Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘leeg’ Category

Epiphanie

09012020

 

Ergens in de afgelopen weken was het opeens weer zover. Het was avond en ik stond voor het raam in een huis aan de rand van het Olympiaplein te wachten tot mijn cliënt van het toilet af zou komen en ik hem zijn medicatie kon aanreiken. Terwijl ik gedachteloos naar het gewemel van lichtjes in het regenachtige donker staarde, sprong plotseling het stoplicht van de Parnassusweg op groen en zag ik drie auto’s achter elkaar optrekken en rechtsaf slaan.

 

Met een bedrieglijke schijn van eenheid, want volstrekt synchroon, maakten zij vaart en verdwenen naar links uit mijn beeld, de Stadionweg op. Plotseling was het alsof in heel mijn ziel en lichaam het geluid van de harmonie der sferen dreunde, omdat ik overweldigd werd door het besef, dat achter elk van die drie sturen een onherhaalbaar mensenkind zat, dat zich buiten mijn blikveld begaf naar een plek die voor haar of hem alleen, op dat onherhaalbare moment, een doel was.

 

Heel even maar, maar heel intens, leek het alsof het tot de mogelijkheden behoorde dat ik, net als God, tegelijkertijd heel het leven van die drie mensen van binnen uit kon overzien, en niet alleen van die drie, maar van alle mensen die er zijn, ooit geweest zijn en ooit zullen zijn, in de eeuwen der eeuwen. Want voor ieder van die mensen geldt het “Heer die mij ziet zoals ik ben / dieper dan ik mijzelf ooit ken” van Psalm 139 evenzeer. Het was alsof die God mij – luid lachend – optilde, in de lucht smeet, weer opving en liefdevol met mijn voeten terug op de grond zette. Precies op dat plekje voor het raam in een huis aan de rand van het Olympiaplein.

 

Ik hoorde het toilet doorspoelen en was gelukkig voldoende geland om mijn praktische leven te hervatten. Terwijl mijn cliënt de kamer binnen kwam strompelen, bedacht ik me nog net dat de consequentie van mijn eigen duiding van deze – even vluchtige als intense – ervaring was, dat naar alle waarschijnlijkheid ieder mens van tijd tot tijd zo door God onder handen genomen wordt. Alleen, de meesten hebben het er niet over. Of toch? En toen herinnerde ik me de ochtend, waarop ik met tante Corrie (een oudtante van mijn geliefde van weleer) aan de koffie zat. “Gisteren stond ik daar,” zei ze en wees op een plekje voor de kachel in haar voorkamer, “en voelde ik hoe God over me kwam.” Meer woorden maakte zij er niet aan vuil. Maar ze herhaalde ze wel nog een keer, met nadruk.

 

Zo herhaal ik al een paar weken af en toe koesterend dit moment van epifanie, zoals een kind aan zijn eerste losse tand voelt. Zit ie er nog? En hoe los nu? Misschien is het goed dat ik juist in die twee weken de roman Ravelstein van Saul Bellow lees. Daarin mijmert de ik-figuur aan het sterfbed van zijn vriend over wat hij zijn “intimate metaphysics” noemt. Hij neemt aan dat “Only a small number of special souls have ever found a way to receive such revelations”, en hij durft er met Ravelstein niet over te spreken. Hij verwacht dat deze ze al intellectualiserend zal ontdoen van hun grootsheid en hij “didn’t feel like having these first epistemological impressions anticipated or dismissed.” Hiermee verraadt hij dat het koesteren van deze ervaringen eigenlijk een soort guilty pleasure voor hem is geworden.

 

In children this impression – real reality – is tolerated by adults. Up to a certain age nothing can be done about it. In well-to-do families it lasts longer, perhaps. But Ravelstein might have argued that there was a danger of self-indulgence in it. Either you continue to live in epiphanies or you shake them off and take up trades and tasks, you adopt rational principles and concern yourself with society, or politics.

 

Misschien heeft hij gelijk en is het een privilege van een klein aantal “special souls”, maar het zijn er altijd genoeg geweest om elkaar te vinden, door de eeuwen heen. En overal waar mystieke tradities zijn ontstaan is het gevaar waar Ravelstein op doelde onderkend. Maar daar is ook altijd gezocht naar manieren om aan zijn “either/or” te ontsnappen. Ik herinner mezelf graag aan het advies dat Jan van Ruusbroec aan zijn mystieke zusters gaf: met wat oefening zou het mogelijk zijn om heel snel en herhaaldelijk “in en uit God te gaan”, ongeveer zoals je met je ogen knippert, zonder dat het zicht waarneembaar onderbroken wordt. Daarbij zouden ze merken dat zij hun aandacht niet hoefden te verdelen, want die verdubbelde zich juist.

 

Ondertussen heb ik mijn meneer zijn steunkousen uitgetrokken, zijn inco-broekje ververst, zijn medicatie aangereikt en zijn warme hap geserveerd. O ja, én een praatje met hem gemaakt. Over zijn katten. Met de aanwezigheid van God, Saul Bellow en Ruusbroec in zijn huiskamer heb ik hem maar niet lastig gevallen.

Read Full Post »

Telefoonseks

06012020

 

Een droge januari vind ik meer iets voor in oktober, maar anderszins nodigt het seculiere Nieuwjaar ook mij uit tot het oppakken van goede voornemens die ik toch nog had liggen. Om gezondheidsredenen begin ik dus de dag met een stevige wandeling. Gisteren voerde die wandeling me naar De Nieuwe Meer, aan de kant van De Oeverlanden. Ergens in de buurt van het sluisje had ik blijkbaar, in gedachten verzonken, ergens naar staan staren, want opeens werd ik bijna ingehaald door een vrouw, die op bitse toon tegen een smartphone liep te praten. Aan haar andere hand bungelde een leeg boodschappenwagentje.

 

Haar stem stond me niet aan, dus ik versnelde mijn pas, maar de kans dat ik buiten bereik van die stem zou geraken leek klein. Net toen ik overwoog om dan maar voor het sluisje linksaf te slaan, merkte ik dat de vrouw achter mij dat ook ging doen, dus koerste ik weer rechtdoor. Daardoor kreeg ik de kans om haar vanuit een ooghoek gade te slaan. Ze was wat aan de dikke kant en droeg een lichtgrijze, gewatteerde jas, die haar niet flatteerde. Haar make-up en te zwart geverfde haar maakten het er niet beter op.

 

“. . . pedestrians only . . .” hoorde ik haar in de telefoon snauwen, en: “. . . you’ll be punished . . .”

 

Omdat ik altijd gefascineerd raak door het raadsel van onvolledige teksten, ging ik als vanzelf iets langzamer lopen. Terwijl de vrouw me links inhaalde en de straat overstak, richting de woonboten, ving ik nog net haar laatste woorden op:

 

“So: I can do with you whatever I want. You are my slave!”

 

Toen stak ze de telefoon, met daarin een timide minnares, die vol spanning lag te wachten op wat haar meesteres straks voor haar in petto had, in haar linker jaszak.

Read Full Post »

Onomatopee voor de stilte

LEMMER-SPREEUWEN-DUIZENDEN

 

Als je goed luistert,
is er boven al het luidruchtig

geraas
geratel
gezwatel
gefleem
geteem
geroep
gerommel
gestommel
gesteun
gekreun
gedreun
gedonder
gedender
gedaver
geknetter
gekwetter
gekletter
geklater
gesnater
gesnotter
geroffel
gefoeter
getoeter
gemopper
gemompel
geprevel
geproest
gefluister
geruis
gedruis
gesuis
geritsel
geroezemoes
gerinkel
getinkel
gepruttel
geklop
geklap
geklepper
geknal
gefluit
gegil
getetter
geschreeuw
gehuil
gejank
gesnik
getik
geblaf
gekef
gemiauw
gekir
gekakel
geklets
geloei
geknor
gesnuffel
gesnuif
gebries
gepuf
getuf
getok
getokkel
gekras
gekraai
gehinnik
gebrom
gegrom
gesis
gezoef
gebral
gebulder
gekras
gekrijs
geplof
gemurmel
geklepper
geschetter
geschater
en getwinkeleer

– goddank – ook

een onomatopee voor de stilte:

30122019

Read Full Post »

Worden en Zijn

18122019

 

In het Oude Griekenland stonden ze in steen gebeiteld, het werkwoord worden “en het werkwoord zijn. / Daarmee was tijd, was eeuwigheid gegeven”, en het was alsof een mens moest kiezen voor de ene werkelijkheid of voor de andere. Ach, er hebben altijd twee soorten mensen bestaan. Op velerlei wijze. Nu maar eens over mensen die op zoek zijn naar groei en mensen die op zoek zijn naar houvast. Dat doet het goed bij de borrel, of gewoon aan de eettafel, waar mijn jongste dochter laatst opmerkte dat haar ouders haar niet echt een voorbeeld hadden gegeven van een op groei en verandering gerichte mentaliteit. Ik kon niet ontkennen dat dat zo is. Of was? Er is geen Zen zonder bromvlieg en geen Zijn zonder worden.

Wij spraken vaak van “karakter”, zagen som een “type” in de persoonlijkheid van onze kinderen. Tja, dat herinnerde ik me ook wel. Terstond schoot mij een moeder te binnen, die ik lang geleden beroepshalve hielp bij het huishouden. Zij had zes kinderen en de zevende was op komst. Die hing in een heerlijke bubbel van vruchtwater en ik vroeg me wel eens af of zij al hoorde hoe het toeging in de wereld waarin zij terecht zou komen. Met schelle stem sprak de moeder die haar droeg over de andere kinderen, die zij stuk voor stuk als problematisch ervoer. Gelukkig had zij een hele handvol diagnoses achter de hand, waardoor haar gezin toch nog iets ordelijks kreeg. Zelf mankeerde zij uiteraard niets.

Het kan ook andersom, of allebei: sommigen van ons meten zichzelf de luxe van een persoonlijkheidsstoornis of een plek op het autistisch spectrum aan. En ik ken ook mensen die de diagnoses eerlijk over alle leden van het gezin verdelen. Wat drijft ons om dat spel te spelen?

Misschien ligt de sleutel in mijn eigen ervaring. Op een van roerigste momenten in mijn leven voelde ik een onweerstaanbaar verlangen naar een psychiatrische diagnose. Wat moest ik anders met al mijn innerlijke ongerijmdheden dan ze opsluiten in een stevig hok? Me erdoor mee laten slepen? God bewaar me! Hier verraadt zich een mogelijk motief voor een keuze voor het Zijn: een authentieke en misschien zelfs gezonde behoefte aan rust in het hoofd. Toch ben ik blij dat ik daar uiteindelijk aan ontsnapt ben.

Dat heb ik in eerste plaats te danken aan mijn toenmalige huisarts. Hij merkte mijn drang om mijn onrustige hoofd in het cachot te gooien, maar waarschuwde me, dat ik daar dan zelf ook in zou belanden. “Een diagnose,” zei hij, “is op z’n best een rustpunt voor de menselijke geest en met een beetje geluk hangt daar een behandeling achter, die je in staat stelt je verder door het leven te bewegen.” Onafhankelijk van zijn advies wees ook een vriendin me op het gevaar van opsluiting in een als identiteit gehanteerde diagnose. Gelukkig ben ik claustrofobisch, dus ik koos een therapeute, die weigerde diagnoses te stellen en zo bleef ik – met horten en stoten – in beweging.

Het zijn die horten en stoten, die me de ogen openden voor de mogelijkheid van in ieder geval nog een derde mensensoort. Eén die afwisselend wordt en is. Misschien ben ik zelf wel zo’n mens geworden.

 

Read Full Post »

Burqa queens en athei-craten

08082019

 

Eigenlijk durf ik er niks meer over te zeggen. Terwijl ik nog nadenk, hebben de anderen het allemaal al gezegd en voor je het weet gaat het alweer over andere komkommers. Hoor hier:

Maar wie niet meer weet te onderscheiden tussen theocratie en democratie, wie het verschil niet begrijpt tussen emancipatie en onderdrukking, kan de zorg voor mensenrechten beter aan anderen overlaten.

Paul Scheffer

Zo weten we meteen wat er allemaal op het spel staat. Of neemt Paul Scheffer het allemaal wat te zwaar op? Dat zou je denken als je Maxim Februari leest:

Het is om de vrouw te bevrijden, begrijp ik. Terwijl de boerkadraagsters zelf zeggen dat ze juist om de vrouw te bevrijden hebben besloten hun gezicht te verbergen, zodat de controverse klonk als een zeldzame win-winsituatie. Of je de boerka nou draagt of verbiedt: de vrouw wordt er altijd vrijer van.

Kom op, jongens, je moet je gewoon niet op de kast laten jagen! Of: heeft de graaf geen andere zorgen?

Maar ook dat kan je té zeer au sérieux nemen. Wie een beetje bekend is met het links-feministische discours had het aan kunnen zien komen: de boerkadraagster (of -drager, want je weet het immers maar nooit) is rijp voor de laatste letter in de LHBTIQ* alfabet. Queer as a coconut! Hartstikke camp, joh! Op naar de slutwalk!

NO HUMAN IS FREE UNTILL WE ARE ALL FREE

Lijkt dat niet als twee druppels water op het ideaal van de Egyptische journaliste bij wie Scheffer houvast zoekt?

„Ik wil de boerka en nikab in heel de wereld verboden zien. Niet alleen in West-Europa. Omdat ik denk dat het heel gevaarlijke instrumenten zijn in de pogingen om vrouwen weg te wissen.”

De hele wereld. Wij allemaal. Gaat het hier dan toch om “het Goede”, om “universele waarden”? En zijn die al universeel, voordat wij ze allemaal onderschrijven? En hoe weten we zeker dat juist de West-Europese waarden universeel zijn, en niet (ook) de Chinese of Midden-Oosterse? Als we allemaal van God los zijn, dan hebben we Hem pas echt gevonden. Of ben ik nu net zo in de war als al die anderen?

Vooruit, ik hijs me op aan de luchtige ironie van Februari, en kuier verder, kauwend op een ander, taaier stukje taal:

„Een goede samenleving geeft mensen het recht om onverschillig te zijn ten opzichte van de ander.”

Arnon Grünberg

 

Read Full Post »

30072019

 

Dit blogbericht ben ik weken geleden begonnen, toen GroenLinks twee keer kort achter elkaar in het nieuws kwam met een akkefietje op het vlak van partijdiscipline. Op 4 juni werd Zihni Özdil uit zijn functie als Tweede Kamer-lid ontheven en op 8 juni wilde het Limburgse partijbestuur Carla Brugman royeren, omdat zij bereid was met Forum voor de Democratie en de PVV samen te werken. Het was toen dat mij te binnen schoot dat deze hippe partij ooit was ontstaan door het samengaan van vier kleine linkse partijen: de PPR, de EVP, de PSP en – de CPN.

Ha, was dit niet een stukje ware aard, dat na een kwart eeuw onvermijdelijk de kop op stak? Of waren het toch de christelijke roots, waaraan oeroude verlangens tot excommuniceren ontsproten? Hoe het ook zij, of was, of weer zal zijn: ik kreeg het niet meer uit mijn hoofd, dat dit soort dingen typerend zijn voor organisaties met een idealistische grondslag. Bij de VVD zie je af en toe een deugniet met de billen bloot en het schaamrood op de kaken de stoep af sluipen, maar terwijl wij allang niet meer kijken, stapt zo iemand door de achterdeur weer naar binnen, waar iedereen hem hartelijk de hand schudt. Eén uitzondering daargelaten.

Het menselijk leven is in vele opzichten asymmetrisch. Een jonge acteur kun je met succes de rol van een bejaarde laten spelen, maar andersom lukt dat niet. Een levend mens dood maken is aan de orde van de dag, maar een dood mens tot leven wekken is nog nooit iemand gelukt. Maar niets is zo intrigerend als deze wat minder in het oog vallende onbalans: kwade intenties leiden meestal feilloos tot de beoogde kwalijke gevolgen, maar met goede bedoelingen loopt het veel minder vaak goed af.

Terwijl ik hier nog zachtjes over na liep te filosoferen, raakte ik zelf in politieke schermutselingen verzeild. Als bestuurslid van een kleine synagoge had ik meegewerkt aan het nemen van een maatregel, die achteraf gezien bij een paar mensen op veel meer weerstand stuitte dan we hadden verwacht. In het gekrakeel dat ontstond kreeg ik een (toch nog) onthutsend inzicht in de schaduwkant van onze goede wil. Om te beginnen is het lastig om “het Goede” vanuit alle perspectieven tegelijk te beoordelen op zijn goedheid. Als de emoties beginnen op te spelen, dan eindigt bij sommigen van ons in de aanname dat onze persoon niet gerespecteerd wordt, omdat ons belang – of onze visie op wat “Goed” is – niet de overhand krijgt.

Net toen ik opgelucht constateerde dat het CPN-gen bij mij niet actief was, bracht het nieuws mij een ander ziektebeeld dat het idealisme in de politiek begeleidt. “PvdD-Kamerlid van Kooten stapt op uit onvrede met de partijkoers,” kopte mijn krant. (Toen ik daarnet het bericht via Google probeerde terug te vinden, maakte ik een tikfout en kreeg ik een woeste lijst met PvdA-politici, die in de afgelopen jaren waren opgestapt, landelijk en lokaal.) Het opstapvirus! Nee, daar was ik niet immuun voor geweest. Ik had er, binnen mijn eigen bestuur weliswaar, – heel af en toe – heel voorzichtig mee gedreigd, maar kon het gelukkig nog net uitzieken, voordat ik anderen ermee zou besmetten.

Als je even niet uitkijkt, begin je te geloven dat de wereld echt goed zal zijn als hij bij jou in de smaak valt, als hij jouw mooie intenties weerspiegelt. Wees niet bang, de masjieach komt, hij draalt alleen nog wat, zei Maimonides. Ondertussen modderen we gezellig – en af en toe ongezellig – verder, en proberen

  • het goed te doen
  • het Goede te doen
  • goed te doen.

Read Full Post »