan ik. Opeens kreeg ik de behoefte om hun beeld aan te vullen, en wel met de schaduwkanten die mijn verhouding met haar had gekend. Ik merkte dat mijn woorden bij de anderen geen weerklank vonden, en later vroeg ik de tante die mijn gastvrouw was, wat er mis was gegaan. “Niks,” antwoordde zij, “maar soms wil je niet alles weten wat er binnen het gezin van een ander gebeurt.” Woorden om in mijn hart te bewaren, wist ik meteen.

Afgelopen zaterdag bleek ik ze nodig te hebben. In het huis waarover ik in een eerder bericht schreef, had zich tijdens mijn vakantie het drama voltrokken dat ik aan had zien komen. De zorgende dame was gevallen. De brandweer moest de deur openbreken en de bedlegerige werd op last van de huisarts met spoed opgenomen in een verpleegtehuis. Binnen tien dagen bleek hoe de zorgende zich had uitgeput: vrijdagmiddag kwam ik binnen en zag ik haar op de rand van haar bed zitten, een wat ontredderde mantelzorger stond ernaast. “Ik voel me naar,” zei de oude dame. “Heb je de huisarts al gebeld?” vroeg ik haar nichtje. “Nee? Dan moet je dat nu meteen doen!” Zelf belde ik de wijkverpleging en vroeg of zij ook even wilden komen kijken, want ik vertrouwde de boel voor geen cent. Toen ik een paar uur later nog even ging kijken, was duidelijk dat het stervensproces al in gang was.

Twee dagen heb ik, samen met de nichtjes, lopen rennen van de ene plek naar de andere. Om voor een priester te zorgen, die het heilig oliesel kon toedienen. Om te regelen dat de beide dames elkaar nog één keer konden zien en afscheid konden nemen. Ik mocht er bij zijn. Daar stond ik dan, aan het voeteneinde van het bed, alweer diep ontroerd. Wat een bijzonder moment! Al mijn frustratie en al mijn vertedering van de afgelopen drie jaar stonden als een akkoord van licht in de schemerdonkere kamer. Op een bijna mystieke wijze zag ik in één blik de lichte -, de schaduw- en de binnenkant van de symbiose, die in zestig jaar tijd was gegroeid en waaraan nu binnen twee weken een einde moest komen. En toen hoorde ik woorden, die ik liever niet had gehoord, omdat ik ze onmogelijk kan herhalen, al valt het me nog zo zwaar ze voor mij te houden.

Eén van mijn collega’s had die dag nog gezegd: “Mensen hebben er geen weet van wat wij allemaal meemaken in de thuiszorg. Wat een geheimen wij zien. En toch zou ik het geheim van deze mevrouw wel willen weten. Er is iets . . . .” En ja, er was iets. Nu denk ik aan de woorden van mijn tante: “Soms wil je niet alles weten.” En ja, er is iets verschoven in mijn eigen gevoelen over licht – en schaduwkant, over binnen- en buitenkant. En over mijn eigen drang naar eerlijkheid. Terwijl ik deze woorden neerschrijf, voel ik hoe het ruimer wordt bij mij vanbinnen. Ik kan hun woorden rustig in mijn hart bewaren, ze wegen al haast niets meer. Plof! – alweer een bijzonder moment.

Read Full Post »

Older Posts »