Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2018

 

Wat is het toch heilzaam om een vreemdeling in je huis te hebben! Ook als het geen berooide en getraumatiseerde vluchteling is. De mijne is een jonge Amerikaanse studente, die hier een programma in gender studies volgt. Tegelijkertijd wordt zij geacht een gedoseerde cultuurschok te ondergaan en daar zou ik een rol in moeten spelen. Hmm, dat valt niet mee: we lijken teveel op elkaar. Zij bewoont de academisch-feministische bubble, waar ik zo’n tien jaar geleden mijn thuis had, én we zijn allebei progressief joods met een soft spot voor de orthodoxie. Wat zij van mij kan leren, moet zij maar ergens vertellen; ik ga het nu hebben over iets wat ik van haar ga opsteken.

Gisteravond zaten we samen aan tafel en vroeg ze mij: “How was your day?” Ik moest even nadenken, want eigenlijk had ik alleen maar gewerkt en geslapen. Niets voor op mijn innerlijke Facebook tijdlijn. Met de nodige verontschuldigingen omkleed bekende ik, dat ik, thuisgekomen van een pittige ochtenddienst, even was gaan liggen en vervolgens m’n hele middag verslapen had. “Ah, I always love a good nap!” riep ze, en stopte een sappig brokje gegrilde zalm in haar mond. Ik zag mijn schuldgevoelens over verknoeide tijd lachend verdwijnen in een spiegel van genot. “Please say that again,” smeekte ik en legde haar uit dat ik zelf de neiging heb om mijn middagslaapjes te problematiseren.

“Mmm,” en daar ging weer een hapje zalm, “as a child I never napped. But when I went to high school, I became very good at napping.” Terwijl ik me verwonderde over haar gebruik van het werkwoord “to nap” als een echt werk-woord, voelde ik hoe een oud korstje calvinisme los gepulkt werd en zag ik het roze babyhuidje er al onder vandaan komen. Het zat niet alleen maar tegenover me, ik heb het ook in me!

Toen ik me later die avond ging verdiepen in een mogelijke verwantschap tussen ons ‘uiltje knappen‘ en haar ‘napping‘, kwam ik er achter dat ik niet alleen sta in mijn besmuikte houding tegenover het middagdutje:

Waar komt een uiltje knappen vandaan en wat betekent het?

Een uiltje knappen (vroeger ook: een uiltje vangen) betekent ‘even een (middag)dutje doen’.

De naslagwerken vermelden twee mogelijke herkomsten. Volgens de ene verklaring is met uiltje de vlindersoort uiltje bedoeld. Wie zegt even een uiltje te gaan knappen, beweert eigenlijk dat hij een vlindertje gaat vangen. De uitdrukking is een soort grappend eufemisme: iemand wil niet toegeven dat hij een dutje wil doen, maar doet net alsof hij even weggaat om een vlinder te vangen.

Volgens de tweede verklaring is met het uiltje in een uiltje knappen niet de vlinder, maar de vogel bedoeld. Uilen zijn nachtdieren en slapen dus overdag. Door de gedachte aan de overdag slapende uil kreeg uiltje de betekenis ‘dutje overdag’. Knappen betekent hier dan iets als ‘meepikken’. Dit knappen komt ook voor in de uitdrukkingen een misje knappen en een kerkje knappen. Wie dat doet, wandelt tijdens een kerkdienst de kerk in, luistert een tijdje met een half oor naar wat er gezegd wordt en voldoet zo aan de plicht van het kerkbezoek.

Er zijn nog meer schertsende uitdrukkingen die ‘een dutje doen’ betekenen: een Engelse brief schrijveneen Griekse brief schrijven en een brief aan de koning schrijven. Wie zo’n brief moet schrijven, moet daar echt even zijn aandacht bij houden. Het is dan niet vreemd dat hij zich even terugtrekt …

(van de website van het Genootschap Onze Taal)

Het zal onze volksaard wel zijn.

Nu is het leuke van zo’n vreemdeling tegenover me aan tafel, dat ik zelf eigenlijk ook een reis maak, zolang ik met haar optrek. Een paar maanden lang verplaatsen we ons samen, elk over onze eigen innerlijke weg. Ik stel me voor dat we onze knapzakken voortdurend in- en uitpakken, waarbij alle rommel waaruit onze karakters bestaan telkens anders geordend wordt. Calvinisme onderin, genot bovenop, vandaag. Als ik mijn hand ophoud, valt de dag er zomaar zongerijpt in.

 

 

Read Full Post »

 

Het ‘nachtklaar maken’ was vlot gegaan en mijn rooster stak niet al te krap in elkaar, dus ik kon nog wel even blijven hangen om een praatje te maken. Eerlijk gezegd wilde ik dat in haar geval maar al te graag. Ik kende haar helemaal niet, maar zij glimlachte met zo’n overvolle overgave, dat ik me daar graag zat aan zou willen drinken. Oppassen dus, dat zij mij niet als opdringerig zou gaan ervaren. Rustig aan de andere kant van de tafel gaan zitten, het logboek pakken en doen alsof je aandacht daarheen gaat. Ondertussen schijnbaar achteloos vragen: “Woont u hier al lang?” Het was een luxe flat met aanleunwoningen voor oud-kolonialen.

Nee, pas een paar jaar. Ik aarzelde even: zou ik vragen waar ze hiervoor woonde, of vragen wat ze van deze woning vond? Haar eigen gedachtensprongen waren me te snel af, ze dook meteen, van de hoge duikplank, het diepe in: “Ik denk wel vaker aan de dood.” Toen ik opkeek, was haar glimlach er nog wel, maar zacht als maanlicht. “Omdat ze hier om me heen allemaal komen te overlijden,” vulde zij aan. Hup, daar ging ik ook: “Waar denkt u dan aan? Bent u bang voor de dood?” Nu aarzelde zij, maar kwam boven met: “Nee, niet echt, maar je weet toch niet hoe het zal zijn.” Dat kon ik slechts beamen: “Nee, er is nog nooit iemand terug gekomen om het ons te vertellen.”

Toen vertelde zij het verhaal van haar Javaanse moeder, die heel ziek was geweest, toen ze pas twaalf jaar oud was. Iedereen dacht dat ze al dood was, maar ze kwam weer tot leven en vertelde later vaak over wat zij had meegemaakt aan gene zijde. Daar was het licht van de volle zon, die scheen op een bloemenweide. Een bloemenzee, zo mooi, dat ze uitriep: “Hier wil ik blijven!” Maar toen kwam er een oude man, die haar zei dat ze terug moest gaan naar waar zij vandaan kwam. We knikten naar elkaar: er is meer . . .

En ik vertelde het verhaal van mijn moeder, of liever, het verhaal van het zwarte katje. Het was de zomer van 1992, mijn lief en ik waren op weg naar Roemenië en reden door Oostenrijk, over stille binnenwegen richting Wenen. De weg maakte een bocht en we reden een heuvel af, naar een riviertje waarlangs populieren ruisten. Opeens trapte ik op de rem, want (en dat kón helemaal niet, vanwege het lawaai van de motor!) ik hoorde een poesje miauwen. Vlak voor ons stapte uit de linkerberm een zwart katje de weg op. Het keek me aan met van die grote ogen en bleef maar miauwen. Ik stapte uit en pakte het beestje op, het paste nog bijna in mijn handpalm.

We zetten onze camper vlakbij aan de oever van de beek, een van de mooiste kampeerplekken in mijn herinnering, met reeën die dansten door het rijpe graan, waarachter de zon onderging. Toen gingen we met het katje op de arm naar de dichtstbijzijnde huizen, om te vragen of het daar misschien vandaan kwam. Alle huizen leken verlaten, als op een zondag in de ‘bible belt’. We hebben het poesje bij ons in bed gehouden, die nacht. De volgende morgen trokken we verder en bij de eerste boerderij die we passeerden zagen we een oude vrouw op het erf staan, met een paar kippen en een stel kinderen. Op mijn vraag of zij misschien een idee had waar dat katje vandaan kon zijn gekomen, schudde zij haar hoofd, maar stak haar hand uit en zei: “Op een boerderij is altijd plaats voor een katje.”

Drie dagen later in Wenen belde ik naar het thuisfront om te vragen hoe het met mijn moeder ging, want die lag in het ziekenhuis voor een by-pass operatie. Toen kwam het nieuws dat zij was overleden aan een complicatie, vroeg in de middag, dezelfde middag waarop het zwarte katje ons pad had gekruist. Al heb ik het blijkbaar niet op de bedoelde tijd begrepen, naderhand was het me duidelijk dat het katje van gene zijde op mij toe was gestapt. Ik keek naar de lichtkegel op de keukentafel voor me en herinnerde me een ander verhaal, maar ik besloot het niet te vertellen.

Een paar weken na de begrafenis van mijn moeder kampeerden we ergens in Frankrijk, aan de rand van een uitgegraven vijver, waarin men water bewaarde voor irrigatie. Zwart water, dat deed denken aan een ingang van de Onderwereld. Ik durfde er niet in te zwemmen, al was augustus nog zo heet. Die nacht kwam mijn moeder naar mij toe in mijn droom en vertelde me, nogal zorgelijk, dat “het zwart steeds meer werd” waar zij was. Ik slikte een brok wrok weg, tegen die God van haar, in wie ik toen niet meer wilde geloven, en probeerde haar te troosten. “Verderop op de weg is toch het vaderhuis met de vele woningen?” zei ik en werd wakker, bangelijk blij met mijn vermogen geloof te huichelen, zolang het om iemand anders’ bestwil ging.

Mijn mevrouw en ik praatten nog even verder over hoe haar islamitische moeder altijd zei dat God ‘adil‘ * was. Ze kon het niet vertalen, maar ik begreep dat het godsvertrouwen dat erbij hoorde weinig verschilde van het mijne, wanneer ik Hem nu ‘dayan ha’emet‘ * noem. We zwegen nog even samen. Toen stond ik op, ik moest verder, naar de volgende cliënt. Mevrouw was ‘nachtklaar’, maar bleef nog even in haar pyjama zitten.

 

*  adil in het Javaans zou ‘eerijk’ moeten betekenen – dayan ha’emet  is ‘de ware rechter’.

Read Full Post »