Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2017

De weg naar het hart

Als een mens een heuse poos geen seks heeft gehad, dan komt ie tekort en gaat er iets knagen. Tenminste, dat geloven we allemaal. Toen, jaren geleden, een jongere collega een keer met een ochtendhumeur op het werk kwam, gierde een van de andere dames het uit: “Hahahah, Yolanda, moet je soms een piemeltje hebben?!” Van een oudere dame hoorde ik, hoe zij ooit met depressieve klachten bij de huisarts binnenstapte en de man haar vroeg: “Gaan jullie nog wel regelmatig van bil?” En ik maar denken dat seks vooral met intimiteit te maken heeft, met de weg naar het hart.

Misschien is dat ook wel zo, maar veel vaker lijkt het – bedankt, dokter Freud! – alsof heel ons leven een metafoor is voor seks. Eten bijvoorbeeld. Van een lieve Indiase moeder in Zuid-Afrika kreeg ik eens een kookboek kado, met een vette knipoog: “. . . because after all, the way to a man’s heart is through his mouth.” Nu ben ik er heilig van overtuigd dat liefde een grote rol speelt in de keuken, maar ik denk daarbij echt niet altijd meteen aan de slaapkamer. Gelukkig lees ik af en toe een roman, zodat ik blijf weten waar het bij mannen uiteindelijk allemaal om draait:

Zachte minnepraat. Zoete heiligverklaringen die zonder uitzondering gastronomisch getoonzet waren.
Ze wilden haar. Ze wilden haar beboterd met suiker. Ze zagen haar opdoemen voor hun geestesoog met overal bananen. Ze gingen haar, let maar eens op Biancaatje, inwrijven met hollandaise, bearnaise; hoe hitsiger de fantasie, hoe romiger de sauzen waarmee ze haar wilden bedruipen en bezalven.
Uit schaamte over zoveel gulzigheid deelden de heren haar vervolgens ootmoedig mede dat ze hun perverse pornohoofd het liefst zouden verstoppen onder de witte kwabben van haar vissenbuik. Ze zagen zichzelf roetsjend in frambozenbavaroise en zachtroze coulis al over haar golvende dijen rijden en o ja, Bianca, zou ze s’il vous plait, een paar Franse woorden kunnen spreken terwijl ze voor straf hun testikels in de vinaigrette doopte, en kon ze please, puh-lease, hun papillen kietelen met langoustinestaart?

Ook het domein van mores en moraal wordt geregeerd door lage driften. Afgelopen weekend las ik een column in de krant met als titel Morele masturbatie. In het het zich aanmeten van morele superioriteit herkent de auteur onmiskenbaar de lust om te vernederen. Wij allen zitten vol (seksuele) aggressie. Je hoort de stoomfluiten juichen en de uitlaatkleppen sissen: de stoommachine als zinnebeeld van ons driftleven. Rechters die corpsballen taakstraffen opleggen, maar vooral de maatschappelijke commotie eromheen: alles is seks. Nu lijkt me het schrijven van zo’n column ook een eenzaam avontuur, dus . . . oei, wat zit ikzelf hier eigenlijk te doen? . . . ik bedoel: wanneer ik die strenge moraalridders onder de columnisten bezig zie, moet ik inderdaad wel eens denken aan blote, ruig behaarde heren, die elkaar stevig van katoen geven, zoals ik die wel eens in een por . . . nou, zeg, hoe kom ik nog op nettere gedachten?!

Laat ik het liever over religie en spiritualiteit hebben, dat is heilig en veilig. Tenminste, als ik de misbruikte misdienaartjes, de foute guru’s en die ‘seksrabbijn’ even buiten beschouwing laat. Tja, maar dan kan ik me die scène uit Het Parfum, waarin een purperen kardinaal, bedwelmd door de feromonen van 50 vermoorde maagden, temidden van een orgie op een dorpsplein in religieuze extase raakt, ook maar beter niet herinneren. En, oh jee, daar heb je Gerard Reve en Hadewich ook nog! Er is geen houden aan. Ik hoef mijn teentjes maar even, heel voorzichtig, in het vurige water van de bronnen der joodse mystiek te dopen, of ik kom er achter dat al mijn gebeden en goede werken erop gericht zijn om de mannelijke en de vrouwelijke helft van God “tot elkaar in” te doen gaan.

Hoe kan een mens nog tekort komen, als seks zo alomtegenwoordig en alles doordringend is? Ik hoor hoe een rabbijn zich druk maakt over jongeren die verliefd worden op de nieuwste iPhone. (“People used to fall in love with real people.”) Maar wat is daar zo vreemd aan? Je hoeft niet zo ver te gaan als Birdy in de gelijknamige film om ornithofiel te zijn en volgens de freudianen is ook postzegels verzamelen een “gesublimeerde auto-erotische activiteit”. Postzegels, brieven, . . .  Kom, misschien moet ik eens aan een prikkelende “epistolaire relatie” beginnen, zoals de hoofdpersoon in Les Intouchables. Met hem was lager dan zijn oorlelletjes fysiek niets zinnelijks meer te beleven, maar hij vond wél de weg naar het hart van een echte vrouw. Zou dat andersom ook werken?

 

Advertenties

Read Full Post »

#hetoo

 

*

Er zijn van die zinsneden die je maar één keer hoeft te horen en ze blijven je een leven lang bij. Deze komt van een therapeute, die ik een tijdlang heb bezocht, jaren geleden inmiddels: “. . . het mijnenveld van de volwassen seksualitieit . . .”. Vanwege de contekst kwamen deze woorden de laatste tijd weer bovendrijven, opgeroepen door de hype rondom #metoo. Een mijnenveld onder dichte mist. Overal knallen en veel verliezers. Misschien moest het zo gebeuren, maar ik zie de winst nog niet.

Natuurlijk voel ik het eerst en het meest mee met degenen die de moed hebben gehad om de openbaarheid te zoeken. Iedereen had ze kunnen vertellen dat niemand daar zonder kleerscheuren mee weg komt. De angst is verdwenen, maar de schaamte blijft, #metoo. Daarna komt, als altijd, de verwarring, breed gedeeld: #metoo? En dan de inflatie van het woord verkrachten: iedereen een beetje #metoo. Daarover zei Renate Rubinstein ooit: “Fysiek is iets anders, dat is overmacht, dat kan iedereen overkomen, net als vermoord of bestolen worden, maar ‘psychisch, sociaal en verbaal’ je laten verkrachten, daar moet je wel een ongewoon miserabel wezen voor zijn, en een vrouw hoef je er niet voor te zijn.”

Wat nieuw voor mij was – wat zijn de tijden veranderd! – waren de slachtoffers aan de andere kant. Zonder enige vorm van proces verloren mannen hun baan en de schade die is aangericht door eventuele losse flodders is in de dagen van het internet blijvender dan ooit. Verder zal het zo’n vaart niet lopen. Advocaten meldden dat strafzaken die zouden worden aangespannen weinig kans zouden maken. Een commentator in NRC verzuchtte dat ons rechtssysteem hier geen uitkomst brengt en even leek het alsof daarmee het #volksgericht gerechtvaardigd was.

En net terwijl ik denk dat hier misschien de kunst soelaas zou kunnen bieden, ontstaat er een nieuwe rel: de verkrachting van de zus van Anne Frank in het toneelstuk Achter het Huis van Ilja Leonhard Pfeiffer. Rel? Hoezo rel? Niks rel! Ik kan mij nog goed herinneren dat Frans Kellendonk heel weldenkend Nederland over zich heen kreeg, toen hij in Mystiek lichaam een onsympatieke Jood opvoerde. Geheel en al fictie, maar toch. Nu zet deze Pfeiffer een goed gedocumenteerd (vermoord in Neuengamme, 20 december 1944) slachtoffer van de sjoa, volstrekt ongemotiveerd door feiten, als verkrachter neer en . . . er kraait geen haan naar! Het Anne Frank Fonds in Basel heeft nog even een kort geding overwogen, maar ook zij kwamen al snel tot de conclusie dat ons rechtssysteem etc. usw..

Binnen de joodse gemeenschap is de verontwaardiging er wel, en terecht. Dit soort onbeschoftheden praat je niet goed uit naam van de Vrijheid van de Kunst. Ik ben dan ook onaangenaam verbaasd door de recensenten in Trouw (“De bewerking van Ilja Pfeiffer haalt het heilige van Anne Frank wat weg.”) en NRC (“Er zou zomaar een alledaags vuilbekkend pubermeisje kunnen schuilen achter de gepolijste stijl van haar dagboek.”). Achter de mist van dit soort vervagende taal zie ik een nieuw mijnenveld opdoemen. Wat zijn de tijden veranderd!

En dan de makers zelf: “Deze fictieve voorstelling zoekt de ambiguïteit en de ongemakkelijkheid van de onderlinge relaties van de slachtoffers, die in hun verhouding tot elkaar in een extreme situatie ook op een bepaalde manier daders kunnen worden.” Er is niet veel achterdocht voor nodig om te vermoeden dat Pfeiffer, de man die het woord ‘holocaustheuger’ heeft bedacht, een eigen agenda heeft, die gediend is bij het zaaien van dit soort verwarring en het devalueren van de termen die ertoe doen. We zijn aangekomen in een tijd, waarin men openlijk durft te zeggen dat het maar eens over moet zijn met dat slachtofferschap van de Joden. Maar zodra wij blijken “in extreme situaties” ook “daders te kunnen worden”, zijn er die het bestaan om te roepen dat we blijkbaar niets van de sjoa hebben geleerd. #Midden-Oosten #mijnenveld

Dat doet me denken aan één van mijn cliënten (92), die altijd zegt: “Mijn vader zei altijd, wees altijd eerlijk en denk erom dat je je goed gedraagt, want wij hebben het toch altijd gedaan.” Het heeft hem niet geholpen, dat goeie gedrag. #Auschwitz #hetoo

*

haters gonna hate

 

Read Full Post »

Roze zorg

 

Onlangs ontving ik – vanaf een punt op de intersectionaliteit van gender, seksualiteit en zorg – een vage SMS. Een magazine voor verpleegkundigen wilde een stuk schrijven over trots zijn op je afkomst, op wie je bent en op je vak. Vermoedelijk hadden ze al een Marokkaanse en een vluchteling, maar hun rijtje was niet compleet zonder ook nog iemand uit de “LHBTQI-gemeenschap”, die bovendien werkzaam was in de zorg. Of dat misschien iets voor mij was? Nee, dat was het niet. Een aantal jaren heb ik met plezier veel van mijn tijd besteed aan het vooruithelpen van voornoemde achtergestelde groeperingen, maar vandaag de dag doe ik andere dingen.

Toch heb ik wel een zorg: wat doet de zorg in dit kruispuntdenken? Sinds wanneer moet ik trots zijn op mijn vak? Goed, ik ben er wel aan gewend dat iedereen tegen wie ik zeg dat ik in de thuiszorg werk, meteen een ernstig gezicht op zet en me verzekert dat ik erg belangrijk werk doe en vermoedt dat ik daarbij ook veel dankbaarheid zal ondervinden. Maar ik ben ook gewend dat ik in dat beroep nooit boven het niveau van een werkende arme uit zal stijgen. Daarvoor is er maatschappelijk (of politiek) onvoldoende draagvlak voor mijn aandeel in De Zorg. Het mag alleen nog maar goedkoper.

Laatst stond er in de krant zowaar een heel klein stukje over het toenemen van de werkdruk in de thuiszorg, dus ik kan er hier kort over zijn. In de afgelopen zes jaar heb ik meegemaakt, hoe allerlei voorzieningen rond mijn uitvoerende werk werden weggehaald, alsof het steunwieltjes aan een kinderfietsje waren. De teammanager, de zorgregisseur, de planner, de flexers, de bereikbaarheidsdienst, de verpleegkundige avondzorg, een voor een vielen ze weg. Opeens waren ze er niet meer en moesten de wijkverpleegkundigen hun taken overnemen, meestal zonder dat daar duidelijk tijd voor werd ingeruimd. Zelfregulering heet dat. Het idee was waarschijnlijk dat een en ander wel in de kieren en gaten tussen het gewone werk zou wegsijpelen. Wat ik zag gebeuren, was dat het over de vrije tijd van de medewerkers heen begon te vloeien.

Ik heb daar wel eens wat van gezegd, dus als ik in de buurt ben, voelt iedereen zich vrij om te klagen over werkdruk, verschraling, afname van kwaliteit en zo nog wel wat. Maar van een echt protest is nauwelijks sprake. Misschien ligt het aan mij, misschien word ik geruisloos ongeschikt voor mijn werk. Eigenlijk zou ik dus trots moeten zijn op wat ik doe, maar eerlijk gezegd voelt de suggestie een beetje als die witte handdoek en dat stukje zeep met bedrijfslogo, dat we een keer thuisgestuurd kregen op de Dag van de Verpleegkundige. En als me dan ook nog gevraagd word om tegelijk trots te zijn op mijn vak én mijn seksuele geaardheid, omdat men wil laten zien dat “de zorg een beroep is voor iedereen,” dan begin ik te vermoeden uit welke hoek de wind waait en in welke hoek ik terecht gekomen ben: de zorg is “roze” aan het worden. Zorgelijk, lijkt mij.

Read Full Post »