Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2016

30051000315926, 2/18/11, 10:05 AM, 8C, 7020x4226 (972+1181), 100%, PPro 01-2011, 1/80 s, R67.1, G34.6, B33.0

De oude man tegenover mij ademt zwaar en hijgend, terwijl ik de stugge steunkousen over zijn magere benen schuif. Als ik hem iets probeer te zeggen, schudt hij zijn hoofd. “Ik ben zo doof als een kwartel!” schreeuwt hij in mijn oor. “Ik niet!” roep ik lachend terug. De man glimlacht en kucht. Ik schuif hem zijn gehoorapparaatjes toe. Zodra hij ze in heeft, begint hij te praten, alsof hij die dingen nodig had om zijn stem op gang te brengen. Een wat hese, maar sonore stem, waar ik graag naar luister. Elke zin die hij zegt, begint met “Hà!” en zijn ongeschoren gezicht plooit zich daarbij in een grimlach.

“Hà! Ik was van de week bij een geriater. Om te kijken wat er allemaal aan mijn verstand mankeert. Op een gegeven moment zegt die mevrouw tegen me: wat voor een wereldbeeld heeft u? Hà!” lacht hij schamper, en ik stel me voor dat de geriater zijn lichaamstaal sneller las dan hij kon praten. “Hà! Heeft u misschien een somber wereldbeeld, vraagt ze aan me. Hà! zeg ik, wat dacht je! Natuurlijk heb ik een somber wereldbeeld. Ik ben oud. Ik kan niks meer. Ik kan alleen maar toekijken hoe de wereld naar z’n klote gaat!”

Op zo’n moment probeer ik meestal om de komende tirade af te wenden en samen met hem onder te duiken in zijn verleden als anarchist, op zoek naar de herinnering aan de hoop. Het kleine dossier dat zich over hem in mijn hoofd heeft gevormd, biedt altijd wel een aanknopingspunt. Als ik hem naar iets vraag, weet hij toch niet dat hij me dat al tien keer verteld heeft. Maar vandaag draag ik zelf iets nieuws aan. Ik vertel hem van mijn onderzoek naar het leven van de joodse mensen die aan het begin van de oorlog in mijn huis hebben gewoond en die in Auschwitz vermoord zijn. Een jong gezin met twee dochtertjes van 4 en 7 jaar.

Ik heb inmiddels geleerd dat veel joden uit de arbeidersklasse zich destijds van het jodendom hadden afgewend en actief waren in de gelederen van het socialisme of communisme. De vader van bovengenoemd gezin was vóór zijn huwelijk actief in de Arbeiders Jeugd Centrale. “Heeft u de AJC nog gekend?” vraag ik dus. “Hà! Van Koos Vorrink. Die leerde die jongens hoe ze zich moesten kleden. Dan droegen ze allemaal zwarte manchester pakken. Maar ik zat daar zelf niet bij, ik was lid van de ANJV, het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond.” Ik vertel hem dat de man die op mijn huis woonde ook lid was geweest van Kunst aan ’t Volk. Zo was hij declamator geworden.

“Hà! Jà, ‘tuurlijk! Die sociaaldemocraten wilden dat de mensen in hun vrije tijd wat aan cultuur deden. Dat bestaat nu niet meer. Tegenwoordig is alles opgeslokt door de media.” Met een gebaar van afschuw wijst hij naar de televisie in de hoek. “Ik kijk er zelf ook naar, want ik kan het niet meer opbrengen me nog ergens in te verdiepen.” Even valt hij stil. Ik houd me in, want ik vermoed dat er toch iets gaat komen, dat hij graag kwijt wil. “Hà!” begint hij, “De Wereld Draait Door, kijk ik dan. Allemaal geschreeuw op niks af. Ik heb het hier wel bekeken. De wereld draait door en ik val er straks van af!” Nu zwijgt hij op een manier die ik nog niet van hem ken.

Zijn gezicht ontspant zich en als hij weer begint te spreken is het met een zachter stemgeluid en zonder de gebruikelijke aanhef. “Ik zat dus laatst op de WC en ik voelde mezelf wegzakken. Nou, daar ga ik dan, dacht ik nog. Nou ga ik dood.” Hierbij laat hij zijn kin op zijn borst zakken, alsof het zo weer kan gebeuren, waar ik bij zit. Dan tilt hij zijn hoofd op en heel even is het alsof ik zie hoe Atlas zich opricht en de last van de wereld in één keer van zijn brede schouders laat rollen. Maar het is een oude man op een stoel tegenover mij, die glimlacht en me met zijn droeve, grijze ogen aankijkt: “Het was een bevrijdend gevoel.”

Read Full Post »

Heimwee

04012016a

“Als ik ooit nog eens ga trouwen, dan trouw ik met dit gedicht!” zei ik, met mijn gebruikelijke mengeling van scherts en ernst. Een amalgaam, waarvan het recept geheim is en bovendien telkens verandert, waardoor anderen mij zo vaak serieuzer wanen dan ik ben. Dit keer had ik het niet eens bedacht, of misschien was het een losgebroken gedachte, die als een kalf in de wei meteen wilde sprongen maakte. Ach, waarom ook niet: men kan immers verliefd worden op voorwerpen, de Eiffeltoren incluis, en daarmee trouwen? Wat ik hooguit bedoelde te zeggen, is dat dit gedicht me bleef boeien, ook al las ik het een maand lang meermalen per dag en kende ik het allang uit mijn hoofd. En ik durf er op te vertrouwen dat het zijn glans ook na dertig jaar niet zal verliezen. Precies wat je van de liefde van je leven mag verwachten.

Welk gedicht? O ja! Het heet “shir hamaäloth” (Psalm 126) en daarvan gaan er precies vijftien in een dozijn. Ik leerde het kennen tijdens een etentje bij vriendinnen en ik was meteen verliefd. Het heeft zich heel bereidwillig geleend om mijn presentatie voor het mini-symposium 3000 jaar Hebreeuwse poëzie te maken. Daarin exploreerden wij, ieder aan de hand van een zelfgekozen gedicht, het verlangen naar Sion en de complexiteit van ballingschap, terugkeer en heimwee. Een centraal begrip in ‘diaspora theory‘ is de vorming van een ‘third space‘, waarin de onmogelijkheden van het ontheemd zijn een plek vinden. Mijn gedicht was misschien wel zo’n third space.

Wanneer Slauerhoff zingt dat hij “alleen” in zijn gedichten kan wonen, dan stel ik mij voor dat hij dat ook alleen doet. Bij Psalm 126 gaat dat absoluut niet: het heeft generaties lang ruimte geboden aan een heel volk. Het heeft maar zeer weinig gescheeld of dit eeuwenoude pelgrimslied was het volkslied van Israël geworden, met de prachtige melodie van Pinchas Minkowsky, de chazzan van Odessa. Misschien heeft God het wel verhoed, om ervoor te zorgen dat het gedicht onderdak kan blijven bieden aan de thuisloosheid. Want die blijft, zelfs in Jerusalem. En toch: stap heel even met mij in de betovering die de ‘alyiah‘ biedt. Yossele Rosenblatt maakte in 1933 in het toenmalige Palestina een film met als titel Chalom ami (Droom van mijn volk). Hij stierf tijdens de opnamen, zoals te zien is aan het slot van de archiefbeelden op YouTube. Kijk (vanaf minuut 11:03) – en luister naar het tweede couplet van shir hamaäloth:

 

 

 

Is het niet prachtig? Ik vind van wel, en uiteraard te mooi om waar te zijn. Gelukkig bood onze poëzie-middag een even lyrisch tegenwicht, toen een mede-studente Tel Aviv 1935 van Leah Goldberg behandelde. Goldberg kwam in dat jaar naar ‘ha-aretz‘ en legde haar eerste indrukken vast in dit gedicht. Ieder couplet lijkt een soort foto, geladen met een intens gevoel van heimwee. Niemand weet of zij het onmiddellijk geschreven heeft of pas jaren later. Het werd gepubliceerd in 1964. Hier is een tamelijk adequate vertaling van Rachel Tzvia Back:

Then the aerials on the city’s roofs were
like the masts of Columbus’ ships
and every raven that perched on their tips
announced a new continent.

And the kit-bags of travelers walked the streets
and the language of a foreign land
cut through the heat of the day
like the blade of a cold knife.

How could the air of the small city
bear so many
childhood memories, wilted loves,
rooms which were emptied somewhere?

Like pictures blackening in a camera,
the clear cold nights reversed
rainy summer nights across the sea
and shadowy mornings of great cities.

And the sound of footsteps behind your back
drum the marching songs of foreign troops
and it seems – if you but turn your head
there is your hometown church floating on the sea.

Tja, wat kan ik nu nog zeggen? Ik zal maar niet weer over trouwplannen beginnen en Irene de stuipen op het lijf jagen. Maar kijk niet gek op als je me op een regenachtige zomeravond zomaar ergens tegenkomt, hand in hand met een gedicht. Dit gedicht?

Read Full Post »