Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2012

Het was een bijzonder woelige tijd in mijn leven. Mijn wereld begon te kapseizen en zou weldra op zijn kop staan en hoe ik mij ook zou wenden of keren, ik zelf zou naar alle waarschijnlijkheid ergens ondersteboven of binnenstebuiten terecht komen. Hoe kon ik zorgen dat ik voor zo’n toekomstperspectief toegerust zou zijn? Het gelukkige toeval wilde dat ik juist in die tijd contact had met de hoofdredacteur van het blad Vruchtbare Aarde *,die zich juist in die tijd bezig hield met labyrinten. Hij vertelde mij vol enthousiasme dat juist in die tijd een zekere Henk Coppens een labyrint had geschilderd op de klinkers van de Amsterdamse Noordermarkt.

Op een stille, maar winderige zondagmorgen fietste ik – nog voor het kerkvolk op de been was – naar de aangewezen plek en vond daar het labyrint. Het was klein, althans in mijn beleving, en nodigde daardoor uit om met een behoedzame stap te betreden. Zo goed en zo kwaad als het ging – gelukkig keek er niemand mee – trok ik mijn gedachten uit en kleedde mij in eerbied (of onbevangenheid). In mijn handen droeg ik, voor mij uit, mijn vraag, die bonsde als een hart: “Hoe nu? Hoe nu? Hoe nu?” Boven mijn hoofd ruiste de wind door de takken van de iepen. En toen, boven die geluiden uit, klonken ergens in mij of om mij heen de woorden van een lied, dat ik zeker twintig jaar niet meer gehoord had.

Ruwe stormen mogen woeden,
alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.

Enige tijd later vertelde ik deze ervaring aan iemand die belangstelling leek te hebben voor mijn welbevinden. Toen ik uitgesproken was, nam hij vlug een halve hap lucht en zei: “Maar dat was natuurlijk je eigen innerlijke kern, die daar sprak.” Ik was een beetje verbouwereerd door deze onverwachte “verklaring”. Zelf had ik daar niet naar gezocht, er was niets in mij wat daar om vroeg. Moest ik er iets mee? Voegde zo’n duiding misschien iets toe? Nee, ik had eerder het gevoel dat de man naast mij op het schoolplein probeerde iets van mij af te nemen. Of zichzelf van iets te bevrijden, of zich gerust te stellen.

Naast allerlei andere nuttige toepassingen hebben cognitieve constructies soms ook een bezwerende functie. Stel je voor, dat op een lege plek waar iets onbenoembaar en onverklaard is gebleven opeens zomaar het ondoorgrondelijke gezicht van God zou verschijnen. Tremendum et fascinans. Niet ondenkbaar, want de Rede is nog lang niet rond met alles te verklaren. Kennis mag dan wel macht zijn, zij is doorgaans veel te klein om de menselijke ervaring te omvatten. Bovendien lijken beleving en rationaliteit uit verschillende werelden afkomstig en spreken zij elkaars taal slechts gebrekkig. Menselijke angst laat zich niet wegredeneren (Denk aan de tragiek in Goethe’s Erlkönig!), slechts door in het domein van het gevoel iets betekenisvols te ervaren kan zij plaats maken voor vertrouwen.

Dat ik – juist in die tijd – iets deed wat ik nooit zelf bedacht zou hebben, – want veel te bang voor het ondoorgrondelijke gezicht van God – werd voor mij een vertrouwenwekkende ervaring, die mij bovendien iets heeft teruggegeven wat ik, verdwaald in de doolhoven van gelovige en ongelovige cognitieve constructies, was kwijtgeraakt.

Moet ik lang zijn hulp verbeiden,
zijne liefde blijft mij leiden:
door een nacht, hoe zwart, hoe dicht,
voert Hij mij in ’t eeuwig licht.

* Grappig: de website van Vruchtbare Aarde bevat na bijna tien jaar nog altijd elementen die ik destijds gemaakt heb. Deze villa en het bos waar zij in staat liggen in werkelijkheid ± 1000 kilometer uit elkaar. Op het bospad liep mijn  broer Marinus, die ik  heb weg gegumd, een grand randonné.

Advertenties

Read Full Post »

Als ik het niet zelf al wist, dan kwam ik er wel achter via die leuke testjes in de oude Psychologie Magazines van mijn dochter: ik heb een ernstig verstoorde verhouding met ladders en loopbanen. Voorts ben ik ontzettend onhandig met hiërarchieën en pikordes. Een volkomen kluns op het gebied van competitie en concurrentie. Het is een wonder dat ik nog zo goed terecht gekomen ben.  Of ben ik dat eigenlijk helemaal niet? Een arbeiderskind dat een universitaire studie heeft voltooid en uiteindelijk werk doet waarvoor zij alsnog een opleiding op mbo-niveau moet volgen: zo iemand heeft er toch een rommeltje van gemaakt, of niet soms?

Hoe praat ik dat voor mijzelf goed? De testjes waar ik het net over had reiken verschillende strategieën aan. Ik zou mezelf gevoelens van superioriteit kunnen aanmeten. Ongeveer zoals een bohemien kan neerkijken op burgerluitjes, volgens Alain de Botton in zijn boek Statusangst. Ben ik niet een heel kleurrijk iemand, die bovendien niet in een keurslijf leeft? Hou meteen maar op, ik voel me niet op mijn gemak met de afstand tussen mij en al die zogenaamde grijze muizen, die ik dan in de anderen moet zien. Ik kijk liever om mij heen dan naar beneden.

De ontdekking

Als je goed om
je heen kijkt
zie je dat alles
gekleurd is

K.Schippers

Die testjes zeggen over mij dat ik kies voor de tactiek van de ontkenning en de ontwijking. Politieke spelletjes? Ik doe er niet aan mee. (“Er boven staan” lukt niet, anders had ik de superieure route wel gekozen.) Competitie? Niet belangrijk. Dat die neiging niet altijd even handig is, merk ik wel nu ik in teamverband werk. Kan ik dit ongemak misschien compenseren met mogelijke voordelen die mijn favoriete “afweermechanisme” me oplevert? Wie weet, maar liever: hoe kom ik er bij dat ik dat zou moeten doen? Je eigenheid omarmen is immers ook een goede mogelijkheid?

Ooit las ik een interview met Peter van Straaten, waarin hij bekende dat hij al vroeg in zijn leven moeite had met “het competitieve element”. Hij herinnerde zich hoe hij in de zandbak zat en een jongetje naast hem zei: “Ik heb lekker vééél grotere schoenen dan jij-ij!” Op dat moment realiseerde hij zich: “De wereld is een wedstrijd en ik doe daar niet aan mee.”

Iedereen die geniet van zijn tekeningen zal blij zijn dat hij die keuze heeft gemaakt. De positie van buitenstaander is namelijk bijzonder geschikt, zo niet noodzakelijk voor het ontwikkelen van zowel de scherpe satirische blik als de milde empathie die ervoor zorgen dat zijn cartoons ons zo weten te raken. Binnen het denkraam van Alain de Botton en de psychologische testjes zou je deze uitkomst als een geslaagde compensatie van een gebrek kunnen duiden. Maar waarom zou je?

In mijn eigen leven heb ik me nooit op een ladder gewaagd en in het horizontale vlak heb ik geen overzichtelijke loopbaan gevolgd maar eerder een soort doolhof uitgehakt in de wildernis die de werkelijkheid in mijn beleving is. Wel een labyrint met lage haagjes. Want ik kijk heel graag om mij heen. Om te genieten van hoe kleurrijk alles en iedereen is. En te zien dat het leven meer dan drie dimensies kent. Dat het niet alleen gaat over competitie en compensatie, maar – bijvoorbeeld – ook nog over compassie en contemplatie. O ja, en over bonvivialiteit [sic], in alle potentiële betekenissen van het woord.

PS: Na 20 uur heeft Google mijn neologisme geregistreerd. Vanaf nu kan iedereen de bonvivialiteit cultiveren.

Read Full Post »

Common sense of consensus

Er stond hier een narrig stukje over political correctness, waar ik achteraf nog aan bleef sleutelen, omdat ik er maar niet tevreden over raakte. Inmiddels is boven komen drijven waar mijn slechte humeur echt vandaan kwam en waarom ik de oplossing in juist dát abstracte onderwerp zocht. Die middag had ik een onaangename ervaring opgedaan met groepsdynamiek. We vergaderden over onze cliënten en opeens werd door een van de verpleegkundigen een aanval ingezet op de “te persoonlijke” omgang met de cliënten die wij verzorgenden er op na zouden houden. Niets concreets, maar gebracht met zo’n air van vanzelfsprekendheid en gevolgd door zo’n stortvloed aan bijval van andere verpleegkundigen, dat er geen discussie meer kon ontstaan.

Aan de gezichten van sommigen kon ik wel zien dat zij zich net als ik in de verdediging  gedrongen voelden, maar die verdediging bleef uit. Toen ik uit arren moede dan toch maar een voorzichtige poging in die richting waagde, bleek het overwicht van de anderen al te groot om nog enig tegenwicht van belang te mobiliseren. Bijval kreeg ik wel, maar pas na de vergadering. Mijn gevoel van frustratie bleef nog dagen hangen. Ik “moet hier iets mee”, binnen de context van mijn werk, maar ik weet nog niet goed wat dan wel.

Dan maar weer wat filosoferen. Over political correctness? Over groupthink? Over common sense of consensus? Allemaal op z’n tijd even frustrerend. En er is al zoveel over gezegd. Bovendien: uiteindelijk gaat het om wat ik ermee doe, niet om wat ik ervan vind. In afwachting van een beter humeur een plaatje en een filmpje, die ik beide tegenkwam als illustraties bij een debat over testosteron, dat ik onlangs bijwoonde.

Overigens vind ik het wel apart dat beide illustraties eigenlijk alleen over de groepsdynamiek tussen mannen gaan.

*

Read Full Post »

Individuum *

In de reacties op mijn vorige bericht viel het woord “zelfbeschikking”. Als zijnde het hoogste goed, nog wel. In de context van “de milde dood” wordt wel gesproken van “zelfbeschikkingsrecht“. Vooralsnog een omstreden recht, daar kom je vooral achter zodra je het probeert op te eisen. Wanneer ik mijn gedachten laat gaan over zaken als “zelf”, “individualiteit” en “het sociale”, dan komt het me herhaaldelijk voor dat wij bezig zijn het begrip “zelfbeschikking” nogal te overschatten. Zodra wij het in de mond nemen klinkt het erg absoluut, maar er zitten al gauw heel wat haken en ogen aan.

Bijvoorbeeld: wat houdt zelfbeschikking in als wij economisch afhankelijk zijn van een ander, of van de staat? Wat is ervan over wanneer wij fysiek afhankelijk worden van anderen? Hoezeer stellen wij niet paal en perk aan onze keuzevrijheid zodra wij kinderen op de wereld zetten? En kunnen wij onze dood nog tot op zekere hoogte zelf in de hand houden, het leven hebben wij slechts voor onbepaalde, doch beperkte tijd te leen. Op de kwaliteit ervan hebben wij weliswaar enige invloed, maar onze beleving ervan is iets waar we het maar mee moeten zien te rooien. Overal waar wij ons leven met elkaar delen komen de grenzen aan onze vrijheid om zelf de regie over ons leven te houden onmiddellijk in zicht.

In de tijd dat ik nog bijen hield, werd ik getroffen door een gedachte van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie. Hij meende dat een bijenvolk ten onrechte als een “volk” wordt beschouwd. Het is geen verzameling individuen, maar een eenheid die je met meer recht als een organisme of zelfs als een individu zou kunnen duiden. Als wij een verkleinglas hadden om mee naar “de imme” te kijken, dan zouden wij een gelaat zien, met herkenbare trekken die haar onderscheiden van andere immen. In mijn omgang met de bijen heb ik meer dan eens gemerkt dat elke kast een eigen persoonlijkheid leek te hebben, met eigen hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

In de winter heeft zo’n persoontje een diameter van enkele centimeters, in de zomer van een kilometer of zes. Binnenin houdt het een “lichaamstemperatuur” in stand die zo goed als gelijk is aan de onze. Een ieder die het te na komt ondervindt dat het geen indringing duldt: lichamelijke integriteit en zelfbeschikking zijn woorden die ook in de taal der bijen bestaan. Iedere imker herkent onmiddellijk het verontruste geluid dat die woorden maken.

Bij mensen ligt het natuurlijk allemaal anders. Maar ook weer niet zo anders dat we niet een beetje bij zijn. Goed, iets als “volksaard” is in deze tijd vooral problematisch en aan “grenzen” is weinig vanzelfsprekends meer. Wij zien onszelf graag als “individualist” en “kosmopoliet”. Wanneer wij een collectieve beleving van identiteit aanschouwen, zoals in een oproer der massa’s, dan boezemt dat ons in de eerste plaats angst in. Maar tegelijk ervaren wij de aantrekkingskracht van het “wij-gevoel” dat we in een dergelijke beweging veronderstellen. En binnen onze eigen kring van intimi kunnen wij ons eindeloos bekwamen in het “loslaten”, maar de gehechtheid blijft. Mét de pijn die bij die beiden hoort.

Want de liefde is nu eenmaal sterker dan de dood.

* Het woord “individuum” betekent “ondeelbaar”. De idee erachter is dat je alles wat leeft net zo lang kunt opsplitsen tot het ophoudt met leven. Elk mens zou in die zin een individu zijn. Wat ik graag in twijfel trek. In extreem isolement van zijn medemensen overleeft een mens door iemand te scheppen naar zijn beeld en gelijkenis, of door zelf gespleten te raken.

Read Full Post »

Banden

“Zij vindt het egoïstisch van mij,” zei de man tegenover mij tussen twee happen van zijn ontbijt; hij bedoelde zijn dochter. Het was mij al langer duidelijk dat hij bezig was met de laatste paar stappen op zijn levensweg, vandaag leek hij de behoefte te voelen mij te vertellen hoe moeilijk die waren. “Mijn zoon denkt dat ik dood wil,”  zo was hij begonnen. “En dat klopt ook wel, denk ik.” Verder was het twijfelachtig of hij, binnen de kaders die we daar op dit moment voor hebben opgericht, in aanmerking zou komen voor “actieve euthanasie”. Zijn zoon, zelf arts, had echter al een andere weg vrijgemaakt, door hem pijnstillers voor te schrijven die, als je de dosis maar geleidelijk opvoert, vanzelf tot een zachte dood leiden. Een praktijk die vrij veel voorkomt en waarbij zowel de grens tussen leven en dood als de grens tussen wat wel en niet mag van zijn scherpte wordt ontdaan.

De afstand die er tussen mij en deze mensen bestond, maar ook mijn eigen ervaringen, waar ik eerder in dit weblog over heb geschreven, maakten het voor mij niet zo heel moeilijk om begrip te hebben voor de gevoelens en keuzes van hen die zich in dit netelige grensgebied bevonden. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik partij zou kunnen kiezen. Goed, ik zag mijzelf wel overhellen, maar dat kwam vooral doordat ik vlak tegenover een mens zat die op was en weg wilde. En hoe begrijpelijk ik het ook vond dat zijn dochter nog niet klaar was om hem te laten gaan, het is nogal wat om zo’n oordeel over je vader te vellen als je ziet dat hij het niet langer op kan brengen om door te gaan met leven. Is zij dan egoïstisch? Of misschien juist de zoon? Want uit de situatie kwam duidelijk naar voren dat de “zorg” die hij zijn vader bood geheel buiten zijn zus om tot stand was gekomen.

Wellicht is egoïsme in deze context niet zo’n bruikbaar woord. Maar liefde – want het gaat hier immers om pogingen tot liefhebben – lijkt me minstens zo lastig. Toch liggen die woorden het eerst voor het grijpen, wanneer wij betekenis proberen te geven aan al die ingewikkelde manieren waarop wij, zonder dat wij daar zelf bewust voor hebben gekozen, met elkaar samenhangen. Iets verderop liggen nog wel wat andere woorden waar misschien iets mee aan te vangen is. Woorden waarin we ons kunnen verstaan met het paradoxale van dit alles. Wederkerigheid, bijvoorbeeld. Met het woord “ontvangen” in de plaats van “nemen”. Of de gedachte dat “houden van” ook “loslaten” kan betekenen, want er is een tijd om vast te houden en een tijd om te laten gaan.

Tijd, daar komt het vaak op aan. De tijd om in het reine te geraken met onze eigen pijn en verlatenheid die de afwezigheid van een geliefde met zich mee brengt. Die tijd krijgen we niet altijd. Voor het gezin waarmee ik dit bericht begon dringt de tijd. Het is maar de vraag of de verhoudingen zo liggen dat zij de tijd kunnen nemen of elkaar de tijd kunnen geven om zich op een nieuwe manier te verhouden tot de plekken waar zij aan elkaar gehecht zijn. Ik ga maar eens een kaarsje voor hen aansteken.

Update 7 juli 2012: Afgelopen week hoorde ik dat de vader een week of vijf na dit blogbericht is overleden. Na een val, waarbij hij een heup brak, ging hij snel achteruit en was het gesteggel over euthanasie niet meer nodig.

Read Full Post »

Huisgenote

*

Sinds vanmiddag heb ik een nieuwe huisgenote.

*

Ze is heel klein, dus mocht zij vanuit haar oude huis in mijn handtas mee reizen.

*

Ik hoop dat we veel zullen praten over het schrijverschap,
zonder woorden, want ze is nogal zwijgzaam.

*

Maar als het heel stil is in huis, dan zal ik ongetwijfeld
haar tikmasjientje horen ratelen.

Read Full Post »

Hemel en hel

Zo’n vijfendertig jaar geleden, toen ik nog praktiserend (maar bovenal prakkiserend) christen was, hield ik voor een bijbelstudieclubje een voordracht over het omstreden leerstuk der alverzoening. Uit een stukgelezen traktaatje van de Unitariërs, dat ik in de nalatenschap van mijn vader had aangetroffen, had ik wat bijbelteksten bij elkaar gezocht en op grond daarvan een pleidooi in elkaar gedraaid, dat eindigde met het stellige weten en vaste vertrouwen dat God uiteindelijk “alles in allen” zou zijn. Ik zag geen heil in de eeuwige verdoemenis van al die mensen die niet geloofden als ik, maar die ik – ook in het hiernamaals – niettemin graag het licht in de ogen gunde. Tot de conclusie komen dat ik God in goedheid zou overtreffen, dat ging me ook wat te ver.

Ik was best bedreven in het dichttimmeren van betogen, dus iedereen was stil, maar niemand zei “amen”. Vlak voordat de stilte echt ongemakkelijk werd, barstte een meisje dat schuin tegenover mij zat los met de vraag: “Maar waarom zou je dan nog al die moeite doen om christen te zijn en goed te leven, als de hel niet bestaat?” “Uit dankbaarheid, misschien?” opperde ik, want ik voelde destijds een vurig verlangen om zó in het leven te staan. De vraag naar de oorsprong van de wens om goed te doen bleef tussen ons in hangen en heeft mij tot de dag van vandaag vergezeld. Niet alleen mij, merk ik regelmatig en tot mijn geruststelling.

In die andere kerk, waar men niet in God gelooft, maar in de Natuur (ook wel Biologie genoemd), maakt men veel woorden vuil aan deze kwestie. Werd die Natuur er in Plato’s Gorgias al bij gehaald om het recht van de sterkste en diens egoïsme te verdedigen, ook nu probeert menigeen met een beroep op de principes van de evolutie het eigenbelang als fundamentele drijfveer van alle menselijk handelen te duiden. Het was de bioloog Michael Ghiselin, die deze gedachte ooit zeer kernachtig uitdroeg in het adagium: “Scratch an altruist, and watch a hypocrite bleed.” Lood om oud ijzer, dus. Angst voor de hel of angst voor de anderen, wat maakt het uit?

Gelukkig zijn er ook vriendelijker biologen. Een poosje geleden las ik in mijn zaterdagkrant een artikel van de primatoloog Frans de Waal, getiteld Zo egoïstisch zijn we niet. Daaruit bleek dat hij al sinds 1996 strijd voert tegen dit idee, dat hij “de Vernistheorie” heeft gedoopt. Toen ik het uit had zei ik zachtjes “amen” en begon het nog maar een keer te lezen, want het was een warm artikel. Alleen al om de aandoenlijke voorbeelden, waarvan ik het niet kan laten er eentje te citeren:

Niet alleen mensen zijn tot oprecht altruïsme in staat. Andere dieren kunnen het ook. Ik zie het elke dag weer. Een oud vrouwtje, Peony, slijt haar dagen met andere chimpansees in Yerkes Primate Center, waar ik werk. Op slechte dagen, als haar reuma opspeelt, heeft ze moeite met lopen en klimmen. Dan helpen andere vrouwtjes haar een handje. Zo probeerde Peony laatst hijgend en puffend het klimrek op te komen waar andere apen elkaar zouden gaan vlooien. Een jonger vrouwtje – geen familie – ging achter haar staan en duwde haar tegen haar dikke achterwerk omhoog, een flinke klus, totdat Pleony zich bij de andere apen had gevoegd. Een andere keer kwam Peony overeind en bewoog zich traag naar de waterkraan, een heel eind verderop. Jonge vrouwtjes renden voor haar uit, zogen water op, liepen terug naar Peony. Eerst hadden we niet in de gaten wat er aan de hand was, maar toen ontdekten we het patroon: Peony deed haar mond open en een vrouwtje spuugde er een straal water in.

Ook zijn argumentatie is overtuigend. Veel dieren doen instinctmatig wat onder de mensen altruïsme heet. Ergens in het midden concludeert hij al: “Ja, we krijgen een ‘warm gevoel’ als we iemand te hulp schieten, misschien hebben andere dieren dat ook wel, maar omdat dat gevoel ons via de ander bereikt, en uitsluitend via die ander, is helpen niet egocentrisch, maar echt gericht op de ander.” Opeens herinner ik me een verhaal dat ik ook al sinds die christelijke periode op zak heb. Het stond in Chassidische vertellingen van Martin Buber en ging ongeveer zo:

Een rabbi wilde al heel lang dolgraag weten hoe de hemel en de hel er uit zagen. Op een nacht kreeg hij bezoek van een engel, die hem mee naar buiten nam en met hem een ander huis binnenging. Daar opende hij voor de rabbi een deur, waarachter zich een fraai verlichte ruimte bevond met in het midden een lange, rijk gedekte tafel vol kostelijke gerechten. Rondom die tafel zaten magere, grauw uitziende mensen, die verwoede maar vruchteloze pogingen deden om van die heerlijkheden te genieten. Toen de rabbi goed keek, zag hij hoe dat kwam: de mensen hadden allemaal heel korte bovenarmen en heel lange onderarmen, waardoor zij geen hap naar hun mond konden krijgen.
De engel sloot de deur en opende een andere, identieke deur. Wat de rabbi daarachter zag, was op het eerste gezicht volkomen gelijk aan wat hij zoeven in het andere vertrek gezien had. Alleen de mensen zagen er hier gelukkig en weldoorvoed uit. Ze lachten en leken plezier te hebben met elkaar. Toen viel de rabbi nog een ander verschil op: ook deze mensen hadden van die korte bovenarmen en lange onderarmen, maar zij gebruikten ze anders. De lekkere hapjes die zij van de tafel pakten brachten zij naar de mond van iemand tegenover hen en die deed voor hen hetzelfde.
De engel bracht de rabbi weer naar zijn eigen huis, waar hij zich te slapen legde en toen hij de volgende dag wakker werd, herinnerde hij zich nog wel wat hij gezien had, maar wist niet meer of het een droom was geweest of echt. Zou dat wat uitmaken?

Read Full Post »