Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for december, 2016

Veestelijkheden

25122016

Er was eens een Overijsselse boer, die boerde aan de voet van de Pyreneëen. Zeventig zwartbonte koeien graasden daar, onder het toeziend oog van een valse stier, over de glooiende heuvels van een oud landgoed. Eén van die koeien droeg de naam Veest. Dat zat zo: in Vrankrijk kregen alle koeien van een bepaald jaar een naam die begon met een voorgeschreven letter van het alfabet. Het was het jaar van de “V” en de boer had al een Vera, een Vrouke en een Viola, dus hij kon niet zo gauw op iets anders komen. “Dus noemde ik het kalfje Feest, maar dan met een “V”, zei de boer.

De boer was weliswaar een gesjeesde neerlandicus, maar hij kende zijn moedertaal of in ieder geval zijn Komrij niet goed:

De Veest eens Vents klinkt steeds Viriel,

(de mysogyne rest van dit vers googlet u er zelf maar bij)

Op deze winderige Eerste Kerstdag gaan mijn gedachten naar hem en naar de nieuwste politieke rel in ons land. Een opgeblazen premier Rutte toonde zich moreel verontwaardigd over de trend (gezet of gevolgd door de publieke omroep, om “politiek correcte redenen”) om elkaar “fijne feestdagen” te wensen. “In Nederland vieren we Kerst!” zei onze leidsman. “Dat hoort bij onze cultuur. Ik wens de mensen Fijne Kerstdagen en een Gelukkig en Gezond Nieuwjaar.”

Tja, wat moet ik daar mee? Ik vier vandaag Chanoeka in plaats van Kerst. En ondertussen doe ik gewoon mijn werk in de wijk. Wacht, laat ik eens een enquête houden onder de ouderen die ik bezoek. Wat moet het volgens u zijn:

  • Gezegend Kerstfeest
  • Zalig Kerstfeest
  • Prettige Kerstdagen of
  • Fijne Feestdagen?

En zie: de Protestanten kiezen de eerste optie, de Katholieken de tweede, de Seculieren de derde en zo blijft de vierde over voor de jongere generaties.

Dus, meneer Rutte, wat heeft dit in hemelsnaam met “de Nederlandse identiteit” te maken? Bent u misschien van na de zuilenmaatschappij? Of van vóór de multiculturele? Moet de politiek zich echt op zo’n manier over “onze cultuur” ontfermen? Weet u eigenlijk nog wel wat het verschil is tussen cultuur en folklore? Kunt u dit hele gedoe niet beter aan Albert Heijn en de Jumbo uitbesteden? Of gaat u zich voortaan ook met hun “feeststol” bemoeien? En met de “verstopeieren” in de schappen van de Hema?

Kortom: heeft de graaf geen andere zorgen?

Gelukkig hebben wij Chanoeka. Lichtjes en latkes, en veel vrolijkheid, maar voor ernstige types als ik is er ook wat bij: ik mag acht dagen heerlijk nadenken over “assimilatie” versus “traditie” en “particularisme” versus “universalisme”, want daar gaat het feest ook over. Ik heb mezelf daartoe een Chanoeklaaskadootje gegeven, The Dignity of Difference – How to Avoid the Clash of Civilisations van Jonathan Sacks.

Wat u ook doet tijdens deze donkere dagen, ik wens u er veel plezier mee.

Read Full Post »

Hoekjes

24122016

 

Waarom had ik het hem nooit eerder gezegd? Wat als ik hem voor altijd uit het oog verloren was en hij dit nooit geweten had? De gevolgen daarvan kan ik niet overzien, want die zullen er nooit zijn. Vanochtend was er zomaar een moment, dat ik beslist niet aan zag komen voordat het er was. Op de valreep van mijn vertrek bij mijn huidige werkgever kwam het opeens uit mijn mond: “Ik moet jou nog iets vertellen.”

We stonden voor het sleutelkastje en waren in gesprek over mijn laatste loodjes. “Ik snap je helemaal,” zei hij, “en ik denk dat het goed is wat je doet.” Dat ook hij niet enthousiast is over de plannen van het bedrijf, wist ik wel ongeveer. Dat hij zich niet genoodzaakt voelt daar consequenties aan te verbinden, denk ik wel te snappen. Hoewel, eigenlijk weet ik niet veel van hem. Hij is niet zoals ik, behept met een drang om zich te uiten.

Zo zie ik hem ook nog zitten, in een herinnering van zes jaar geleden, links van mij, aan de verste hoek van de vergadertafel. Stil, glimlachend met neergeslagen ogen, toen onze toenmalige manager aankondigde dat hij ons team ging verlaten, omdat hij de opleiding tot verzorgende ging doen. Zo, zonder enige intentie om iets teweeg te brengen, gaf hij de aanzet tot een verandering in mijn leven, die me onvoorstelbaar veel gebracht heeft. Onbedoeld bracht hij mij op een idee en ik besloot zijn voorbeeld te volgen. Zo simpel was het.

Het deed hem zichtbaar goed, toen ik hem dit vertelde. Misschien moet ik ze vaker doen, zulke bekentenisjes. Meteen schiet me nog zo’n moment te binnen. Ook toen zat het geluk in een hoek, achter een beeldscherm, energiek rammelend op een toetsenbord. Het was haar en een andere collega niet ontgaan dat mijn onvrede met de organisatie van ons werk groeide. Ik kon niet meer verbergen dat ik daar onder leed. “Kan je geloof je niet op de een of andere manier helpen hierin?” vroeg mijn veel jongere collega zomaar opeens.

Dit was niet zo simpel. Maar na wat schermutselingen tussen mijzelf en mij, zag ik in dat ik andere opties had dan in het ene domein te schuilen voor wat mij in het andere te moeilijk viel. Dat er ander manieren zijn to go with the flow dan door te proberen je aanpassingsvermogen op te rekken. Nog een paar dagen en ik ben weg van mijn werkplek en al schrijvend bedenk ik nog dat ik door dat te doen, vanuit mijn klein hoekje, twee andere collega’s aan een nieuwe baan heb geholpen. Onbedoeld, eerder luidruchtig dan stil, maar toch.

Read Full Post »

The morning after

19122016

 

Look, this goes to the heart of, to the difference between the Jewish messianic temperament and the Christian messianic temperament. Think of it this way: the problem for Jews is that we wait and wait and wait and wait, and he doesn’t come. The problem for the Christians is that he came and the world did not change. The Jews will always so arrange matters, that they will never wake up on the morning after the messiah arrives. Because the risk is much too great, because the world will still be the world.

Dit zegt Leon Wieseltier tegen Simon Schama in het tweede deel van de tevee-serie The Story of the Jews (vanaf de 47ste minuut), naar aanleiding van de zogeheten disputatie van Barcelona in 1263. Maar hoe doen de Joden dat dan? Ik stel me voor dat het bij Wieseltier, net als bij mij, via de route van het intellectualiseren gaat: je klapwiekt wat met de vleugels van je intellect en voor je het weet zweef je veilig boven de menigte die uitzinnig van vreugde achter de messias aan danst. En wanneer iedereen met een kater wakker wordt, schrijf jij er een boek over. Of je leest zo’n boek.

Recentelijk verdiep ik me in de geschiedenis van het sabbatianisme en lees daartoe het nog altijd magistrale werk van Gershom Sholem. In het kort: het sabbatianisme ontstond tijdens de Chanoeka van het jaar 5426 (december 1665 CE), toen Sabbatai Tsvi, door de profeet Nathan van Gaza als messias herkend, zichzelf in het openbaar als zodanig begon te manifesteren. Binnen enkele maanden had hij een grote aanhang onder de Joden in heel Europa. Ook onder de sefardim in Amsterdam. Een tegenstander, Jacob Sasportas, beschrijft in zijn boek Tzitzat Nobel Tzvi de impact van het nieuws over de komst van de messias als volgt:

En er was grote opschudding in Amsterdam, alsof er een hevige siddering door de stad ging. De vreugde was uitzinnig, met tamboerijnen en gedans, in alle straten. De wetsrollen werden uit de Ark, met zijn prachtige versieringen, gehaald, zonder dat men zich bekommerde om het gevaar dat zulks de jaloezie en haat van de niet-joden zou kunnen opwekken. Integendeel, ze predikten openlijk en brachten de niet-joden op de hoogte van alle berichten.

Overal bereidde men zich voor om en masse naar het toenmalige Palestina te verhuizen. Ondertussen deed men alom boette om de manifestatie van God in deze wereld kracht bij te zetten. Tegen het einde van datzelfde jaar leek alles voorbij. Sabbatai Tsvi werd in Istanbul gevangen genomen door de Turkse autoriteiten en bekeerde zich korte tijd later tot de islam. Het hele gebeuren klapte als een zeepbel uit elkaar.

Maar niet heus. Veel van zijn volgelingen bleven in hem geloven en duizenden werden moslim, net als hun messias. De Turken noemden hen döhnme, overlopers. Nog in de twintiger jaren van de vorige eeuw leefde er een döhnme-gemeenschap in Tessaloniki en bedenkers van complot-theoriëen geloven graag dat Atatürk uit hun midden afkomstig was. Veel boeiender vind ikzelf de veerkracht van de Joden die na deze koortsdroom het Jodendom trouw bleven. Daar valt voor mij nog wat van te leren.

Een andere gedachte die mijn lectuur me bracht is deze: met de Verlichting en de dood van God achter de rug zal het ons niet zo snel meer gebeuren dat we achter een Redder aan lopen. Hooguit maken we ons zorgen over Henk en Ingrid of over al die onzichtbare Trump-stemmers. Maar hoe zeker zijn wij er eigenlijk van dat wij met onze Rede niet ook in een Droom verzeild raken? Ook dat is eerder gebeurd. We kijken daarbij graag achterom of naar een ander deel van de wereld en denken graag dat het gevaar in onderbuiken huist. Toch zou het zomaar kunnen dat we juist met onze oplossingsgerichtheid, met onze ijver het leven en de wereld optimaal te rationaliseren, het einde van de geschiedenis dichterbij brengen. (Verlossing, oplossing, Endlösung.) Hoe zal dán de morning after zijn?

Read Full Post »

03122016a

Vroeger was ik heel bescheiden: telkens wanneer ik de uitdrukking “de brutalen hebben de halve wereld” hoorde, vulde ik die geruststellend aan met “goed, maar dan blijft de mooiste helft voor ons over”. Met de jaren ben ik zelf wat brutaler geworden en kwam ik erachter dat die andere helft ook z’n charme heeft. Gisteravond nog bracht m’n chotspe me een moment dat ik voor geen goud had willen missen.

Al dagen liep ik met een verstopte neus en een keelontsteking rond, of liever: ik lag ermee onder een deken. Daar kwam ik alleen nog onder vandaan om een crematie bij te wonen of om mijn werk te doen. Dat kan nog net, als je nauwelijks kunt praten, maar je nog wel van het ene huis naar het andere kunt slepen. Voor zover ze geen doodsangsten uitstonden vanwege de wolk van bacillen die zij zich rondom mijn hoofd voorstelden, was het lekker rustig voor de mensen. En soms nog grappig ook, om met gebarentaal te moeten communiceren.

Tegen tienen stapte ik bij mijn laatste cliënt de kamer binnen. Mevrouw is stokdoof en zit meestal tegenover de tevee te dommelen. Dit keer kon ik haar niet wakker roepen, dus schudde ik zachtjes aan haar schouder. Blijde schrik, zoals altijd. “Even m’n gehoorapparaatjes indoen,” riep zij, en toen wist ik dat ik het niet kon maken om haar het gebruikelijke praatje te onthouden. Nadat ik haar steunkousen had uitgedaan, begonnen we over de gebruikelijke ditjes en datjes. “Wil je misschien iets drinken?” vroeg zij tussendoor en keek me vragend aan. Ik keek vragend terug, wachtend op de opsomming van wat ze mij kon aanbieden. Toen die niet kwam, vroeg ik zomaar opeens: “Heeft u cognac in huis?”

Cognac tegen verkoudheid en griep! Met heet water en een beetje suiker. Ik moest het zelf maar klaarmaken, want mevrouw is niet meer zo mobiel. Ooh, wat was dat lekker! Terwijl ik genoot van de warme gloed, die zich vanuit mijn maag naar al mijn poriën verplaatste, vertelde mevrouw over een vriend, die op wonderbare wijze genezen was van slokdarmkanker. Ook door cognac? Nee, twintig chemo’s en nog een stuk of wat bestralingen. Maar nu is hij er dan ook helemaal van af. Alleen, hij mag geen cognac meer drinken. Ach! Ik hief mijn mok op de gezondheid van die vriend en sneed een ander onderwerp aan: lezen.

Mevrouw was net jarig geweest en had weer een aantal boeken gekregen. Ze leest graag en veel, dat is een zegen als je lichamelijk niet meer zo makkelijk van je plek komt. Wij bleken één gemeenschappelijke interesse te hebben: biografieën. Verder wijken we nogal van elkaar af. Of zij wel eens gedichten las, vroeg ik luid, want inmiddels weer aardig bij stem. Nee, dat deed zij eigenlijk bijna nooit. Hier had het gesprek (tijdelijk) dood kunnen lopen, maar ik had nog een brutale vraag achter de hand. “Heeft u dan ook geen lievelingsgedicht?” Ja, dat had ze toevallig wel en voor ik het wist stond zij op, waarbij haar knieën knarsten als kiezels die barsten onder een traag draaiend karrenwiel.

Ze kwam terug met een bruine map, waaruit zij twee vergeelde en verfomfaaide krantenknipseltjes tevoorschijn haalde, die ze voor mij op tafel legde. “Die had ik ooit eens uitgeknipt, omdat ik dacht: dat zou mooi zijn om op mijn begrafenis te laten lezen.” Hopelijk zullen de mensen die om haar begaan zijn dat ook doen. Ik mocht nu al:

 

03122016b

Read Full Post »