Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2010

Zesendertig

*

Gisteren werd zij 36 jaar en op die verjaardag kwam zij voor de zoveelste keer zonder veel problemen door de APK. Zij is al 23 jaar bij ons. We kochten haar in de zomer van ‘87, studentjes nog, om vakantie mee te houden. Daarna zouden we haar weer verkopen, maar zij bleef. Nou ja, heel eerlijk gezegd is van de oorspronkelijke auto alleen het linker achterspatbord nog over. De rest heeft aan talloze, lang vergeten exemplaren toebehoord.

*

*

En zij hoort bij ons. Als gezin zijn wij met haar vergroeid. Voordat de kinderen kwamen hebben wij er twee jaar van ons leven samen in gewoond. Druiven geplukt, sinaasappels geplukt, kersen, olijven. Tot in Syrië heeft zij ons gebracht. Zij was erbij toen wij in Andalusië overwinterden, toen wij de laatste Ligurische lente met onze Oma beleefden. Ons heeft zij twee keer verhuisd, hoeveel anderen weet ik niet meer.

*

*

De kinderen zijn erin groot geworden. Later zal hun jeugd zich afspelen in de HY. Met een kleurboek op het kinderbankje, braaf. Indommelend terwijl hun slaapkamertje schommelend door het pikkedonker rijdt: waar zullen we morgen wakker worden? Meekijkend op de kaart: blauw is water, groen is het bos. Zullen we bij dat meertje overnachten? De omgeving ontdekken terwijl mama het avondeten klaarmaakt. En wij starend naar de sterren met een laatste grappa: “Nee, nu slapen gaan, echt!”

*

*

Straks zijn ze groot en gaan zij hun eigen weg, de eerste tekenen dienen zich al aan. Uithuizigheid. Controversiële standpunten. Straks zijn wij weer met twee alleen, gerimpelde ouwetjes in een ouwe ribbeltjesbus. Overal zijn wij thuis.

*

Read Full Post »

Voor iemand die transseksueel is, is het verleden vaak een onbetaalde rekening die je op de raarste tijden en plaatsen ziet opduiken. In Prodigal Sons probeert regisseur Kimberley Reed met een deel van die rekening in het reine te komen. De documentaire sluit in haar manier van filmen zo naadloos aan bij de super 8 filmfragmenten uit de 70-er jaren, dat het lijkt alsof je als kijker naast de hoofdpersonen op de bank zit en door het familie-album bladert. Zo neem je deel aan een reis, die niet nalaat je te raken.

Na twintig jaar in New York te hebben geleefd alsof het verleden niet bestond, bezoekt Kimberley Reed haar geboortedorp Helena, Montana, voor een reünie van haar middelbare school. Zij hoopt bij deze gelegenheid ook een stap verder te komen in het herstellen van de verstoorde verhouding met haar broer Marc en daardoor haar eigen verleden definitiever af te kunnen sluiten. Want omdat Marc niet klaar is met hun gezamenlijke jeugd, lijkt Kim die ook niet achter zich te kunnen laten.

He desperately wanted to be the man I so desperately wanted not to be,” zegt Kim en raakt daarmee een hele pijnlijke plek in het leven van haar broer Marc. In diens beleving speelde zijn jeugd zich af in de schaduw van zijn veel succesvollere broer Paul. Het besef niet écht een kind van zijn ouders te zijn (hij werd geadopteerd) zal ongetwijfeld hebben bijgedragen aan een minderwaardigheidsgevoel dat zich steeds sterker vastzet in zijn gemoed. Als hij dan ook nog een auto-ongeluk krijgt en daarbij ernstig hersenletsel oploopt, raakt zijn persoonlijkheid aangetast en uiten zijn verongelijkte gevoelens zich in steeds grotesker woede-aanvallen.

In de maanden na de reünie is Marc druk bezig met het achterhalen van zijn biologische komaf. Als blijkt dat hij een kleinzoon is van Orson Welles en Rita Hayworth, breekt een periode van euforie aan. Kim begeleidt hem naar Kroatië, waar hij door de enige nog levende nabestaande van Orson Welles met veel warmte wordt ontvangen. “Ik heb Marc nog nooit zo gelukkig gezien.” Maar het geluk beklijft niet. De stemmingswisselingen van Marc worden heviger en frequenter, ze gaan steeds vaker gepaard met extreem verbaal en uiteindelijk ook fysiek geweld. Kim begint te ontdekken dat een harmonieuze afsluiting van haar verleden niet tot de mogelijkheden behoort.

Als kijker blijf je bewondering hebben voor haar kracht en doorzettingsvermogen. Heel subtiel laat Reed zien wat zij wél aan winst behaalt in deze confrontatie met haar verleden. De pijn die het openlijk tonen van een foto uit haar middelbare schooltijd haar aanvankelijk doet, lijkt te zijn verzacht als zij de film afsluit door juist die foto in een digitaal album voor haar broer Marc op te nemen. Ook als zij haast terloops meldt dat zij haar familienaam McKerrow weer terug wil nemen, krijg je de indruk dat zij ook zonder dat Marc meewerkte een belangrijk stuk van haar eigen leven heel gemaakt heeft.

Als film over een transthema vind ik Prodigal Sons een juweel. Misschien is het dankzij de ruimte die haar broer Marc inneemt, maar toch ook wel vanuit de kracht van Kimberley zelf dat de transseksualiteit hier niet laaiend in de spotlights staat en nergens geproblematiseerd wordt. Kimberley’s transitie lijkt voor niemand een probleem te zijn. Haast vertederd geeft zij ons een inkijkje in de verwarring en krampachtigheden waarmee die verandering van gender destijds gepaard ging. “Ik had een tijdlang voor alles twee. Zelfs de restaurants waar ik ging eten waren netjes opgedeeld, een pizzeria voor Paul en eentje voor Kim.” Alsof je haar verleden ziet liggen, zachtjes sluimerend in het licht van een zomerzon die getemperd door een bladerdak schijnt.

Het andere, overheersende, thema van de film maakt hem soms pijnlijk om naar te kijken. Meer dan eens bekruipt je een gevoel van schaamte, wanneer je getuige bent van intieme, maar intens verdrietige momenten binnen de familie. Tegelijkertijd is het bijna onmogelijk om geen sympathie te voelen voor de hardnekkige trouw waarmee het gezin Marc terzijde blijft staan, terwijl hij zich ontwikkelt tot een soort zwart gat, waarin alle liefde spoorloos verdwijnt. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, maar wél met opgeheven hoofd. In dit verhaal geen spoor van klagerigheid. Daardoor weet deze documentaire het persoonlijke van een familiedrama te ontstijgen en wordt zij tot een indrukwekkend monument van levensmoed.

Read Full Post »

Een enkele keer eten wij hier thuis konijn. Toen ik voor zo’n gelegenheid aan de toonbank van de scharrelslager om de hoek stond, riep de slagersvrouw naar achter: “Cor, heb jij effe een konijntje voor mevrouw? Neem Kareltje maar!” Toen zij zag dat ik moest lachen, zei ze: “Ja, bij u kan ik dat wel doen. Dat wist ik.” Wat zij wist was dat ik van het boerenland kom en op de volkstuin nog altijd degene ben die met Kerst de overtollige hanen slacht. Voor de ‘coq au vin Madame Maigret’.

Dat die kindertijd op de boerderij van mijn grootouders mij een andere kijk op dieren en het nuttigen ervan heeft meegegeven dan ‘de moderne mens’ erop nahoudt, merk ik vooral wanneer ik weer eens een cultuurfilosofisch artikel over onze vervreemding op dat punt onder ogen krijg. Steevast wordt daarin breed uitgemeten hoe onze houding tegenover dieren alleen nog de extremen van sentiment en brutaliteit lijkt te kennen. Alles er tussenin is teloorgegaan sinds wij niet meer opgroeien met de dieren die wij eten.

De kat, die vroeger van muizen en kliekjes leefde en die mijn oma resoluut van haar schoot veegde wanneer zij opstond om koffie in te schenken, is nu een gourmet en als het goede leven haar teveel wordt, staat er een gezondheidszorg op menselijke maat voor haar klaar. Crematoria, urntjes of zelfs een marmeren grafsteentje omlijsten het heengaan van onze huisdieren. Zelfstandig creperen en rustig wegrotten onder een graspol in een hoek van de tuin is er niet meer bij. Er wordt zelfs serieus gedacht over juridische constructies waarbij een hond in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien middels de levensverzekering van zijn baasje, mocht die eerder sterven.

Aan de andere kant leven de varkens die ons karbonaadje leveren in omstandigheden waarvoor ‘beestachtig’ een understatement is. Ons lekkere stukje vlees komt uit Dante’s hel, maar in de hel geloven wij niet meer, temeer daar we die nooit te zien krijgen. Behalve degenen die er werken (en dat went snel, naar het schijnt) weet geen mens hoe het toegaat in een kippenslachterij, waar men probeert of de ‘productie’ kan worden opgevoerd van 100 naar 103 braadkuikens per minuut. En wie is er wel eens binnen geweest in zo’n schuur waar meer dan duizend biggen huizen?

De filosofen zeggen dat een mens, wanneer hij oogcontact maakt met een dier, een lichtelijk verwarrend mengsel voelt van verwantschap en afstand. In hun ogen herkennen wij onze eigen angst en pijn, lust en vreugde, maar wij laten hen niet delen in ons mens-zijn. Binnen dat spanningsveld hebben mensen eeuwenlang hun landbouwhuisdieren verzorgd, gedood en opgegeten. Getuige de religieuze rituelen waarmee dat eertijds gepaard ging, is het nooit helemaal gewoon geweest. Het eten van dieren brengt ons misschien toch wel zo dicht bij kanibalisme, dat wij daarbij van nature een huiver ervaren, die wij vroeger bij de goden neerlegden en die ons nu door de industrialisering van de vleesproductie wordt ontnomen. Ten gunste van de Economie.

Sommigen verwachten namelijk dat het herstellen van onze dagelijkse omgang met de dieren die wij eten het einde zou betekenen van de bio-industrie. Ik twijfel nogal: ik heb van nabij gezien hoe de hierboven aangestipte ‘herkenning’ bij het zien van varkens in een mesterij niet altijd plaatsvindt. En ook binnen de herinnerde idylle van mijn kindertijd werden wreedheden jegens dieren begaan. Toch: het verzorgen van de biggen en het rapen van de eieren op de boerderij van mijn grootouders hebben mij een soort eerbied bijgebracht voor de dieren die ik eet. En al kan ik dus slechts voor mijzelf spreken, die eerbied maakt dat één keer in de week vlees eten genoeg is, mits dat vlees van de scharrelslager komt.

Van Kareltje, of van Clara 35.

Read Full Post »